Part 16
»Neen... zóo was het niet...” vervolgde Louise, zich, als met moeite, herinnerende wat er gebeurd was. »Willempje is gestorven... en daarna heeft hij August alleen weg gezonden ondanks al mijn smeeken... Ik heb voor uwe kinderen gedaan wat ik kon... geloof mij, Mina. Ik kon niet meer. Ik had geen recht op uw kinderen, zeide hij, en daarop zijn beide mij ontnomen geworden. Ik heb minder getreurd over Willem dan over August, want Willem was dood en August zou mishandeld worden... Ik wist het wel... Daarom zend ik hem geld en allerhande kleinigheden van hier, zoo dikwijls ik maar kan, opdat de menschen weten zullen dat iemand hem toch lief heeft en dat iemand over hem waakt... En alles zend ik hem uit naam van zijn vader, want mij zouden de menschen niet tellen. Ik heb geen recht, zoo als ze dat heeten... Zijn vader alleen heeft recht!... Zelfs recht om te dooden! Vloek! Vloek! Eeuwige vloek, mijn God! over den man der fortuin!...”
Louise’s oogen vonkelden van toorn en haat, en er was iets zóo krachtigs in het opgeheven hoofd, iets zóo dreigends in de bevende lippen, iets zóo besloten in de saamgevouwen handen, dat Melatie onwillekeurig terug deinsde, en haar op eenigen afstand aan bleef staren, niet wetende of zij hare vriendin bewonderen, beklagen of ontwijken moest.
Doch, plotseling bedarende, en Melatie de hand reikende met eene uitdrukking van medelijden, droefheid en onderwerping, alsof zij berouw had over hare drift van zoo even, vroeg zij zacht, bijna smeekend:
»Herinnert gij u nog, dat gij mij eenmaal beloofd hebt, dat gij mij helpen zoudt, indien gij mij van dienst zoudt kunnen wezen. Het was op een’ avond... in de residentie... Ik had geweend... en gij hadt den moed niet gehad mij te dooden... Er lagen gouden armbanden vóor ons, haarpennen en oorknoppen. Eene kris op den vloer bij het venster... Herinnert gij het u nog?”
Melatie knikte toestemmend. Zij wist van niets.
»Welnu, luister dan, gij kunt mij nu een dienst bewijzen, die niemand anders mij bewijzen zou. Maar op u heb ik gerekend. Gij hebt zelve zóoveel geleden, dat gij medelijden hebben zult met de arme Louise, en haar niet hard beoordeelen zult, zooals de menschen doen.... De menschen, die niet weten wat lijden is, omdat ze niet weten wat liefde is... Arme menschen! Als ze dat alles wisten zouden ze beter wezen, maar ze weten niets en daarom zijn ze zoo boos voor anderen die weten. Het is armoede die boosheid, anders niet... Daarom vergeef ik hun ook alles—alles—maar ik wil ze niet meer zien, ik wil ze niet meer kennen... Ik zal ze helpen waar ik kan, altijd en overal; maar zonder ze te zien! Zij mogen niet meer bij mij komen, vriendelijk en wel, om mij te bespieden, te verraden, te belasteren, te bespotten. Dat alles is maar armoede, ik weet het wel, maar ik wil die armoede niet meer zien, ze is leelijk, en ze doet mij leed. ’t Is Werner die mij geleerd heeft dat slechtheid armoede is, ik wist dat niet, en ik haatte de menschen, die hij beklagen kon! Ik haat ze nog tusschenbeide, maar dat is als ik niet aan Werner denk... Chut!... Dáar klopt iemand aan de deur... Laat maar kloppen, ik heb den sleutel begraven—niemand kan ons storen...”
»Weet gij wie daar klopt?”
»Neen.”
»Het is de dokter, die ook weet wat lijden en wat liefde is, en dien gij niet verstooten moogt, na hetgeen hij voor Werner gedaan heeft...”
»Voor Werner...” herhaalde de jonge vrouw, met neergeslagen oogen, en, langzaam het ledekant naderende, zocht zij den sleutel en opende zelve de deur voor den dokter. Toen sloot zij de deur weer zorgvuldig dicht, en, na zich verzekerd te hebben dat niemand het zag, verborg zij den sleutel op eene andere plaats. Daarop legde zij hare hand op den schouder van den dokter en vroeg zij hem half lachend, of hij den resident ver weg had gebracht?
»Zóo ver dat hij niet meer zal komen voor dat gij zelve hem terug zult roepen.”
»Ik?—Ik hem terug roepen!—Nooit!—O! dokter, wat zijn de menschen toch wreed! Het huwelijk moest verboden zijn wanneer de vrouw geen liefde voor den man heeft en het moest ontbonden worden wanneer hij hare liefde verloren heeft! Ontbonden!—Vrij!—Verlost van den resident! O de liefde van dien man is mij een gruwel! Ik zou hem minder haten, geloof ik, indien hij mij minder lief had!”
»Haten, Mevrouw? Moogt gij iemand haten?”
»Zóo leert men haten, dokter. Welk recht heeft die man op mij? Ik was een kind toen de menschen mij bevolen zijne vrouw te worden. Ik kende niets dan gehoorzaamheid, en ik heb gehoorzaamd; op onwetendheid was mijn handelen gegrond, en op die handeling heeft de wet het zegel harer onfeilbaarheid gedrukt, het wreede »levenslang” bevolen, dat verbeterd werd door de kerk, die »eeuwig” zeide.—Eeuwig!—Mijn God! help mij! Die eeuwigheid maakt mij krankzinnig!...”
Zij verborg het gelaat een oogenblik in de handen, hief toen het hoofd weder op en zeide fier en langzaam:
»En indien ik nu eens die gelofte, dat gebod, die wetten en die kerk verachtte?... Indien ik dat alles eens wreed, dom en onzedelijk noemde: in strijd met godsdienst en natuur; in strijd met gezond verstand en geweten?... Indien ik op grond van dat alles eens naar de gerechtzaal ging en scheiding vroeg van den resident Stevens van Langendijk?... Wat zouden de wetten dan zeggen?”
De dokter en Melatie wisselden een vluchtigen blik, maar zwegen.
»Gij antwoordt niet,” vervolgde Louise, »omdat gij mij geen leed wilt aandoen; maar, ik ken het antwoord even goed als gij. De wet zou slapend op hare volmaaktheid steunen en mij verder verwijzen naar de zielendoodende kerkelijke eeuwigheid! Daarom zal ik ook naar geen gerechtzalen gaan... Toch,—later mogelijk... want de vrouw die schuldig is alleen kan hare vrijheid terug krijgen.—Zij, die onschuldig zijn, moeten lijden en zwijgen. Wij zijn ook te trotsch om te klagen. Medelijden is een vernederende aalmoes, versmaad door haar, die rijk zijn omdat zij een krachtige ziel en een zuiver geweten hebben!—Maar spreken, dat kunnen wij—lachend vertellen wat wij lijden, hoe wij lijden en waardoor wij lijden... En dan kunnen wij verachten—en—zóo handelen als ik van morgen met den resident gehandeld heb!... Zeg, dokter, wilt gij mij een genoegen doen?”
»Gaarne Mevrouw.”
»Blijf dan even hier staan, ik wilde Mina een oogenblik alleen spreken.” En Melatie mede voerende naar de andere zijde der kamer, vroeg zij nauw hoorbaar:
»Waar wordt Werner begraven?”
»Te Speranza; op zijn eigen land.”
»Ik moet zijn graf zien, eer ik naar A. terugkeer—zal je met mij meegaan?...”
Melatie wierp een wanhopigen blik op den dokter en antwoordde toestemmend:
»Morgen ochtend, in de vroegte, als de anderen nog slapen, niet waar? O, ik wil zien waar het graf van George is!—Ik moet het weten, want... Dokter, waar kijk je naar?...” En met een’ woesten sprong naar het venster snellende, waarbij de dokter stond, zag zij van verre, door de takken der boomen heen, den lijkstoet die het hek uitging.
Bleek en hijgend staarde zij in de donkere laan; haar somber oog tuurde door de groene bladeren zoo lang daar achter iets bewoog, en toen eindelijk alles stil was, boog zij langzaam het schoone hoofd en rolden er groote tranen langs de krijtwitte wangen.
»Ik heb hem zoo innig liefgehad,” sprak zij zacht, »en hij heeft het nooit geweten.—Dokter, ik dank je voor al wat gij voor mijn Werner gedaan hebt.”
Zij reikte hem de hand en zag hem aan met hare zachte, droevige oogen als of zij hem met dien blik zeggen wilde, hetgeen zij in geen woorden uit kon drukken.
Toen zonk zij opeen sofa neer, en bleef daar zitten, bleek en zwijgend tot laat in den avond, geen lach, geen traan, geen uitdrukking van toorn of haat had leven gegeven aan de ziellooze trekken die uren lang onbewegelijk gebleven waren. Te vergeefs had men alle middelen in het werk gesteld om hare aandacht te trekken, of haar belang in te boezemen voor hetgeen haar omringde—niets had geholpen, de stem van den resident had haar koud gelaten, even als het schoone lied van Lina, en de bittere tranen der arme Melatie, die haar eindelijk ontkleedde en als een kind naar bed bracht, zonder een enkel woord over hare lippen te kunnen krijgen, of zelfs aan eenig teeken te kunnen zien dat zij haar herkende.
Acht dagen bleef zij zóo half bewusteloos voort leven, toen keerde de resident met haar naar A. terug, waar mijnheer en mevrouw Van Amerongen den zelfden dag zouden aankomen, om eenigen tijd bij hun kind door te brengen en te beproeven haar door eene nieuwe omgeving de oude te doen vergeten.
VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK
HET BEZOEK DER OUDERS
„Je me repens de tout, hors de l’avoir aimé Et, si devant ce Dien mon amour est coupable, Que dans l’éternité sa vengeance m’accable! Je ne puis m’arracher du coeur, même aujourd’hui, Le seul être ici-bas qui m’aît fait croire en Lui; — — — — — — son image est si belle, Que je ne comprends pas le ciel même sans elle. Oh! s’il était là, lui! Si Dieu me le rendait! Même à travers la mort, oh! s’il me regardait! Si cette heure à ma vie eût été réservée, Si j’entendais sa voix je me croirais sauvée: Sa voix m’adoucirait jusqu’au lit du tombeau!”
A. de Lamartine, Jocelyn.
In het lichtblauw satijn gekleed, stond Louise te spelen met de weelderige lokken van haar loshangend haar, en te lachen naar omhoog, als zag zij daar iemand dien zij welkom heette.
Haar vader trad binnen.
Zij zag hem niet, en vervolgde haar spel als te voren, nu eens omziende naar de golvende plooien van haar langen sleep, dan weder lachende tegen den grooten spiegel welke hare bekoorlijke gestalte ten voeten uit wedergaf, of smeekend opziende naar den een of anderen hoek der kamer, waar een idealische verschijning hare gansche ziel scheen heen te trekken.
»George!” riep zij op eens, en, in den grootsten angst hare armen uitstrekkende als wilde zij iemand terug houden die haar verlaten ging, vervolgde zij nauw hoorbaar: »O, blijf!... blijf... Nog even slechts! Mijn George! O! ik bid u, verlaat mij niet... Gij weet het immers, de wereld is ledig voor mij... is niets meer zonder u...”
Zij zweeg, verbleekte, trok de armen terug, bedekte het gelaat met de handen, en zonk als machteloos op een stoel neder.
Mijnheer Van Amerongen naderde haar langzaam, legde zijn hand op haar schouder, en riep haar zacht bij haar naam.
Louise bleef onbewegelijk zitten.
»Kindlief!” sprak hij vleiend.
Geen antwoord.
»Louise, uwe moeder is hier, om u te bezoeken. Stevens heeft haar te logeeren gevraagd, om u pleizier te doen.—Wilt gij uwe moeder niet zien?”
Nog altijd hetzelfde zwijgen.
Mijnheer Van Amerongen vatte hare beide handen in de zijnen, trok ze van haar gelaat af en zag haar met een glimlach aan.
Louise liet hem begaan, maar zeide niets en staarde voor zich neder, zonder acht op hem te geven.
Ten einde raad, wilde hij de kamer weer verlaten, toen hem plotseling een gedachte inviel.
Hij kwam terug, plaatste zich achter den stoel zijner dochter en fluisterde zacht:
»George zal terug komen!”
Zij bewoog zich niet, doch hare oogen blikten ter zijde, als luisterde zij.
»Gij zult hem weerzien, Louise.”
»Wanneer?” vroeg zij zacht, zoo zacht dat het woord een zucht geleek.
»Later.”
»Later!” herhaalde zij met een vreeselijke lach, toen sloeg zij de oogen neer en boog het hoofd met zulk een onbeschrijfelijke uitdrukking van droefheid en onderwerping dat het hart haars vaders van smart ineenkromp.
»Louise!” hernam hij nogmaals, »Louise, George heeft beloofd terug te zullen komen zoodra gij weer vroolijk en opgeruimd zult wezen. Hij bemint u slechts zooals gij vroeger waart, jong en schoon, en vroolijk bovenal.”
»Vroolijk? O! laat hem komen, en ik zal weer vroolijk zijn! Vroolijk en gelukkig, zooals ik bij hem alleen kan wezen... Mijn George! Mijn hartelijk geliefde George!... En ik heb hem verstooten toen hij daar voor mij stond... verstooten toen hij mij zijn liefde bood, toen hij mij de mijne vroeg, mijn liefde die mijn steun, mijn leidsvrouw, mijn alles geweest was gedurende de laatste eeuwen die ik doorkropen had... O, George, kom weer! Vergeef uwe arme Louise een laagheid, vergeef haar een misdaad die zij gepleegd heeft uit plichtbesef! Zij heeft uwe liefde versmaad, zij heeft u de hare verborgen... Zij heeft u misleid... Mijn George, u misleid, omdat de menschen die misleiding deugd noemden. De menschen! Alsof er menschen bestaan mochten...”
Zij zweeg een oogenblik, lachte en vervolgde toen met wanhopige bitterheid:
»Deugd!—Wat is deugd?—Waar is deugd?—Deugd!—Een woord—een klank—niets!—Een schim, die duizende gedaanten heeft, duizende gebreken, duizende belachelijkheden! Een iets dat bestaat, en dat toch niet bestaat—dat niets is dan trots en dwang en tegenstrijdigheid... egoïsme dat beveelt en domheid die gehoorzaamt, berekening die in stand houdt door overmacht!... Deugd is een spooksel dat door geheimzinnigheid bekoort, aantrekt door vreemdheid en meesleept door onbereikbaarheid, den spot drijft met de onzinnige aanbidding zijner bewonderaars! Een gezichtsbedrog dat allen najagen en dat niemand bereikt, een gewrocht onzer eigene verbeelding, dat ons het leven ondragelijk maakt en ons den dood beschouwen doet als een belooning voor ons lijden!... Zekerheid voor het ongeluk, voor het tegenwoordige dat ons behoort, en onzekerheid voor het geluk, dat wij moedwillig naar de toekomst verwijzen... de toekomst die geen sterveling kent!... Alsof wij weten konden wat ons na dit leven wacht!... Mijn God! welk een verward bestaan! Leven voor eene toekomst die geheel denkbeeldig is! En daarvoor ongelukkig zijn! Daarvoor strijden, zwoegen, jaren lang!...
»Deugd! Ha! Waarom hebt gij mij dat woord geleerd? Gij die er eene beteekenis aan hecht die raadsel is voor mij? Gij, mijne moeder, die mij daarvoor de liefde, de hulp, de achting der menschen beloofdet!.... Ja, de menschen! De menschen die ik recht over mijne handelingen toe heb gekend, die ik eene plaats in mijne ziel heb ingeruimd, die ik geacht heb en vertrouwd, beschermd, getroost, geholpen waar het mij mogelijk was... die menschen hebben mij bedrogen, belasterd, ongelukkig gemaakt... ja, zelfs veracht!—Zij hebben mij veracht!—veracht, omdat ik aan hun deugden geloofde, terwijl zij met mijne vriendschap speelden, misbruik van mijn vertrouwen maakten en mijne weldaden met ondank beloonden.... En toen zij mij alles ontnomen hadden, alles, mijne menschenliefde, mijn vertrouwen, mijn geluk en mijne rust, toen zij mij niets meer gelaten hadden dan angst en twijfel, toen ik mij zelve vreemd was geworden, en mijne gedachten, mijne gevoelens, mijne daden zelfs raadselen voor mij geworden waren—toen hebben zij gespot met de teleurgestelde hoop van het kind, gelachen om de wanhoop die mijn hart verteerde, om de leegte die mijn ziel omzweefde, gejuicht over de zwakte van het lichaam dat gebroken scheen—van het hoofd.... »Krankzinnig!” was hun feestkreet, en de nagalm klonk mij als eene openbaring in de ooren!—Ja, krankzinnig misschien.... Ben ik nu krankzinnig?—Ik heb zóoveel geleden, zóoveel gezwegen, zóoveel verborgen... Wat heb ik lief gehad! En wat haat ik nu! Wat veracht ik de menschen!... Neen, om Werner’s wille vergeef ik hen... Lacht maar, lacht maar, menschen... Bespot vrij uw slachtoffers, spreekt uw leven lang van deugd en zoekt uw geluk in het leed dat uwe naasten doodt—er zal eenmaal een tijd komen...
»Maar de deugd is mij vreemd—mogelijk hebt gij het recht om mij te verachten... gij die begrijpt wat duister is voor mij...
»Neen, dat recht hebt gij niet! Gij kunt het niet hebben!—En indien gij het hadt, dan nog zou ik het u betwisten, zoo lang het mij mogelijk zou zijn....
»George! George! Hoort gij het? Hoort gij dat uwe Louise vrij is?—Dat er geen deugd meer bestaat—en dat de wereld dood is voor haar? Kom, o kom terug, mijn innig geliefde George! Kom, opdat uwe Louise den menschen toone wat deugd is voor haar! Hoe groot, hoe edel, hoe heilig de liefde is die zij u toedraagt, en hoe trotsch zij ze met voeten treedt, die wetten van menschen die zij haat en veracht omdat zij bevelen wat slecht is en berispen hetgeen God zelf wil!”
Haar oog viel op haren vader, en plotseling bleef zij zwijgend tegenover hem staan. Gedurende eenige oogenblikken zag zij hem strak aan, toen wierp zij het hoofd achterover, kruiste de armen over de borst en vroeg op trotschen, schier dreigenden toon:
»Wie zijt gij?—En wat doet gij hier?”
Mijnheer Van Amerongen wilde antwoorden, doch eer hij een woord kon uitbrengen, vervolgde zij heftiger:
»Ik ken u niet.—Vertrek!”
»Gij kent mij niet, Louise?... Uw vader?... Van Amerongen?...”
»Van Amerongen... Van Amerongen...” herhaalde de jonge vrouw verward, »van Amerongen... Ik ken hem niet.—Vertrek!... Neen—wacht—ik ken hem toch... Ik heb meer dan duizend jaar geleden dien naam wel eens gehoord, geloof ik... van Amerongen... van Amerongen... Een koopman, niet waar?—Een geldman, een rekenaar?—Een man zonder deugd, zonder hart, zonder eer?... Ik ken hem niet.—Vertrek!...”
»Maar die man is uw vader, Louise! Herken dan toch dien armen, ongelukkigen vader die u verzorgd heeft toen gij klein waart en voor u gewerkt heeft zijn leven lang!—Die u lief heeft...”
Hij wilde hare hand vatten, doch nauwelijks had hij die met de toppen zijner vingers aangeraakt, of Louise sprong terug met eene flikkering van afschuw in de oogen.
»Ha!—Ik ken u!” gilde zij luid. »Ik ken u ellendeling! Mijn vader?—Ja, die waart gij eenmaal maar die zijt gij nu niet meer!—Moordenaar! Moordenaar van het kind dat u lief had, dat u eerde, u vertrouwde.... Gij hebt hare ziel gedood, haar hoofd gekrenkt, haar hart gebroken... Maar het lichaam dat gij haar behouden liet, dat lichaam haat u, veracht u, vervloekt u voor eeuwig!”
De jonge vrouw bedaarde plotseling. De duivelsche lach, welke voor een oogenblik haar schoon gelaat ontsierd had, maakte plaats voor eene zachte uitdrukding van grenzenlooze droefheid, toen sprak zij somber en bedaard:
»Gij hebt mij mijn George ontnomen... mijn George, dien ik lief had als het licht van den dag... Vertrek, vreemdeling.—Ik ken u niet...”
Zij wees met de hand naar de deur, wierp hem een blik vol verachting toe en wendde zich van hem af.
Mijnheer Van Amerongen vertrok. Een oogenblik later trad mevrouw de kamer binnen.
Louise stond met den rug naar de deur gekeerd en sprak overluid:
»Ik heb hem vervloekt, dien man uit mijn kindschheid!—En die vloek zal zwaar drukken op de schouders van den grijsaard!... De rijke man is trotsch geweest—maar het grijze hoofd zal buigen, en het koude hart zal lijden onder den vloek die dooden zal!...”
Mevrouw Van Amerongen verbleekte; toch trad zij nader.
»Louise,” sprak zij zacht, haren arm om den hals harer dochter slaande. »Hoe gaat het u, mijn kind? Wat ben ik blijde u weer te zien! Stevens had mij geschreven dat gij ongesteld waart, maar gij zijt weer beter, niet waar? Gij...”
Louise staarde hare moeder aan, zoo als zij eenige oogenblikken te voren haren vader had aangestaard; toen wikkelde zij zich los uit hare armen, wierp haar een blik toe, zóo koud en zóo trotsch als die sprekende oogen er ooit een geworpen hadden, en sprak zacht:
»Wat kan het u schelen hoe ik het maak?... Uw kind is residentsvrouw thans!—Wat doet de rest ter zake?... De menschen zeggen dat ik krankzinnig ben, omdat ik hen haat!—Zijt gij dus gekomen om te zien of de menschen waarheid spreken, keer dan terug tot hen die u gezonden hebben, en zeg hun dat Louise slechts éene ziel bezit en dat die éene hem behoort dien zij lief heeft boven alles!... Het lichaam moogt gij vrij krankzinnig noemen, indien dat woord de menschen gelukkig kan maken!...”
»Maar gij zijt niet krankzinnig, Louise, mijn kind! De menschen hebben onwaarheid gesproken en gij zult ze daarvan overtuigen, niet waar?—Gij zult met mij mede gaan naar Samarang, waar gij Marie van den Berg weer zult vinden en Henri, die u wachten.”
»Marie?... Henri?... Ken ik die menschen?... Ik ben ze vergeten, geloof ik... Mijn leven is zóo lang geweest!—Maar ik heb toch eenmaal een schoonen droom gehad waarin die namen voorkwamen, dunkt mij... Een tuin met zwaar geboomte en bloeiende heesters... gouden zonlichten, die dansten over een schelpenpad... lieve bloemen, die geurden en schitterden met kristallen dauwdroppelen... Een paard, een arabische isabel, schoon en vurig, trappelend van ongeduld aan de hand van een jong meisje... een kind, met een lachend hart en een lachend oog... Marie aan hare zijde... Henri tegenover haar...
»Wie zijt gij?” viel zij op eens zich zelve in de rede, hare moeder bij den arm vattende en haar scherp in de oogen ziende. »Wie geeft u het recht mij te volgen, wanneer ik neerdaal in de dagen die voorbij zijn?—Het is met mijne geliefde afgestorvenen alleen dat ik gelukkig wezen kan... En er is te weinig geluk op aarde dan dat het u vergund zou wezen, een uwer medemenschen het zijne moedwillig te ontnemen.
»Ik wensch alleen te zijn. Alleen, met George, die mij wacht... met George aan wien ik toebehoor.—Hij is gekomen om mij iets te zeggen dat ik weten moet.—Maar hij kan niet spreken zoolang dáar eene vreemde tusschen ons staat... Verstaat gij mij niet?—Hoort gij ook niet wat hij u zegt?... »Dat Gods vloek op hen zal rusten, die van deugd en godsdienst spreken en niet weten wat liefde is... omdat zij hunne harten met goud beslagen en hunne gewetens bedolven hebben onder het geld, dat zij door een laagheid, een toeval, of een misdaad verkregen hebben!”
»Louise! Mijn arme Louise!—Bedaar toch, mijn kind.—Zeg mij al wat u op het hart ligt, maar zeg het mij kalm. Vrees niets: met uwe moeder toch kunt gij openhartig spreken...”
»Mijne moeder?—Zijt gij mijne moeder?—Gij?—Het is mogelijk.—Maar wilt gij daarom dat ik openhartig met u spreken zal?—Wacht, wacht even... en ik zal u zeggen, wat gij weten moogt...
»Hier, hier, ziet gij dit?” vervolgde zij, een zak koperen duiten uit de lade harer kast te voorschijn halende: »Hier hebt gij het loon van uw leven” En een hand vol recepissen over den vloer strooiende, vroeg zij lachend: »Gij hebt immers altijd naar rijkdommen verlangd? Daarvoor hebt gij eerst u zelve en later uw kind verkocht. Daarvoor hebt gij gekropen aan de voeten uwer medemenschen, gewroet in het slijk der aarde, geklopt aan de poorten der hel.—Geniet nu van het loon uws levens, indien gij nog genieten kunt!... Zie hier geld!... Geld in overvloed! Geld genoeg om u een gouden doos te koopen, een doos zóo groot, zóo sterk dat gij haar als een huis bewonen kunt!—En wees gelukkig, als gij kunt, wanneer uw lichaam rusten zal op een leger van goud, en uwe oogen een gouden horizon ontmoeten zullen, waar zij zich ook wenden!—Wees gelukkig als gij kunt, wanneer uw hart verstijven zal van koude en het bloed, gestold in uwe aderen, niet meer vloeien zal langs die schoone wanden van goud! En als dan eindelijk uw gouddorst bevredigd zal wezen, en uw nooit voldane ziel iets anders zal verlangen—iets beters, iets dat gij vroeger niet hebt willen kennen, maar waarnaar gij vragen zult zoodra gij weten zult, dat gij het niet verkrijgen kunt, zelfs niet voor het goud van uw heelal...”
Zij zag tranen langs de wangen harer moeder biggelen. Terstond hield zij op met spreken. De verontwaardiging, de minachting, de haat, welke onder het spreken in elke harer bewegingen hadden doorgestraald, waren plotseling verdwenen. Een gelukkige glimlach verhelderde haar schoon gelaat en met een diep gevoel van medelijden en liefde riep zij op eens:
»Vergeef haar, George!—Zie hoe zij lijdt! Heb medelijden met mijn arme moeder!”
Bijna op hetzelfde oogenblik verbleekte zij, met een luiden gil vlood zij weg, en sidderend kromp zij ineen in den donkersten hoek der kamer.
Een oogenblik later rees zij weder op. Hare houding was gebogen, haar somber oog glansloos.