Part 13
»O Werner! Wat zijt gij groot en goed!” riep de jonge vrouw met tranen in de oogen. »Waren alle menschen als gij, welk een gelukkig leven zou het onze kunnen wezen!”
»Niet het mijne.... waarschijnlijk!”
»Waarom het uwe niet?”
»God schiep een ziel, verdeelde haar in tweeën en zond haar naar de aarde. Zoolang die ziel verdeeld zal blijven, is er geen geluk mogelijk voor haar...”
Louise glimlachte en vroeg zacht: »Hoe meent gij dat?”
»Hoe ik het meen? Indien die ziel verdeeld werd tusschen een man en eene vrouw, dan moeten die man en die vrouw vereenigd wezen om gelukkig te zijn. En waar is de zusterziel der mijne? Waar is de vrouw die met mij denken, die met mij gevoelen kan, die weet wat lijden is... en medelijden... en grenzenlooze liefde? De vrouw die, even als ik, de natuur haar rechter noemt en de wereld haar beul! Die godsdienst vindt waar liefde is, en liefde beschouwt als het zuiverste uitvloeisel der goddelijke volmaaktheid, het eenig volmaakt goede dat bestaat op aarde, het eenige dat vooruitgang is, verbetering, verhooging, naderen tot de hoogste wijsheid... Waar is die vrouw?... Kent gij haar, Louise?”
Zij trok hare hand uit de zijne terug en zeide »Neen”, terwijl zij opstond om Willems kussens op te schudden.
»O! waarvoor dat wereldsch neen? uw ja was goddelijk geweest. Uw neen is koud en trotsch en wreed!... ’t Heet deugd, niet waar, dat doodend woord? Wat is deugd? En waar is deugd? Gij zult het mogelijk eenmaal weten, wanneer het te laat zal zijn!”
»Mijnheer Werner, ga heen, ik smeek u, verlaat mij. De resident kan elk oogenblik te huis komen; het is laat, en ik wil niet dat hij u hier in de kinderkamer vinden zal.”
»Vrees niets mevrouw, mijne liefde is te heilig, dan dat zij u ooit in eenig opzicht zou kunnen schaden.”
Hij vertrok, en Louise bleef alleen in de groote sombere kinderkamer. Zij hoorde zijn stap in de binnengalerij, in de voorgalerij, de stoep af—alles was stil.
»Mijn God! Wat heb ik hem lief, dien man!” En niet in staat zich langer te bedwingen, verborg zij het gelaat in de handen en liet zij haar tranen den vrijen loop.
ZEVENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
DOOD
Geen zorg, geen geleerdheid, geen gebed had geholpen. De dood had »ja” gezegd en geen menschelijk »neen” had tegenstand kunnen bieden.
Het lijkje lag stijf en koud in het, met bloemen versierde, ledekantje. Vrienden hadden het bezocht uit belangstelling, vreemden uit nieuwsgierigheid, de dag was druk en woelig geweest en de avond eindelijk bracht rust.
De resident was uitgegaan met den dokter, de dienstboden hadden bevel ontvangen niemand meer toe te laten, en Louise zat alleen in de kinderkamer te staren op het lijkje, te denken aan hetgeen Werner haar eenige dagen geleden geantwoord had, toen zij over bidden spraken.
Plotseling werd zij uit haar sombere mijmeringen gewekt door den hoefslag van een paard. Het was alsof de grond onder hare voeten wegzonk en alle voorwerpen om haar heen ronddraaiden.
Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en trad Werner binnen.
Met een half gesmoorden gil vloog zij hem tegemoet. Hij ving haar op in zijn armen, drukte haar hartstochtelijk aan zijn borst, en liet haar ongestoord uitweenen met haar vermoeid hoofd tegen zijn schouder geleund.
Hoe lang duurde dat oogenblik van grenzenlooze smart en geluk? Geen van beiden wist het. Zij stonden daar zwijgend en lijdend, angstig wachtend op het wreed bevel van ’t lot dat nogmaals scheiden zeggen zou.
Louise was de eerste die kracht had zich los te wikkelen uit de troostende armen die haar omklemd hielden. Zij wilde spreken, maar kon geen woorden vinden.
Hij hield hare hand in de zijne, zag haar aan met een dier diepe gevoelvolle blikken welke haar deden duizelen van geluk en onbestemde hoop, en zeide zacht, nauw hoorbaar:
»Toch is er nog geluk, Louise... mijn troost, mijn hulp, mijn toekomst! O! versmaadt dat alles niet—verstoot mij nooit... Mijn liefde voor u kent eigenbelang noch trots. Ze kent bewondering, medelijden, zelfverloochening enkel. Ze kan u kracht en rust en moed geven en mij.... O kind! Ze is de ziel van mijn bestaan....”
Hij trok haar dichter naar zich toe, en zijn weemoedige glimlach drong haar als een bede in de ziel, die haar schier machteloos in zijn armen deed terug zinken.
Zij weende niet meer, haar hand rustte kalm in de zijne, haar duizelend hoofd had rust gevonden op de sterke breede borst.
Voor het eerst gevoelde zij de betoovering van zwakte tegenover kracht... en half droomend, half wakend, gelukkig, weemoedig, schier gedachtenloos, leefde zij voort, zonder angst, zonder wil en zonder hoop.
»O mocht ik sterven!” waren haar eerste woorden, »George...”
Het schuiven van een stoel in de binnengalerij deed haar met koortsachtige wildheid uit haar half droomenden toestand opspringen.
»Ga heen! Ga heen!” riep zij woest. »De resident zal u dooden indien hij u hier vindt met.... mij alleen!”
»En met het lijkje van zijn kind,” vervolgde Werner zacht, de deur openende om te zien wie er in de binnengalerij was.
»Het is niets. Een der oppassers, die half slapend tegen een stoel is aangeloopen en zich nu onder de tafel heeft gelegd.”
»Ga heen!” antwoordde Louise koud. »Die oppasser is een betaalde spion—laat hem niet onderstellen hetgeen niet is. De menschen beschuldigen reeds vlug genoeg waar het waarheid geldt; geef hun ten minste geen reden om te beschuldigen zonder grond. Liefde is de eerste aanklacht der wereld, en ik heb geen liefde... voor wie het ook zijn moge!”
Zij had vlug en koortsachtig gesproken en Werner had haar aangestaard met een verbazing grenzende aan ongeloof.
»Gij hebt geen liefde?”... vroeg hij verward. »Geen vriendschap? Geen sympathie? Geen medelijden zelfs?”
»Niets.”
»En zoo even?...”
»O! zoo even was ik zwak, ziek, vermoeid, uitgeput van het weenen en waken... Rust is al wat ik verlang...”
»God geve u rust!... En kracht om de liefde te dooden die gij mij onthouden wilt... Wat mij betreft, geheel mijne ziel behoort u. Ik heb geworsteld en gestreden, als gij—ik kan niet meer. Gij zijt het licht van mijn leven, de hoop mijner toekomst, de kracht van mijn bestaan... Wilt gij niets meer voor mij wezen?”
Louise boog het hoofd en zeide bijna fluisterend:
»Niets.”
»Ik vergeef u dat woord,” antwoordde Werner met gebroken stem. »Gij kunt nog wreed zijn... ik niet meer... vaarwel!”
Half radeloos bleef de jonge vrouw alleen, zij wilde hem volgen, terug roepen...
»Neen, zóo is het goed... Goed?... Goed te liegen, te bedriegen, te folteren, te dooden misschien!.... George!”
Zij opende het venster, maar buiten evenals binnen was alles kalm en stil, rustig als het lijkje dat vóór haar lag.
»O kind, wat benijd ik u!” sprak zij half overluid. »Mocht ik dood zijn als gij!... gestorven in zijne armen... zoo even... O mijn God! waarom hebt gij mij het geluk leeren kennen enkel om het mij te ontnemen! Waarom moet ik liefhebben wat ik haat, en waarom moet ik haten wat mijn gansche ziel vereert?... Moeten?...... En indien ik het eens anders wilde?....... O mijn God! geef mij kracht om vol te houden en den rechten weg te blijven gaan!....
»De resident!”
ACHTENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
MEVROUW JOLY
»Mijnheer Werner, mijn Lotje zegt dat u doodelijk verliefd is op mevrouw Stevens.”
»Ik mevrouw! Welk een idee!”
»O niet Lotje alleen! De menschen zeggen mooier dingen dan dat! Wil ik u vertellen wat?”
»Och mevrouw, geloof de menschen toch niet! De menschen weten zelven niet wat ze zeggen.”
»Wel, ik weet niet: de menschen zien soms meer dan u denkt. Ik zal het niet zeggen tegen den resident, maar anderen mogelijk wel. Ik weet, ja, dat u met mevrouw Stevens is geweest toen het kind ziek was. Kassian! En toen Wilmpje dood was weer... Heel A. weet dat—en nu spreken zij kwaad van mevrouw Stevens met u.”
»Geheel ten onrechte, mevrouw, geloof mij. Ik verzeker u, op mijn woord van eer, dat geen vrouw ooit heiliger voor mij wezen kan dan mevrouw Stevens van Langendijk.”
»Ja, jij bent altijd zoo hoog in jou spreken!” riep mevrouw Joly, met een vergevensgezind lachje. »Ik heb altijd gedacht dat je een goeje man voor mijn Lotje zoudt wezen—maar niet als je verliefd bent op mevrouw Stevens. Mijn Lotje is trotsch, dan wil ze je niet hebben.”
Werner was een oogenblik als iemand die een slag op zijn hoofd krijgt en in de eerste drie minuten niet weet wat hem overkomt.
»Lotje?” herhaalde hij stamelend—»maar Lotje houdt niet van mij” vervolgde hij zachter.
»Lotje! Ja, Allah! Lotje zal zoo’n goeje vrouw voor je zijn, als je niet meer aan mevrouw Stevens zult denken, ja. Want ze is kwaad over dàt. Gisteren sprak zij er nog met Joly over. »Mevrouw Stevens is gemeen,” zeide zij, »kassian voor den resident.—Vertel hem, pa, dan kan hij Werner de deur uitjagen.” Zóo boos was ze—maar ze houdt van jou!”
Werners bloed kookte. Hij had mevrouw Joly met Lotje en de geheele familie Joly kunnen verbrijzelen in dat oogenblik.—Maar het gold Louise! Hij kon zijn bleekheid niet verbergen, maar wel de verontwaardiging verloochenen, die te rein was om bespot te worden door de oogen die hem gadesloegen.
En hij kon ook—ja, hij moest Louise’s goeden naam redden, die door zijn toedoen werd bedreigd...
»En waarom heeft juffrouw Lotje me nooit getoond, dat ze van mij hield?” vroeg hij met een vreemden lach. »Indien zij mij belooft dat zij niet jaloersch meer van mevrouw Stevens zal wezen, of van wie het ook zijn moge, ben ik gereed haar door een huwelijk te bewijzen dat haar gissingen ongegrond zijn geweest.”
»Jij wilt met Lotje trouwen. Soengoeang [35]?”
»Zeer zeker. Indien zij ten minste mijne vrouw worden wil.”
Mevrouw Joly verliet de kamer en kwam een oogenblik later met hare dochter terug.
»Hier is jou Lotje, ja! Kassian, zij is beschaamd voor je!”
Lotje zeide »hm—m,” en »ja” op elke vraag die men haar deed. En toen Werner een half uur later het huis verliet, dat hij vrij was binnengetreden, had hij, om Louise’s wil, om haar voor lasterlijken achterklap te sparen, zijn toekomst verbonden aan die van de oudste juffrouw Joly.
NEGENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
DE GOUVERNEUR-GENERAAL
Willem dood—August vertrokken—en Werner had zij niet meer gezien sinds den sterfdag van het kind.
Wat was alles leeg en duister om haar heen. Eenzaam, verlaten, miskend, gevoelde de jonge vrouw zich te midden der schitterende weelde die haar omringde. Welken troost kon de zieldoodende hartstocht des residents haar geven? Welk geluk lag er voor haar in de gevoellooze beleefdheid harer bekenden, in de slaafsche onderdanigheid harer dienstboden?—Niets—niets. Waar ze zocht, waar ze vroeg—de geest vond niets, het hart vond niets.
»O Werner!”
Ook de Oristorio’s schenen haar vergeten te hebben.... Mevrouw die zoo goed voor haar geweest was. Melatie met haar trouwen, edelen blik.... Haar verbeelding voerde haar terug naar de zonnige dagen van vroeger en bittere tranen vloeiden langs haar verbleekte wangen.
Zij morde niet meer. Zij had het waarom lang genoeg gevraagd: nooit was het beantwoord geworden. Zij had gebogen onder de ijzeren hand der noodzakelijkheid, zij had de bevelende stem van het noodlot gehoorzaamd en besloten het leven te ondergaan, hoe het ook wezen mocht.
De resident trad binnen met een brief in de hand.
»De volgende week zal de Gouverneur-Generaal hier wezen,” zeide hij. »Op zijne inspectiereis wil hij drie dagen te A. vertoeven. Zorg dus dat alles gereed zij voor de ontvangst. Hier is de brief. De Gouverneur, zijn adjudanten, secretaris, kok, dienstboden, weet ik al wat! Het best dat wij doen kunnen, is dat wij hun het gansche huis maar afstaan en ons zelven, voor die drie dagen, in de bijgebouwen behelpen; dat geeft nog de minste soesah. Donderdagmorgen komen zij, dus diner dien dag en ’s avonds receptie. Vrijdagmorgen inspectie, parade, nog zoo iets, en ’s avonds bal in de sociëteit. Zaterdagmorgen tijgergevecht en ’s avonds thé-dansant in de residentie, zoo als het veertien dagen geleden trouwens reeds bepaald was.”
»Goed”, antwoordde Louise en zij begon de voorbereidselen te maken voor de vorstelijke ontvangst.
Wat was die ontvangst cérémonieus! Het was alsof elke steen, elke zandkorrel gemerkt was en of dezelfde merken onder de voetzolen der aanwezigen stonden en elke voetzool het merk dekken moest dat gelijk was aan het hare! Geen eigen wil, geen leven, geen vrijheid,—het was een mécanique receptie. Iedereen stond waar hij staan moest, keek zooals hij kijken moest, sprak zooals hij spreken moest, bewoog zich zoo als hij zich bewegen moest. De Gouverneur-Generaal had alle reden om tevreden te wezen over de luisterrijke ontvangst. Dat was hij dan ook, de arme man! Hij was blij toen hij ’s avonds eindelijk in bed lag!
DERTIGSTE HOOFDSTUK
VRIJDAG AVOND. WERNER
Bekoorlijker dan ooit trad Louise de balzaal binnen. Haar rood fluweelen kleed golfde in dikke mollige plooien over de wit marmeren steenen der voorgalerij; een straal van hoop blonk in hare zachte donkere oogen, een hemelsche lach verhelderde haar kalm bleek gelaat. Werner stond bij een pilaar; hij zag haar het rijtuig uitstappen, de stoep opkomen aan den arm van den Gouverneur-Generaal, de geheele voorgalerij doorloopen en plaats nemen naast mevrouw Joly. Bleek, bevend, met een koortsgloed in de oogen, blikte hij haar na. Wat was zij schoon! Zij wist het, zij gevoelde het, dit kon men haar aanzien, zij verstond het gegons van bewondering dat haar als het ruischen van den wind omzweefde. Toch was zij niet behaagziek of coquette. Er lag zelfs een zekere eenvoud in de wijze waarop zij hare bevalligheid ten toon spreidde en waarop zij de hulde aannam die men haar brengen kwam als iets waarop zij recht had.
»Werner?” vroeg elke slag van haar hart, maar Werner die haar had nageoogd tot een zwerm heeren zich tusschen haar en hem geplaatst en haar aan zijn oog onttrokken had, was naar zijn pilaar teruggekeerd, en stond dáar bij de stoep als wachtte hij iemand die nog komen moest.
Het eene rijtuig voor, het andere na daagde op met zijn vroolijk getooide vracht en verloor zich weder in de dichte duisternis van den nacht, zonder dat Werner een enkel oogenblik zijn post verliet.
Mevrouw di Frama werd door een der ceremoniemeesters binnengeleid, Lina volgde aan den arm van een jong officier en Melatie stond beneden aan de stoep te lachen om drie heeren die haar hun arm aanboden en geen van drieën afstand van haar wilden doen.
Werner zag hare verlegenheid, doch, in plaats van haar te hulp te snellen, zooals hij in elk ander oogenblik gedaan zou hebben, trad hij eenige schreden terug om zich achter den pilaar te verbergen. Juist door deze beweging trok hij hare aandacht tot zich: het plotseling verdwijnen van een lange schaduw deed haar opzien; zij herkende Werner in de persoon die half achter den pilaar verscholen stond, en, zonder zich een oogenblik te bedenken, deed zij een kleinen sprong ter zijde, ontsnapte aan hare drie bewonderaars, trippelde de stoep op, greep Werner bij zijn arm en riep lachend: »Neen, neen, mijnheer Werner, zóó gemakkelijk zult gij Melatie niet ontkomen. Toe”, vervolgde zij op een geheel anderen toon, »breng mij bij jufje, als je blieft, mama zal niet weten waar ik blijf!”
Werner glimlachte afgetrokken en voldeed aan haar verzoek.
»Even naar Louise... naar mevrouw Stevens, hè?
»Neen...”
»Wilt gij niet?” vroeg zij verwonderd?
»Wat?... Mevrouw Stevens aanspreken? O stellig wil ik... ik dacht aan iets anders...”
»Aan wat dacht gij dan?”
»Aan uwe drie heeren misschien,” antwoordde Werner, zich herstellende.
»En ik was ze reeds vergeten!”
Louise reikte Melatie de hand en deed haar een tiental vragen die elkander zoo schielijk opvolgden dat het goede kind er geen enkele van beantwoorden kon.
Weder hield er een rijtuig stil voor de hooge breede stoep.
Het waren de jonge dames Joly die binnen traden. Werner ging met Melatie eenige schreden ter zijde om haar voorbij te laten, en beantwoordde een somberen blik van juffrouw Lotje met een diepe onderdanige buiging.
»Jij altijd met mevrouw Stevens, ja?” voegde zij hem in het voorbijgaan toe. »Ik wil jou spreken, straks.”
Een oogenblik later bevond Melatie zich bij Lina en zat Werner naast Lotje, met wie hij in een zeer weinig geanimeerd gesprek gewikkeld bleef, totdat de dans begon.
Louise danste niet mede, zij had even rond gewandeld aan den arm van den Gouverneur-Generaal en was gaan zitten, terwijl haar cavalier zich naar de speeltafel begeven had.
»Mijn Lotje is geëngageerd!” schreeuwde mevrouw Joly haar in het oor.
»Ja?” antwoordde Louise die niets gehoord had dan het gebons van de groote trom, maar toch aan mevrouw Joly’s gezicht gezien had, dat zij antwoorden moest.
»Met Werner,” hernam mevrouw Joly.
»Ja?”
»Een goede partij!” met een hoofdknikje.
Louise met een lachje, haar na doende: »Zeker.”
Mevrouw Joly’s lange oogen gingen al wijder en wijder open.
Louise blikte de dansende paren na, benijdde Lotje, die op Werner’s arm geleund haar als een pop op wielen voorbij kwam draaien en lachte bij zich zelve om den zonderlingen inval van mevrouw Joly, die discoureeren wilde op een oogenblik dat hooren en zien verging door het geraas der muziek en het gewoel der bonte menigte die als een stormwind voorbij golfde.
Toen de dans geëindigd was, stond mevrouw Joly even op om hare dochter te wenken, die, aan Werners arm, terstond naar haar moeder toekwam.
»Mevrouw Stevens weet het, ik heb haar al uw geheimen verteld.”
Werner werd zóo bleek, dat Louise Lotje’s hand plotseling los liet, en hem met zulk een onbeschrijfelijken angst aanstaarde, dat mevrouw Joly in het midden van haar volzin steken bleef.
Werner herstelde zich het eerst. »Mejuffrouw Lotje, mijne aanstaande...” sprak hij half fluisterend.
Louise ruimer adem halende:
»Ah! is dat het geheim! Ik feliciteer u, juffrouw Lotje... en ik hoop dat gij gelukkig... tezamen zult wezen...”
»Dank u, mevrouw,” antwoordde Lotje en, Werner éen dier donkere blikken toewerpende die hem eene toekomst vol onaangenaamheden beloofden, trok zij hem mede naar het andere einde der zaal, waar zij te midden harer zusters plaats nam en verder deed alsof er geen Werner in de wereld was.
Den tweeden dans deed Louise mede. Pratend, lachend, met een frisch rood op hare wangen en een flikkering van geluk in de opgewonden oogen.
Wat ging er om in de ziel der jonge vrouw, toen zij dáar zoo onbezonnen vroolijk in de rondte zweefde?
Wij weten het niet. Zij wist het zelve niet.
Toen de avond half ten einde was gespoed, werden de speeltafeltjes weggeruimd en maakte men zich gereed tot soupeeren.
Louise stond tegen een der geopende vensters geleund, die in de binnengalerij uitkwamen en speelde achteloos met haar waaier, terwijl hare oogen over de menigte dwaalden en hare gedachten rondzwierven van het eene voorwerp naar het andere zonder eenig rustpunt te kunnen vinden.
»Louise—Mevrouw Stevens!” fluisterde eene zachte welbekende stem. »Ik moet u spreken, alleen... een oogenblik slechts... mag ik morgen komen?... zult gij mij ontvangen?...”
»Later.—Wanneer mijnheer en mevrouw Werner hunne opwachting bij den resident willen maken, zal mevrouw Stevens gereed zijn hare gasten te ontvangen.”
»Louise!”
»Gij kent geene Louise meer.”
De Gouverneur-Generaal kwam zijne dame halen, om haar aan tafel te brengen, en Louise ging met hem mede, kalm en lachend alsof Werner niets voor haar was.
Na het souper duurde het bal nog eenigen tijd voort. Maar er was iets doodsch in de vreugde gekomen, daar Louise ongesteld geworden was en het feest verlaten had, gevolgd door den Gouverneur-Generaal en door den resident, die beide gelukkig waren dat zij eindelijk tot rust konden komen, na al de plichtmatige eervolle genoegens van den dag.
De familie Oristorio was een der eersten geweest die het goede voorbeeld gevolgd hadden. En Lotje Joly die niet meer dansen wilde, zat in een hoek te pruilen, met Werner aan hare zijde, die, geheel in gedachten verzonken, nauwelijks wist dat hij naast Lotje zat.
EENENDERTIGSTE HOOFDSTUK
HET TIJGERGEVECHT
Louise kon dien nacht geen rust vinden. Haar hoofd gloeide, zij had de koorts, zij was opgewonden en gejaagd en kon zich nauwelijks verklaren wat zij gevoelde.
Zoodra de dageraad aanbrak stond zij op, kleedde zich haastig en vlood den tuin in, om in de vrije natuur, den troost te zoeken die haar overal elders ontbrak.
Het was de morgen van een dier gloeiend heete goede moessons dagen, waarop alles brandt en schittert en de gansche natuur aan een monsteroven denken doet. Maar die morgen was schoon met zijn verkwikkend ochtendkoeltje en zijn miljoenen dauwdroppen op de pas ontloken bloemen en de veelsoortige groene bladeren met hunne altijd verschillende tinten; met zijn liefelijk vogelengezang en zijn zachte zonnestralen, die als lachende sylphiden schalksch door de zwevende wolken speelden en het aardrijk met hun gouden vinger wakker wenkten.
Louise’s rood fluweelen muiltjes met hun zilveren draakjes en gouden vlinders, werden voortgejaagd, van het grintpad op het mollig grasveld, van het grasveld naar het rozenperk, van daar weer verder langs volières en vischvijvers tot zij eindelijk bij een hertenkamp tot staan kwamen.
Terstond huppelde er een jonge kandjil naar Louise toe. Wat was dat beestje vlug en dartel! Wat sprong het sierlijk rond op zijn dunne fijne pootjes. En wat richtte het zijn vriendelijk kopje smeekend, liefkoozend tot zijn meesteres omhoog, die uit gewoonte alleen, hare hand door het hekje stak om het lieve diertje langs den fraai gebogen hals te streelen, zonder zich zelve rekenschap te geven van hetgeen zij deed. Eenige gewone kidams volgden het voorbeeld van den kleinen kidam en kwamen statig aangeloopen met hun zachte sprekende oogen en hun trotsche hoornen, haar verwonderd aanziende, als of zij haar rekenschap vragen wilden van haar buitengewoon vroeg morgenbezoek.
Arme Louise! zij was zoo zeer met zich zelven vervuld, dat er verscheiden minuten verliepen eer zij hare geliefkoosde hertjes zag. Toen noemde zij ze éen voor éen bij hunne namen, streelde ze, gaf ze gras uit haar hand te eten en vervolgde weder haar weg, zonder zelve te weten waarheen.
Toch was het groen zóo frisch, toch waren de bloemen zóo geurig, toch was de eerste morgenkreet dier ontwakende natuur zóo schoon, zóo grootsch, liefelijk en hoopvol tevens.
Wat zag zij bleek en wat gevoelde zij zich zwak en uitgeput, moedeloos, gebroken!...
»O Werner!... Waarom een leugen?... Ik vroeg uwe liefde niet... Waarom?... Waarom haar de liefde gegeven die gij mij beloofdet? Waarom?”
Zij glimlachte treurig en plukte een bloem.
»Maar ’t is goed zóo... heel goed... Arme Werner! Met Lotje kan hij niet gelukkig zijn!... Kassian!...”
Een uur later verschenen de resident en zijn gast in de achtergalerij, waar zij Louise bezig vonden met bloemen in een paar chineesche vazen te schikken.
Het gesprek aan de ontbijttafel liep natuurlijk over het bal van den vorigen avond en de vermakelijkheden van den dag die nauwelijks aangebroken was.
»Gij hebt u goed gehouden, mevrouw,” sprak de Gouverneur-Generaal, Louise een dier blikken toewerpende die het bloed naar het voorhoofd doen stijgen of de oogen neer doen slaan. »Ik had niet verwacht dat gij, na de vermoeienissen van gisterenavond, heden morgen reeds met het kraaien van den haan present zoudt wezen, en met ons ontbijten zoudt zoo als gij gisterenmiddag beloofd had te zullen doen.”
»Ik wilde uwe exellentie vóor wezen en daarvoor moet men vlug zijn, niet waar?” antwoordde Louise eenigzins verward.
»Zeer vlug, mevrouw, daar ik de gewoonte heb van door te werken, en van nooit te slapen, wanneer het tijd van waken is. Heb ik iets te doen dan doe ik het dadelijk, en ben ik ergens aan begonnen dan rust ik niet voordat mijn werk gedaan is.”
»Hetgeen zeker zeer aangenaam voor uwe onderhoorigen is! Arme menschen die stellig ook niet altijd even voortvarend en krachtvol zullen wezen als hun chef!”