Een huwelijk in Indië

Part 14

Chapter 144,022 wordsPublic domain

»Die niet geschikt is voor zijn betrekking is ongeschikt en moet er uit. Wij kunnen hier in Neerlandsch Indië geen jonge juffvrouwen gebruiken, vooral niet in de gelederen.”

»Ook niet als zij zóo voortvarend en zoo dapper zijn als ik?”

»Voortvarend zijt gij, dit moet ik u ter eere nageven! Maar dapper?... daar zullen wij aanstonds over oordeelen.”

»Bij het tijgergevecht? O dáar zal ik niet heen gaan! Niet waar Stevens, dáar behoef ik niet bij te zijn?”

»Niet bij te zijn? Maar mevrouwtje lief! Voor u die nooit iets dergelijks gezien hebt, moet het toch heel aardig wezen, zoo iets echt indiesch eens bij te wonen.”

»Aardig! Noemt uwe exellentie dat aardig? Twee arme dieren elkander op de wreedste wijze te zien verscheuren, is dat aardig?... Neen ik houd te veel van dieren om naar zoo iets afschuwelijks te gaan kijken!”

»Houdt gij van tijgers, mevrouw?” vroeg de Gouverneur-Generaal, haar sans-gêne uitlachende.

»Als ik ze niet lief heb als mijn hond of mijn rijpaard, dan bewonder ik ze toch even als al wat leeft. Het leven is voor mij iets zóo schoons, geheimzinnigs, volmaakts, bewonderenswaardigs, dat ik, indien ik iemand was die iets te zeggen had in de wereld, verbieden zou dat men buiten noodzakelijkheid welk dier ook om het leven bracht. Zoo zou ik het martelen van dieren ook straffen met boeten, gevangenis en verbeurdverklaring van het mishandelde dier...”

»Hei, hei, mevrouwtje! waar zouden wij heengaan met zoo veel dierenliefde! En waar zouden wij met al dat levend gedierte blijven, indien er zoo veel bijkwam en zoo weinig afging! En hoe zoudt gij het zelve maken? Kom, verbeeld u eens dat het avond is en dat wij met ons drieën in de voorgalerij zitten, te Samarang bijvoorbeeld, en dat er eenige duizende muskieten met hun liefelijk gezang om onze ooren vliegen, en ons steken zooveel in hun vermogen is, u vooral op uw zachte, blanke hals en armen. Zoudt gij daar niet half dol onder worden en zoudt gij ze niet met plezier tusschen duim en voorste vinger doodknijpen, die lieve muskietjes, indien gij ze slechts krijgen kondet?”

»Och neen, dat doet ze niet!” riep de resident met een schaterlach. »Weet uw exellentie wat ze doet als de muskieten haar hinderen? Dan slaat ze een shawl om haar hals en een doek om haar hoofd en dan zit ze uit al haar macht te waaien om hare lievelingen van zich af te houden! Ha! ha! ha! en als ik er een dood sla, noemt zij mij wreedaard!”

De Gouverneur-Generaal lachte nog harder dan de resident.

»Ik maak er mij een fête van om uwe vrouw straks bij ons tijgergevecht te zien,” riep hij spottend, »wat zal zij zich aanstellen!...”

»Wanneer ik gaan moet, zal ik gaan, en dan zal ik mij niet meer aanstellen dan uw exellentie of de resident, die in zulke afschuwelijkheden behagen kunt scheppen.”

Dit zeggende wierp zij den Gouverneur-Generaal zulk een ernstigen, trotschen, minachtenden blik toe, dat het gesprek voor een oogenblik afgebroken werd en toen over allerhande onderwerpen liep, maar niet meer over tijgergevechten.

Na het ontbijt begaf Louise zich naar haar kamer, die zij niet meer verliet vóordat een der oppassers haar zeggen kwam, dat het rijtuig voor was en de heeren haar wachtten.

In een wit neteldoeksch morgengewaad, een paar diamanten pennen in de kondeh en een paar gouden slangen om de polsen verscheen zij in de voorgalerij, kalm en statig als gewoonlijk.

De Gouverneur-Generaal kwam haar eenige schreden te gemoet, bood haar zijn arm en geleidde haar naar het rijtuig zonder een woord te zeggen; de resident volgde.

»Louise,” vroeg hij half fluisterend, »waarom hebt gij u niet behoorlijk gekleed? Een baadje is geen dracht voor een residentsvrouw bij een gelegenheid als deze.”

»Van heden af zal het dracht worden, resident.”

Gedurende den toer naar de regent’s woning werden slechts eenige onbeduidende volzinnen tusschen Louise en de beide heeren gewisseld.

Een groote, feestelijk versierde pandopo, in het midden waarvan zich twee reusachtige kooien, of liever twee omheinde, afgesloten strijdperken bevonden, verbeidde de nieuwsgierige, opgewonden liefhebbers van het tijgergevecht.

De eereplaatsen vooraan, om zoo te zeggen tegen de omheining aan, waren voor den Toewan Bezar, den resident en mevrouw Stevens bestemd, met hun gevolg van hooggeplaatste beambten, officieren en adjudanten. Louise kwam tot haar ergernis alweder, als naar gewoonte, naast mevrouw Joly terecht.

Een groote witte, of liever rooskleurige buffel stond in een hoek van het strijdperk kalm en langzaam wat gras te eten, nu eens vragend opziende naar de zonderlinge menschenmassa die hem omringde, dan weer al kauwend eenige schreden vooruitdoende en nieuwsgierig snuffelende aan het gesloten hok van den tijger.

Toen dit eenige oogenblikken geduurd had en de buffel tot zijn gras was terug gekeerd, vanwaar hij, met den kop naar het hok van den tijger, zijn vijand in het oog kon houden, werd de schuif aan de voorzijde van het hok weg geschoven, terwijl aan de achterzijde eenige Javanen den tijger door brandende fakkels noodzaakten te voorschijn te komen. Met een donderend gebrul sprong het schoone dier het strijdperk in. Het was een koningstijger van de grootste soort, slank en krachtig, met vonkelende oogen, den muil half geopend.

De buffel zag hem aan, bleef staan en wachtte.

De tijger, als had hij bewustzijn van de bewondering der toeschouwers, kneep de oogen half dicht, liet den staart hangen en deed langzaam eenige passen ter zijde. Toen bleef ook hij staan, blikte trotsch maar kalm om zich heen, vouwde de achterpooten samen en vleide zich neer, met den kop op de half ingetrokken voorpooten alsof hij slapen ging. Een lichte beweging der ooren, een onregelmatig openen der neusvleugels en een sluiksche blik op den buffel verrieden echter een oogenblik later dat hij zich gereed maakte tot den aanval en gereed was zich te verdedigen wanneer die aanval van zijn vijand komen mocht.

Op eens richtte hij den kop op, keek den buffel aan en deed met een vreeselijk gebrul zijn sprong.

De buffel wachtte hem onbewegelijk af, ving hem op zijn horens en kwakte hem met zulk eene kracht ter aarde dat hij geheel bebloed voor dood bleef liggen.

De buffel naderde hem voorzichtig, bezag hem, berook hem, wendde den kop van hem af en deed een pas ter zijde. Dat oogenblik nam de tijger waar om zich weder op te richten, en met onbegrijpelijke vlugheid op den nek van den buffel te springen met den klauw van zijn rechter voorpoot even boven het rechter oog en zijn linker voorpoot op den kop van het arme dier, dat hartverscheurend loeide en met den doodsangst op het gezicht en den tong uit den bek van het eene einde van het strijdperk naar het andere vlood zonder zich van zijn vijand te kunnen ontdoen. Eindelijk toch gelukte het hem den tijger tegen een bamboezen stijl aan te drukken en met zoo veel kracht heen en weer te wrijven dat het dier, na een wanhopige worsteling, waarin hij den kop en den hals van den buffel geheel met zijn nagels doorploegd had, machteloos ter aarde plofte, terwijl de buffel zelf een oogenblik duizelend voortwaggelde en toen, afgemat van vermoeidheid, verzwakt en uitgeput, tegen de omheining van het hok bleef aanleunen, bevend op zijn wijduitstaande pooten en somber nederstarend op de stroomen bloed die uit zijn gapende wonden vloeiden.

De tijger lag aan den anderen kant van het hok te brullen, te blazen, te kermen, te zuchten. Men geve een naam naar goedvinden aan die kreeten van wanhoop, smart, angst en woede, in geen woorden te beschrijven. Het schoone dier lag met den kop achterover in de aarde te rollen, zijn rechterzijde was geheel opengereten door de horens van den buffel, terwijl zijn tong nog droop van het bloed zijns vijands en zijn klauwen glommen van het lillend vleesch dat aan de nagels hing. Een paar minuten verliepen alzoo, toen kwam men met een gloeienden bout den tijger tot een nieuwen aanval dringen.

Woedend vloog het dier weder op, en geen ander schepsel ziende waarop hij zich wreken kon over de hem op nieuw aangedane foltering, sprong hij nogmaals op den buffel toe, die hem echter als de eerste maal op de horens ving, weg wierp en toen vervolgde alsof hij zijn dood besloten had. De tijger kromp van pijn ineen, sloop kermend langs de omheining voort en dook angstig blazend in een hoek weg, zoodra de buffel een oogenblik bleef staan. Terstond werd hij weder door zijn onzichtbaren vijand gemarteld, die den bout in de opene wonden drukte. Met een kreet vloog hij weg, en toen had er een dier bloedige, wanhopige worstelingen plaats, in felheid alleen overtroffen door den onverzadelijken bloeddorst en de wreedheid der menschen die zulke ijselijkheden kunnen in het leven roepen als een schouwspel, een vermaak, een feest dat de oogen boeit en het hart voldoening geeft.

De tijger wilde den buffel van achteren bespringen en sloop om hem heen. De buffel die ongelukkigerwijze zijn hoek verlaten had en zich in het midden van het strijdperk bevond, kon met zijn log lichaam de vlugge wendingen van zijn vijand niet volgen en werd op eens van ter zijde besprongen. De tijger hing hem langs den rug en had zijn klauwen zoo krampachtig in de dikke huid vastgeslagen dat het den buffel, eerst na verscheidene vergeefsche pogingen gelukte den tijger met de horens van zich af te scheuren.

Uitgeput rolde de verzwakte tijger tegen de omheining aan, na in de worsteling zijn vijand de beide linker pooten stuk geslagen te hebben. Bijna tegelijkertijd stort ook de buffel eenige schreden verder in een hoek neder. Dadelijk siste er weer een gloeiend ijzer in de gapende wonden van den tijger; het arme dier slaakte een kreet als een zucht, en kroop op den buik een halven voet vooruit, maar de bout ging ook een halven voet vooruit en siste op nieuw in het warme bloed. Nog een kreet en een pas... en weer de bout en nog een pas... De tijger lag met zijn kop bijna tegen den buffel aan. Nog eens de bout... de buffel boog den kop, de tijger zag hem aan, wilde terug, voelde den bout, spande zijn laatste krachten in, sprong op en wierp zich nog eenmaal op den weerloozen buffel... Doch hij nam den sprong te kort, wondde den buffel aan het voorhoofd, scheurde hem met den linker achterpoot het rechteroog uit den kop, bleef toen een oogenblik op de kromme horens rusten, werd er weer afgeworpen en zonk dood naast zijn stervenden vijand neder, die met een kroon van bloed en ingewanden versierd, dit met alle overwinnaars gemeen had, dat elke zegepraal op het slagveld behaald, een vernedering voor beide partijen is.

TWEEENDERTIGSTE HOOFDSTUK

FELICITA. DE JACHTPARTIJ

Het was reeds over éenen en nog waren de heeren niet van de jacht teruggekeerd... Toch hadden zij beloofd dat ze tegen etenstijd te huis zouden wezen. En reeds van twaalf uur af hadden de dames zitten wachten.

»Ik begin mij werkelijk ongerust te maken,” zeide mevrouw Oristorio di Frama.

»Zijn hier tijgers of wilde zwijnen in de bosschen?” vroeg Louise zacht.

»Ja, zij zijn er, maar ik geloof niet dat het in het plan der heeren lag om zoo ver van huis te gaan. Zij wilden eenige duiven schieten hier in den omtrek, en ik geloof dat het vermaak eigenlijk meer in een rijtoer dan wel in een jachtpartij bestaan zou.”

»En indien ze eens een tijger of een wild zwijn ontmoet hadden?” vroeg Louise weer.

»Nu, zij zijn met hun vijven en de jongens, en zij zijn allen goed gewapend.”

»Ik weet het niet—maar ik ben niet gerust. Gelooft gij aan voorgevoel, mevrouw?”

»Als het uitgekomen is, ja,” antwoordde mevrouw Oristorio lachend, »maar vóor dien tijd niet.”

»Gelooft gij niet dat er oogenblikken in het leven zijn waarin de ziel meer gevoelt dan het lichaam weten kan?”

»Ja zeker!” riep Melatie die Louise met groote oogen aangestaard had, zoo lang zij sprak. »Zeker mevrouw! Toen de kleine Karcilla van den dispens-jongen [36] gestorven is, heb ik het geweten, niet waar mama? Wij hadden drie dagen lang met het arme stakkertje getobd en toen ik eindelijk zóo gerust sliep dat ik niet meer aan het kind dacht, hoorde ik op eens naast mij zeggen: »Kassian! Karcilla mati [37]!” Het was midden in den nacht, ik sprong dadelijk op en liep naar de kamer van mama om te vertellen wat ik gehoord had. Mama zeide dat het een droom geweest was en dat ik maar weer naar bed moest gaan. Maar ik was zoo naar over die woorden dat ik geen rust kon vinden en niet tevreden was voordat mama met mij mede ging naar de bijgebouwen om te zien hoe het met Karcilla was. De moeder zat in de geopende deur te huilen en zeide dadelijk dat het kind nog geen half uur geleden gestorven was.”

»Nu ja, dat is zoo, maar gij waart zoo zenuwachtig en opgewonden door het aanhoudend verzorgen van het arme schepseltje, dat uw geest er nacht en dag mede bezig was en gij waarschijnlijk ook het zelfde geroep gehoord zoudt hebben indien het kind genezen was...”

»O neen, dat geloof ik niet!” riep Louise. »Ik weet wel wat Melatie bedoelt, ik ken dat gevoel!”

»Niet waar, mevrouw,” vroeg Melatie, »zulke dingen zijn geen droomen?”

»Ik geloof althans aan zulke vreemde verschijnselen. Ja, mevrouw Oristorio, lach mij maar uit! Gij vindt mij bijgeloovig, niet waar? En mogelijk ben ik het ook. Maar twee keeren in mijn leven is mij iets zonderlings gebeurd dat de ongeloovigste geloovig zou gemaakt hebben, en nu ik weer zoo iets zonderlings gevoel, nu ben ik bang, ik beken het ronduit!”

»Maar wat gevoelt gij dan?” vroeg mevrouw Oristorio half lachend, half ernstig.

»Ik weet het niet. Ik ben angstig, gejaagd, onrustig, en zoo even, den trap af komende, verbeeldde ik mij een schot te hooren. Ik moest mij aan de leuning vast houden om niet te vallen, zoo had dat geluid mij verschrikt. Het was alsof de lucht vuurrood zag om mij heen, het bloed stolde mij in de aderen, een felle steek in de zijde belette mij adem te halen.... daarop hoorde ik »Louise” zeggen, zoo zacht, zoo zacht...”

Zij zag een oogenblik naar beneden als hoorde zij het nog, toen keek zij schuchter om zich heen en poogde te lachen, terwijl zij vervolgde:

»Maar het is alles slechts verbeelding, dat weet ik wel, en ik ben dwaas om zulke dingen te vertellen! Kom, juffrouw Lina vertel ons wat anders, vóordat ik uitgelachen word... Als je blieft!”

Lina, die tot dusverre gezwegen had, deed haar best om het gesprek een andere wending te geven, maar wat zij ook verzon, de vroolijkheid kwam niet terug in den kleinen vriendinnenkring.

Melatie zat op een voetenbankje naast mevrouw Stevens en leunde met haar hoofd tegen Louise’s schouder. Mevrouw Oristorio was afgetrokken en Louise zeide niets. Zij was bleeker dan te voren en er lag iets angstigs in haar blikken, die zij tusschenbeide op de zware boomen in den tuin vestigde, als wilde zij door groen en afstand heen zien.

»Daar!” riep zij op eens, van haar stoel opspringende met een woestheid, die de arme Melatie bijna van haar bankje deed tuimelen: »Daar zijn ze! God dank!”

De heeren kwamen langzaam en statig het voorplein op rijden, gevolgd door een stoet oppassers en bedienden te paard die wapens, mandjes enz. te verzorgen hadden. De dames waren hen te gemoet gesneld en Louise en Melatie stonden op den ondersten trap van de stoep te lachen van vreugde en ongeduld, toen Louise plotseling verbleekte, hare vriendin bij de hand greep en nauw hoorbaar zeide... »Werner...”

Melatie zag haar vader aan en riep van verre: »Waar is mijnheer Werner, papa?”

»Hij komt, hij komt,” antwoordde de landeigenaar met iets zonderlings in zijn stem, en nader gekomen, stapten de heeren af, en beklommen de stoep, onder een stilzwijgen dat Louise verstijven deed.

»Werner?...” vroeg zij weer, hare groote, zwarte oogen met een onbeschrijfelijke uitdrukking op den resident vestigende en zonder een enkele beweging te maken.

»Werner is genoodzaakt geweest ons zoo even te verlaten, mevrouw. Men kwam hem halen—er was iets op zijn fabriek gebeurd, waar hij bij moest zijn—hij komt hier dineeren,” antwoordde de secretaris.

»Stevens! waar is Werner?” herhaalde Louise nogmaals, alsof de secretaris in het geheel niet gesproken had. En als in een droom de stoep opkomende, naderde zij den resident, legde hare hand op zijn arm, zag hem strak in de glasgroene oogen en vroeg zacht en met nadruk:

»Wat hebt gij met Werner gedaan?”

De vier heeren stonden als verpletterd. De resident greep zich aan de leuning van een stoel vast, om niet neer te storten en mijnheer Oristorio verbleekte zoo dat Melatie hem bij de hand vatte en met doodsangst op het gelaat naar de residentsvrouw staren bleef.

»Zeg het...” vroeg Louise verder.

Niemand antwoordde.

»O! ik word krankzinnig als gij langer zwijgen blijft!”

En het gelaat in de beide handen verbergende, wierp zij het hoofd tegen den witgepleisterden pilaar aan, waarbij zij onbewegelijk staan bleef.

Mevrouw Oristorio en Lina schoten dadelijk toe, voerden haar zacht met zich mede en plaatsten haar op een stoel dien de heeren voor haar aangeschoven hadden.

Zij was geheel verstijfd en koud, hare witte handen waren krampachtig ineen gevouwen, hare lippen waren saamgeperst, haar gelaat was doodsbleek. Geruimen tijd duurde het eer zij weder tot zich zelve kwam. Toen zij eindelijk de donkere oogen opsloeg en langzamerhand de personen herkend had die haar omringden, fluisterde zij mevrouw Oristorio zacht toe:

»Och laat mij even alleen met Stevens!... Ik bid het u.”

Ongemerkt wilde het gezelschap zich uit de voorgalerij verwijderen. De resident was blijven zitten; maar toen hij bemerkte dat hij de eenige was, stond hij ook op en wilde het voorbeeld der overigen volgen.

»August!” riep Louise zacht, hem met de hand terug wenkende »Blijf nog even.”

Hij kwam terug, legde zijn hand op haar voorhoofd en vroeg hoe zij het maakte.

»Goed... Ik ben niet ziek... Ik ben verdrietig.”

»Kom, kom, niet zulke gekke kuren, hoor, wat moeten de menschen wel van je denken?... Ik...”

»August,” viel zij hem in de rede, »wij zijn alleen, zeg mij nu wat er met Werner gebeurd is.”

»Dat kan ik je niet zeggen. Ik zal je iemand anders zenden.” En nauwelijks had hij dit gesproken of hij was uit de galerij verdwenen.

Wal er in de oogenblikken die volgden, in de geschokte ziel der arme Louise omging is met geen woorden te beschrijven. Zij had reeds zooveel geleden in den laatsten tijd, zooveel gezwegen en zooveel vergeven, dat het haar was alsof de slag die haar nu treffen zou haar dooden moest.

Mijnheer en mevrouw di Frama kwamen eindelijk naar voren om met haar te spreken.

»Luister mevrouw,” begon de landheer, »gij zijt volkomen voorbereid op de treurige tijding, niet waar?”

Louise knikte toestemmend.

»Welnu, stel u dan het ergste voor wat onzen braven vriend Werner betreft. Er is... er is op de jacht een ongeluk gebeurd, waarvan hij het noodlottig slachtoffer werd... Niemand is schuldig,” vervolgde hij snel, toen hij zag met welk een vreeselijken blik Louise opsprong om hem in de rede te vallen. »Niemand, geloof mij, mevrouw. Het geweer van den resident is, zonder dat iemand weet hoe, afgegaan op het oogenblik dat hij omkeek om met een zijner bedienden te spreken, en de kogel trof Werner in de zijde.”

»Dood!” fluisterde Louise, met zulk een wanhoop in haar stoel terugzinkende, dat zij de woorden op mijnheer di Frama’s lippen deed besterven.

»Neen... nog niet.”

»Nog niet...” herhaalde zij nauw hoorbaar... »En niemand bij hem!...” Zij verborg het gelaat in de handen en liet het hoofd op mevrouw di Frama’s schouder zinken.

»De dokter is bij hem. En Lawson, zijn neef, de administrateur zijner fabriek, dien wij terstond deden waarschuwen, is oogenblikkelijk hierheen gekomen, om bij het verbinden behulpzaam te zijn.”

»Hierheen!... Hierheen, zegt ge?... Hij is hier! O mijn God! wat zijt gij goed!”

Zij lachte, vouwde de handen en wilde opstaan.... Zij kon niet; haar knieën knikten, haar hoofd duizelde en bewusteloos zonk zij in haar stoel terug.

Bijna op hetzelfde oogenblik wordt in den ruimen koepel aan het eind der kanarilaan, bij den vijver, een groote baleh-baleh met buitengewone omzichtigheid binnen gedragen. De dokter loopt aan de eene zijde, William Lawson aan de andere, verscheidene bedienden volgen. Het is Werner die zwaar gewond, bijna stervende op dien baleh-baleh ligt, en geen enkel teeken van leven meer geeft. Zijn oogen zijn gesloten en zijn verbleekt gelaat verraadt niets dan lijden en uitputting.

De dokter en de administrateur zien elkander een oogenblik veelbeteekenend aan, daarna wordt een der bedienden naar het hoofdgebouw gezonden en eenige minuten later treden mijnheer en mevrouw di Frama en Lina van Wageningen den koepel binnen. Mijnheer wordt dadelijk door den dokter aangesproken, mevrouw en Lina zien zwijgend naar den stervende. Lawson nadert haar langzaam en vraagt zacht, zeer zacht, waar de resident zich bevindt, er nog zachter bijvoegende: »zijn plaats was hier... want zijn schuld is hier...”

Lina grijpt zijn hand en ziet hem zóo smeekend aan, dat hij zwijgen blijft.

»Wat kunnen wij voor hem doen?” vraagt mevrouw di Frama.

»Niets. De dokter durft niet te extirpeeren, hij vreest dat de dood zich dan niet lang zal laten wachten. O, resident van Langendijk!...”

»Ik weet het niet...” zegt de dokter, met den landheer sprekende. »Is de kogel niet te ver gegaan, dan is er hoop op herstel... ofschoon ik vrees... de long is geraakt... De kogel is tusschen de ribben door gegleden... aan geen extirpeeren te denken... bloedstelpen.... en wachten.... Een leelijke geschiedenis, mijnheer...”

»Een ongeluk, dokter, een droevig geval.”

»Kunnen wij u in eenig opzicht van dienst wezen, dokter?” vraagt mevrouw di Frama.

»Dank je mevrouw; er is nog niets te doen. Wij moeten wachten... wachten ... maar mocht er eenige verandering komen hetzij ten goede, hetzij ten kwade, dan zal ik zonder aarzelen van uw vriendelijk aanbod gebruik maken.”

Daarna werd besloten dat de dames naar huis terug zouden keeren en dat mijnheer Oristorio en Lawson met den dokter zouden waken.

»Wij zullen om beurten waken,” zeide de dokter met een bedenkelijk hoofdschudden. »De patiënt eischt voor het oogenblik niets dan toezicht. Mocht er beterschap komen dan zullen wij later de krachten noodig hebben die wij nu niet verspillen mogen.”

»Wil ik u een matras zenden, dokter, voor de twee heeren die rusten kunnen?”

»Als je blieft mevrouw.”

»Och dokter, wat ik je bidden mag, kan je niet een oogenblik meegaan om naar mevrouw Stevens te zien? Wij hebben zoo even letterlijk geen raad met haar geweten. Zij is nu wat kalmer, maar wij vreezen dat die kalmte niet van langen duur zal wezen.”

»Arm vrouwtje!”

Louise lag in de achtergalerij op een rustbank uitgestrekt, Melatie zat aan haar voeten. Zij weende, en lachte door haar tranen heen, terwijl het meisje haar vleiend eenige woorden toevoegde, die niemand hoorde dan zij.

»Beloof je ’t me, Melatie?”

»Ik beloof het u mevrouw.”

»Wat er ook gebeuren moge, je zult me helpen, niet waar.”

»Stellig mevrouw, reken op me.”

»Stevens kwam mij zeggen dat hij dood was.”

»Niet waar, mevrouw—hij leeft—ik weet zeker dat hij leeft. Ik heb het den jongen gevraagd die mama kwam roepen... Chut!... Ik hoor wat...” en snel opspringende vloog zij de binnengalerij in om te zien wien zij had hooren loopen.

»Het is mama, met de juffrouw en den dokter,” riep zij vroolijk en, Louise’s hand grijpende fluisterde zij haastig: »Vraag naar niets. Ik zal alles weten en ik zal u alles naar waarheid mededeelen!”

Louise glimlachte en reikte den dokter de hand met een kalmte die hem verbaasde.

»Beter, veel beter dan ik verwacht had,” zeide hij, »wat zenuwachtig, maar...”

Hij zweeg een oogenblik en zag haar uitvorschend aan met zijn schranderen, scherpzienden blik, waarvoor het jonge vrouwtje hare donkere oogen nedersloeg.

»Er broeit iets op den bodem dier krachtige ziel,” dacht hij bij zich zelven, en opstaande om heen te gaan, reikte hij haar nogmaals de hand, met de woorden: »Tot van avond, mevrouw; ik kom tegen acht uur terug; houd goeden moed, en ga zóo voort.”