Een huwelijk in Indië

Part 18

Chapter 183,930 wordsPublic domain

Zij reikten elkander de hand, en bleven geruimen tijd zwijgen, terwijl de jonge vrouw aan hunne zijde sliep.

Langzaam, zeer langzaam was Louise’s herstelling geweest, die zij grootendeels aan Lawson te danken had, in wien zij Werner meende te zien.

De resident had te vergeefs alle pogingen in het werk gesteld om zijn vrouw terug te vinden. Vrienden en bekenden waren ondervraagd geworden en hadden op hun beurt getracht iets naders omtrent Louise te weten te komen; alles te vergeefs. De dokter was de eerste geweest die van zelfmoord gesproken had, en dit denkbeeld, het waarschijnlijkste van al, was ten laatste algemeen voor waarheid aangenomen.

Louise’s dood had weinig of geen verandering in het leven van den resident te weeg gebracht. Hij had den laatsten tijd zóo veel met haar te tobben gehad, dat hij bijna gelukkig was toen er eindelijk een einde aan de soesah kwam. Wanneer hij zich de jonge, schoone, levendige Louise van vroeger herinnerde, had hij soms oogenblikken van wanhoop en vertwijfeling, die zich oplosten in een luid snikken en zuchten, hartbrekend om aan te hooren, maar juist door de overdreven heftigheid ver van gevaarlijk waren voor den oppervlakkigen man, die door een enkele gedachte aan Louise’s opgewondenheid en krankzinnigheid als bij tooverslag weer tot bedaren kwam en vrede kreeg met het verdwijnen van de oproerige vrouw, die hij toch niet langer regeeren kon.

ZEVENENDERTIGSTE HOOFDSTUK

LAWSON

„J’ai trahi par faiblesse, on bien par dévoûment Mon enfant, mon amour, mon bonheur, mon serment.”

A. de Lamartine, Jocelyn.

Zes maanden was Louise gelukkig geweest. Zes volle maanden geluk voor die gefolterde ziel, dat was eene eeuwigheid geweest! Eene eeuwigheid van liefde, kalmte en hoop had zij doorleefd in die schoone, rijke eenzaamheid, waar alles Werner riep. Maar zij waren voorbij en het was een vluchtig oogenblik slechts dat in de verte glansde als de avondstar in het nachtelijk duister.

Het was een dier frissche, heldere morgens, zooals men ze enkel in het gebergte kent. Louise wandelde, op Lawson’s arm geleund, den weelderigen, smaakvollen tuin door en zag om zich heen met dien afgetrokken, zachten lach, het kenmerk van schier volmaakt geluk. Beide genoten in stilte van het tegenwoordige met eene gretigheid, die een onbestemd gevoel van vrees voor de toekomst verried.

Louise verbrak het zwijgen. Zij voerde haar vriend naar een ijzeren bankje, waarop beide plaats namen, legde haar hoofd op zijn schouder en vroeg zacht, zijne hand in de hare vattende:

»George!—Wat zal de toekomst wezen?—De onze?—De zijne?”

Lawson sloeg zijn arm om haar heen, drukte haar aan zijn hart en beantwoordde hare vraag met een kus.

Lang zwegen beiden weer.

Louise’s hoofd zonk lager, haar oogen staarden naar den grond en groote tranen hingen aan de lange wimpers.

»George—niet waar?” vroeg zij fluisterend. »George zullen wij hem noemen? En ook de wereld zal hem George heeten—omdat het geen Werner wezen mag... Ach! waarom moet dat kind verstooten worden?... Waarom miskend?... en veracht misschien!...”

»Chut, Louise, spreek niet zóo, mijn engel! Ons kind zal niet verstooten worden, niet miskend, veel minder nog veracht.—Wij zullen het zelf verzorgen en onderwijzen en groot brengen tot eere van ons land en...”

»Zonder naam...” viel Louise hem in de rede.

»Er zijn er meer geweest zonder naam, die groot geweest zijn en uitgemunt hebben boven allen.”

»Maar hij zal zijn vader haten en zijne moeder verachten... dat zullen de menschen hem leeren, en dat zal mij dooden, George! Gij die beter zijt dan allen, grooter dan de grootsten, edeler dan de edelsten,—o, waarom moet ik over uw kind weenen?... Indien het zijn kind geweest ware, zou de wereld mij geacht hebben, gevleid, benijd misschien!... En toch, zijn kind ware schande geweest! Het uwe, God weet het, is glorie!”

Na een oogenblik zwijgens, vervolgde zij angstig:

»George, zoudt ook gij mij kunnen verachten?...”

»Nooit—nooit, mijn innig geliefde Louise!...”

»Maar ik ben uwe vrouw niet... Later misschien... O, beloof mij dat gij mij dooden zult, nooit verstooten! God weet het, dat ik niet slecht ben... Ik kan ’t niet helpen dat ik leef, zoo kan ik niet helpen dat ik u lief heb ook.—Misdaad noemt de wereld mijne liefde; misdaad moest zij dan ook mijn leven noemen! Misdaad, wat van God alleen komt?—O! menschen, waarom maakt gij wetten, strijdig met die van God?—Nietige, armzalige schepselen, welk recht hebt gij, in uw zwakke afhankelijkheid, om uwe onkunde hooger te stellen dan de volmaakte wijsheid, van Gods krachtige natuur?

»George, vergeeft gij mij den twijfel die zich tusschenbeide van mij meester maakt, en mij onrechtvaardig oordeelen doet zelfs over u, dien ik liefheb boven alles?... O, ik moest minder lief hebben, om minder te lijden!—Maar gij hebt medelijden met uw arme Louise, niet waar?... En, evenals God, vergeeft gij haar alles, omdat gij alles weet?”

Lawson sloot haar in zijne armen, drukte een hartstochtelijken kus op hare bevende lippen en geleidde haar onder een vloed van troostwoorden naar huis terug, daar het te warm begon te worden om langer in den tuin te blijven.

Een half uur later reed hij te paard uit om het werk op zijn landgoed na te gaan, en bleef de jonge vrouw alleen.

Zij was in lang zóo opgewonden niet geweest als dezen morgen. Sedert hare herstelling was zij gelukkig geweest zonder nadenken, zonder vrees voor de toekomst althans. Zij had zich geheel aan hare liefde overgegeven, die zoo ruimschoots door Lawson beantwoord was geworden, dat zij alles vergeten had in het ongekend geluk dat haar als betooverde en gevoelloos maakte voor hetgeen daar buiten lag.

Gisteren echter was er iets zonderlings gebeurd. Lawson had naar een voorwerp gevraagd dat niemand vinden kon. Alle bedienden hadden er naar gezocht, doch te vergeefs, eindelijk had een der jongens gevraagd om den sleutel van »de kamer van Toewan bezar”. Lawson was doodsbleek geworden, had den ouden Drono bij den arm gevat, was met hem naar het onbewoonde bovenhuis gegaan en was teruggekomen met het lang gewenschte voorwerp. Dien avond had Drono Louise zijn ontslag gevraagd en hedenmorgen was hij vertrokken.

Dit alles was zoo bijzonder niet, en toch hadden de eenvoudige woorden »Toewan bezar” een indruk op haar gemaakt, dien zij zich niet verklaren kon.

»Wie was Toewan bezar?—Wie kon het zijn in Werner’s huis?—Wie anders dan hij zelf?”

Zij wist niet wat zij gevoelde, maar het was haar als werd zij naar boven geroepen. Eenige uren worstelde zij nog tegen een »caprice” zoo als zij het noemde, maar ten laatste den strijd moede, gaf zij aan de verleiding toe en ging naar boven.

»Naar boven?—Maar wat moet ik daar doen?...” sprak zij lachend tot zich zelve, op den trap stil staande en gereed om terug te keeren.

»Ga verder,” fluisterde weer de geheimzinnige stem, »dáar boven is de oplossing.”

»De oplossing? Ik weet zelfs niet van wat!”

Zij ging.

Het bovenhuis was evenzoo ingericht als het benedenhuis. Een voorgalerij, een binnengalerij, een achtergalerij en zes kamers welke allen in de binnengalerij uitkwamen. Ledige kamers, ongemeubelde galerijen, stof op de vloeren, zwaluwen op de riggels der pilaren, een gekko ergens in het dak verscholen... Louise huiverde. Zij trad de eerste kamer binnen.—Niets.—De tweede. Een gebroken rotang stoel, eenige planken van een ledekant, een paar oude manden, dat was al.—De derde.—Niets.—De vierde.—Niets.—De vijfde... Werner!

Werner als vroeger, jong en schoon, met zijn fieren blik en zijn zachten, droeven lach!... Werner, zóo als zij hem het eerst gezien had, ’s avonds, omringd van bloemen, lichten, muziek...

Sprakeloos staart zij hem aan,—ademloos leunt zij tegen den post der deur, de bevende handen smeekend naar hem uitgestrekt... Zij heeft geen moed om verder te gaan, geen kracht om terug te keeren...

»George!”

Hijgend blijft zij wachten...

Een woord—een wenk... iets...

Neen, niets.—De stof daalt langzaam neer op den vloer; de verontruste zwaluwen keeren terug naar haar nesten; alles zwijgt.

»George!...” roept zij weder.

Stilte.

»George! George! George!” gilt zij half radeloos, en de echo gilt haar na.

»O George! Vergeving!—Vergeving!”

En zich, luid snikkend, aan zijne voeten werpende, grijpt zij zijn hand... koud—stijf—glad—het is geen hand—bevend deinst zij terug, kruipt weg aan het andere einde der kamer, staart hem aan, door hare tranen heen... Maar het is George niet.

Het is zijn portret!

Zijn portret?—Maar het gelijkt hem niet... En toch hoe sprekend gelijkt het!—En George dan? George die leeft, die niet op het portret gelijkt—George dien zij lief heeft, de vader van haar kind?... Maar deze man is George, zijn blik, zijn lach... Zij heeft hem dood gezien... Neen, hij was niet dood... Zij heeft hem verstooten bij de wieg van haar kind—neen, niet haar kind, haar kind is het zijne... Wat heeft zij hem lief gehad! Maar hij gelijkt niet op het portret... en toch dat portret, wat gelijkt het sprekend!...

»Mijn God! Wat gevoel ik toch?—Mijn arm, arm hoofd, kan het dan niets meer begrijpen?...”

»Louise!” klonk een stem door het huis: het was de zijne, van hem die leefde, want die van het portret bleef stom... Hoe zacht, hoe dof, en toch hoe doordringend was die eenmaal geweest!... De stem van een portret?...

Lawson trad binnen.

»Louise, mijn kind, waar zit je toch?—Mijn God, wat ben ik ongerust over je geweest! Kom, ga mee naar beneden, het eten staat klaar?...”

Lawson trachtte kalm te spreken, maar zijne bleekheid verried hem.

Louise’s donker oog dwaalde van hem naar het portret, en van het portret naar hem.

»Die man!” fluistert zij zacht, zich dichter en dichter naar hem toe dringende. »O George!... Vloek over mij!”

Zij snikte zóo zenuwachtig dat Lawson te vergeefs alle pogingen aanwendde om haar tot bedaren te brengen. Woorden noch liefkozingen mochten baten, en de gansche dag ging voorbij zonder dat zij een enkel verstaanbaar woord kon uiten.

Tegen den avond scheen zij kalmer te worden, hare tranen hielden op te vloeien, zij beefde niet meer, zij vlood niet meer van de eene kamer naar de andere om zich aan Lawson’s oog te onttrekken. Hare bleekheid alleen getuigde van de onrust die in hare ziel nog voortleefde.

»George,” vroeg zij op eens, »George, wilt gij medelijden met uwe arme Louise hebben, en haar de waarheid bekennen—de zuivere eenige waarheid?—Die twijfel doet mij zoo schrikkelijk lijden! Beloof het mij? Och, beloof het mij,—om de wille van ons kind,” fluisterde zij zachter, »dat gij niets voor mij verborgen zult houden, niets—niets.—Ik ben immers ook oprecht met u geweest, altijd—sedert... sedert...”

Zij sloeg de oogen neer als schaamde zij zich en vervolgde droevig:

»Maar ik heb geen recht meer van spreken... ik eisch ook niets, ik wensch slechts... Ik bid u, ik smeek u om waar te zijn met uw arme Louise... uit medelijden... of uit liefde, George!”

Lawson zag haar rustig aan met zijn groote, sprekende oogen, greep hare beide handen in de zijnen en vroeg haar kalm en ernstig!

»Herinnert gij u éen oogenblik, Louise, waarin ik u bedrogen heb?—Heb ik u ooit een onwaarheid gezegd?—Hebt gij mij ooit op een leugen betrapt?”

»Nooit.”

Zij liet het hoofd op zijn schouder zinken en glimlachte als dien morgen.

»Dat portret!...” sprak zij zacht.

»Dat portret is lang geleden gemaakt.—Verwondert het u dat de man den jongeling ontgroeid is?—Hebt gij mij minder lief, Louise, omdat ik minder op dat portret gelijk?...”

Louise antwoordde niet—zij staarde hem aan, met bewondering, eerbied, schier met aanbidding.

Plotseling schoten hare oogen vol tranen, met geestdrift bracht zij zijne hand aan hare lippen en overdekte die met kussen.

»Wat zijt gij oneindig goed!” riep zij met vuur. »O mocht ik sterven voor u!—Lijden, al wat uw deel moest zijn!—George, dat alleen is geluk!”

»Neen, geluk is kalmte, rust, tevredenheid.—Een lach van u, een frissche, heldere, vroolijke kinderlach, dat is geluk!—Mijn geluk, Louise.”

Zij trachtte te lachen, voor hem—maar zóo diep weemoedig was dat lachje dat het tranen in zijne oogen riep.

Het geluk was voorbij. Zes maanden had het geduurd. Zes maanden lang had geen macht op aarde zich tusschen hem en haar kunnen dringen. Één blik op een portret en alles was voorbij. Louise gevoelde het, Lawson gevoelde het ook. Geen van beiden begreep het, en geen van beiden zou het bekend hebben, indien zij het begrepen hadden.

Den volgenden morgen, zoodra Lawson als naar gewoonte uitgereden was, spoedde Louise zich weer naar boven.

»George!—De andere George!—Neen, dezelfde.—De jongste, de schoonste, de beste.—Neen, beter dan hij was, had hij nooit kunnen zijn!—De George harer droomen!...”

Wat klopte haar hart! De deur was dicht, zij had de macht niet die te openen, het was haar alsof zij eene misdaad ging plegen.—Eene misdaad? En het was George dien zij weer ging zien!...

Trotsch hief zij het hoofd op, een fiere lach speelde om den fijn besneden mond, zonder aarzelen opende zij de deur en trad binnen...

Niets!

Bewegingloos bleef zij staan, verwonderd, teleurgesteld, diep rampzalig.

Snel als een bliksemstraal vloog haar een kwade gedachte door het brein.

»Jaloersch van hem!” Zij lachte, en er was iets wilds in dien lach, iets dat aan misdaad denken deed.

Een tranenvloed volgde, en alles werd vergeten in een grenzenlooze droefheid, een melancholie zonder bewustzijn, een onzeker gevoel van eenzaamheid, van verlatenheid, een onverklaarbaren dorst naar lijden, naar sterven...

Eenige maanden leefde zij voort als in een droom, lijdelijk, gehoorzaam, onderworpen als een kind. Soms zocht zij nog naar het portret, nooit vond zij het. Lawson had haar lief als vroeger, zoo mogelijk nog meer. Zij wist niet of zij hem lief mocht hebben.—»Sterven!” was haar bede. »O neen, nog niet!” smeekte zij dan een oogenblik later. »Mijn kind! Het zijne! O God, laat mij leven voor het kind van mijn George! Is het het zijne wel? Vloek over hem! Vloek over de vrouw die hem bedrogen heeft! Heb ik hem bedrogen?—Hem? Mijn George? Niet mogelijk!—O God! laat mij sterven!”

ACHTENDERTIGSTE HOOFDSTUK

GELUK

Toen haar kind geboren was, werd zij kalmer. Zij vroeg niet meer naar het verledene en sprak niet meer van sterven. Haar kleine George was alles voor haar. Wat had zij dat onnoozele schepseltje lief! Zij verzorgde het, vertroetelde het, sprak er tegen, alsof het haar begrijpen kon, wilde niet dat iemand anders het helpen zou; Lawson werd Werner genoemd, omdat de kleine George moest heeten, en twee Georges verwarring geven zou.

Wat was zij trotsch op Werner’s kind! Wat was het mooi! Hoe geleek het op George!

Meer dan eens had Lawson haar met tranen in de oogen gadegeslagen, als zij zich alleen waande met haar lieven kleinen engel. Wat sprak zij zacht, wanneer zij hem smeekte goed te zijn, en edel en groot als zijn vader! En tusschen dat fluisteren in klonk het: »O mijn God laat mij leven tot dat hij mij verstaan zal hebben!”

Verder gingen hare wenschen niet, maar zóo ver gingen allen.

Zoo vlogen nog drie gelukkige jaren voorbij, waarin Lawson voor haar leefde en zij voor den kleinen George.

Haar bede scheen verhoord te zijn, want liefde was al wat het kind van zijne moeder geleerd had. Dat woord alleen had het verstaan en riep het haar toe in elke heldendaad van het spelend kinderleven.

Wat was Lawson trotsch op zijn zoon! En op de vrouw die hij de zijne noemde! Wat zou hij gegeven hebben, om de wereld zijn schat te toonen, en te schitteren met het geluk dat heel de toekomst voor hem vulde!

»O neen, geen menschen!” smeekte Louise angstig. »De wereld geeft geen geluk, zij ontneemt het slechts!”

»Maar voor den kleinen George?...”

»Is George niet goed?” vroeg zij fier, zich plotseling in hare moederliefde gekrenkt voelende. »Kent gij een ander kind van zijn leeftijd dat beter is dan hij? Goedhartiger, verstandiger, edelmoediger, handiger?”

»Dat zeg ik niet, maar onder vreemden...”

»Nooit onder vreemden, zoolang hij eene moeder heeft! Vreemden kunnen hem geleerder maken, sluwer, voornamer; beter nooit!... O Werner,” vervolgde zij smeekend, hem beide armen om den hals slaande, »minacht mij niet omdat ik slechts een vrouw ben! Voor de wereld ben ik een onwetend schepsel, zonder verstand, zonder kracht, zonder gevoel, maar voor mijn kind—o voor mijn kind kan ik alles wezen!”

NEGENENDERTIGSTE HOOFDSTUK

RECHT

Een doodsche stilte heerschte in het groote prachtige landhuis. Lawson lag bleek en koud op het sterfbed uitgestrekt. Louise stond aan zijne zijde, zwijgend en onderworpen zoo als zij eenmaal naast den baleh-baleh van Werner gestaan had. Dokter Heisterman wendde te vergeefs alle pogingen aan, om haar naar hare kamer terug te doen keeren, sprak van besmetting, van plicht, zij bleef onbewegelijk staan en antwoordde kalm:

»Aanstonds zal hij mij verlaten, dokter... Laat mij....”

»Denk aan uw kind, mevrouw.”

»Ik kan niet... Ik kan nu slechts aan den vader denken.”

De dokter zweeg. Als altijd gaf hij toe aan de jonge vrouw.

Het duurde niet lang of er kwamen vreemden in huis en het lijk werd weggedragen.

Toen verschenen de mannen van de wet en andere vreemden en nieuwsgierigen. Het testament werd geopend. Lawson’s papieren werden doorsnuffeld. De vrouw werd gevonden met haar kind. Zij werd zijn maîtresse genoemd en het kind werd onecht verklaard. De wet had in alles voorzien. Zij kon gaan vanwaar zij gekomen was en medenemen hetgeen haar toebehoorde—haar kind. Het testament dateerde van meer dan zes jaar herwaarts en sprak niet van haar. Dus geen geld, noch voor haar, noch voor haar kind...

En wie was die vrouw?—De wet zou het uitvinden, zij vond alles uit.

Aan resident Stevens van Langendijk werd gemeld, dat men zijn vrouw gevonden had. Hij eischte haar op, ontkende het kind, vroeg een wettelijke echtscheiding en verkreeg haar op grond van »slecht gedrag zijner vrouw.” De wereld beklaagde hem en gaf hem gelijk.—Twee maanden later trouwde hij met eene schatrijke weduwe, waarvan de menschen veel geweten hadden, dat niet goed was, maar die zóo groot geleefd had dat niemand het had willen weten. Eerbied en achting omringden het gelukkige echtpaar totdat de resident nog een rang verhoogd werd en, tot groot leedwezen van het publiek, A. verliet om als Raad van Indië naar Batavia te vertrekken.

En Louise en haar kind? De resident had haar naar hare ouders teruggezonden. Dat was al wat hij voor haar doen kon.

En hare ouders hadden haar het kind ontnomen en het naar Holland op school gestuurd, om het te onttrekken aan den zondigen invloed der moeder.

Wat had zij geworsteld, gestreden, gebeden om haar kind!

»Mijn God! Het is mijn kind, het mijne alleen!”

Dit ontkende de wet. Hare ouders hadden haar krankzinnig genoemd, zooals haar echtgenoot haar eerloos had verklaard. En de wet ontnam haar het kind. Dat was recht.

Arme menschheid, die evenmin voor de wet berekend zijt als de wet voor u! Wat is het leven, zooals het tegenwoordig in zulke gevallen begrepen wordt? Een belachelijke opstand tegen de eischen der natuur. Een onzinnige worsteling tegen de groote wetten der volmaaktheid. Een godslasterend drama, gespeeld onder het karikatuur masker van godsdienst, wetenschap en vrijheid!

VEERTIGSTE HOOFDSTUK

LINA’S HUWELIJK

En wat was er te Felicita voorgevallen, gedurende de jaren van geluk en wanhoop, die Louise’s levensdroom zoo frisch gekleurd, zoo plotseling vernietigd hadden? Och, eigenlijk niets bijzonders. Een huwelijk had er plaats gehad, anders niet. Lina van Wageningen was met Herman Wagner getrouwd en met hem naar Solo vertrokken, waar hij in garnizoen lag.

Reeds eerder had hun huwelijk voltrokken moeten worden, maar eene expeditie naar Bali had alle plannen in duigen doen vallen, en eerst nadat Wagner gewond en gedecoreerd terug was gekeerd van den luisterrijken heldentocht, had men het vredesverbond kunnen sluiten dat zoo lang had moeten achterstaan voor plicht en dienst.

Roemrijk noemde de brave militair die zegepraal. »Noodzakelijk” antwoordde Lina, en zij wierp haar armen om zijn hals, terwijl zij zachter fluisterde:

»Ik weet niet of ik u nog meer lief zou kunnen hebben dan nu, en toch... toch had ik u geen deel aan dien strijd willen zien nemen... die zachte hand had nooit moeten dooden—dat eerekruis had niet met bloed bezoedeld moeten zijn...”

»Lientje, Lientje, wat zou er van onze koloniën terecht komen, indien het gouvernement zoo tegen oorlog was als gij...”

»Och, noem het dan een eisch van den tijd, dat stelselmatig moorden, maar spreek niet van dapperheid en heldenmoed... dat is ’t niet... ’t Hindert mij, dat schoone kruis... ik zag u liever zonder, Herman.”

»Hadt gij mij liever een lafaard gekend?”

»O neen, neen, maar het spijt mij dat gij militair zijt... Waarom gevoel ik dit eerst nu zoo sterk? Waart gij niet gedecoreerd geworden, dan had ik het minder gevoeld, geloof ik... Gewond alleen had ik u beklaagd, als een slachtoffer van dwang en plicht beschouwd, maar nu, dat eerekruis, daar ligt voor mij een bespotting in.”

»Lina!”

»O, misken mij niet! Er is niets persoonlijks in hetgeen ik daar zeg.—Maar ik heb u zoo lief dat ik u boven de mannen van onzen tijd verheven wilde zien. Dat kruis stelt u met duizenden gelijk—duizenden die eer en deugd zien in brandstichten en in moorden. Dat kruis spreekt van rampen, van lijden... ’t is de bekrooning van een wanbegrip.—Och! Herman, ik ben maar een vrouw en ik zie in den oorlog niets roemrijks.”

»Toch is hij noodzakelijk, liefste.”

»Ik weet het... maar een oorlog moest geen gloriedaad, hij moest een schandvlek in de geschiedenis eener natie wezen. Geen zegelied vol hoogmoed en trots, dat klinkt als een lofzang te midden van dooden, geen monument tot vereering van verwoesting, geen ridderkruis tot instandhouding van smart. Wij moeten de wereld wel nemen zoo als zij is, maar wij moesten ten minste niet roemen op oneer, en zwakheid niet verheffen tot deugd. Ik laak u niet om hetgeen gij gedaan hebt, maar ik wilde dat gij het niet hadt behoeven te doen. Er zijn plichten waarover men zich schamen moest... zóo alleen kunnen zij ophouden plichten te zijn.”

»Je bent een engel, Lientje,” riep Wagner met een kus, »maar je bent een idealenmaakstertje.”

»En denk je niet dat mijne idealen eenmaal verwezenlijkt zullen worden? Dat er eindelijk een tijd zal komen, waarin het oorlogvoeren niet meer mogelijk zal wezen?”

»Nooit, nooit, mijn kind. Zoo lang er...”

»Neen, geen zoo lang.. ik zeg ook zoo lang. Zoo lang nationaliteit en vaderlandsliefde deugden zullen heeten, zal er natuurlijk oorlog wezen, want die deugden voeden zich met afgunst en haat... De égoïst doet niets voor zijne familie—familiezwak strekt zich niet uit tot stadgenooten—stadgenooten geven niets om provincie-belangen—provincie-belangen strijden tegen de welvaart van het rijk—en de welvaart van het rijk verzet zich tegen den vooruitgang der wereld!... Arme, bekrompen gehechtheid, aan de bezitting van een oogenblik! En daarbij staan wij stil, terwijl het heelal voor ons open ligt! Daarvoor leven wij, terwijl de wereld ons hare ruimte biedt en wij de oneindigheid voor ons hebben!—Waarom heeft de menschheid niet reeds lang geleden begrepen, dat vijandschap door liefde geëindigd kon worden even goed als door oorlog? Christenen, noemen de beschaafde volkeren zich, en juichend houden zij het kruis in eere, dat zij veranderd en verbeterd hebben en nu in den vorm van donderende kogels in een bloedstroom door de wereld jagen! Vermeerderen moeten die kogels, verbreeden moet die bloedstroom, tot dat hij eindelijk zóo diep zal geworden zijn dat de laatste kogel er in verzinken zal!... Door moorden alleen kan het moorden gestuit worden, door verwoesten alleen de verwoesting gestaakt! O, Herman! Waarom niet door liefde?...”