Part 11
Mijn oud-oom was een braaf, rechtschapen man, een van die zeldzame menschen, die met opgeheven hoofd en vasten tred het leven doorstappen, van de wieg tot het graf, zonder ooit te wijken of te buigen, brekende al wat den rechten weg verspert, vertrappende al wat kruipt of naar beneden trekt; een van die bijzondere menschen voor wien een booswicht beeft, voor wien een braaf mensch zijn minderheid erkent.
Geen wonder dus dat zijn woorden mij geweldig hinderden. Terstond na zijn vertrek gevoelde ik dat hij gelijk had. Viola was te goed voor mij! Maar juist omdat zij te goed voor mij was, en omdat zij mijn liefde versmaadde, had de hare waarde voor mij verkregen, en zwoer ik bij mij zelven dat zij eenmaal de mijne zou zijn!—Vroeg of laat zou Viola mij toebehooren! Nooit zou een ander eenig recht verkrijgen op de vrouw, die mij eenmaal uit liefde alleen, haar gansche leven beloofd had!
Vroeger had ik haar om mijnentwille liefgehad, omdat ik iets aangenaams, iets streelends vond in het denkbeeld van over iemand te heerschen, die mij als een vriend, een beschermer, een voorbeeld, een volmaaktheid beschouwde, en zelve als het ware niet leefde, niet bestond dan door haar grenzenlooze liefde voor mij.
Nu gevoelde ik dat Viola zich aan mijn heerschappij onttrokken had, dat zij zich boven mij verheven achtte, dat zij mij haar liefde niet meer schenken wilde. En het was om harentwille dat ik haar lief begon te krijgen!
Viola, goedig, zacht, aanhalig, vriendelijk, eenvoudig, de Viola van vroeger, voor wie ik een afgod was geweest, had ik als mijn eigendom beschouwd, als een bezitting, waarop geen ander ooit eenige aanspraak zou kunnen maken.
De fiere, onbuigzame Viola van thans, was vrij. Zij gevoelde haar onafhankelijkheid, en verkoos die boven alles, zelfs boven den man, dien zij eenmaal zoo innig, zoo waarachtig lief had gehad.
Welk een triumf voor mij, dien trots, dien hoogmoed, te doen buigen voor mijn wil!
Mijn eerste bezoek den volgenden morgen was bij Viola.
Ik kreeg belet.
Ik plaatste mij onder een boom tegenover hare woning en bleef daar staan, vijf uren lang, met het oog op het venster van haar kamer gericht.
Ik had gehoopt dat zij uit zou gaan; maar zij vertoonde zich niet.
Tegen drie uur begon het te regenen, en ging ik naar huis.
Den volgenden dag herhaalde ik mijn poging. Ik kreeg weer belet en bleef eenige uren onder den bewusten boom staan, zonder iets van Viola te bespeuren.
Veertien dagen waren er op die wijze voorbij gegaan, toen ik eens, om drie uur naar huis terug keerende,—ik was altijd op het uur van mijn eerste regenbui naar huis gegaan—achter mij hoorde hoesten.
Ik zag om en herkende Viola!
Zij kwam uit een zijstraat en leunde op den arm van haar gezelschapsjuffrouw. Zij was nog bleeker, nog magerder dan de laatste maal dat ik haar gezien had. Hare oogen waren grooter geworden, haar lippen smaller, haar houding gebogener, haar gang langzamer, zij hoestte.....
Zij had mij niet gezien. Eerst toen zij naast mij was gekomen, zag zij mij, bloosde even, wendde het hoofd van mij af en vervolgde haar weg naar huis.
Veertien dagen lang had ik gehoopt haar te zien, had ik slechts éen wensch gehad: haar te spreken! Nu eindelijk zag ik haar, vóor mij, naast mij..... En ik zei niets.... geen woord.... Ik zag haar de stoep opgaan, aanschellen, binnentreden....
De deur sloeg dicht.
Van dien dag af staakte ik mijn pogingen om door haar ontvangen te worden en ging ik eerst tegen het vallen van den avond onder den boom tegenover het venster staan.
Dan zag ik licht door de reten van de luiken schijnen. Maar het licht verdween elken avond wat vroeger.... totdat eindelijk alles duister bleef.
Zou Viola ongesteld wezen, zwaar ziek, stervende mogelijk?
Ik schelde aan.
De gezelschapsjuffrouw deed mij open.
»Viola wacht u. Ga binnen.”
Mijn God, welk een geluk! Ik had wel aan de voeten van de juffrouw neer willen zinken om haar te danken voor die woorden. Maar Viola wachtte mij. Zij vergaf mij dus, zij zou de mijne zijn, zij behoorde mij reeds toe!
En, zonder naar de juffrouw om te zien, stapte ik haar voorbij om bezit te nemen van mijn eigendom.
Viola!
Het was mij alsof de aarde onder mijn voeten wegzonk en de hemel over mijn hoofd in donkere golven voortrolde.
Viola in die diepte!
Viola op die golven!
Een oogenblik was alles duister.
»Dank je Eduard!”
Die bekende lieve stem, die zachte handdruk riepen mij in de werkelijkheid terug.
Viola lag op een zwart fluweelen canapé, haar oogen rustten op de mijnen, haar lippen lachten.
Mijn God, welk een blik en welk een lach waren dat!
Wat ik op dat oogenblik gevoelde, weet ik niet: het was mij alsof er niets meer bestond, niets dan mijn eigen ziel en die leed geweldig!... Hoe ik geknield naast de canapé ben gekomen, weet ik ook niet. Ik herinner mij niets meer van dat bezoek dan dat Viola’s stem mij in de ooren klonk en dat ik woorden gehoord heb die mij altijd bijgebleven zijn.
»Verwondert het u dat ik sterf, Eduard?... Maar gij wist immers dat ik zonder u niet leven kon...
»Uwe liefde was mij een levensbehoefte geworden... dit weet gij.... En toch hebt gij mij uwe liefde ontnomen....
»Toen uw oom mij spreken kwam, had ik bloed opgegeven.... De dokter had mij gezegd dat ik genezen kon, indien ik naar Italië of het Zuiden van Frankrijk wilde gaan.... Maar ik was hier te gelukkig geweest... ik kon mijn stadje niet verlaten. Ik gevoelde toch dat ik sterven moest. En ik wilde sterven waar ik u had liefgehad...”
Wat ik haar gezegd heb weet ik niet, maar zij antwoordde:
»Neen Eduard, gij zijt jong, gij zijt gezond en sterk, het leven moet nog lang voor u zijn. Uwe toekomst kan nog zóo schoon, nog zóo gelukkig wezen! En wat kunt gij nog veel goed doen, nog veel nut stichten in de wereld....
»Vergeet mij niet, Eduard!.... En wanneer gij weer een vrouw zult zien, die gij schoon vinden, die gij lief hebben zult, denk dan nog eens aan de arme Viola, en beloof haar uw liefde niet, wanneer gij haar later te leur zoudt kunnen stellen....”
Verder herinner ik mij van dien avond niets meer, dan dat ik, t’huis komende, Seraf bij ongeluk op zijn staart trapte en hem toen met tranen in de oogen een zoen gaf.
Nog nooit had ik zooveel van Viola gehouden.
Arme Viola!
Tweemalen ging ik haar nog bezoeken. Zij had mij alles vergeven. Toen ik de derde maal kwam, stond zij geheel gekleed in het midden van de kamer.
O, dien dag vergeet ik nooit!
Ik zie haar nog, met haar licht blauw gewaad, met haar goudblonde lokken en haar lieven zachten lach.
»Eduard!” riep zij, zoodra zij mij zag. »O, mijn God, wat maakt gij mij gelukkig! .... Ik vreesde dat gij niet komen zoudt.... niet dadelijk.... en morgen....”
»Ik verwachtte u, zoo als gij ziet,” viel zij zich zelve in de rede, mij op de blauwe japon wijzende, die ik haar vroeger het liefst zag aan hebben. Toen kwam zij mij eenige schreden te gemoet, wierp zich op eens in mijne armen, zag mij aan met een hemelschen blik, klemde zich vast om mijn hals en zeide fluisterend:
»Ik sterf, Eduard!”
Dien nacht heb ik gewaakt bij het lijk van mijn arme Viola.
Drie dagen was ik radeloos. Toen haalde ik mijn balkleeren uit de kast en reed in een galakoets naar ’t kerkhof, om bij de ter aardebestelling van Viola’s stoffelijk overschot tegenwoordig te zijn.
We waren met ons vieren. De dominé bij wien zij aangenomen was, de dokter die haar gedurende haar ziekte behandeld had, haar neef Van Wageningen en ik.
Ik had Van Wageningen eens ontmoet. Het was eenige maanden geleden geweest, bij Viola aan huis, toen ons engagement pas publiek was geworden. Hij was opzettelijk in de stad gekomen om haar geluk te wenschen, en toen ik aan hem voorgesteld werd, had hij mij de hand gereikt met de woorden:
»Mijnheer Heisterman, gij zijt gelukkiger geweest dan ik. Zij heeft u boven mij verkozen, God geve dat gij haar keuze rechtvaardigen zult.”
Hij had toen een zeer gunstigen indruk op mij gemaakt, zoo zelfs dat ik over Viola’s smaak, alle eigenliefde op zij gesteld, eenigszins verwonderd was geweest.
Wij zagen elkander een oogenblik zwijgend aan; toen kwam hij naar mij toe, reikte mij de hand, over Viola’s doodkist heen, en zei met een doffe halfgesmoorde stem:
»Ik had haar moordenaar een eeuwigen haat toegedacht, maar zij heeft hem vergeven.... Geen vijanden moeten het zijn die de laatste eer bewijzen aan haar, die niets dan liefde kende.”
Ik weet niet wat mij op dat oogenblik bezielde. Ik verloor op eens alle zelfbeheersching, beefde, waggelde, zag niets meer en zonk ter aarde.
Toen ik weder tot mij zelve kwam, lag ik in mijn eigen kamer, in mijn bed. Van Wageningen zat naast mij over een courant te staren.
Van toen af is hij mijn vriend geweest.
Ik had Seraf, dacht mij, in lang niet gezien.
Ik riep hem.—Hij kwam niet. Mijn vriend ging hem zoeken. Hij vond hem niet. Ik vroeg mijn oppasser of hij ook wist waar Seraf gebleven was. Hij wist het niet.
Niemand, die in al die dagen aan mijn armen Seraf gedacht had! Ik zond mijn oppasser uit om hem te zoeken en beloofde hem een goede fooi, wanneer hij mij mijn getrouwen vriend terug zou brengen. De oppasser hield niet van Seraf, omdat mijn kleeren meestal vol lange witte hondenharen zaten.
De gordijnen van mijn bed bewogen aan den kant van den muur.
»Wat is dat?”
Van Wageningen sprong op om het te onderzoeken.
»Seraf!”
Seraf kroop over den vloer langs den muur, tot bij den stoel waarop mijn vriend gezeten had. Dáar bleef hij een oogenblik onbewegelijk liggen. Toen richtte hij zich met moeite op en wilde met zijn voorpooten tegen het ledikant opstaan, zoo als hij gewoon was dit elken morgen te doen om mij te wekken. Maar zijne pooten gleden uit, en, zwaar als lood, zonk het arme dier op den vloer.
Ik sprong dadelijk uit mijn bed en ging op mijn knieën naast hem liggen.
Goede Seraf! Hij kreunde van vreugde, kwispelde met zijn staart, lekte mij de handen en wierp mij een van die lange, diepe, gevoelvolle blikken toe, zoo als hij alleen ze bezat.
Ik streelde hem, nam hem op, verwarmde hem in mijn armen, lei hem in bed.... Hij drukte zich krampachtig aan mij vast, kroop al dichter en dichter tegen mij aan, verborg zijn kopje in de plooien van mijn mouw, kreunde, zuchtte, richtte zich op, lekte mijn hand, zag mij aan, rekte zich uit en stierf.
Ik herinner mij niet, ooit zoo geweend te hebben als dien dag.
De oppasser kwam de kamer in.
»Ik heb den hond niet gevonden, meneer!”
Ik verstond hem niet.
Mijn vriend gaf den man een wenk om heen te gaan.
»Wat is er?—Wie is daar?” vroeg ik plotseling.
»Ik, meneer.”
»Wie zijt gij?—Wat moet gij?”
»Seraf....”
»Zoo, zijt gij het! Wat heeft die hond gescheeld?” vroeg ik bevend van toorn, den oppasser verdenkende van hem vergiftigd te hebben.
»Ik weet het niet, meneer. Hij heeft immers al sedert een dag of drie niets willen eten of drinken. Het heeft mij wel verwonderd dat meneer, die zoo veel van hem hield en hem den heelen dag bij zich op de kamer had, zag dat hij ziek was, en hem niets gaf om hem beter te maken....”
Het was dus mijn schuld dat ook Seraf gestorven was!
Een vreeselijke mélancholie overviel mij. Ik werd zwaar ziek. Mijn vriend verliet mij geen oogenblik.
In die ziekte heb ik een visioen gehad, een droom zou een ander zeggen, ik noem het liever een visioen.
Ik was op den top van een berg en de grond waarop ik stond bewoog, was glibberig en rookte. Zware donkere wolken rolden met een spookachtig dof gedruis door elkander en duwden mij voort met een kracht waaraan ik geen weerstand kon bieden. Eerst ploften zij mij in een peillooze diepte, waarin ik duizelend ronddwarrelde als een stofje in een zonnestraal, totdat ik stuitte tegen een hoogte, die ik beklimmen moest. Daarna voerden zij mij mee in haar eindelooze vlucht en dreven met mij door een duistere, koude en vochtige ruimte, totdat zij plotseling met een vreeselijk geweld uiteen vlogen en mij nederwierpen op de aarde, die gedurende eenigen tijd voor mij had opgehouden te bestaan. Toen bevond ik mij weer op den top van den berg, aan den voet waarvan een onafzienbare vlakte lag, die in damp en rook verdween zoodra ik haar bereiken ging.... Alles was koude, duisternis, beweging, gedruis, onzekerheid, verwarring....
Daarop volgde een allerzonderlingste toestand. Ik hield op te denken, te weten, te beseffen; mijn lichaam scheen dood en mijn geest vernietigd. Doch mijn ziel bleef voortbestaan, zij alleen gevoelde nog en gevoelde enkel om te lijden, om vreeselijke, onbeschrijfelijke smarten te doorstaan. Het was alsof ik dubbel bestond. Mijn éene ik zag ik voor mij liggen, koud, stijf, onbewegelijk, dood.... En mijn andere ik moest voort blijven leven met bewustzijn, herinnering en voorgevoel. Ik zag het, ik wist het en weende van droefheid over het leven dat mijn eerste ik verspild had; ik sidderde van angst voor het lot dat mijn tweede ik te wachten stond.... Krankzinnigen moeten weleens zoo iets gevoelen. Zulke smarten, zulke angsten vooral, zijn voor een gezond mensch nauwelijks denkbaar.
Op eens was alle gevoel van smart en lijden voorbij. Een rust, een kalmte, een soort van gelukzaligheid, nergens bij te vergelijken, volgde.
Een kleine lichtende hand zweefde mij voorbij. Aan die hand kwam een arm, aan dien arm een lichaam, op dat lichaam een hoofd.
Viola, de stervende Viola, met haar dankbaren lach en haar hemelschen blik, zweefde als een lichtende engel door de dichte duisternis, die mij omringde, naderde mij en reikte mij de hand. Die hand was koud als die eener doode.
»Volg mij!” sprak zij zacht.
Ik volgde.
De duisternis verminderde, het geraas hield op, de ruimte kwam tot rust, een doodsche stilte heerschte om ons heen. Ontelbare hooge, breede, lichtende trappen en lange zonnige gangen omringden ons van alle kanten.
Viola’s hand rustte nog in de mijne, doch zij zelve was geheel onzichtbaar voor mij geworden, haar heldere, doorschijnende gedaante was met het licht inéengesmolten.
Wij zweefden de hooge trappen op en af, en ik zag reeds een menigte gangen als gouden bogen onder en achter ons liggen, toen een lichtende deur ons belette verder te gaan. Viola wenkte dat ik mij achter haar zou plaatsen. De deur ging open. Een onvergelijkelijk schoone muziek trof mijn oor.
Wij bevonden ons ergens waar het heldere licht mij verblindde en iets mij als bedwelmde.
Langzamerhand kreeg ik het gebruik van mijn zintuigen weder. Mijn gehoor was zelfs fijner geworden dan het ooit geweest was. Doch ik zag dof en als door een nevel heen, en mijn verstand duizelde, mijn denkbeelden waren verward.
Eerst zag ik niets, ik hoorde slechts; daarna was het mij alsof mij iets ontnomen werd; toen kreeg ik iets anders daarvoor in plaats. Het licht werd langzamerhand doorschijnend, mijn ziel zag er doorheen en herkende Viola weder. Zij stond naast mij, zag mij aan en wees met de hand naar de ruimte, die vóor ons lag.
Daar onderscheidde ik toen ontelbare ietsen, die door elkander wemelden, wezens van verschillende soort, zonderlinge gedaanten, onbeschrijfelijke vormen, vreemde schepselen zonder tal of naam, die zich bewogen, voort snelden, samensmolten en eindelijk wegstierven in het alles omvattend licht, waarvan ook zij een deel schenen uit te maken.
Dáar zweefden de eeuwen die voorbij waren en de dagen die nog komen moesten, in een harmonisch geheel verbonden volgens de groote wetten der volmaaktheid voort, terwijl een zee van licht een betooverende pracht en rijkdom ten toon spreidde die zingend door een eindelooze ruimte van geluk en leven golfde.
Viola trad een schrede terug. Ik volgde haar. De groote deur sloeg dicht.
»Gij hebt genoeg gezien,” sprak zij zacht.
Toen kwamen de millioenen trappen weder, en de eindelooze gangen, die geen andere scheidsmuren hadden dan hunne doorschijnende gouden strepen van minder helder licht.
Alles was eindelijk verdwenen.
»Het leven moet nog lang voor u zijn. Uwe toekomst kan nog zoo schoon, nog zoo gelukkig wezen! En wat kunt gij nog veel goed doen, nog veel nut stichten in de wereld!”
Zoo klonk mij Viola’s stem als een hemelsche muziek nog na.
»O Eduard! heb medelijden!”
Dàt waren hare laatste woorden.
Mijn oog viel op de groene saaien bedgordijnen, dwaalde van daar naar de zes houten stoelen, die onbewegelijk op hun vierkante pooten stonden, rustten een oogenblik op de vrouwenportretten die de wanden van mijn kamer versierden, en staarde verder voort, zonder iets meer te zien van hetgeen mij omringde.
Een maand later was ik hersteld.
Wat was toen alles anders geworden! Het scheen mij alsof de geheele wereld veranderd was in die eene maand, die mij een eeuwigheid geleek. De menschen vond ik jonger geworden, zorgeloozer, onnadenkender, de wereld ruimer en het leven korter....
Ik alleen was oud geworden.
»O Eduard! heb medelijden!” hoorde ik weer zingen in de ruimte.
Toen nam ik een kloek besluit. Ik pakte mijn koffer, nam afscheid van mijn eenigen vriend—uw vader—en vertrok naar Indië, met de herinnering aan een slecht besteede jeugd en aan twee dierbare dooden van wie ik Liefde had geleerd.
DRIEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
HOE HET KWAAD ONTSTAAT
Een morgenbezoek was een vreemde vertooning te A. Louise zag dan ook vrij verwonderd op, toen men haar, het was op een Woensdagmorgen, tegen half elf, mevrouw Joly kwam aandienen.
»Laat mevrouw plaats nemen, ik kom dadelijk,” en tot zichzelve sprekende, voegde zij er zacht bij: »Zeker voor iemand die arm of ongelukkig is, en zelf niet durft komen om hulp te vragen.”
Zij zette schielijk haar werkmandje ter zijde en verscheen een oogenblik later in kaïn kabaya met loshangend haar in de binnengalerij, waar mevrouw Joly haar met ongeduld zat te wachten.
Louise had van het eerste oogenblik af dat zij mevrouw Joly gezien had, een instinctmatigen afkeer van deze dame gevoeld, zonder zich te kunnen verklaren, waarom. De resident, die haar sedert jaren kende, noemde haar een goed, dom mensch, maar hoe Louise ook naar deze eigenschappen gezocht had, zij had ze nooit in mevrouw Joly kunnen vinden, wier grijnslach, volgens haar, meer geslepenheid dan domheid verried, en wier goedheid zich doorgaans oploste in jeremiaden over ongelukkigen, waarvan men later niets meer hoorde, en die slechts een oogenblik schenen bestaan te hebben, om mevrouw Joly in de gelegenheid te stellen van charitable te schijnen en »kassian!” te roepen.
Na de gebruikelijke plichtplegingen, en na eenige woorden gewisseld te hebben welke voor geen der beide dames eenige waarde hadden, vroeg mevrouw Joly, geheimzinnig omkijkende:
»Kan niemand ons hier hooren, mevrouw?”
»De bedienden mogelijk, anders niemand; waarom?”
»De bedienden! Het is juist over uwe bedienden dat ik u spreken wilde.... Er zijn praatjes in omloop—u betreffende—beneden alle kritiek!—En gij begrijpt, uw bedienden....”
»Neen, ik begrijp niets.”
»Gij ziet mijnheer Werner veel, niet waar?”
»Ja, zeer veel.”
»Een lief mensch?”
»Heel lief.”
»De resident is ’s avonds veel op zijn kantoor tegenwoordig?”
»Ja, nog al veel.”
»Is hij niet jaloersch?”
»Jaloersch?”
»Ja, van u, van Werner enfin.”
»Van mij? Van Werner?—Neen, daar heeft hij geen reden toe!”
»Dat zegt de wereld niet.... Geloof mij, lieve mevrouw, wees wat voorzichtig met de bedienden, want gij weet niet hoe de praatjes in de wereld komen.”
»Hm!” kwam Louise lachend en zij trok de schouders op, alsof zij zeggen wilde, »wat kunnen mij de praatjes schelen.”
Mevrouw Joly zweeg een oogenblik, daarna nam het gesprek een andere wending, en toen het half twaalf sloeg stond zij op, om te vertrekken.
Louise begeleidde haar tot in de voorgalerij. »Mijn beste groeten aan de meisjes!” riep zij, klaar om naar binnen terug te keeren, maar mevrouw Joly stak nog even het hoofd buiten het portier van het rijtuig en riep haar van verre toe:
»Zult gij er aan denken? Gij weet wat ik bedoel.—Mijnheer Werner is voorzeker een charmant mensch, maar de resident is veel ouder dan gij—en de wereld is kwaadsprekend.—Geloof mij, vertrouw de bedienden niet. Adieu!”
Het rijtuig was weggerold eer Louise mevrouw Joly’s bedoeling recht begrepen had. En toen zij begon te begrijpen, zag zij een klerk met eenige vellen papier in de hand vóor de deur van het kantoor van den resident staan en twee oppassers op de hurken zitten bij een pilaar.
Een blos van verontwaardiging overtoog haar gelaat. Maar de blos verdween, en kalm en rustig stapte zij den klerk en de oppassers voorbij om naar haar kamer terug te keeren.
»Ik zal haar rekenschap van die woorden vragen. Zij zal ze intrekken, want zij heeft mij beleedigd en verlaagd in de oogen van de personen die haar gehoord hebben. Ellendige intrigante!—Werner!... Ik zal het Stevens zeggen—ik zal.... Neen, ik zal niets. Wat kan het mij schelen wat een mevrouw Joly vertelt! Laat de menschen praten wat zij willen! Ik acht mij te ver boven die nietigheden verheven om er mij mede in te laten.”
Dit waren haar eenige gedachten over mevrouw Joly’s bezoek, en een paar uur later herinnerde zij zich nauwlijks nog dat zij dien morgen een bezoek gehad had.
Dien avond kwam Werner. Tegen negen uur ging de resident naar zijn kantoor om eenige stukken in te zien en liet hij zijn vrouw met Werner alleen.
Louise was teruggetrokken. Ook Werner was stil. De twee oppassers, die ’s morgens bij den pilaar gezeten hadden, gevoelden zich te veel in die lange voorgalerij, en slopen de stoep af, om zich in de schaduw te verbergen en niemand tot last te zijn.
Eenige dagen later kwam de adsistent-resident, de heer Joly, den resident bezoeken. Zij waren met hun beiden alleen en hij bleef langer dan naar gewoonte.
Dien avond kwam Werner weder.
Er lagen stapels brieven en pakketten op het kantoor, maar de resident stak de eene sigaar na de andere op en verliet de galerij niet.
Werner was spraakzaam, Louise vroolijk en de beide oppassers zaten rechtop in het volle licht der lampen.
Meer dan eens had Louise dien avond Stevens oogen ontmoet, en er een uitdrukking van toorn, haat of wantrouwen in gelezen. Maar de fiere reine vrouw had zich verzet tegen een onverdiend verwijt en stouter dan ooit had zij haar rustigen blik om zich heen geworpen en het hoofd omhoog geheven.
»Gij hadt van avond op meer geluk gehoopt, niet waar?” waren de eerste woorden van den resident, zoodra hij zich met zijn vrouw alleen bevond.
»Hoe meent gij dat,” vroeg zij verbleekend.
»Ik meen het, zooals gij het verstaat!—Maar de gulden tête-à-tête-eeuw is voorbij!—Als gij niet weet hoe gij u te gedragen hebt, dan zal ik het voor u weten. En om te beginnen: geen Werner meer over den vloer als ik op het kantoor ben!”
»Wat zegt gij daar?”
»Dat gij meer om Werner geeft dan om mij!—Begrijpt gij nu wat ik meen?”
Louise’s oogen vonkelden van verontwaardiging, haar wangen gloeiden, haar lippen trilden om de schitterend witte tanden en het was als werd zij grooter onder de beschuldiging die haar verpletteren moest.
»Gij liegt!” riep zij op eens. »En gij gelooft zelf niet aan een misstap dien gij voor onmogelijk houdt!—Ik heb u nimmer lief gehad, dit weet gij, maar bedriegen zal ik u nooit, dit weet gij ook!—Het zou mij niet mogelijk wezen van iemand te houden wiens liefde ik voor bedrog moest koopen....
»Verontrust u dus niet, resident,” vervolgde zij met een trotschen glimlach, »als ik ooit een schepsel vinden zal dat ik lief zal hebben, dan zult gij de eerste wezen die het weten zult, want mijn keuze zal goed wezen en voorzeker op iemand vallen, die groot en edel genoeg zal zijn om genoemd te kunnen worden.”
»Louise!” gilde de resident dreigend. Maar toch bewonderde hij de vrouw die hij verachten wilde en trok hij de hand terug die hij tot haar had durven opheffen.
Louise antwoordde niet. Zij zag die groote, ruwe hand van boven haar hoofd verdwijnen zooals zij een oogenblik te voren verschenen was, en zonder verder acht op den resident te slaan begaf zij zich naar hare kleedkamer, waarvan zij de deur achter zich dichtsloot, om zich ongestoord aan haar gevoel te kunnen overgeven.