Part 17
»Ook hij!” sprak zij zacht. Toen begaf zij zich met wankelende schreden naar haar stoel, en, met de armen over de leuning gekruist en de oogen nedergeslagen, vervolgde zij:
»Ook hij,—mijn George, mijn vriend, mijn leidsman, mijn meester—mij verlaten! verstooten!.... vergeten!... Mag er dan niets meer bestaan voor de arme ongelukkige Louise?... niets... niets...”
Mevrouw Van Amerongen sloot haar kind in de armen, drukte een kus op het brandend voorhoofd en zeide troostend:
»Ik ben bij u, Louise, uwe moeder die u lief heeft, en die alles voor u doen zal, alles... Zeg maar wat gij verlangt en...”
»Wat ik verlang?... Wat... ik... verlang?” herhaalde zij somber, »niets meer... niets...”
Eenige oogenblikken bleef zij zwijgend nadenken, toen hernam zij levendiger:
»Toch heeft hij mij lief gehad... Innig, waarachtig lief gehad! Hij zelf heeft het mij gezegd... dáar... dáar mijne hand in de zijne... Zijn lach, zijn blik, zijn stem... liefde!... liefde!... alles liefde! En die liefde is dood? Dood voor eeuwig? Louise is niets meer voor hem?... Help mij, mijn God! O, help mij begrijpen... Indien een mensch begrijpen mag...”
Zij boog het hoofd en bleef geruimen tijd, als wezenloos, aan de zijde harer moeder staan.
»Neen, nooit heeft hij Lotje lief gehad,” sprak zij fluisterend... »hij heeft mij alles geschreven... alles in dat briefje, dat ik verbrand heb... verbrand... Het eenige briefje van George... En nu heb ik niets meer van hem... niets... niets... Chut! Hij spreekt...”
Zij hief hare oogen op, luisterde, bloosde, lachte, verbleekte weder, boog het hoofd en weende.
Plotseling sprong zij uit hare verslagenheid op, wierp het hoofd achterover, sloeg een krachtigen blik naar omhoog en sprak luid en ernstig:
»Ja George. Ik zweer het u, mijn liefde, mijn toekomst behooren a. Geen menschelijke macht zal de kracht hebben ons ooit weer te scheiden. Vertrouw op mij, en ons geluk staat vast. Ik zweer het u.—Tot weerziens, George...”
En zich lachend tot hare moeder wendende, vervolgde zij: »Gij hoort het, hem alleen behoor ik, wat de menschen ook zeggen mogen.”
VIJFENDERTIGSTE HOOFDSTUK
DE VLUCHT
Het was avond. In een der logeerkamers van het residentiegebouw lag Louise geknield voor een grooten toiletspiegel. Zij had het rood fluweelen kleed aan, dat zij gemaakt had voor het Gouverneur-Generaal’s bal, waarop zij Werner weer zou zien. Zij had zich opgesierd met paarlen en diamanten, gouden slangen en melatiekransen. Haar weelderig zwart haar golfde in dikke lokken langs den blooten hals en de armen en smolt op den vloer ineen met de mollige plooien van het rood fluweel. Zij lachte terwijl zij het schoone hoofd omhoog hief en het licht der kaarsen hare donkere oogen bescheen, waarin nog tranen blonken.
»George,” sprak zij zacht, »uwe Louise is gereed u te volgen; maar chut, laat de resident het niet weten, want hij zou op onze receptie willen komen, bij ons huwelijk tegenwoordig willen zijn, en dat mag niet wezen. Gij hebt immers ook niets van zijn huwelijk af geweten? Zijn huwelijk met Louise van Amerongen. Nu heet ze geen Van Amerongen meer, zij heeft lang Stevens geheeten, maar dat was de naam van den man die haar gekocht had, en zij wil niets mee nemen van den man dien zij verlaten gaat, niets, vooral zijn naam niet. Die leelijke groote naam, die aan grasgroene oogen doet denken, en aan een schelle stem. Werner wil zij voortaan heeten, Louise Werner. Dien naam zal ze nooit verloochenen, want zij heeft hem zelve gekozen. Hier is mijn bruidssluier, maar de oranjebloesems kan ik niet vinden—waar zijn ze dan toch?—Mijn bruidskleed is in de andere kamer—’t is geen zware zij, geen satijn, geen fluweel, maar eenvoudige witte tule, zoo rein en zoo helder als de liefde uwer bruid. »Mysterie” ruischten de zware plooien van het dikke zijden kleed, dat eenmaal een residentsbruid tooide; en mysterie was hare liefde, die sliep en wachtte op u. Waar zijn die oranjebloesems dan toch?—Een tweede huwelijk? O neen, geen tweede huwelijk.—Nooit een tweede huwelijk. Ik ben nooit getrouwd geweest. Nooit. Dat vorig huwelijk was een spel, een vertooning, een drama waarin ik een rol vervuld heb, een droeve rol, maar daar was geen waarheid in, o neen, niets waars. Nu ga ik trouwen—en dit huwelijk is waar—voor eeuwig waar.—Maar ik kan de oranjebloesems niet vinden...”
Zij hoorde geritsel achter zich, en zag om. Het waren de voetstappen van den resident en van hare ouders, die zij gehoord had. Men had haar naar de logeerkamer zien gaan, en daar zij buitengewoon lang weg was gebleven, kwam men zien wat zij deed.
»Altijd diezelfde menschen!” dacht zij bij zich zelve, en met een half weerhouden lach zich den bruidssluier over het hoofd werpende, vlood zij weg naar een andere kamer.
»Volg haar!” smeekte de resident.
Louise hoorde dat zij vervolgd werd en vluchtte van de eene kamer naar de andere, alle galerijen door, tot dat zij in hare kleedkamer kwam. Dáar bleef zij plotseling staan, wendde zich om, wierp haar sluier af en vroeg met eene verontwaardiging die alle beschrijving te boven ging.
»Wie durft mij te volgen, als ik u verbied de eenige kamer binnen te komen die de mijne is?”
»Niemand,” antwoordde mevrouw Van Amerongen, die reeds in de geopende deur stond, en snel trad zij terug.
Louise bedaarde oogenblikkelijk, zij zag haar moeder met verbazing aan, ging haar lachend te gemoet en reikte haar de hand met de woorden:
»Kom binnen, ik was vergeten dat gij komen moest... Nu herinner ik het mij.—Gij zijt mijn gewezen moeder, niet waar?—En gij mijn vader? En gij resident Stevens van Langendijk, mijn echtgenoot van vroeger?—Komt binnen, komt binnen, wij moeten spreken over de op handen zijnde scheiding, die Werner aangevraagd heeft voor de vrouw die de zijne moet worden... Gaat zitten en laat ons alles in der minne schikken... Ik zal geen moeilijkheden maken, resident.—Ik vraag mijn vrijheid, anders niets—indien uw kind het mijne was, zou ik dat ook vragen, maar op uw kind heb ik geen recht, evenmin als op uw naam, dien gij voortaan alleen behouden kunt.—Wanneer wilt gij teekenen, resident?—Dit zal de tweede keer zijn, dat wij te zamen zullen teekenen... de laatste keer, niet waar?...”
»Ja, de laatste keer! De eerste is de laatste geweest!” antwoordde de resident half knorrig half medelijdend. »Eens getrouwd, blijft getrouwd...”
Louise sprong op hem toe, wis een leeuwin op haar prooi en, hem de beide handen op de schouders leggende, zag zij hem strak in de oogen, alsof zij in zijne ziel lezen en hem tevens in de gelegenheid stellen wilde een blik in de hare te werpen.
»Eens getrouwd, blijft getrouwd!” herhaalde zij schamper—»maar nooit getrouwd?...”
Zij trok de handen terug, zag naar omhoog als luisterde zij, en borst op eens in een luid lachen, uit.
»Ja, ja,” riep zij in de handen klappende van vreugde en weder op den resident toetredend, hernam zij spottend en heftig:
»Wat zal het nageslacht lachen over onze huwelijken van thans!... Slavernij zal men ze noemen! Willekeurige slavernij, gegrond op bijgeloof en domheid, op overlevering en ouden sleur! De kloostergelofte, verbasterd en verdraaid in de wereld overgebracht! Levenslange kloosteropsluiting, hu!—Levenslange gevangenis, vreeselijk!—Levenslange ballingschap, ijselijk!—Levenslang huwelijk, ’t is crimineel! ’t is onverantwoordelijk! ’t is de grootste zonde die de wetten plegen kunnen, want het is de moeder van alle andere zonden! Moet daarom een meisje onwetend gehouden worden? Hebt gij het recht, menschen, ouders, voogden, bloedverwanten, vrienden, wie gij ook zijn moogt, hebt gij het recht ons in domheid groot te brengen, ons vertrouwen in te boezemen en gehoorzaamheid en dankbaarheid te leeren, om ons daarna, van onze argeloosheid en van ons niets weten misbruik makende, aan ketenen te leggen die anderen voor ons smeden en die wij niet meer verbreken kunnen?—Zonde! zonde! groote zonde!—De vrouw die handelt moet weten wat zij doet, en beneemt gij haar het weten, dan kan hare handeling ook nooit geldig wezen. Al staat ’t ook in een boek vol wetten en al galmt gij ’t ook door de ruimte uwer tempels.—Die domme letters weten niet wat ze zeggen, en die golvende klanken sterven weg zonder weerklank in de toekomst te vinden!
Eens wist ik niet, toen heb ik »ja” gezegd.—Nu weet ik, en nu zeg ik »neen.”
Maar hij is uw echtgenoot.
Neen!
Hij heeft recht op u.
Neen!
Echtscheiding is zonde.
Neen!—Vrijheid eisch ik.
Maar de wet gedoogt het scheiden slechts, terwijl de kerk het laakt en de maatschappij het veracht.
De wet is slecht, de kerk is dom, en de maatschappij is schijnheilig! Coalitie die zwakheid verraadt!
Vrijheid eisch ik...
Niemand antwoordt?—Niemand spreekt mij tegen?
Resident Stevens van Langendijk, waar zit gij?—Kom hier, groote heer.
Toen ik u beloofde uwe vrouw te zullen worden, heb ik u dit gezegd:
»Stevens, binnen korten tijd zal ik uwe vrouw zijn en nog nooit hebt gij mij gevraagd of ik het wezen wilde.”
Herinnert gij ’t u nog?—’t Is lang geleden dat die harde woorden gesproken werden—maar juist omdat ze hard waren, zijn ze mij bij gebleven.—Het steenen monument leeft langer dan de menschen, die wegsterven. En die woorden zijn in steen uitgehouwen, want ze staan geschreven in mijn hart dat versteend werd door u!
»Liefste! liefste Louise,” durfdet gij daarna vragen. »Nog nooit hebt gij iemand lief gehad, zegt gij?”
»Niemand—zelfs u niet, resident.”
»Dat zal later wel komen, wanneer wij eenmaal getrouwd zullen zijn.”
»Ik hoop het, voor u en voor mij, en mocht het anders wezen, dan zal de resident zich herinneren dat zijne vrouw hem gedwongen hare hand heeft geschonken.”
En in plaats van mij, zoo als gij behoordet te doen, mijn vrijheid weer te geven, hebt gij de vervulling van eene belofte gewild, die een kind in haar onnoozele onwetendheid, op last harer ouders gedaan had...
Toen hebben wij beiden verkeerd gehandeld, resident.—Gij wetend, ik onbewust.
Sedert zijn de omstandigheden veranderd en de karakters ook.
Het kind is mensch geworden en de vrouw, die weet, eischt hare vrijheid.
Hebben wij eenmaal een fout begaan, dan is het onze plicht, als redelijke wezens, die zoo spoedig en zoo goed mogelijk te herstellen.
Ik kondig u dus bij deze aan, dat ik de door mij begane fout herstellen ga, en, van dit oogenblik af, ophoud uwe vrouw te zijn.”
Het eenige antwoord van den resident was een schaterlach. Hij vond die grootsche vrijheidsdroomen zeer grappig in een vrouw, die zoo afhankelijk was als de zijne.
»Lacht gij daarom?” vroeg Louise verwonderd, »dat doet mij pleizier. Hoe minder gij tegen onze scheiding zijt, hoe aangenamer het mij is. Gij zult dus wel de goedheid willen hebben, zelf de aanvraag te doen. Gij kunt mij beschuldigen van al wat u goed dunkt, moord en doodslag, echtbreuk of krankzinnigheid, diefstal zelfs, hoe gemeen of het is. Ik beloof u dat ik »ja” en »amen” zeggen zal op elke misdaad die gij mij ten laste zult leggen, onder voorwaarde altijd dat zij mij mijne vrijheid weder geeft. En hiermede wensch ik u goeden nacht, resident, slaap wel, goeden nacht, getuigen!” Toen zij bij de deur was, keerde zij zich nog even om, met de woorden:
»Ik vergat u nog te zeggen dat gij mijne huwelijksgift behouden kunt... als losgeld... of als loon voor uwe scheidingsaanvraag! Slaap wel, resident.”
Zij wikkelde zich geheel in het witte tule kleed dat op een stoel lag, wierp zich den kanten sluier over het hoofd en verliet de kamer met een afscheidsgroet.
Toen zij zich alleen in hare slaapkamer bevond hoorde men haar lachen als een kind dat een guitenstreek heeft uitgevoerd. Daarna was alles stil.
Een rijtuig rolde de laan door—het hek uit—de straat op.
En weer was alles stil.
De resident verbleekte, sprong op en opende de deur der slaapkamer.
Niemand.
»Louise... Louise!...”
Alles bleef stil.
»Siedin, Ketjil, Alima, Bonsoe, sap’ada, sap’ada, Di sini, lekas!”
Uit alle hoeken, van onder alle tafels kwamen jongens en meiden te voorschijn, slaapdronken en verschrikt, met onbewegelijke gezichten.
»Manna njonja?” [38]
Geen antwoord.
»Bodok, Malas!” [39] Alima bij den arm grijpende en haar onzacht heen en weer schuddende: »Di manna njonja pigi?” [40]
»S’taauw toewan.” [41]
»Pigi per setan!” [42] en met een schop tuimelde Alima de kamer uit.
Daarop volgde een vloed van scheldwoorden, oorvegen, vloeken en bevelen, waar niemand minder uit wijs kon worden dan de resident zelf, en eindelijk werd de scène besloten met den uittocht van een half dozijn oppassers te paard die, meer dan half slapende, njonja resident zoeken gingen. Het was toen omstreeks middernacht.
Klokslag zes reden zij met hun zessen het hek weer in.
Njonja resident was niet te vinden geweest.
Daarop reed de resident zelf uit. Ketjil ging mee, en de gouden pajong ook.
Malbrouck s’en va-t-en guerre.
DERDE DEEL
HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
Vous n’avez connu que les femmes heureuses ou méchantes peut-être? Celles qui n’ont pas besoin de valoir grand’ chose et celles qui réellement ne valent rien. Tachez de connaître celles qui aiment et qui souffrent, celles qui pardonnent surtout; et peut-être qu’alors vous aussi vous les désireriez libres, dans l’intérêt même de cet honneur national qui se perd par la décadence de la femme; par cette ignorance, par cette servitude, par cette bassesse, par cette hypocrisie forcée, ordonnées par les lois, sanctifiées par l’église et glorifiées par cette grande puissance morale:
l’opinion publique!
Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au sujet de son livre L’Homme-Femme par Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.
DERDE DEEL
HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK
SPERANZA
Speranza was een der schoonste landgoederen in het A.sche. Niet alleen waren de grond beter en de ligging voordeeliger dan van de meeste omliggende landen, maar kunst en smaak hadden natuur zóo ruimschoots geholpen, dat het woonhuis met het park als een meesterstuk van Europeesche verfijning en Indische weelde beschouwd kon worden. Niets was er veranderd sedert den dood van Werner. Een graftombe meer aan het einde eener kanarielaan, half verscholen onder bloeiende heesters, dat was al.
Het was een prachtige heldere sterrennacht. De maan wierp haar vol licht over de weelderige plantenmassa en spiegelde zich vrij in het zacht stroomende water van een grooten vischvijver, omringd door de zeldzaamste gewassen, waarvan de met bloemen beladen takken sierlijk heen en weer wiegelden in het kristal heldere water.
Alles was stil, schoon, rijk aan leven; geen vogel, geen vlinder scheen meer te waken in die kalme, rustige natuur, maar het water murmelde zacht zijn melodieusen levenszang, terwijl de bladeren hun geheimzinnige poëziën ontboezemden, onverstaan wegstervend in de ruimte die ze verslindt.
Vlug als een sylphide sprong een vrouwelijke gedaante uit het donkere kreupelhout te voorschijn. Op eens beschenen door het heldere maanlicht en gestuit in hare vlucht door den schoonen waterplas aan hare voeten, stond zij als betooverd stil. Met de hand voor de oogen dook zij in de schaduw terug, als vreesde zij het licht. Toen golfde een lach, als die van een kind, over het kabbelende water en langzaam, met gevouwen handen uit haar schuilhoek terugkomende, wierp zij nieuwsgierige blikken om zich heen, verwonderd, vragend, opgetogen, dankend... zij knielde neder en scheen te bidden.
Ja, zij bad in die betooverende eenzaamheid. Hare ziel was zóo vol: zij kon niet meer denken, maar zij kon gevoelen, bewonderen, genieten, gelukkig zijn, en den Schepper danken, wiens grootsche almacht haar uit hare nietigheid ophief lot het besef van eene volmaaktheid die haar duizelen deed.
Het was zes uur in den morgen en nog lag zij daar, met het hoofd op een rotsklomp, de handen gevouwen, de oogen gesloten. De zon wierp vroolijk haar nieuwen levensschat over de ontwakende aarde, de vogelen hieven dartel hun duizendvoudig orchest weer aan, de bloemen zagen op, de insekten herleefden...
De jonge vrouw alleen scheen gevoelloos voor den gouden gloed die haar uitgeputte leden koesterde, en bleef dood ondanks de krachtige stem der natuur die leven vroeg.
»Hier mijnheer,” sprak een kinderstem, »aan dezen kant bij de sedap malam. [43]”
Lawson volgde den kleinen javaanschen jongen die hem den weg wees en vond de jonge vrouw op de aangeduide plaats.
»Goed, ga heen, en zeg het niemand,” sprak hij gejaagd, zich zacht over haar heen buigende en hare handen in de zijnen vattende.
»Mevrouw!... Liefste mevrouw. Mijn God, zij is dood! Louise!...”
Haar naam deed haar huiveren, zij bewoog even, doch ontwaakte niet.
Hij richtte haar op van den harden steen, sloot haar in zijn armen, verwarmde haar tegen zijn borst, zeide haar al wat geruststelling, liefde, troost kan zeggen...
»Werner!” sprak zij zacht, »o laat mij sterven... nu...” en zich dichter tegen hem aandringende, verborg zij het gelaat aan zijn schouder en verviel weder in hare vorige gevoelloosheid.
Ten einde raad richtte Lawson haar op van den dampigen, harden grond en droeg haar in zijne armen naar huis, waar hij haar te bed leidde en als een getrouwe hond aan hare voeten zitten bleef tot zij ontwaken zou.
Wat had hij die vrouw bewonderd toen hij haar de eerste maal gezien had als de genius der wraak aan Werner’s sponde! Wat had hij haar beklaagd als het onbeschermde slachtoffer van den ruwen, zedeloozen resident! Wat had hij haar lief, zwak, zacht, verlaten, vol vertrouwen, zoo als zij daar voor hem lag; hulpeloos en zwijgend, met den hoopvollen lach eener fictie om de lippen, met de marmeren bleekheid des doods over hare trekken verspreid.
Zwijgend zat hij het levenlooze schepsel aan te staren, terwijl tranen van medelijden langs zijn wangen biggelden.
»Wat heeft dat kind gedaan om zóo ongelukkig te moeten wezen?... Wie heeft recht op haar?... Hij is haar echtgenoot... En wat doet dat af?... Ik zweer het, die vrouw zal heilig voor mij wezen... Uit mijn huis? Neen, nooit zonder haar eigen toestemming...”
»Toewan dokter.”
»Ah!”
Lawson sprong op, verliet de kamer, sloot de deur achter zich dicht, stak de sleutel in zijn zak en ging met Heisterman in een ander vertrek.
»Luister dokter,” begon hij ernstig, »beloof je me, op je woord van eer, dat je zwijgen zult, wat je ook zien moogt? Dat geen consideraties hoegenaamd, noch voor personen, noch voor gevolgen, je een enkel woord, een enkel teeken zullen afpersen over hetgeen je hier zult zien?”
»Indien het geen misdaad geldt.”
»Misdaad of niet, ik weet niet in hoever onze denkbeelden daaromtrent overeenstemmen, maar ik weet wel dat je hier onder de gevraagde belofte helpen kunt, of dat je anders onverrichter zake naar huis terug kunt keeren, zonder dat je ooit zult weten waarvoor je hier geroepen bent geworden.”
»Ik beloof te zullen zwijgen,” antwoordde de dokter besloten.
»Goed, kom in.”
De goede man kon het niet helpen, dat een kreet van verwondering hem ontsnapte op het zien van mevrouw Stevens van Langendijk in Werner’s slaapkamer op Speranza.
Hij wilde spreken, vragen, meer weten, maar Lawson wees hem op de zieke en kwam hem vóor met de woorden: »Ik weet niets. Zóo heb ik haar twee uur geleden bij den vijver gevonden.”
Meer dan drie uren verliepen er nog, eer eenig teeken van leven in Louise te krijgen was, en toen scheen zij zóo zwak en uitgeput, dat zij van hare flauwte in een slaap overging, die vijf dagen en nachten bijna zonder ophouden voortduurde.
Lawson achtte haar verloren, maar de dokter verklaarde dat het de laatste worsteling tusschen een sterken geest en een geknakt lichaam was, waaruit de patiënte waarschijnlijk krachtig herrijzen zou, indien men alles maar aan de natuur alleen wilde overlaten. Hij had gelijk: de gezonde jeugd zegepraalde over de gebrokene ziel en, ofschoon zeer langzaam, begonnen de verloren krachten toch weder te keeren.
Gedurende de eerste dagen in een half droomenden toestand, sprak zij slechts weinig en zóo zacht dat men haar nauwelijks verstaan kon. Als een kind dat zijne zwakheid gevoelt, gehoorzaamde zij zonder tegenspraak. Lawson en de dokter waakten om beurten, en geen oogenblik hadden zij haar nog durven verlaten sedert den dag harer geheimzinnige verschijning op Speranza.
Eindelijk na een dag of acht te zwak te zijn geweest om met eigen wil te kunnen handelen, scheen zij zich, op een Zondagmorgen veel beter te gevoelen.
»Dokter!” vroeg zij, zoodra Heisterman het bed naderde. »Mag ik van daag niet een half uurtje opzitten?”
»Zeker, indien gij er u sterk genoeg toe gevoelt.”
»O, van daag ben ik sterk! Waar is George?”
De dokter wist niet dadelijk wat te antwoorden: »Lawson meent gij?” vroeg hij aarzelend.
»Hm—m!” zei ze lachend, en, het hoofd van hem afwendende, verviel zij weder in haar vorig stilzwijgen.
»Wij zullen haar nooit genezen zien!” sprak hij treurig, toen Lawson eenige oogenblikken later binnentrad. »Het is Werner, altijd Werner nog!—Hare hopelooze liefde doodt haar.”
Lawson naderde het bed, legde zijne hand op haar schouder en vroeg bijna fluisterend:
»Louise hebt gij naar mij gevraagd?”
»George?...”
»Welnu, hier ben ik.—Gij hebt niets meer te vreezen, geloof mij, wees gerust en vertrouw op mij. Gij zijt volmaakt veilig hier op Speranza, niemand zal u meer vervolgen of u eenig leed aandoen... Wij zijn hier alleen—ver van de wereld—alleen met God en zijne natuur...”
Krampachtig greep zij zijne hand tusschen hare vermagerde vingers.
»Wie is die man, dáar, George?” vroeg zij fluisterend.
»Het is de dokter.—Heisterman.”
»Zoo even kende hij u niet.—Hij noemde u anders—geen George, zoo als ik.—Zend hem weg... toe... hij wil u niet kennen.”
»Zeker kent hij mij.—Hij heeft u niet verstaan misschien.—Dokter, ken je me niet?...”
»Zeker ken ik u.”
»Wie ben ik dan? Noem mijn naam.”
»George Werner,” antwoordde de dokter, Lawson’s bedoeling begrijpende.
»Weet hij alles?” vroeg Louise verder.
»Alles,” antwoordde Lawson, »maar vrees niets, hij zal het niemand zeggen.”
»Ook den resident niet?”
»Ook hem niet.”
»Chut!—Gij weet dat hij gezworen heeft u te dooden wanneer hij ons te zamen zou vinden?—George-lief zult gij mij niet naar hem terugzenden?—Nooit?—Zult gij de arme Louise nooit verstooten?... Hoe de menschen haar ook verachten zullen?”
»Nooit! Nooit! Ik zweer het u.”
»Dank je engel!... O! Ik wist wel dat de menschen mij bedriegen wilden, toen zij zeiden dat ze u begraven hadden, op uw eigen land, in den tuin, aan het eind eener laan, bij een stroomend water met bloemen omzoomd... Ik wilde het zien, uw graf, zelve zien, vóor het te gelooven... en ik heb den tuin gevonden, en de laan,—en het water,—en de bloemen, maar niet het graf... Want daar is geen graf!” vervolgde zij, met een pijnlijken lach Lawson in de oogen starende. »Niet waar, George, gij kunt, gij wilt niet sterven nu Louise bij u is—voor altijd—voor eeuwig?”
»Neen.”
»Gij weet nu dat ik sterven moet, indien gij mij verlaat, of krankzinnig worden, zooals de menschen het noemen, omdat zij niet weten dat de ziel de dooden kan volgen, terwijl het lichaam leven blijft.—O George, dat is een vreeselijk gevoel! Ik ken het. Ik heb het gevoeld toen zij mij gelooven deden dat gij mij verlaten hadt. Toch wist ik dat ik u weer zou zien... gij hadt het mij immers beloofd? Maar waarom zijt gij in al dien tijd niet bij mij geweest? Ik vroeg dagelijks elk uur, elk oogenblik naar u, en »dood” was al wat de wreede menschen antwoordden! Zullen ze nu ook »dood” zeggen, als de resident naar Louise zal vragen? O, dat hoop ik!” En met een lach in de kussens terug zinkende, met Lawson’s hand in de hare en hare oogen op de zijnen gevestigd, viel zij weder in slaap, kalm en gelukkig zoo als zij in lang niet geslapen had.
Zwijgend en vragend zagen de dokter en Lawson elkander aan. Lawson was de eerste die de stilte verbrak.
»Misdaad,” zeide hij, »ziet gij hier een misdaad in de toekomst, dokter?”
»Ik zie niets dan ongeluk. Geen fouten, maar gevolgen van verkeerde handelingen en misdaden.”