Part 12
Duizende gedachten, vragen, gissingen, herinneringen, doorvlogen haren geest, maar allen smolten weg in een vloed van tranen, die haar oogen ten laatste zoozeer verduisterde, dat zij niets meer zag dan een menigte dunne wolken die zich om haar heenpakten, al zwaarder en zwaarder werden, een groote, ruwe hand omzweefden, grijs werden—zwart werden....
Een haan kraaide onder het venster.—Louise ontwaakte verschrikt. Zij lag op een matje, vóor een bank. Het was vijf uur in den morgen, haar oogen waren roodgeschreid.
Toch wist zij niets.
Maar wij weten dat mevrouw Stevens van Langendijk een slavin had, die Alima heette en haar benijd werd door de meeste dames van A. En wij weten ook dat Werner rijk was, en dat mevrouw Joly vijf dochters had.
VIERENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
GEVOELEN EN BEGRIJPEN
Na dien dag werd de naam van Werner noch door Louise noch door den resident meer genoemd, totdat Willem eens den ongelukkigen inval had van aan tafel te vragen:
»Hè mama, wat is mijnheer Werner er in lang niet geweest!”
»Toevallig,” antwoordde Louise, maar eer zij verder spreken kon was de resident van zijn plaats opgestaan en had hij het kind een klap om de ooren gegeven en bij een arm de achtergalerij uitgeslingerd, zoodat het met het hoofd op den grond in den tuin was neergestort.
»Dat zal u leeren te vragen naar hetgeen u niet raakt!” riep hij, rood van woede naar zijn plaats terugkeerende.
Het kind weende niet, schreeuwde niet, zeide geen woord, maar kwam bedaard de stoep weder op. Nog altijd met zijn lepel in de hand, een buil op zijn voorhoofd, een scheur in zijn kieltje, plaatste hij zich tegen een pilaar vlak bij de tafel, en staarde mevrouw Stevens aan, alsof hij zeggen wilde:
»Verdedig mij!—Het is uw plicht.”
Louise was bleek en bevend van haar stoel opgesprongen, maar toen zij het kind daar zóo trotsch, zoo onbewegelijk tegenover zijn vader staan zag, was het haar alsof zij zijne moeder zag. Die sombere blik, die gebiedende houding, die koude, onverschrokken uitdrukking van het gelaat, alles bracht haar de schoone fiere Mina voor den geest, en het was haar niet mogelijk een enkelen pas te doen.
»Schaam u!” schreeuwde de resident, bijna stikkende in een hap drooge rijst.
»Neen,” antwoordde het kind hem met vlammende blikken aanziende.
»Slaag te krijgen in tegenwoordigheid der bedienden!” ging zijn vader schimpend voort.
»Omdat ik te klein ben om mij te verdedigen, slaat gij mij; gij hebt mijn moeder ook geslagen—gij zoudt den gouverneur-generaal niet slaan!”
Gelukkig was Louise het kind terstond ter hulp gesneld en met hem naar haar kamer gevlucht, daar er bijna op hetzelfde oogenblik een regen van messen, lepels, vorken, glazen, borden, flesschen, op de plek neerstortte waar de kleine Willem gestaan had.
»Waarom zegt gij zulke dingen ook?” vroeg Louise met tranen in de oogen, zoodra zij zich met het kind in veiligheid bevond. »Gij weet immers dat uw vader driftig is, ontzie hem dan toch en spreek hem niet tegen. Indien hij u zonder reden straft handelt hij verkeerd, maar indien gij uw vader niet eerbiedigt, doet gij mij verdriet aan, Willem.”
Het kind zag haar een oogenblik aan alsof het haar woorden niet recht begreep. Toen drongen er groote tranen in zijn oogen, wierp hij zich luid snikkend in haar armen en bedekte hij haar gelaat met kussen.
»Ik zal het nooit weer doen!” riep hij afgebroken. »Ik beloof het u.”
En van dat oogenblik af kon Louise door zachtheid alles gedaan krijgen van het trotsche, onbuigzame kind, dat nog nooit voor een hard woord bevreesd was geweest, of voor een pak slagen terug was gedeinsd.
»Slaan is goed,” zeggen sommige menschen, en zij deelen zooveel klappen uit als zij slechts kunnen, zonder gevaar te loopen van er eenigen terug te krijgen. Vraagt gij hun waarvoor het goed is, dan geven zij u ten antwoord: »voor alles”. En verzoekt gij hen, u een enkelen persoon op te noemen, die door slaag goed geworden is, dan kunt gij bijna zeker wezen altijd te hooren: »Ik zelf. Ik verzeker u dat ik menigen oorveeg gekregen heb, die mij goed heeft gedaan.”
»Van wie?” vraagt gij verder, indien gij er den moed toe hebt.
»Van mijn vader, van....”
»Genoeg. Om bij uw vader te blijven. Hebt gij uw vader ooit lief gehad, geacht, vertrouwd vooral, zooals gij wenschen zoudt dat uwe kinderen u liefhebben, u achten, u vertrouwen zouden?”
De meesten zullen u op deze vraag het antwoord schuldig blijven. Enkelen zullen »Neen” zeggen; niet éen zal »Ja” antwoorden. Waarom? Omdat een kind, boven alles, behoefte heeft aan liefde. Het gevoelt zijn zwakheid, zijn afhankelijkheid, zijn hulpeloosheid, zonder zelf te weten wat het gevoelt. Het zoekt instinctmatig een steun, een leidsman, een beschermer. Zijn ouders zijn natuurlijk degenen van wie hij dien steun, die leiding, die bescherming verwacht, en hij is gereed hun daarvoor zijn bewondering, zijn gehoorzaamheid, zijn dankbaarheid, zijn vertrouwen, zijn gansche ziel te schenken.
Sla hem nu.... Sla hem, wanneer hij u niet begrijpt, omdat gij u niet begrijpelijk voor hem maken kunt.
Sla hem, omdat hij kwaad doet, dat voor hem geen kwaad kan wezen.
Sla hem, omdat hij op een ongelukkig oogenblik iets zegt, waarover gij een oogenblik te voren gelachen zoudt hebben.
Sla hem, omdat hij een les niet kent die niet voor zijn verstand berekend is. Omdat hij op zijn beurt, een jonger broertje of zusje slaat, zooals papa hem gisteren sloeg. Omdat hij schuld bekent wanneer hij iets misdreven heeft. Omdat hij liegt uit angst van slaag te krijgen. Omdat.... Ja, om nog honderde dergelijke redenen meer, die voor het arme kind even zooveel raadselen zijn, even zooveel grieven worden zullen. En verwonder u, als gij kunt, wanneer uw kind later beven zal op het hooren uwer voetstappen, of lachen zal om uw gestrengste kastijdingen, of koud zal blijven voor uw dringendste beden.
Beklaag u, als gij durft, wanneer Emma, uwe dochter, eenmaal het zachtste, fijngevoeligste, aanvalligste kind der wereld, tot een laaghartige, kruipende vleister zal zijn opgegroeid; of Ada met haar open oog, haar reine ziel, haar sterken geest en haar uitmuntend hart, een raadsel voor allen zal geworden zijn; wanneer uw oudste zoon, een geestige, flinke jongen, niettegenstaande zijn buitengewoon verstand, zijn groote, fiere, edele ziel, zijn oprecht en eerlijk hart en de duizende roemrijke daden zijner kindschheid, als een gewoon mensch het leven door zal zwoegen; of Léonard, uw Benjamin, de lieveling zijner moeder, omdat hij vroolijk, goedig, volgzaam, toegevend, medelijdend en dienstvaardig was, een vriendelijk, zacht, openhartig kind, dat niemand ooit met opzet eenig leed zou hebben aangedaan, zich door anderen heeft laten medeslepen, van eene zwakheid in een laagheid is vervallen, van lafaard huichelaar geworden is om weldra van huichelaar bedrieger te worden, nog eenige graden lager te dalen, al dieper en dieper te zinken en God weet hoe zijn ongelukkig leven te eindigen.
Ja, beklaag u over dat alles, wanneer gij uwe groote kinderen bij de kleinen vergelijken zult. Betreur al het goede dat verloren is gegaan, en ween over het kwaad dat daaruit voortgekomen is... Maar wees vóor alle dingen oprecht, en beken dat gij het zelf geweest zijt die van uwe kinderen gemaakt hebt wat er van geworden is.
Beken dat gij door zachtheid, van Emma iéts bijna idealisch liefs, van Ada iets buitengewoon groots en edels hadt kunnen maken. Dat uw oudste zoon bestemd scheen om een boven zijn tijd verheven mensch te worden, en uw goede Léonard geroepen was om geheel voor het nut en het welzijn der menschheid te leven, waaraan zijn liefdevol hart met zooveel zelfopoffering en blijdschap elk uur van zijn bestaan zou hebben toegewijd.
Beken het, dat uwe dochters als troostende, beschermende, reddende engelen, in hare huisgezinnen dat geluk hadden kunnen brengen, wat slechts zoo zelden op aarde gevonden wordt. En dat uwe zonen de menschheid een pas verder hadden moeten brengen op den onafzienbaren weg van vooruitgang, die voor hen open lag.
Beken dat alles en verbloem het voor niemand, vooral niet voor uwe kinderen, die u de hardste les gegeven hebben welke een vader krijgen kan. Beken hun dat gij uit onwetendheid, of onnadenkendheid verkeerd gehandeld hebt, opdat zij zich in uw voorbeeld spiegelen en niet, ook op hunne beurt, met de beste bedoelingen der wereld, hunne kinderen met slaag zullen groot brengen, en er al het goede van verwachten zullen, hetwelk zij zelven bezig zijn er uit te slaan.
Toevallig of liever ongelukkig, kwam Werner op den avond van den dag die reeds zoo noodlottig begonnen was, mijnheer en mevrouw Stevens een bezoek brengen.
De resident was onverdragelijk gehumeurd. Niets was goed. De thee deugde niet; alle vliegende mieren hadden het op zijn kopje, alle muskieten op zijn hoofd voorzien. De kinderen waren te wild en werden weg gezonden, de wijn smaakte naar de kurk; de lampen gaven geen licht; de manilla sigaren waren bokjes; Napoleon zou binnen zes maanden vermoord of weggejaagd zijn; de suiker zou goedkooper worden en Werner zou stellig veertig duizend gulden minder maken dan het vorige jaar, enz. enz.
»Zeg, weet je ook een goede gelegenheid om de jongens naar Holland te zenden?” vroeg de resident op eens, tusschen een paar rookwolken door.
»De jongens? Uwe jongens, resident?” vroeg Werner onzeker.
Louise’s oogen konden alleen vragen.
»Ja, mijne jongens. Verwondert je dat zoo?—Je lijkt mijn vrouw wel, die je zeker ’t wachtwoord van verbazing gegeven heeft.”
»Ik wist niet dat u plan had...”
»Ik ook niet, maar het verveelt me, dat eeuwig gezeur met die kinderen. Sedert Willem ziek geweest is, speelt hij hier de eerste viool in huis. Het is belachelijk! Daar moet een einde aan komen, en zoodra ik een goede gelegenheid kan vinden moeten de kinderen weg, zoo spoedig mogelijk, dadelijk!”
»Maar Stevens....”
»Uiterlijk over eene maand, maak er uwe rekening maar naar...”
»Over éene maand! En dat zegt gij mij zóo? Maar gij meent het niet. De kinderen zijn nog zóo klein, zij hebben nog zóo veel hulp, nog zoo veel zorg noodig, zij....”
»Die zullen zij daar vinden, even goed als hier.”
Louise zeide niets meer. Zij sloeg de oogen neer en weende.
»Huil je nu? Dat is waarachtig wel de moeite waard! Eigen moeders zenden haar kinderen wel naar Europa zonder lawaai! En jij stelt je daarvoor zoo aan, ofschoon de jongens je van de verste verte niet raken?”
Hij lachte, zijn ouden scherpen schaterlach, die nergens weerklank vond.
Te vergeefs had Werner reeds eenige malen beproefd het gesprek een meer onderhoudende, wij zouden bijna zeggen, een meer goedkeurende wending te geven. De resident bleef volhouden, en behaalde zulk een luisterrijke overwinning op zijn gast, dat hij den geheelen avond alleen aan het woord bleef, alles afkeurende, beschimpende, veroordeelende, zonder eenige tegenspraak te ontmoeten.
Louise bleef stil en teruggetrokkener dan ooit. Werner was anders als gewoonlijk.
Wat duurde die avond lang!
Eindelijk sloeg het elf uur en stond Werner op om heen te gaan. Als altijd reikte Louise hem de hand, als altijd ook raakte hij die nauwelijks met de toppen zijner vingers aan. Toch lag in die lichte aanraking iets dat Louise deed opzien. Hare oogen ontmoetten de zijnen. Op dat oogenblik gevoelde zij voor het eerst dat Werner haar lief had, zoo als Werner gevoelde dat zijne liefde beantwoord werd.
VIJFENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
PLANNEN
Zeven meiden aan het werk! Kieltjes, buisjes, broekjes, zakdoeken, sokjes, alles lag verspreid over den planken vloer der boven voorgalerij en, te midden dier bekende voorwerpen, een vol stuk flanel, eenige ellen grijs en donkerbruin laken, wollen kousen, dikke gebreide kinderborstrokken, handschoenen, cache-nez, enz. enz.; men wist geen raad van de warmte als men al dat wollen goed aanzag in een hitte van drie en negentig graden.
Arme kinderen! Zij zullen spoedig hunne drie en negentig graden missen en terug wenschen als ze in al dat wollengoed gepakt, met bevroren gezichtjes en verstijfde handjes denken zullen aan hun zonnig moederland, en aan de wijde katoenen hansop waarin ze vrij en luchtig rond konden springen, als apen in het woud.
Arme Louise! Zij wist niet veel meer dan de kinderen van hetgeen hun te wachten stond in het heerlijke Nederland, dat haar doorgaans voorgeschilderd werd als de bakermat van roode kool en aardbeziën, van sneeuwballen, schaatsenrijden, tulpen, hyacinthen, nachtegalen, seringen, jasmijnen en kersen... Dat was het kinder-Nederland van den resident, de herinneringsdroom van de meeste Hollanders. Maar het wezenlijke Vaderland?... het koude, dampige, donkere plekje grond, met zijn waterschat, zijn handelsgeest, zijn bevrozen geniën, zijn....
Louise wist niet meer dan de kinderen. Toch drong haar fijn vrouwelijk instinkt vrij ver door in de schemering der ongekende werkelijkheid. Zij gevoelde koude en ontbering voor de arme kleinen, in dat verre land waar niemand ze kende, niemand ze lief had, niemand belang had bij hun geluk.
»’t Is wreed,” had zij tegen den resident gezegd, »die schepseltjes in handen van menschen te stellen, die niets met hen gemeen hebben.”
»Zij moeten leeren”, had hij barsch geantwoord, »en wanneer een jongen wat mishandeld wordt, leert hij het best.”
»Maar ze zijn nog te jong om te leeren, en welk nut kan de mishandeling alleen dan hebben?”
»’t Is altijd goed voor jongens onder vreemden te zijn.”
»Maar die vreemden zullen u geld kosten en hen ongelukkig maken. Is dat het doel dat gij beoogt?”
»Provisionneel beoog ik geen ander doel dan ze ver van hier te hebben. Hollanders moeten het worden en geen liplappen—nuttige leden der maatschappij en geen leegloopers, denkende en handelende wezens en geen domme, lamme kleurlingen, die onbruikbaar zijn voor alles.
»Kleurlingen zijn het,” antwoordde Louise kalm »dat kunnen die kinderen niet helpen, maar dat is geen reden waarom zij hier in het land dom en lam zouden opgroeien, en dat Nederland Phenixen van ze maken zal. Ook ben ik niet tegen een Europeesche opvoeding, maar wel tegen het wegzenden van kinderen die zoo jong zijn, dat ze volkomen hulpeloos overgeleverd worden aan menschen, die volstrekt geen reden hebben om goed voor hen te wezen.”
»Gij hadt ook geen reden om goed voor hen te zijn, en zijt het toch geweest—te goed zelfs.”
»Had ik geen reden, resident?... Of weet gij de reden niet, misschien?”
Er lag zulk een scherp verwijt in haar donkeren blik, toen zij hem deze woorden toevoegde, dat de resident zijne oogen voor de haren nedersloeg en de kamer verliet met een kort en bondig:
»Alles goed en wel, maar hoe het ook zij, aanstaanden Woensdag vertrekken de kinderen naar Europa.”
Zij zeide niets meer. Zij oogde hem na, en er sprak een haat uit dien blik, dien hij gevoeld moet hebben, ook zonder hem te zien.
»En dat zijn zijne eigen kinderen. Wat is een mannenhart toch een ellendig ding! Bevelend, koud en wispelturig in het dagelijksche leven, en wanneer het lief heet te hebben, onstuimig, woest, baatzuchtig, wreed, zonder eenig ander doel dan eigenbelang en trots. O, mannen! ’t zijn ellendelingen!”
Een blond, slank beeld rees op voor haren geest... Blozend bracht zij een onwillekeurige gedachte tot zwijgen.
»Ook hij misschien... ik ken hem niet..... O neen, hij niet!”
Zij knipte wollen kieltjes en flanellen borstrokjes, pakte kistjes vol dun goed en kistjes vol wintergoed, nummerde de kistjes, het hoogste nummer voor het laatste, dat was het dikste wollengoed.
»September.... het zal Januari zijn als zij in Holland aankomen.... Kassian!”
Een flesch suikergoed in het eene kistje, eene doos speelgoed in het andere—hier en daar een pak goelalie, dáar een zak vol katjang.
»Njonja, sinjo Willem sakiet.” [34]
»Wat? Is Willem ziek?”
Zij vond het kind met een heete koorts in bed. Zij gaf het terstond een dosis kasterolie, bracht haar werk in de ziekekamer en zond een oppasser te paard naar de stad om den dokter te halen.
De resident kwam even in de kamer om te zien wat er gaande was, en beweerde dat kinderen zoo dikwijls het een of ander mankeerden, dat men zich over zoo’n koortsje niet ongerust behoefde te maken.
»Maar ziek als hij is, kan er geen spraak van vertrekken wezen” zeide Louise half smeekend.
»Geen spraak van vertrekken! Wel poes, het is pas Maandag van daag; eer het Woensdag is, zijn wij allen dat koortsje vergeten! Ik zie wel dat je niet aan kinderen gewoon bent, anders zou je zooveel lawaai niet maken over zoo’n onnoozel koortsje.”
ZESENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
PLICHT
Het was lang Woensdag geweest, en nog altijd was de kleine Willem ziek.
De resident was naar de societeit gegaan en Louise zat alleen in de kinderkamer bij het bedje van den armen jongen, die, half bewusteloos, half slapend lag te worstelen tegen een aanhoudende koorts.
»Toewan Werner!” klonk een stem en, eer Louise een woord kon zeggen, had Siedin den jongen landheer binnen gelaten, die gekomen was om zich naar den toestand van het kind te informeeren.
»Hoe gaat het mevrouw?” waren zijn eerste woorden. »Ik heb inderdaad meer medelijden met u dan met den kleine, die weinig of geen bewustheid van zijn lijden schijnt te hebben.”
Hij legde zijn hand op Willems hoofd dat gloeide, en zette zich op een stoel, dien Siedin voor hem aangeschoven had.
»Hij is, God dank! wat kalmer van daag,” zeide Louise, »gisteren was ik bang dat wij het arme kind verliezen zouden.”
»Wat zegt de dokter?” vroeg Werner.
»De dokter weet zelf niet wat het worden zal, van middag vreesde hij voor mazelen of roodvonk; pokken mogelijk.”
Werner verbleekte.
»O! dan moet gij voorzichtig wezen mevrouw! Pokken is een vreeselijke ziekte!”
»God geve dat wij onzen Willem behouden, de kinderen zijn niet gevaccineerd, dat is verzuimd geworden.”
»Voor u zelve bedoel ik dat gij voorzichtig wezen moet, niets is aanstekelijker dan pokken.”
»O! ik ben niet bang, dat weet gij wel. Ik ben zulk een fataliste dat ik niet geloof aan ontwijken of overerven. Wat mijn lot moet zijn, zal mij overkomen, hoe ik ook worstel en hoe ik ook strijd; en wat mijn lot niet wezen mag, dat zullen geld noch goede woorden, noch gebeden, noch bedreigingen mij kunnen aanbrengen.”
»Een heerlijke overtuiging voor wie goed is, maar waar zouden wij heengaan indien dit het geloof der slechten was? Wanneer gij worstelt en strijdt en het loopt u tegen, dan zegt gij onderworpen en gelaten: »Het moest zóo zijn,” en zwijgend gaat gij verder op den rechten weg. Maar indien een moordenaar, een dief, een booswicht van uw gevoelen was en voor elke misdaad het excuus in fataliteit kon vinden, waar zou dan zijn moorden en zijn stelen ophouden?”
»Dáar waar het nu ophoudt,” antwoordde Louise lachend, »daar waar dood of omstandigheden perk stellen aan den menschelijken wil.”
»Ik dacht niet dat gij zóo ver gevorderd waart in de leer der prédestinatie.... Maar ik ben blij dat gij het zijt. Welk een kalmte geeft dat gevoel van afhankelijkheid niet waar?”
»Kalmte?—Neen, het doet mij tusschenbeide kooken! In sommige opzichten geeft het mij moed, maar in anderen maakt het mij zóo kwaad, dat ik een doodstrijd zou kunnen voeren tegen het lot. En toch houd ik alle andere gelooven voor nonsense, daar men elk oogenblik ondervindt dat onze wil gebonden is en onze vrijheid geketend.”
»En dat gevoel is u onaangenaam?”
»Zeker is het! Vrij wil ik wezen—onafhankelijk van alles!”
»Neen, mij geeft het kalmte en troost, dat sterk gevoel van zwakheid. Het heeft mij beter gemaakt en het heeft mij geleerd gelukkig te zijn, in de meeste omstandigheden waarin andere menschen zich rampzalig zouden gevoelen. Zie dat kind daar, ’t is zonder wil, afhankelijk en zwak; geef het kracht, en wil, en vrijheid, zou het wijzer handelen dan het nu doet? Zou het beter wezen zonder steun en hulp, zonder raad en onderricht, zonder toezicht dat waakt en gebiedt en gehoorzaamd wil worden? En zijn wij meer dan dat kind? Hebben wij meer verstand, meer kennis van onze bestemming? Neen, niet veel meer, voorwaar! In onze eigen oogen zijn wij wonderwat! Zoo is de poes in de keuken en de haan in den tuin ook. Maar wat nietige, onbeduidende schepselen zijn wij in het oneindig groote heelal, dat in de eeuwigheid voortstreeft, volgens de volmaakt wijze wetten der Almacht, die schept en doodt, vereenigt en ontbindt, en in stand houdt door verwoesting zelve?—Wat...”
Louise’s groote verwonderde oogen brachten hem op eens tot zwijgen.
»Ik heb dat alles gevoeld!” sprak zij zacht. »Ik had het nooit kunnen zeggen!.... Mijnheer Werner ik wilde u een vraag doen—een dwaze vraag voorzeker... mag ik?”
»Zeker moogt gij.”
»Gelooft gij aan bidden?”
»Neen.—Ik bid nooit. Indien gij bidden bedoelt in den zin dien de menschen er aan hechten. Smeeken om hetgeen niet wezen mag is nutteloos, onmogelijk is het, te staken hetgeen gebeuren moet.”
»En danken dan?”
»O danken ligt schier in elken slag van het hart, in elke beweging der ziel: elk zuiver gevoel is een dankzegging! Wat is bewondering, wat is liefde, wat is vertrouwen, wat is illusie zelfs? Ligt er geen onbepaald gevoel van dankbaarheid op den grond van al deze gewaarwordingen? Is er niet in elk genot een toon van dankbaarheid? Brengt elk geluk niet een dankbede met zich zooals de schuldelooze lach der vreugde schier een dankzegging is?”
Hij zweeg. Louise zat hem aan te staren, zooals Maria Magdalena Jezus aangestaard moet hebben.
»Spreek,” smeekte zij zacht. »O spreek!”
En na een oogenblik zwijgen vervolgde zij:
»Wat is er veel dat ik weten wilde—veel waarover ik dikwijls denk—veel waarnaar ik vraag en waarop niemand mij antwoorden wil of kan; en wanneer zij mij antwoorden begrijp ik ze niet.”
»Vraag mij,” zei Werner aanmoedigend. »Ik heb ook lang gezocht en geraden eer ik iets begrijpen kon—en wat begrijp ik nog? Niets, niets dan dat ik onwetend ben—onwetend, afhankelijk, onbeduidend en noodzakelijk.—Wij bestaan omdat wij moeten bestaan, want was ons bestaan geen noodzakelijkheid dan zouden wij nooit bestaan hebben. Maar waarom bestaan wij? Wie weet waarvoor wij bestaan? Wie?—Wij hebben niet gevraagd om geschapen te worden en toch zijn wij geschapen. Wij zijn op deze aarde gekomen buiten onzen wil, buiten ons weten leven wij hier, en tegen onzen zin waarschijnlijk zullen wij weder heengaan en plaats maken voor anderen, wier raadselachtig bestaan aan het onze gelijk zal wezen. En wat zullen wij zijn? Waar zullen wij zijn, wanneer wij van hier verdwenen zullen wezen? Wie weet het?—Laat ons nederig bekennen: wij niet. Wij weten niets. Wij kunnen gissen en droomen en dwalen.... maar weten?—Wie weet wat morgen wezen zal? Morgen, een dag van onze aarde, begonnen van daag, en gisteren, en vroeger.... en toch onzeker, toch onbekend! Maak plannen en berekeningen, neem uwe maatregelen, verzeker uwe toekomst... een enkele bliksemstraal en er is geen morgen meer voor u—geen morgen zooals gij berekend hadt, toen gij de fondamenten laagt van het denkbeeldig paleis uwer grootheid, dat in een gouden horizont oprees, om door een vuurstraal vernietigd te worden.”
»Gelooft gij dan niet aan een volgend leven? Weet gij niet....”
»Gelooven?—Ik geloof niets. Ik wacht.—Weten? Ik weet niets. Ik gehoorzaam.—Ik ben als de was in de hand van den boetseerder—geschikt tot wat hij van mij maken wil, maar machteloos uit mijzelven.”
»En maakt u dat gevoel niet ongelukkig?”
»Neen, het maakt mij beter. Ik heb door deze overtuiging mijner afhankelijkheid, mijner machteloosheid, mijner nietigheid geleerd, dat niets in de wereld groot is uit zichzelven, niets klein door eigen toedoen, dat al wat bestaat, is, omdat het wezen moet, en dat het dus ongerijmd, onverstandig, ongodsdienstig is om wie of wat het ook zij te verachten om de rol die het hier op aarde te vervullen heeft, om de plaats die God zelf het aanwees in het volmaakt harmonisch geheel, dat wij schepping noemen.”
»Veracht gij niets?”
»Niets.”
»Niemand?”
»Niemand.”
»Zelfs den misdadiger niet?”
»Zelfs hem niet. Hij zou niet misdadig kunnen zijn, indien God het niet gewild had.”