Part 10
Louise echter had den traan gezien dien hij voor haar verbergen wilde en ook zij wendde haastig het hoofd van hem af. Met een soort van afschuw trok zij plotseling haar hand uit die van den resident terug; maar met de eigenaardige scherpzinnigheid der vrouw, bijna op hetzelfde oogenblik gevoelende dat zij verkeerd handelde, volgde zij de eerste gedachte die zich aan haar verwarden geest voordeed en riep lachend:
»Wie van ons beiden het eerst beneden is, Mela!”
Eer iemand nog begrepen had wat er gebeuren moest, was zij reeds met het jonge meisje in het kreupelhout verdwenen, en een oogenblik later vond men haar weer aan den voet van den berg, de beide handen vol klimop, waarmede zij bezig was Melatie op te sieren. Zij bloosde licht toen zij Werner het eerst van het slingerpad zag afkomen, maar zich spoedig herstellende, wierp zij de klimop om Melatie’s hals, liep toen haastig den resident tegemoet en legde haar hand op zijn arm, hem lachend vergiffenis vragende voor de onstuimigheid waarmee zij hem verlaten had. »De gelegenheid was al te schoon,” riep zij spottend, »ik kon den lust geen weerstand bieden om nog eens even kind te wezen. Toe, vergeef het mij maar?”
Hij vergaf het haar en allen vergaven het haar en men werd weer even spraakzaam en vroolijk als van te voren.
Werner alleen bleef stil en afgetrokken. Hij liep met Lina achter aan en deed zijn best om het gesprek gaande te houden, dat grootendeels door Lina alleen gevoerd werd, terwijl hij zich hield alsof hij aandachtig luisterde naar de woorden welke hij maar half verstond. Zij hadden het over planten en bloemen gehad, zij hadden het schoone landschap en de opkomende maan bewonderd, zij hadden gefilosofeerd over het menschelijke leven en gezweefd in de hooge sferen van kunst en poëzie, en toen zij eindelijk te huis kwamen en verblind werden door het schitterend licht der lampen, was Werner verwonderd zich niet meer op den berg te bevinden, waar hij nog altijd een schoone vrouw in verrukking dacht te zien.
Het souper en het theeuurtje waren vroolijker dan ooit. Louise vooral was uitgelaten en haar vreugde was aanstekelijk, want een ongekend gevoel van geluk doortintelde haar boezem. Haar hart, haar gansche ziel, sprak uit haar kinderlijken lach, uit den blos harer wangen, uit den gloed die haar groote oogen nog schooner maakte. De resident scheen betooverd door zijn bekoorlijke Louise, die hij nog slechts éenmaal, op zeker bal waar hij haar voor de eerste maal ontmoet had, zóo gezien had als zij nu was, vroolijk, goedig, ongedwongen, in éen woord gelukkig! Ook mijnheer en mevrouw di Frama, Lina van Wageningen en Melatie deelden in Louise’s vreugde en gevoelden zich aangetrokken en meegesleept door een geluk dat zoo duidelijk uit elk woord, uit elken blik, uit elke beweging sprak. Zelfs Werner vergat zijn »schoone vrouw in verrukking” voor de lachende Louise, wier eigenaardige wijze van verhalen, fijnheid van opmerking en gevatheid in het antwoorden, hem tusschenbeide tranen deden lachen.
Nog nooit had men op Felicità zulk een genoegelijken avond doorgebracht; allen waren even opgeruimd en tevreden geweest, niemand had er aan gedacht dat het reeds bij twaalven was. Toch moest Lina nog zingen, had Melatie nog niet gedeclameerd, was de quatre-mains van Louise en Melatie nog niet aan de beurt geweest en had de viool van Werner nog geen toon doen hooren. Maar het was nu veel te laat geworden om al die goede plannen ten uitvoer te brengen, welke men in den vooravond gemaakt had; daarom werd er besloten dat Lina nog eens even zou zingen en dat het overige gedeelte van het programma tot morgen zou worden uitgesteld.
Werner accompagneerde Lina op de piano en Melatie sloeg de bladen om. De resident had om een »vroolijk deuntje” gevraagd en het was een vroolijk deuntje dat zij gezongen had, maar nauwlijks waren de laatste tonen met een daverend applaudissement begroet geworden, of Werner greep een stuk muziek van de piano en verzocht Lina het te zingen.
Reeds bij de eerste tonen verdween de lach van Louise’s gelaat, de resident zweeg en mijnheer en mevrouw di Frama zagen elkander aan, met een onmiskenbare uitdrukking van bewondering en welbehagen.
Het was het groote air uit de Freischütz, dat Werner uitgekozen had, en dat Lina met een kalmte, met een eenvoud aanhief, die Louise de tranen in de oogen riep. Nog zelden had Louise goede muziek gehoord en nooit was die goed uitgevoerd geworden te Samarang, waar men in het geheel geen opera en slechts een paar weinig beteekenende concerten in de laatste jaren gehad had. Geen wonder dat de zuivere, krachtvolle stem, die de jonge gouvernante, met zooveel kunst en smaak wist te leiden, een diepen indruk op Louise maakte. Medegesleept door haar gevoel hing zij met haar gansche ziel aan de ongekende heerlijke tonen, die haar betooverden, verrukten en tot een soort van extase opvoerden, waaruit men te vergeefs poogde haar in de werkelijkheid terug te brengen. Zij lachte door haar tranen heen, hijgde, beefde en antwoordde zóo koortsachtig, zóo gejaagd, zóo verward op alle vragen, dat de resident haar met zijn gewone onbegrijpelijkheid uitlachte, en verwijtingen deed, die zij niet scheen te verstaan.
Lina begreep terstond wat er in de fijngevoelige ziel der jonge vrouw omging, en vreezende voor een overspanning, die haar diep geschokt zenuwgestel niet langer scheen te kunnen dragen, gaf zij Werner een wenk en begon een dier melodieuse, weemoedige liederen te zingen, die in Duitschland alleen te huis schijnen te behooren.
Louise lachte eerst, maar langzamerhand werd die lach kalmer, droeviger, totdat hij eindelijk in een luid snikken wegstierf.
Toen greep Lina een dier nietsbeduidende, brilliante fransche opéra-comique aria’s, geschreven voor een stem en niet voor een ziel, en zong die met een vlugheid, lichtheid, stoutheid, die haar kunst op eens met die van een clown of acrobaat gelijk stelde.
Louise volgde dien ongekenden »wonderzang” met de verbazing van een kind, en klapte schaterend in de handen, toen de laatste noten als door een vogelenkeel waren uitgestoten. »Bravo! Goed zoo, juffrouw Van Wageningen. Mijn hemel welk een stortregen van nootjes hebt gij daar in een oogenblik op ons neergeworpen,” riep zij hartelijk lachend.
Lina lachte ook, zij had haar doel bereikt. En toen de huisgenooten een oogenblik later scheidden, om zich ter rust te begeven, reikten Lina en mevrouw Stevens elkander met een wederzijdsch gevoel van genegenheid en dankbaarheid de hand.
Den volgenden morgen vertrok Werner. En vreemd, Louise vond niets meer zóo mooi, zóo bekoorlijk, zóo aantrekkelijk als gisteren. Maar het regende ook en mogelijk scheen daarom alles grijs en donker. Dien avond vielen alle musicale en andere plannen in duigen door een bezoek van dokter Heisterman.
»Een goede, vervelende man,” dacht Louise, toen zij den eenvoudigen filantroop zag binnenstappen.
»Een slachtoffer van schoonheid en fortuin,” dacht de dokter, het jonge vrouwtje met zijn scherpen blik doorgrondende.
Het gesprek liep over allerlei onverschillige onderwerpen, totdat Melatie op eens vroeg: »Dokter, hebt gij wel eens Zanoni gelezen, van Bulwer?”
»Ja, lange jaren geleden,” antwoordde de dokter somber. »Viola!—Juffrouw Van Wageningen, hebt gij ooit iemand gekend die Viola heette?”
»Een mijner nichten moet zoo geheeten hebben, maar ik heb haar nooit gekend.”
»Blond—slank—schoon als de dag en goed als een engel!” Hij zweeg een oogenblik en vervolgde toen zachter:
»Was het uw vader niet die innig veel van haar hield?”
»Ja. Maar zij is jong gestorven. Zij hield van een ander....”
»Die ander ben ik. O veracht mij niet, want ik heb veel geleden!”
Lina’s verbaasde oogen bleven den dokter aanstaren alsof zij het verledene op zijn gelaat wilde lezen. »Gij dokter?” vroeg zij eindelijk. »O! dat hadt gij mij niet moeten zeggen....”
De dokter greep hare hand en fluisterde: »Ik zal u alles schrijven.... Gij gelijkt haar naar het uiterlijke, gij moet haar ook gelijken in uw binnenste!”
Toen stond hij op, nam afscheid en ging heen.
Een dag later ontving Lina den beloofden brief.
TWEEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
EENIGE BLADZIJDEN UIT HET LEVEN VAN DEN DOKTER
Ik heb eens een hond gehad; een leelijk mager dier, met steile ooren en een wonderlijken staart, dat geen enkel kunstje doen kon, verbazend veel at en tegen mijn beste vrienden blafte.
Toch hield ik van het domme dier en noemde het, wanneer ik in een goed humeur was, »mijn lieve engel met een staart.”
Wanneer mijn vrienden dat hoorden, lachten zij mij uit en dachten, geloof ik, dat er een van de vijf bij mij aan het dwalen was. Tusschenbeiden vond ik zelf iets overdrevens in mijn bewondering van al wat leelijk was, en dan schopte ik Seraf de deur uit, om hem te toonen dat niets hem het recht gaf de eerste plaats in mijn hart te bekleeden. Maar verliet ik éen uur, twee uur, drie uur later mijn kamer, dan waren het altijd Serafs’ trouwe oogen die mij het eerst weer tegenlachten, en, uit medelijden of bewondering, mijn lieveling werd weer in genade aangenomen in het heiligdom waaruit ik hem verstooten had.
Ik heb vele menschen met mooie oogen gekend, enkelen zelfs met lieve oogen, nooit heb ik iemand met zulke goede, trouwe oogen gezien, als mijn zielsvriend Seraf had. Daar lag iets in dat mij wonderlijk maakte, iets dat ik nooit in andere oogen weergevonden heb. Weet gij wat? Neen, gij kunt het niet weten, want ik weet het zelf niet. Toch wil ik trachten, u een denkbeeld te geven van den invloed van die oogen op mijn dwazen geest.
Eens was ik op een Zondagmorgen, door een stortregen naar de kerk geweest, op hoop van onder het zingen een blik van Julia op te vangen, of bij het uitgaan een handdruk van Mathilde te krijgen. Noch Julia noch Mathilde had mij opgemerkt. Natuurlijk was ik buiten mij zelven van kwaadheid. Een parapluie die droop, een jas die droop, een broek die droop, een paar laarzen dat »tjiek” zei bij elken pas dien ik deed, niets dan een paar drooge schouders en een drooge hoed, waarvan ik den rand gedeukt had tusschen duim en voorsten vinger. De sleutel van de voordeur vergeten! Gescheld! De bel kapot getrokken! Geklopt, getrapt, gestompt, tegen die beroerde deur, die doof scheen! Dat was genoeg om den zachtsten mensch der wereld uit zijn vel te doen springen.... Dát deed ik niet eens.... maar ik nam mij voor....
De deur ging open!
Met een tienmijlsvaart stoof ik den gang door, mijn kamer in; de parapluie op tafel, de bijbel in de prullenmand, mijn hoed, mijn laarzen, mijn jas, mijn handschoenen, alles danste de kamer door.
Een noodkreet! Seraf huppelde jankend weg en sprong op de vensterbank, vanwaar zijn lieve oogen mij vriendelijk tegenlachten, terwijl hij een zijner vierkante pooten omhoog hield, en zijn wonderlijke staart de gordijnen heen en weder wuifde.
Dadelijk was ik bedaard.
Waarom weet ik niet, maar ik geloof dat ik mij schaamde omdat Seraf mij zóo goedig aankeek.
Bij mijn binnenkomst was hij mij verblijd te gemoet gesneld; hij had mij geliefkoosd, gelekt, alle beleefdheden aangedaan, die een meester met mogelijkheid van zijn hond verlangen kan, en tot eenigen dank had ik hem een laars tegen een zijner pooten gesmeten!—Het domme dier was gekwetst, het had pijn, toch bleef het nog vriendelijk zwaaien met zijn staart en keek het mij zoo smeekend aan met zijn goede, trouwe oogen, dat gij of een ander, zonder iets van mijn rampzaligen kerkgang af te weten, gedacht zoudt hebben, dat hij de beleediger en ik de gekwetste geweest was.
Dat zult gij mogelijk een laagheid van hem vinden? Ik niet. Wij hadden beiden tegenspoeden gehad, ik twee kleintjes en hij éen groote. Ik had geraasd en getierd als een dwaas, hij was zichzelven gelijk gebleven en had zijn vriend vergeven.
Waarachtig, ik schaamde mij voor mijn hond, want ik gevoelde mijn minderheid....
Eerst wilde ik het niet erkennen. Een mensch is trotsch. Ik vischte mijn bijbel uit de prullemand, raapte mijn kleeren bij elkaar.... later heb ik het toch erkend!
Ik ben eens geëngageerd geweest: zes weken lang! Viola heette mijn meisje. Zij was een wees, jong en schoon en natuurlijk een engel. Veel geest had zij niet naar het scheen, maar wel veel geld en vele aanbidders. Mij had zij uitverkoren boven allen, omdat zij mij liefhad en haar geheele ziel behoorde aan haren »goeden genius” (dat was ik).
Nooit in mijn leven heb ik zooveel van iemand gehouden? Viola! Viola! Altijd Viola! Overal Viola! Meer dan veertien dagen lang was ik letterlijk suf van geluk! Ik kon niet lezen, niet werken, niet denken, niet spreken zelfs, als het niet over Viola was. Ik vergat alles, mijn Seraf, mijn studies, mijn vrienden, mijn zieken, alles, alles!—Liep ik de stad door, dan zag ik Viola overal, op de pleinen, in de straten, in de huizen, op den kerktoren, in de sneeuwvlokken die neerdaalden. Overal, overal, elk paard, elk kind, elk muschje, zag ik door de golvende lokken van Viola heen!
Nooit van mijn leven ben ik zoo gauw van een liefde genezen geweest. Ik geloof dat ze uitgeput was. Ik had te veel aan Viola gedacht, te veel naar haar gezien, te veel over haar gesproken.... Zij verveelde mij.
Mijn engagement woog mij zwaar op het hart, het moest verbroken worden; ik kon Viola niet meer uitstaan! Ik berispte haar over alles; bespotte haar wanneer zij mij haar »goeden genius” noemde, vergat haar invitaties, verscheurde haar brieven, beantwoordde ze een dag te laat, of verloor ze in haar bijzijn.
Niets hielp. Viola bleef altijd zacht en goedig. Wel werd zij stiller en bleeker en verloor zij haar gullen lach; eens zelfs geloof ik dat haar oogen vochtig waren, maar zij zeide niets, klaagde nooit, deed mij geen enkel verwijt.
Dat was iets onverdragelijks!
De eene helft van den dag liep ik mij suf te denken op honderde kleine grieven en hatelijkheden, die ik haar de andere helft van den dag zou aandoen. Zij verdroeg alles, bleef zwijgen en scheen mijn bedoeling niet te begrijpen.
Die domheid maakte mij wanhopig! En eindelijk, een kloek besluit nemende, greep ik papier en pen en zette mij tot schrijven neder.
»Hartelijk geliefde Viola!”
Wat de gewoonte doet! En ik ging haar zeggen dat mijn liefde voor haar versleten was!... Weg met dat briefje! Een ander:
»Beste Viola!”
»Mijn liefde voor u is in de laatste dagen zoo zeer verflauwd, zoo zeer....”
Nonsens! Dat klonk immers niet! Maar wat dan? Wat dan?.... Wacht....
»Viola!”
»Er kan, er mag geen liefde meer bestaan tusschen ons. Vraag mij naar niets, want het is mij niet mogelijk u iets meer te zeggen.—God geve ons kracht om dezen zwaren slag met onderwerping te dragen.”
»Uw goede Genius,” had ik bijna gezet, maar ik bedacht mij nog in tijds en zette eenvoudig
»Dr. E. Heisterman.”
Ik las nog eens:
»Viola!
»Er kan, er mag geen liefde meer bestaan tusschen ons. Vraag mij naar niets, want het is mij niet mogelijk u iets meer te zeggen. God geve ons kracht om dezen zwaren slag met onderwerping te dragen!”
»Dr. E. Heisterman.”
Dat had ik knap gedaan! Ik begreep zelf niet hoe ik het zóo verzonnen had!—Een engagement te verbreken zonder uw meisje te beleedigen, zonder haar te zeggen dat gij geen liefde meer voor haar hebt, zonder haar zelfs het recht te geven, u rekenschap van uw handelingen te vragen. Ik beken het ronduit, ik was verstomd over mijn eigen vindingrijkheid! En ik was zoo trotsch over mijn kort en bondig epistel, dat ik zonder handschoenen, zonder stok, zonder hoed zelfs, op mijn pantoffels de deur uitvloog om het naar den post te brengen.
Voor het eerst zag ik Seraf dien avond weer. Het was mij alsof ik het goede dier in geen zes weken gezien had.... Ik vond hem nog magerder, nog leelijker geworden,—nog vriendelijker als het kon.
Had ik hem inderdaad niet gezien in al dien tijd?—Maar hij was toch in huis geweest.... Wie had hem dan verzorgd, gevoed, gestreeld, zooals ik gewoon was te doen?—Niemand?—Dat kon niet zijn!—Ik zelf misschien, nu en dan eens, machinaal, uit pure gewoonte zonder zelf te weten wat ik deed.
Mijn geheugen kwam mij eindelijk te hulp en bevestigde mij in die meening.
Arme Seraf!
Dien avond gaf ik hem een extra kluifje, toen had hij mij niets meer te verwijten.
Den volgenden morgen ontving ik eenige kleine geschenken terug, die ik Viola gedurende de zes weken van ons engagement gegeven had. Er was een muziekboek bij, waaruit wij samen gezongen hadden..... een portretje van mij, waarop zij aan de achterzijde geschreven had: »Mijn goede Genius E. H.,” en een pakje brieven van mij, dat ik verbrand heb zonder er een van na te willen lezen.
Geen lettertje van haar!
Eén dag, twee, drie dagen waren verloopen, en nog geen briefje van Viola?—Dat had ik niet verwacht. Ik had niet gedacht dat zij zou lang zonder mij had kunnen leven. Ik had een smeekschrift verwacht, of een brief met harde woorden. Maar niets, in het geheel niets. Daar had ik niet op gerekend! Dat was waarachtig een teleurstelling voor me! Ik was beroerd, ik verveelde mij! Den vierden dag reeds sloeg ik Seraf, omdat ik kwaad was op Viola, toen ging ik naar een bal en danste tot den morgen.
Een mijner vrienden vroeg mij naar »mijn meisje”. Ik had den moed niet hem te zeggen door welk meesterstuk ik een eind aan mijn engagement gemaakt had.
»Wèl, heel wèl,” gaf ik hem stotterend ten antwoord. »Ik heb haar sedert gisteren niet gezien.”
Het was de vierde dag reeds na mijn briefje.
Een mensch doet dikwijls iets wat bij van daag goed vindt, maar morgen niet bekennen wil!
Zóo verliep de eene dag na den andere, zonder mij eenige tijding van Viola te brengen.
Eerst had ik alle concerten, comedies en partijen nagejaagd; ik was zelfs verder gegaan en had geluk gezocht overal waar verstrooiing, verdooving, vergeten, te vinden was. Doch nergens had ik voldoening gevonden en mijn vrienden hadden zoo den spot gedreven met mijn vervlogen liefde voor Viola, dat ik geëindigd was met naar mijne kamer terug te keeren en mij, even als ik gedurende de zes weken van mijn engagement gedaan had, geheel van de buitenwereld af te zonderen.
In die dagen kwam een oud-oom mij bezoeken.
Hij feliciteerde mij met mijn engagement en verzocht mij dringend om hem, zoo spoedig mogelijk, aan Viola voor te stellen, van wie hij, door mijn brieven, zoo veel goeds en liefs gehoord had.
Ik had hem twee maanden geleden het laatst geschreven.
»Mijn engagement is af,” zei ik kregel, Seraf een schop gevend, omdat ik mijn oud-oom niet schoppen kon.
»Af!”
De goede man stikte haast in dat woordje.
»Ja,—oom—af!”
Toen moest ik een predicatie slikken van meer dan een half uur lang, die daarop neerkwam dat ik een ezel zijn moest om een engagement met een schatrijk meisje, dat mooi en goed was en mij lief had boven alles, te verbreken zonder reden!
»Zonder reden!”
Ik dacht dat het mijn oud-oom in zijn hoofd scheelde.
»Gij hadt er het recht niet meer toe.”
»Het recht!”
Ik proponeerde mijn oud-oom een wandelingetje buiten de stad, om hem wat tot bedaren te brengen.
Seraf moest thuis blijven omdat hij gaarne mee wilde.
Die wandeling was vrij vervelend.
Oom zeide niets. Ik neuriede een deuntje en sloeg met mijn stok elk voorwerp dat ik voorbij liep; eens onder anderen, een kind dat ik met een cent tot zwijgen moest brengen omdat het »Vader!” en »Moeder!” gilde.
Viola!
Mijne knieën knikten—het bloed stolde mij in de aderen—mijn hart hield op te kloppen.
Viola!... De laan inkomende, voor ons, vijftig, veertig schreden van ons af,—mager, bleek, gebogen, leunend op den arm van haar gezelschapsjuffrouw.
Zij zag op. Hare oogen ontmoetten de mijnen. Ook hare knieën knikten, ook haar stolde het bloed in de aderen, ook haar hart moet een oogenblik opgehouden hebben te kloppen.—Ik zag het. Zij beefde en verbleekte nog meer. Doch zij herstelde zich, hief het hoofd op en zag mij aan alsof zij in het diepst van mijn ziel wilde lezen.
Er lag zoo iets lijdends en toch zoo iets onbeschrijfelijk fiers en edels in dien blik, dat ik mijn oogen neersloeg en, met de hand aan den rand van mijn hoed, bleef staan, zonder de kracht te hebben haar te groeten.
Zij was voorbij.
Dien avond bekende ik mijn oom dat hij gelijk had, dat ons engagement nooit verbroken had moeten worden.
Ik smeekte hem mijn voorspraak bij Viola te wezen, haar te zeggen wat hij wilde, maar niet te rusten vóor zij mij vergeven zoude hebben.
Hij ging. Het was op een Maandag morgen. Ik zie hem nog, met zijn dikken stok en zijn wijden overjas. Seraf en ik stonden voor het raam hem na te oogen.
Hij bleef een uur uit, op de minuut af. Dat is het langste uur van mijn leven geweest.
Ik lachte toen ik hem eindelijk terug zag komen, over het smalle gele brugje tegenover mijn huis.
Hij lachte niet.
Ik snelde hem te gemoet.
Hij duwde mij naar binnen. Hij had een briefje in de hand, geschreven door Viola! Ik greep er naar, maar hij trok het terug, stapte mijn kamer binnen, wierp zich neder op mijn eenige fauteuil en plaatste, langzaam als oude menschen, zijn stok tusschen zijn beenen, zijn hoed er op, zijn handschoenen daarop.... Ik greep de heele pyramide en wierp haar op tafel.
»Eduard,” begon hij, »ik geloof dat gij een gevaarlijk spel gespeeld hebt met de eenige vrouw, die u mogelijk ooit oprecht heeft liefgehad....”
»Dat briefje, oom!—In Gods naam, geef mij dat briefje!”
»Nog niet. Luister eerst. Viola is ongesteld—zij lag te bed toen ik mij liet aandienen. Zij is opgestaan op het hooren van uw naam en beneden gekomen om mij te woord te staan. Ik heb haar gezegd wat ik wist en haar gesmeekt u uw dwaling te vergeven, u verontschuldigende zooveel in mijn vermogen was. Zij heeft mij aangehoord ten einde toe, en toen ik zweeg, heeft zij mij de hand gereikt, met de woorden: »Gij zijt goed, mijnheer Van Ranzen. Ik dank u voor hetgeen gij voor mij gedaan hebt. Maar ik heb te veel van Eduard gehouden om nu nog gelukkig met hem te kunnen zijn. Hij heeft zelf ons engagement verbroken,—laat het zóo blijven, het is goed zóo.” Ik kon haar geen ongelijk geven. Toch vroeg ik haar nog: »Maar indien gij zóoveel van hem gehouden hebt, gevoelt ge nu dan niets meer voor hem?”—»Niets dan angst,” antwoordde zij zacht. »Ik begrijp hem niet meer, ik versta hem niet meer, ik ken hem niet meer, hij is mij vreemd geworden.” Ik stond op om heen te gaan. »Neen, nog niet,” vroeg zij smeekend, mij naar mijn stoel terugwijzend. »Gij hebt nog wel een oogenblikje tijd, niet waar?—Ik wil hem schrijven—zelve—dan kan hij niet meer twijfelen.” Zie hier hetgeen zij, in mijn bijzijn, voor u geschreven heeft.”
Ik wierp mij met een kreet op het briefje, scheurde het mijn oud-oom uit de hand, en had weer hoop zoodra ik het schrift mijner Viola herkende.
Zij had te veel van mij gehouden, zij moest mij vergeven, indien ik het wilde.
Zie hier wat ik las:
»Waarde Heisterman!”
Ik had simpeltjes »Viola” gezet, dat begin was beter dan het mijne.
»Waarde Heisterman!
»Er ligt een geheim of een onwaarheid tusschen ons, misschien een misdaad. Ik heb u liefgehad zoolang ik u vertrouwde, maar mijn vertrouwen is weg, en uwe liefde is niets meer voor mij.
Viola.”
En het was Viola, Viola zelve, die mij zulk een briefje schreef! Ik kon mijn oogen niet gelooven! Ik herlas het, bekeek het, betastte het, herlas het weder. Eindelijk geloofde ik. Toen zonk ik luid snikkend op een stoel, terwijl het briefje uit mijn handen gleed. Seraf hapte er naar en zette er een poot op, maar mijn oud-oom nam het hem af en vroeg:
»Mag ik?”
Ik knikte toestemmend.
Hij las het en gaf het mij weder, zeggende:
»Dat meisje heeft gelijk. Zij is ook veel te goed voor u.”
Hij wendde het hoofd van mij af, greep zijn hoed, vergat zijn stok, en liep met zijn handschoenen in de hand, de deur uit.—Toen hij het raam voorbij kwam, meende ik een traan in zijn rechteroog te zien.