Part 15
Louise zag hem aan, alsof zij vragen wilde: »Wat bedoelt gij, dokter?” maar zij zeide niets en de dokter verdween.
»Een lief vrouwtje!” sprak hij als tot zich zelven, zoodra hij zich met mevrouw di Frama alleen in de binnengalerij bevond.
»Een kind,” beweert de resident.
»Dan toch een kind met een helder hoofd en een edel hart! Ik ken maar weinig vrouwen van wie men zóoveel zeggen kan.”
»Ik ook dokter!”
Een oogenblik liepen beiden zwijgend voort.
»Dokter”, begon mevrouw Oristorio weder, »vindt gij haar niet onbegrijpelijk kalm, na die vreeselijke wanhoop van zoo even?”
»Kalm? Neen dat is geen kalmte, dat is wilskracht—geestdrift—overspanning. Wee als de reactie komt!”
»Zij vraagt naar niets meer.”
»Dan weet zij alles.”
»Neen, de resident heeft haar gezegd dat hij overleden was, en van dat oogenblik af is ze kalmer geworden.”
»Vreemd... zeer vreemd.”
De dokter spoedde zich naar zijn patiënt terug en mevrouw di Frama begaf zich naar Louise, met wie zij geruimen tijd bleef praten over alles, behalve over den ongelukkigen Werner.
Toen het avondeten opgebracht werd, verliet Louise de achtergalerij. Zij had geen honger, zij wilde niets gebruiken, zij was uitgeput van vermoeidheid en verlangde naar rust. Terwijl de huisgenooten zich dus aan tafel zetten, werd Louise naar haar kamer geleid door Melatie die haar bij het ontkleeden behulpzaam zoude wezen.
»Vertel mij nu gauw waar hij is? Kan ik hem zien? Hoe, en wanneer?”
»Wacht, laat ik u even een doek omslaan, het is buiten frisch, en als gij waken wilt, moogt gij niet ziek worden. Hij is in den grooten koepel aan het einde der kanarielaan. De dokter alleen is bij hem, de andere heeren zijn aan tafel; ik geloof dat wij een goed oogenblik gekozen hebben.”
»Kom dan!”
En zonder verder een woord samen te spreken snelden de beide dames gearmd den tuin door naar den koepel, waar de gewonde lag.
»Dank je, Mela, dank je! Keer nu gauw naar huis terug en ga aan tafel alsof er niets gebeurd was. Ik wil niet dat ze u beschuldigen zullen van mijn heimelijke vlucht. Dank je!...”
En na Melatie een hartelijken zoen op het voorhoofd gedrukt te hebben, sloop Louise den koepel binnen, waar zij, zonder acht op den dokter te slaan, op den baleh-baleh plaats nam, haar hand op Werners voorhoofd legde en hem in de half gesloten oogen zag, met zulk een grenzenlooze droefheid, met zulk een onuitsprekelijke liefde, dat de dokter als verlamd op zijn stoel bleef zitten zonder een woord te kunnen uiten.
Lang bleef zij zoo staren op het doodsbleeke gelaat van den jongeling; eindelijk hief zij langzaam het hoofd op en vroeg zij zacht en onderworpen: »Dokter, moet hij sterven?”
»Neen, mevrouw, er is nog hoop op herstel, maar....”
»Zeg alles, dokter.”
»Wij moeten ons geen illusies maken. Zijn toestand is hoogst gevaarlijk, de minste aandoening...”
Hij zag Louise scherp aan. Zij verstond zijn blik en antwoordde zonder aarzelen:
»Zeg zulke dingen niet op mij, dokter. Het is hier een stervende dien wij te verplegen hebben.... Laat geen ellendige cancans de rust van dit vertrek ontheiligen.”
De dokter beet zich op de lippen en zweeg. Louise sloeg de oogen neer en bleef onbewegelijk op den baleh-baleh zitten.
Nooit was de jonge vrouw zoo schoon geweest als thans, nu het heldere licht der maan door de hooge vensters op haar viel. Nooit had er zóoveel lijden, zóoveel onderwerping, zóoveel vastberadenheid uit die kalme trekken gesproken als op dit oogenblik. Er was iets indrukwekkends in die rustige droefheid, iets dat aantrok en zwijgen deed, iets dat medelijden inboezemde, dat bewondering opwekte, dat eerbied eischte. De dokter gevoelde het.
»Die vrouw is onschuldig,” dacht hij bij zich zelven, »wat de wereld er ook van zeggen moge.” En vreemd, er vlood hem een beeld voor den geest dat niets gemeen had met hetgeen hem omringde. Een jong meisje met helderblauwe oogen en goudblonde lokken... »Zoo kunnen vrouwen alleen liefhebben!” sprak hij half overluid; »mijn God welk een schat van liefde hebt gij in het reine hart der vrouw gestort!”
Louise zag op. Zij meende dat de dokter sprak, maar de dokter hield de oogen zóo strak op de roode vloersteenen gevestigd, dat ook zij weer in haar vorig stilzwijgen verviel, zonder acht op iets anders te geven dan op den lijder die naast haar lag en wiens geringste ademhaling zij gadesloeg met een geduld dat aan wanhoop grensde.
»Dezelfde zachtheid,” dacht hij verder, »dezelfde droefheid, dezelfde onderwerping en ook dezelfde kracht... zieleleven... zielelijden... en zieletriomf! Viola! Arme miskende Viola!”
Louise zag weer op, maar de dokter staarde nog steeds op dezelfde roode steenen.
»O! de vrouw die groot is, mag voorwaar het schoonste, het edelste, het volmaaktste gewrocht der goddelijke schepping genoemd worden! Waar anders vinden wij die trouw, die vastberadenheid, die kracht, die fiere deugd, die zelfopofferende liefde, die alles vergevende zachtheid... die onuitputtelijke...”
»Wat blieft u, dokter?”
»Mevrouw?”
»Ik meende dat gij iets zeidet?”
»Ik? Vergeving mevrouw... Ik was in gedachten... Heb ik iets gezegd?”
»Ik meende het.”
De dokter antwoordde niet, en Louise vroeg niet verder.
Geruimen tijd bleef alles stil en rustig in den grooten koepel. Toen kwam een der jongens een lamp brengen en vragen hoe het met den toewan ging.
»Hetzelfde,” antwoordde de dokter, en weer begon de stilte met haar eigenaardig gegons van krekelgezang en bladergeritsel.
»Hierheen,” zeide een stem die nader kwam, en bijna op hetzelfde oogenblik traden Stevens en de secretaris binnen.
De dokter ontstelde hevig en de secretaris niet minder, terwijl de resident als door den bliksem getroffen tegenover zijn vrouw bleef staan, leunende tegen den deurpost die hem belet had neer te storten. Louise alleen had geen de minste aandoening verraden; kalm als te voren had zij haar groote donkere oogen op haar echtgenoot gevestigd en hem bijna fluisterend toegevoegd:
»Kassian!... hij sterft... blijf je bij hem van nacht?...”
Stevens’ verontwaardiging had haar hoogste toppunt bereikt. Hij stotterde, beefde, balde de vuisten, maar kon geen woord uiten. Zijn aangezicht was rood als vermiljoen, zijn oogen traanden, als touwen lagen de opgezwollen aren over het saamgetrokken voorhoofd, hij wilde spreken, loopen, handelen,—te vergeefs, hij wankelde en zeeg op een stoel neer met een kreet die aan brullen denken deed.
»Hier?” riep hij eindelijk, zich met moeite aan de leuning van zijn stoel vastklemmende, »wat doe jij hier?”
Louise zag hem onverschrokken, half verwijtend aan, maar zeide niets.
De resident was als verpletterd.—Welke macht had die vrouw, dat zij hem beletten kon haar te dooden, te verbrijzelen in een oogenblik als dit?
Vuur in zijn hoofd, vlammen voor zijn oogen, trommelslagen aan zijn ooren, kanonschoten in zijn hart!... Alles kookte, gonsde, suisde, brandde om hem heen...
Een kleine hand, een zachte stem brachten plotseling rust en koelte in die verwarde hitte.
»Luister August, laat u niet door uw drift vervoeren in oogenblikken van angst en droefheid waarin wij elkander allen noodig hebben. Er zijn ongelukken genoeg gebeurd... er moet hier gehandeld en geholpen worden zonder haat en zonder wrok.”
»Naar huis! Naar huis terug!” dat was al wat hij zeggen kon, en de daad bij het woord voegende, greep hij zijn vrouw bij de schouders en stiet haar van zich af, met een kracht die haar tegen den deurpost gedood zou hebben, als de dokter en de secretaris niet tusschenbeiden waren gekomen om haar uit zijn handen te redden.
»Naar huis, gebied ik u!” gilde hij met een schier onmenschelijke stem, juist op het oogenblik dat mijnheer Oristorio en Lawson terugkwamen om den dokter af te lossen, die naar het hoofdgebouw zou gaan om te eten.
Louise had zich intusschen een weinig hersteld en stond in haar wit morgengewaad, met haar loshangend haar, en haar doodsbleek gelaat naast den baleh-baleh, als ware zij de Gerechtigheid die vonnissen kwam en nog even toefde op de plaats der misdaad alvorens het woord schuldig uit te spreken.
»Ik ga geen pas van hier,” sprak zij vastberaden en met nadruk, terwijl zij haar somber oog met buitengewone kracht op Stevens vestigde: »Mijne plaats is hier, aan de sponde van hem die door uw toedoen ongelukkig is geworden,” en na een oogenblik zwijgens voegde zij er zachter bij, terwijl zij naast den baleh-baleh neerknielde en hare hand op het hoofd van den stervende lei:
»Zoo lang hij leeft—en zoo lang hij niet buiten gevaar zal wezen, wijk ik niet van hier.”
»Dat zullen wij eens zien!”
En weder sprong hij op Louise toe, met een woede die voor het ergste deed vreezen.
»Halt resident!” In een oogenblik was hij door de vier heeren omsingeld die hem toespraken, beschuldigden, geruststelden, laakten, goedkeurden en ten laatste meevoerden naar het hoofdgebouw.
Lawson was de eerste die in den koepel terugkwam. Hij kende Louise niet, hij had haar nooit te voren gezien en in de verwarring van zoo even had hij niets begrepen van de betrekking waarin zij tot de overige personen stond. Eerst in den tuin was het hem uit het spreken der heeren duidelijk geworden dat die idealisch schoone vrouw, welke hem in de eerste oogenblikken een hemelsche verschijning had toegeschenen, mevrouw Stevens van Langendijk was.
Schoorvoetend komt hij den koepel binnen. Louise ziet hem aan en lacht. Zij ligt nog geknield naast den baleh-baleh en wenkt hem om nader te komen.
»Hij slaapt!” fluistert zij zacht, de blonde lokken van Werner’s voorhoofd wegstrijkende. »Wat slaapt hij zacht! Wat is hij gelukkig!”
Lawson wil zich over hem heen buigen, maar Louise houdt hem terug. »Niet zóo dicht bij... hij slaapt,” en opstaande, vat zij Lawson bij de hand en voert hem mede naar het andere einde van den koepel.
»Gij zijt zijn vriend, niet waar?” vraagt zij de oogen neerslaande.
»Ja, mevrouw, wij hebben elkander lange jaren gekend en...”
»Ook ik,” valt zij hem nauw hoorbaar in de rede, »ook ik heb die groote, edele ziel gekend... en verstaan!... Ik heb meer dan eens in dat fiere, warme hart gelezen; op de wieken van die alles omvattende verbeelding door de eeuwige ruimte der natuur gezweefd... Maar ik ben een vrouw, niets dan een rampzalige vrouw, met een hoofd dat niet denken, met een hart dat niet gevoelen mag... O! ware ik een man geweest! Welk een heerlijk reine vriendschap had dan mijn leven aan het zijne kunnen hechten. Met welk een onuitsprekelijk geluk had ik dan dien krachtigen geest van nabij kunnen leeren kennen, die heerlijke ziel naar waarde leeren schatten! Wat had ik goed en braaf kunnen wezen aan de zijde van dien man! O, zulk een voorbeeld maakt grooter, maakt beter, brengt nader tot de volmaaktheid... Ik zou het gevolgd hebben, dat gevoel ik, en dáar waar ik niet meer had kunnen volgen, dáar zou ik bewonderd hebben, bewonderd en gebeden en den Schepper gedankt voor de grootheid aan dien mensch geschonken!”
Zij had met geestdrift en vuur gesproken, een lichte blos gloeide op haar wang, een fiere lach omzweefde de fijne lippen, een dweepende uitdrukking van dankbaarheid en vereering verleende aan de omhoog geslagen oogen een zachtheid, een helderheid, een reinheid die Lawson in verrukking deden uitroepen:
»Idealisch schoon! Welk een heerlijke extase!”
Hij was als betooverd door Louise’s meesleepende opgewondenheid en wist zelf niet dat hij gesproken had.
De jonge vrouw had hem een oogenblik verwonderd aangezien, als verstond zij zijne woorden niet, toen had zij de oogen neergeslagen en het hoofd gebogen en zacht, bijna fluisterend herhaald:
»Maar ik ben eene vrouw... niets dan een rampzalige vrouw, met een hoofd dat niet denken... met een hart dat niet gevoelen mag!... Toch was ik ook geschapen om te denken, om te gevoelen, om gelukkig te wezen... God heeft eenmaal bevolen »denk!” Maar de menschen hebben »neen” gezegd en, in plaats van denken, hebben ze ons gehoorzamen en volgen geleerd... en het hoofd is vergeten geworden.... Zoo was Gods tweede bevel »gevoel!” Maar de wereld heeft weder »neen” gezegd en, in plaats van gevoelen, heeft zij ons zwijgen en veinzen geleerd... En het hart is verloren geraakt!... »Zijt gelukkig!” dat was Gods laatste bevel. En daarop heeft de menschheid geantwoord met een schaterlach, »ja, zijt gelukkig als gij kunt!...”
»Zonder hoofd en zonder hart! Niets om te behouden en niets om weg te schenken... Niets om gelukkig te zijn en niets om gelukkig te maken! Leegte in de eenzaamheid... en eenzaamheid in het gewoel der wereld!... Chaos, waar de geest ook zoekt! Chaos, wat de ziel ook vraagt!.... Schoonheid, rijkdom, jeugd en weelde! Een danspas en een schaterlach! En verder? Nijd en afgunst, haat, bespotting! Aanbidding, wantrouwen, miskenning en verachting!... En dan geen hoofd dat strijden kan! Geen hart dat troost kan geven!... Chaos! Chaos! O, mijn God!”
Zij zweeg en zonk uitgeput op den baleh-baleh neder, dien zij al sprekende genaderd was.
»Wat slaapt hij zacht? Wat is hij gelukkig!” En weer de blonde lokken wegstrijkende legt zij hare hand op Werners voorhoofd en ziet zij hem aan met die grenzenlooze liefde welke den dokter zoo even aan een andere vrouw deed denken... Een jonge, schoone maagd, met goudblond haar, en hemelreine oogen, staande gestorven, met een gelukkigen lach, in een helderblauw gewaad....
»Hoe gaat het hem?”
Het was de dokter, die van tafel terugkwam.
Louise wenkte hem met de hand om stil te zijn en naderbij te komen en lachend naar hem opziende sprak zij zacht en rustig:
»Hij is dood... reeds sedert jaren dood!... Ik alleen heb het geweten, maar ik wilde het aan niemand zeggen dan aan u, omdat gij het toch zoudt zien!...”
De pijnlijke, de afschuwelijke stilte welke op deze woorden volgde, zeide meer dan een der aanwezige personen in staat geweest zou zijn door woorden uit te drukken.
Een schelle, wilde lach weerklonk in den hoogen koepel, en golfde langs het heldere water van den vijver, door den tuin, tot zelfs in de voorgalerij van het hoofdgebouw. Vlug als een hinde sprong Louise op den baleh-baleh en, in de eene hand de lamp houdende, terwijl zij met de andere het hoofd van den doode ondersteunde vroeg zij met een triomfantelijken lach:
»Welnu, dokter, heb ik geen waarheid gesproken?”
»Volkomen waarheid, mevrouw.”
Daarop zag hij Lawson aan.
Groote tranen biggelden langs de wangen van den jongen administrateur. Louise zag ze. Langzaam klom ze van den baleh-baleh af, zette de lamp ter zijde en legde haar hand op zijn schouder.
»Ben je bedroefd?” vroeg zij medelijdend. »Hij is ook je vriend geweest, niet waar? Mijn vriend heeft hij nooit mogen wezen, want ik ben een vrouw, een rampzalige vrouw, en de wereld had »neen” gezegd... Toch had ik nooit mijn hart aan iemand anders geschonken, nooit dat van een ander verlangd of aangenomen....
»Eens heeft hij mij van liefde gesproken, éens, bij het ziekbed van den kleinen Willem, op een avond dat wij alleen waren, en dat ik geweend had over het heengaan van de kinderen.... de kinderen van Mina, de mooie, trouwe, ongelukkige Mina! Zij is dood. Toch was ook zij geschapen om gelukkig te wezen. Met een schat van liefde en gezond verstand had de Schepper haar bedeeld, maar de menschen hadden »neen” gezegd, en nadat zij schoon gevonden en aangebeden was geworden, heeft zij smaad en verachting gekend...
»Zij is dood... evenals hij die dáar voor ons ligt, en die ook een gelukkiger leven verdiend had dan hij gehad heeft... Wat hadden wij te zamen gelukkig kunnen wezen! Nog eens heeft hij mij van liefde gesproken, nog eens, toen wij alleen waren met het lijkje van een kind... en toen heb ik »neen” gezegd, »neen” als de wereld, »neen” als de menschen, die mij hadden leeren zwijgen en veinzen! Die leugen heeft hij mij vergeven, niet waar? Hij weet nu dat het de wereld was die sprak, de menschen die den resident tusschen hem en mij geplaatst hadden... Maar nu is er niemand meer tusschen ons... hij is dood! En de dooden behooren ons, meer dan degenen die nog leven!
»Chut!... Voetstappen!... De resident misschien!... Komt binnen heeren! Goede tijding!...” En met woeste vlugheid mijnheer Oristorio en den resident tegemoet snellende, vatte zij beiden bij de hand en riep met een schaterlach:
»Dood! Hij is dood, de mooie, jonge, krachtvolle Werner! Dood! Getroffen door een kogel van den resident!... Vloek, mijn God! Vloek over het hoofd van den moordenaar!”
Zij lachte weder, en vloog den tuin in waar men haar bewusteloos, aan den voet van een mangaboom wedervond.
DRIEENDERTIGSTE HOOFDSTUK
KRANKZINNIG
Den volgenden morgen was alles droefheid en verwarring in het gisteren nog zoo vroolijke buitenverblijf der Oristorio’s.
Louise was niet aan het ontbijt verschenen, ook mevrouw di Frama had men nog niet gezien. De resident had brood en thee in zijn kamer doen brengen, en de overige huisgenooten, waaronder ook Lawson en de dokter, zaten zwijgend om de groote tafel in de achtergalerij. Melatie was de eerste die de stilte verbrak met de woorden:
»Ik wilde haar zoo gaarne zien, papa.”
»Niet mogelijk, kind, zij is zoo vreeselijk opgewonden, dat het niet anders dan nadeelig voor u zou kunnen zijn, haar op dit oogenblik te bezoeken.”
»Toch zou het mogelijk goed voor haar wezen, daar...”
»Welnu? Wat wildet gij zeggen?”
»Och! ik weet het niet.—Paatje, toe, laat mij even gaan? Even slechts. Ik beloof dat ik niet zal schrikken, dat ik niet akelig zal worden—mag ik?”
»Ja, kon het een goede uitwerking op de patiënte hebben, dan zou ik zeggen: Ga, kind, en breng er het uwe toe bij om eenige klaarheid te geven aan dien verwarden geest—maar ik vrees dat hier tijd en verandering van omgeving alleen als geneesmiddelen kunnen aangewend worden; ik vrees zelfs dat het weerzien van iederen persoon die eenigszins in de noodlottige gebeurtenis van gisteren betrokken is geweest, haar een nieuwen schok zal geven, die in een vlaag van razernij of wanhoop los zal breken. Ik kan mij echter vergissen, want van den raadselachtigen toestand waarin zij thans verkeert, is niets met zekerheid te zeggen.”
»O! mocht ik maar gaan! Ik gevoel dat ik haar zou kunnen troosten! Wij begrijpen elkaar zóo goed! Toe, mag ik, dokterlief? zeg maar »ja”. Gij zult er geen berouw van krijgen.”
»Nu, ja dan. Maar ik ga met u mede, want maakt het u zenuwachtig dan moet gij weg.”
»Was de resident maar weg!” antwoordde zij fluisterend, terwijl zij hare hand op zijn arm legde en met hem naar de logeerkamer ging.
»Ja, was de resident maar liever...”
»In Werners plaats gestorven, niet waar?—Ik heb hetzelfde gedacht, maar ik durfde het niet zeggen!”
»Ik heb het toch niet gezegd?”
Louise stond naast den stoel van den resident. Zij lachte overluid en noemde hem »moordenaar”, juist op het oogenblik toen Melatie binnentrad.—Zoodra zij den dokter zag, riep zij hem tot getuige:
»Niet waar, dokter, je bent het immers met me eens, de eerlooze machthebber haat al wat hij bewonderen moet, doodt al wat hij benijdt.—Alsof hij zelf daardoor rijzen kon!—Nog lager gevallen! Nog dieper gezonken! En dat is grootheid? Wat de wereld grootheid noemt! Dáar ligt een ziel, een geweten, een geheel bestaan van zelfopoffering en verdienste.... dood, verlaten, op een ouden baleh-baleh! En hier zit een moordenaar in het volle licht van den dag... Trotsch en krachtig, alvermogend... gesteunpilaard door ridderorden en een grooten gouden pajong! Dáar de eenzaamheid, de stilte, de dood alleen, die ’t lijk bewaakt. Hier rijkdom en weelde, hoogmoed die zich zelven kroont. Dáar—maar wacht... een zucht, een traan, een lach, een bede... stil!—Luister—stil—stil—luister....
»Mina komt ongeluk brengen over het huis, dat gevloekt is geworden door de vrouw die gij bedrogen hebt, door de kinderen die gij verstooten hebt!...”
»Louise!” riep de resident, plotseling opspringende. »Louise, wat zegt gij dáar!”
»De waarheid, toewan bezar! (groote heer) de zuivere waarheid! Die waarheid is een vrouw en die vrouw heet Mina... Ze is dood—maar voor u toch leeft ze nog,—en zal ze blijven leven... even lang als gij!—Voor mij ook blijft ze leven... Wat was ze schoon! Arme Mina! Ha! daar is zij!...”
Haar oog was op Melatie gevallen, die zij bij de hand vatte en mede voerde, naar den stoel van den resident.
»Hier is ze, Mina!” vervolgde zij half weenend, half triomfant. »De mooie, jonge, edele Mina! Mina die geen schatten vroeg, voor wie de grootheid geen waarde had.... Want Mina had geen liefde voor geld, en zoo had ze ook geen achting voor de ridderorden en geen eerbied voor den grooten gouden pajong,—want ze had te vergeefsch naar een hart gezocht onder al die bonte linten, en ze had nooit een hoofd gezien onder dien verblindend schoonen pajong.
»Liefde, achting, waarheid, dat was al wat zij verlangde. En het was te veel—het was meer dan gij bezat, dus ook meer dan gij geven kondet... Maar dat hebt gij nooit bekend—dáar waart gij te trotsch toe... Gij wildet niet weten hoe arm gij waart—en daarom beloofdet gij woorden, en gaaft gij geld.—Geld, aan Mina!... Zij heeft voor het geld een kris gekocht.—Een kris om een vrouw te dooden—maar ze heeft haar niet gedood.—Kassian! zij leeft nog, het arme schepsel... Ze is »krankzinnig” zeggen ze... Toen was zij niet krankzinnig, toen was ze jong en schoon en aangebeden... Ziek is ze daarna geweest—zóo ziek dat de menschen dachten dat ze dood was—maar ze kon niet sterven—ze mocht niet sterven, zij moest eerst nog iets hooren, nog iets weten—en zij heeft het gehoord.—Zij weet het, resident!
»Gij weet niet wat, niet waar? Gij kunt het niet gissen?—Wacht, ik zal het u zeggen.—Mina had gewaakt bij de jonge, zieke vrouw, zij had haar geholpen en verzorgd—toen alle grooten sliepen.—Zij had den resident geantwoord, toen...”
»Louise! Ik smeek u, om Godswil, zwijg!”
De resident liep hijgend, zuchtend, weenend, met zulke hartverscheurende gebaren in de rondte, dat de dokter hem bij den arm greep en uit de kamer voerde, Melatie een wenk gevende, om haar te doen begrijpen dat hij terstond terug zou komen, uit vrees van haar met Louise alleen te laten.
Nauwelijks waren de heeren de kamer uit of Louise vloog naar de deur, sloot haar en verborg den sleutel onder de kussens, in bed.
»Alleen!” riep zij met een vreugdekreet, die de ramen trillen deed. »Alleen met Mina die goed is, en alles van de arme Louise weten mag.—Maar waar zijt gij al dien tijd geweest?—Waarom heb ik u in zóo lang niet gezien?—De menschen hebben mij gezegd dat gij gestorven waart, maar de dooden kunnen niet terugkomen... niet waar?—O! konden zij dat, wat zou ik dan gelukkig wezen!”
Zij zweeg en scheen op antwoord te wachten. Maar Melatie sloeg haar arm om Louise’s hals en zeide niets, zij wist niet wat zij antwoorden moest.
»Arme Mina!” hernam de jonge vrouw, het meisje medelijdend aanziende. »Arme Mina! En ik wilde u niet binnenlaten toen gij naar uwe kamer terugkeerdet, er uwe kinderen dacht te vinden en den man dien gij lief hadt misschien?... Zij zijn naar Holland, uwe kinderen... weet gij het?—Hun vader heeft ze weg gezonden—tegen mijn zin, want ik wist wel dat gij zoudt terugkomen om ze te zien—uwe kinderen, die gij nooit vergeten zoudt, zelfs niet al waart ge ook werkelijk gestorven!... Arme Mina! Gij hebt een’ vloek geworpen op het huis van den resident en uwe kinderen zijn getroffen geworden, even als de vrouw die uwe plaats heeft ingenomen... maar de man dien uw vloek moest treffen, is gespaard gebleven, en spot met het ongeluk dat wijkt voor zijn schaterlach!”
Melatie begreep niet veel van hetgeen zij hoorde, en bleef zwijgen.