Een huwelijk in Indië

Part 19

Chapter 194,007 wordsPublic domain

»Omdat de menschen niet zoo wijs zijn als mijn Lientje, dat over de toekomst spreekt alsof de menschheid slechts éen schepsel ware, éen wezen met een engelenhart en een Christuskop, dat niets verlangt dan geluk en weet dat door verbetering alleen dat doel te bereiken is.—Och, kind, laat ons onze ideale toekomstdroomen tot ons huwelijksleven bepalen en verliezen wij ons niet in machtelooze bespiegelingen over de aanstaande grootheid der wereld, welke ach! zoo wreed teleurgesteld worden in de werkelijkheid die wij niet besturen kunnen.”

»O! denk niet dat ik mijn geluk niet waardeer! Gij weet het beter dan allen, hoe dankbaar ik ben voor uw behouden terugkomst uit den oorlog!—Maar het is zoo hard, wanneer men zelf gelukkig is, te zien hoe vreesselijk anderen lijden, hoe diep rampzalig velen zijn, die, even als wij, gelukkig hadden kunnen wezen, indien zij niet door afhankelijkheid of door een verkeerd begrip van plicht in het verderf waren gestort... En dan denk ik aan de toekomst, Herman... aan de toekomst onzer kinderen... Ja, lach maar, bespot mij maar om dat echt vrouwelijk instinkt. Ik kan het niet helpen. Ik heb ze lief, onze arme kinderen... Zelfs eer ze nog bestaan... en ik kan het mij voorstellen hoe dierbaar zij mij wezen zouden, indien ze daar aan onze voeten speelden, gezond en vroolijk, met lachende lippen en vonkelende oogen... en later, wanneer zij krachtig ontwikkeld, met niets dan liefde in het hart, enthousiasme in de ziel en overdreven grootheid in het vrij en stout verstand de wereld in zouden treden, groot en fier als reuzen, gereed om te torschen wat te zwaar is voor allen, en op hun schouders te verheffen wat miskend wordt door de wereld... Verpletterd en vernietigd zouden zij worden, verbrijzeld en met voeten getreden. Gehoond, versmaad, overweldigd en vermoord... mogelijk ook zouden ze zwak zijn en vallen, buigen, meegaan, zich zelf verloochenen, zwichten voor de overmacht en groot zijn in de oogen der wereld met een hart dat berouw kent en een hoofd dat niet meer denken durft.. O Herman! is het daarvoor dat wij kinderen in het leven roepen?—dat wij ze met liefde en met zorg opvoeden? dat wij ze verstandig en edel trachten te maken?... Tusschenbeiden ben ik bang... hoop ik bijna dat wij alleen zullen blijven... en toch... O het moet vreeselijk zijn zóo veel lief te hebben om zóo veel verloren te zien gaan...”

»Maar kind, wat heb je zwarte gedachten van daag! Je zoudt mij haast doen denken dat je berouw hebt over ons huwelijk eer het nog voltrokken is... Wou je...”

Lina glimlachte, en zag hem zoo liefdevol aan, terwijl zij haar vriendelijk kopje aan zijn breeden borst vleide, dat Wagner haar een vurigen kus op de zachte lippen drukte en geen woorden vond om zijn volzin te voltooien.

»Berouw?” sprak ze fluisterend, »ik zou sterven indien ik u verliezen moest... O Herman! mijn geluk is zoo groot, dat ik het weer wilde vinden in de toekomst onzer kinderen... en de toekomst beantwoordt mijne warme, zonnige liefdedroomen met een schellen oorlogskreet, gesmoord in een dof en somber floers van rouw...”

Zij zweeg even, en wischte zich een traan uit het oog, welken zij voor Wagner verbergen wilde; plotseling hief zij den bezielden blik naar hem op en het schoone hoofd met fiere kracht omhoog heffende vervolgde zij:

»Een ding heb ik nooit begrepen...”

»Wel?” vroeg Wagner, haar levendig gezichtje met bewondering aanziende.

»Ik heb nooit begrepen dat de vrouwen zoo lang gezwegen hebben—en toegestemd, zelfs aangemoedigd, en meegewerkt in dat groote wereld-proces hetwelk men oorlog noemt... Onze kinderen, we moesten ze te lief hebben om ze te laten vermoorden... te lief vooral om ze beulen en boosdoeners te zien worden... Wij vrouwen, we moesten in massa opkomen tegen het verminken onzer geliefden, tegen het verbrijzelen van de kern van het volk.—Onze godsdienst ten minste moest vrede wezen en onze liefde moest zich niet besluiten binnen den grens van een land, zich niet onderwerpen aan de willekeurige overheersching van eene baatzuchtige politiek. Wij moesten geen vijanden, maar menschen erkennen; geen rijkjes, maar de gansche wereld lief hebben. Wij, die zelve moeders zijn, wij moesten het geluk van andere moeders eerbiedigen en geen glorie zien in den diepen rouw harer verbrijzelde zielen, geen grootheid zoeken in het vermoorden harer dierbaarste betrekkingen, in het verijdelen harer edelste toekomstdroomen..... Maar ik ben dwaas, ik gevoel het... De tijd is nog ver, waarin het recht der Staten even als dat der menschen gehandhaafd zal worden door verstand en kennis, en wij moeten lijden en worstelen tot dat wij door strijden en verwoesten, door uitputting en smart tot de overtuiging komen zullen, dat liefde alleen tot grootheid leidt en kennis tot geluk. Maar waarom moeten wij daartoe komen door zwakte? Door kracht zou het grootheid wezen, door ellende is het slechts noodzakelijkheid.”

»Maar kind, zie je dan zoo veel slechts in de toekomst? Geloof je dan niet aan den vooruitgang der menschheid? Zie je dan niet dat er iets grootsch geboren wordt schier uit elken oorlog?”

»Ja, zeker. Haat en wraak. Haat schudt de slapende volken wakker en wraak dringt ze tot den arbeid om anderen te verpletteren. Dat zie ik, anders niet. Afgunst, misdaad en lijden... Neen, die vooruitgang wordt te duur betaald.”

Melatie trad binnen met een oranjekrans in de eene hand en een tule sluier in de andere.

»Kijk jufje, kijk! zoo pas ontvangen! De bloemen zijn van leer! Even zien hoe het staat!” En Lina den krans op het hoofd werpende, trok zij haar met zich naar den spiegel, en wikkelde zij haar in de dunne zijden tule die als een doorschijnende wolk het frissche, jonge kopje omzweefde.

»Mooi, hè?” vroeg zij lachend, Wagner in den spiegel toeknikkende. »Ik zou haast willen trouwen om ook eens zoo mooi te wezen!”

»En na het mooi zijn?”

»O! dan liep ik weg! Jufje, zie je er nu niet tegen op om zoo voor altijd te trouwen?...”

»Waarom vraag je mij dat niet?” riep Wagner, haar bij de schouders naar zich toe draaiende. »Kleine nuf, kom jij me bruidje mooi maken om haar tegen me op te stoken?”

»Dat kan ik niet, kapitein, geloof me, ik kan het niet. Niet waar, jufje? Ik heb het genoeg geprobeerd, maar altijd zonder gevolg.”

»En zóo zal het blijven,” riep Lina lachend. »Niet waar, Herman, wij zijn gereed alle lief en leed met elkander te deelen en samen ongelukkig te zijn indien wij niet gelukkig wezen kunnen.”

»Jufje! jufje! En dat nadat je zoo geijverd hebt voor divorce!”

»Ja, dat heb ik, en dat hoop ik te blijven doen, maar niet ten behoeve van huwelijken als het onze.—Niet waar, Herman, voor ons behoeven in dat opzicht geen wetten te bestaan?”

»Neen liefste, wij zijn noch afhankelijk, noch onwetend genoeg om die noodig te hebben!”

»En... indien...?”

Lina begon hartelijk te lachen.

»Ja, indien wij op zullen houden elkander lief te hebben dan... nu, wat dan?”

»Dan zeggen wij elkander adieu!... En...”

»En dan houden wij op getrouwd te zijn, zonder elkander te haten of het leven te verbitteren!”

»En zonder te vergeten hoe gelukkig wij eenmaal te samen geweest zijn!”

Hij sloot bij deze woorden zijn bruidje zoo onstuimig in zijn armen, dat de oranjekrans hem op den neus viel en hij de nieuwe frissche tule in duizend grillige plooien onder zijn arm samen vouwde.

»Dàt waren onze eerste engagementsgeloften!” vervolgde hij vroolijk, Melatie de hand reikende, »maar zult er de verwezenlijking nooit van beleven, denk ik...”

»Neen nooit,” herhaalde Lina, en zich uit Wagner’s armen loswikkelende, fluisterde zij haar ernstig in het oor:

»God geve, kind, dat je eenmaal zoo gelukkig zult wezen als ik!

»Wat ik dáar zeg, moogt gij niet weten, Herman, want het zou uw vertrouwen op de toekomst aan het wankelen brengen!—En al te wantrouwend mogen wij toch ook niet wezen.”

Den volgenden dag werd het huwelijk voltrokken. Toen was het feest op het schoone landgoed, waar gamelangspel, en toping en wayang een grooten dag maakten van den 10n Maart, dien de gelukkige bevolking van Felicita zich nog vele jaren met genoegen herinneren zou.

In het heerenhuis ook was het feest. Maar het was een feest met weemoed, want dáar was scheiden het eindwoord der vreugde en werd het huwelijksgeluk verkregen door het breken van een vriendenkring.

Allen gevoelden het en allen brachten zij lachend het offer, met een kus op de lippen, een traan in het oog.

EENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK

HAAT EN MINACHTING. MOEDERLIEFDE.

Acht jaren later

Wat was zij veranderd, de mooie, gevierde Louise! Waar waren de gulle lach, de levendige blik, de sierlijke bewegingen gebleven? Wat was er geworden van den krachtigen, fieren geest die zoo lang geworsteld had tegen omstandigheden en overmacht? Van het liefdevolle hart dat zich met zooveel zelfopoffering had vastgeklemd aan al wat goed en edel was?

Arme Louise! Haat was al wat de wereld haar geleerd had. Ja, zij had gehaat met al de kracht, met al de grootheid harer ziel! Gehaat zóo als fijngevoeligheid alleen kan haten, met kennis en met takt. Gehaat met een lach, gehaat met een aalmoes, gehaat met een dankbede zelfs! Wat had zij de menschen doen lijden, zij die wist wat lijden was! Wat had zij ze gegriefd, zij die zelve zoo menigmaal gegriefd was geworden! Wat had zij ze veracht, zij die zelve zoo veel verachting gekend had!

Dit had geduurd zoolang hare ouders geleefd hadden.

Haar kind, niets dan haar kind had zij lief op aarde. En hare ouders hadden haar dat kind ontnomen!—O! dat was eene misdaad waarvoor zij geen vergeving had.

Maar hare ouders waren gestorven. Alleen, rijk, en vrij om te gaan waar zij wilde, besloot zij, terstond na den dood harer moeder, haar kind te gaan opzoeken en het terug te vragen, te halen of te stelen, alle middelen waren goed indien zij het slechts terugkreeg.

Vrij was zij eindelijk, geheel vrij, want haar onder curateele stelling was opgeheven. Wat zou zij van die vrijheid genieten en die aanwenden tot nut van haar kind! Haar kind dat zij eindelijk weer zou zien! »Mijn God! Welk geluk gaat er boven dat van onafhankelijk te wezen!”

In deze stemming vertrok zij met de landmail naar Europa, het huis harer ouders met meubels, rijtuigen, paarden, enz. aan vreemden overlatende, om het voor haar te verkoopen en haar van het geld, dat het zou opbrengen te zenden »wat hun goed zou dunken”.

»Stelen doen ze toch”, dacht zij bij zich zelve, »ik mag hun zoo wel toonen dat ik het begrijp en dat ik er genoegen mee neem.”

Maar eenmaal aan boord der stoomboot, alleen te midden van een menigte menschen onder wie zij niemand kende, afhankelijk van stoom, wind en golven, zoowel als van de vreemdelingen die haar omringden, gevoelde Louise zich zonderling teleurgesteld in hare illusies over vrijheid en onafhankelijkheid. Zij had gehoopt alleen te zullen zijn, en zij was nooit alleen zelfs niet in hare hut. Zij moest die hut deelen met eene jonge engelsche vrouw die van China kwam en drie maanden te Batavia geweest was om een broeder te bezoeken, dien zij nooit weer dacht te zien. Op dek was zij omringd door half zieke, of slapende menschen, die haar aankeken uit verveling zonder het minste belang in haar te stellen. Somwijlen ook door een groep vroolijk lachende meisjes, waarom een zwerm heeren zich bewoog, die haar het hof maakten tot tijdverdrijf, of door eenige oude luidjes, die lazen of in zee staarden of lachten om de grappen van de jeugd.

Alleen was zij geen oogenblik, maar eenzaam was zij overal.

Te fier om terug gestooten te willen worden, sprak zij tegen niemand, en niemand sprak tegen haar. Toch kon zij niet onopgemerkt blijven met hare schoone, beweeglijke trekken en majestueuse gestalte. Hare sombere teruggetrokkenheid zelve deed haar in het oog vallen, en, eer zij er iets van begrepen had, was de algemeene aandacht op haar gevestigd.

Men begon met haar een bankje aan te bieden, een krukje of een boek, soms ook een glas seltserwater of wijn.

Altijd het zelfde antwoord: »Ik dank u,” met een lachje dat aantrok en terugstiet, dat nieuwsgierig maakte vooral.

»Wie kon zij wezen?—Van waar kwam zij?—En waar ging zij heen? Waarom was zulk eene schoone vrouw alleen? Welk verdriet kon haar zoo menschenschuw gemaakt hebben? enz. enz.”

Men verzon van alles, en maakte van haar leven zeer »intéressante romans”, maar niemand kwam de waarheid nabij en niemand kwam iets meer te weten, dan dat zij van Amerongen heette en te Batavia aan boord gekomen was.

Eindelijk herinnerde iemand zich vroeger, lange jaren geleden, eens een »cronique scandaleuse” van een zekere juffrouw Van Amerongen gehoord te hebben. Eene geraffineerde coquette, die een brilliant huwelijk gedaan had, en een »amant” had gehad, die door haar echtgenoot doodgeschoten was.—Daarna was ze weer weggeloopen met een ander, en eindelijk had zij het zóo bont gemaakt dat haar man genoodzaakt geweest was zich van haar te laten divorceeren, daar er reeds allerhande kinderen in het spel gekomen waren ook. Een poos had men getracht haar voor gek te laten doorgaan, maar dat kon geen stand houden, en eindelijk was zij van het tooneel der wereld verdwenen met een amant die haar mee naar Rusland had genomen.

»Heel intéressant!” vond men die levensbeschrijving. Louise werd er een oogenblik op aangezien, maar dat verhaal was alte romanesque. Deze vrouw was niet coquette genoeg, ook was zij te jong, te ernstig, te comme il faut om zulk eene rol gespeeld te hebben. Toch bleef er iets van het nieuws hangen in de publieke opinie en bracht het verhaal een zichtbare verandering te weeg in de wijze waarop de passagiers haar behandelden. Zij gevoelde het, zij begreep het niet. De dames verwijderden zich al meer en meer van haar en de heeren naderden, vooral als de dames het niet zagen. Wat hielden de jonge meisjes haar in het oog (die onschuldjes!) Wat lachten de oudjes met afgunstige minachting bij elke beleefdheid haar door een der heeren betoond! En wat behandelden de heeren haar anders dan zij de overige dames deden!...

»O menschen! Wat zijt gij toch slecht! En indien ik ’t wilde, wat zoudt ge boeten voor uw mépris! Maar wat kunnen mij de menschen schelen? Dom en slecht—laat ze gelukkig zijn met dien schat!”

Zoo dacht zij bij zich zelve, maar zij zeide het in haar blikken, in haar zwijgen, in haar weemoedig lachen zelfs, zonder het te willen of te weten.

Intusschen was men nieuwsgierig geworden en wilde men haar verleden kennen. Er werd beraadslaagd en overlegd, en eindelijk besloten dat de heeren het raadsel zouden oplossen, n’importe hoe.

Een Franschman, Leroux, een koopman, die zijn fortuin met zijden japonnen en hammen had gemaakt, zou haar het hof maken en zoo noodig zelfs ten huwelijk vragen. Von Hochtenstein, een half geruïneerde baron, zou het zelfde doen. De overige heeren zouden haar behandelen met den grootsten eerbied en onderdanigheid, tot dat een paar der oudsten door toespelingen zouden uitgevonden hebben of zij de persoon in quaestie was of niet. Men vermoedde, men giste, men ging weddingschappen aan... het was een ingewikkelde intrigue die men om de arme vrouw gesponnen had, een goed beraamd plan, dat onmogelijk mislukken kon!

Leroux begon.

Zwijgend werden zijne complimenten aangehoord, zwijgend zijne attenties ontvangen.

»Que le diable l’emporte!” had hij reeds meer dan eens gezegd. »Elle m’intrigue cette femme, j’y perds mon latin!”

Niet zonder gevaar was echter de rol die de dikke Leroux beloofd had te zullen vervullen. Hij had de overwinning gemakkelijk geacht.

»La résistance m’agace!” waren zijn laatste woorden geweest.

Daarop kwam Von Hochtenstein wat nader. Hetgeen de koopman niet vermocht zou de baron wel gedaan krijgen. Geslepen, vleiend, onderdanig tot kruipens toe was hij een uitmuntende tegenstelling van den spiritueelen, ongegeneerden Franschman, wiens opvoeding even vrij en gul was geweest als die van den ongelukkigen baron slaafsch en zuinig.

Louise had geen onaangenamer wezen aan boord opgemerkt dan dien uitgedroogden Duitscher. Gelukkig kende zij geen Duitsch! Maar hij kon Fransch... Had zij maar geen Fransch gesproken, dan zou zij geen Fransch gekend hebben ook.

Von Hochtenstein was nederig genoeg om een refus voor onmogelijk te houden en, zonder veel tijd te verliezen, verklaarde hij haar dus zijne liefde en bood hij haar zijn hand en zijn baronnentiteltje aan.

»Qu’en ferais-je?” antwoordde Louise onverschillig, en opstaande begaf zij zich naar beneden zonder verder acht op den armen man te slaan, dien zij stom van verbazing achterliet.

Dadelijk kwam Leroux op hem afschieten.

»Eh bien, baron, vous voilà tout penaud!... Et le succès?...”

»Un refus.”

»Un refus! Qu’a-t-elle dit?”

»Qu’en ferais-je?”

»Ha! ha! ha!” Niemand was gelukkiger dan Leroux, wiens schaterlach als musikale ballen over de golven rolde, en het geheele complot om hem heen riep. »Qu’en ferais-je! Elle a raison, parbleu!”

Tien minuten later wisten alle passagiers dat Von Hochtenstein een blauwtje had geloopen en Leroux maakte er zich een fête van zelf te vertellen dat hij even weinig chance gehad had als de voorname Duitscher.

Deze gebeurtenissen brachten Louise nog meer en évidence, en zoo als het overal en altijd in de wereld gaat, zoo ging het ook hier. Wanneer éen man eene vrouw openlijk hulde betoont, doen alle mannen het. Een schatrijke amsterdamsche bankier, het grootelot, zoo als men hem noemde, die de oogappel van alle moeders en dochters was, begon de trotsche schoone intéressant te vinden, en, aangetrokken door hare onverschilligheid, deed hij wat hij kon om hare liefde te winnen.

Hij vond het bespottelijk voor een man van zijn stempel om een blauwtje te loopen en had zich dus stellig voorgenomen te wachten op hare avances eer hij verder zou gaan. Maar de avances kwamen niet. Zwijgend en koud verscheen de jonge vrouw elken morgen op dek en verstandig en teruggetrokken bleven hare gesprekken steeds binnen de perken van gewone beleefdheid.

De arme man zag zich dus genoodzaakt om, indien hij avances verlangde, ze zelf te doen. Dàt was eene vreeselijke condescendance! Het kostte hem blijkbaar moeite dien eersten pas te doen. Maar, zij was zoo schoon!—zoo fier!—en het zou zulk een triumf wezen die vrouw te bezitten!—Ook begon men Frankrijk reeds te naderen. Indien hij zich niet haastte...

»Ik ben bekend als een der rijkste partikulieren van ons land,” begon hij.

»Ik weet het.”

»Ho, ho, dan kan ik verder gaan,” dacht hij bij zich zelven, »eene vrouw die informaties inwint, is reeds half verloren!...”

»Waar denkt gij u in Nederland te vestigen?” vroeg hij.

»Ik weet het niet.”

»Ik ben verplicht naar Amsterdam terug te keeren, voor mijn zaken...” hij wachtte even. Zij antwoordde niet.

»Zoudt gij er iets tegen hebben om in Amsterdam te wonen?” hernam hij.

»Ik ken Amsterdam niet. Ik ben nooit in Europa geweest.”

»En gij zijt geheel alleen in de wereld?”

»Geheel alleen.”

»Even als ik? Wel mevrouwtje, ik geloof dat wij bij elkaar moesten blijven, dan konden wij te zamen gelukkig zijn!...”

Louise zag hem even aan met hare groote donkere oogen, en die gestrenge blik deed hem zijn volzin eindigen geheel anders dan hij het zelf verwacht had.

»Indien gij mijne vrouw ten minste worden wilt?”

»Ik?—En waarom zou ik trouwen?”

»Wel,—wel om gelukkig te wezen.”

»Vrijheid alleen is geluk.”

»En liefde...”

»Uwe liefde?”

Hij knikte toestemmend, zonder te durven antwoorden.

»Uwe liefde is hoogmoed, anders niet.”

»Neen, ze is sympathie, warme zuivere sympathie!...”

»Voor wie?—Voor eene vrouw die gij niet kent?”

»Maar die ik bewonder, ook zonder haar te kennen!”

»Omdat anderen haar bewonderen, niet waar?...”

»Neen, omdat ik haar gadegeslagen en goedgekeurd heb.”

»Gedurende een armzalige zes weken!—En heeft die vrouw geen verleden gehad?—Kent gij dat verleden?—Neemt gij het als het uwe aan, hoe het ook geweest moge zijn?—Zonder onderzoek, zonder aarzeling, met vol vertrouwen in de toekomst?...”

De bankier zette groote oogen op. Hij dacht aan de »cancans” en wist zoo gauw niet wat te antwoorden.

»En indien die vrouw gevallen was,—door de wereld veracht en verstooten was geworden... zoudt gij haar ophelpen en staande houden in de toekomst die gij met haar deelen wilt?—Zoudt gij haar verdedigen ten koste van uw fortuin, van uwen naam, van uwe eer?—Zoudt gij haar lief hebben om hetgeen zij wezen zou, zonder haar ooit te laken om hetgeen zij geweest was?—Zoudt gij...”

»Maar, mevrouw...” stotterde de bankier, al meer en meer terug krabbelende, en niet wetende, hoe hij zich ten schielijkste uit Louise’s handen redden zou. »Maar mevrouw, een man heeft het recht het leven zijner vrouw te kennen...”

»Dàt recht heeft hij—ofschoon zij het zelden met hem deelt...”

En zacht en langzaam vervolgde zij.

»Ik heb u geleerd wat liefde is.—Biedt nu eene andere den trots aan, die voor mij geen waarde heeft; maar noem het nooit meer liefde, hè!”

Zij lachte haar zonderlingen lach, die aantrok en terug stiet en verwijderde zich zonder den bankier éen woord meer toe te voegen.

»Engel of Duivel!” mompelde »het groote lot”, haar naoogende. »Gij moogt wezen wat gij wilt, maar de mijne zult gij worden!”

»Nooit,” had zij gezegd, en »nooit” was het, ofschoon hij jaren lang bleef aanhouden en, alles wetende, alles vergevende, telkens terug kwam om haar zijne hand en zijn vermogen aan te bieden.

Haar kind, dat was haar droom en haar leven! Zij zou haar George weder zien! Den kleinen engel, dien men haar ontnomen had! Haar kind dat zij zoo onuitsprekelijk lief had, voor hetwelk zij zoo oneindig veel had geleden! Haar George zou haar volgen naar hare woning, daar zou zij hem weer liefhebben en verzorgen, zelve onderwijzen en goed leeren zijn!—Ook hij zou haar beminnen als vroeger!—Hij zou op Werner gelijken—en zijn lach zou de zonnige dagen van weleer terug roepen en overbrengen in eene toekomst vol liefde en troost.

Den 28sten December, ’s middags om vijf uur, kwam zij in den Haag aan. Zij liet hare koffers aan het station staan, nam eene vigilante en reed dadelijk naar de school waar George was, zonder acht op haar dunne indische kleeding te slaan of zelfs aan koude of vermoeidheid te denken.

»George! George!...”

O wat ging alles langzaam! Dat reizen eerst, die booten, die spoortreinen! Nu die armoedige vigilante!... Eindelijk!

»Is dit het huis?”

»Ja mevrouw.”

Zij vloog het rijtuig uit en schelde. Met hare dunne, stoffen schoentjes stond zij tot over de enkels in de sneeuw—zij voelde het niet!—Nog eens gescheld. »Doet niemand dan open?” een derde, een vierde, een vijfde keer, geluid ten laatste... daar werd de deur bij de buren geopend.

»Is het voor den schoolmeester?...” vroeg een poppig meisje met een kornetje op.

»Ja, ja, voor den schoolmeester...”

»Och, heetje! die is juist verhuisd. Die woont nou op de Bierkaa, ziet u—daar heeft hij een huis gekocht. Ik weet niet precies waar, maar het is op de Bierkaa.”

»Naar de Bierkaa, dan!”

»Zonder te weten waar we wezen moeten en dat in zoo’n beest van een weer!” riep de koetsier ongeduldig.

»Rij maar, rij maar, ik zal alles betalen.”

»En waar moet ik stilhouden?”

»Schel maar aan alle huizen; wij zullen eindelijk wel terecht komen.”

»Ja, ja, je bent een mooie madam om terecht te komen, jij, met je stroohoed en je dansschoenen aan.”

»In Gods naam, rij toch op!”

»Eerst mijn geld, als je blieft, het is van avond geen weer om voor niets naar schoolmeesters te zoeken.”

Zij wierp een goudstuk in de groote ruwe hand en, hoewel hij niet recht wist hoeveel het waard was, zoo stelde de koetsier er zich voor het oogenblik toch mee tevreden,—klaar om aanstonds meer te vragen.

Daar waren zij op de Bierkade.

»Rechts moet je zijn.”

»Neen, links,” riep een ander.

»Hier woont een schoolmeester, sedert twintig jaar.”

»Je bent te ver, koetsier, dáar bij de brug!”

Welk een eeuwigheid!

»Hier!” riep Louise en zij sprong het rijtuig uit voor een huis waar geen gordijnen hingen en geen licht brandde in den gang.

»Woont hier mr. D., de schoolmeester?”

»Ja, juffer.”