Een huwelijk in Indië

Part 20

Chapter 204,079 wordsPublic domain

»Is de jongeheer George t’huis? Kan ik hem zien? Waar is hij?” Louise was den gang reeds in.

»De jongeheeren zijn allen met vacantie naar huis. De kerst-vacantie weet u, en...”

»Waar kan ik hem vinden?”

»Wie, juffer?”

»Wel George! Waar is George heen?”

»Ik zal eens gaan hooren.”

Wat duurde dat hooren lang!

»De jongeheer is naar Leiden.”

»Bij wie? Waar?”

»O! dat weet ik niet.”

»Weet niemand het?”

»Ja wel, de juffrouw.”

»Vraag dan de juffrouw.”

»Dat mensch lijkt wel gek!” was de conclusie van de meid, die geheel overeenkwam met die van den koetsier.

Zij kwam terug met een papiertje waarop een paar namen stonden, dàt was George’s adres in Leiden.

»Naar het station terug, koetsier!...”

»Gaat er nog een trein naar Leiden?”

»Ja, over...”

»Een kaartje dan.”

En verder ging zij weer in hare koortsachtige gejaagdheid.

Het was reeds laat toen zij te Leiden aankwam. Wat had ze ook lang in dat station moeten wachten!... Hoe lang? Zij wist het niet.

Het huis was gauw genoeg gevonden; maar de jonge heeren waren naar bed.

»Naar een hôtel dan.”

»Naar welk, juffer?” vroeg de koetsier.

»Het grootste.”

Hij bracht haar naar het kleinste, maar gevoelde toch iets als schaamte toen zij hem betaald had.

»Wil mevrouw naar een beter hôtel gaan dan dit?” vroeg hij aarzelend, »dan zal ik mevrouw...”

»’t Is goed zoo. Wat kan het mij schelen waar ik ben! Voor een enkelen nacht.”

En welk een nacht!

Nu was zij dan eindelijk in de nabijheid van haar kind! In dezelfde stad met haar geliefden George!... O, had zij hem slechts even gezien... Een enkel oogenblik... Van verre desnoods... Morgen! Komt morgen dan nooit? ’t Was of de klok stilstond en haar horloge ook—en de zon ook—of scheen de zon niet in Leiden? En dan de klepperman met zijn: »Eén heeft de klok!”

»Eén?—Niet mogelijk!”

Maar alles zei éen. Zij moest dus weer berusten en gelooven dat het éen moest zijn.

Hoe dikwijls had zij zich reeds te bed geworpen, hoe dikwijls was zij weer opgesprongen! Wat was zij vermoeid, en toch kon zij niet slapen. Zij had de koorts, zij weende, zij lachte. O kon zij haar kind slechts wederzien!

De hagel kletterde tegen de ramen. Die nacht scheen eeuwig voort te duren. Wat was het donker en koud. Waar bleef de zon dan toch?

»Vijf heeft de klok.”

Zij kon niet meer. Hare oogen vielen dicht en half bevrozen sliep zij in met een traan op de wang en een lach om de lippen: een kinderbeeld in ’t ver verschiet....

Wat werd zij somber wakker. Ze had vier uren lang gerust. Wat had ze gedroomd, dat haar zoo kon doen schreien? Zij wist het niet. Het was iets van schande, van haat geweest, iets van spottend lachen ook, dacht ze.

De hagel had opgehouden, de lucht was helder, de winterzon wierp vroolijk haar morgenlicht in de groote donkere kamer, waarom had zij nu den moed niet om zich aan te kleeden en uit te gaan en haar kind te zien?

»O, mijn God, bespaar mij die droefheid.”

Zij weende bitter en verborg het hoofd in de handen.

Toen zij wat tot bedaren was gekomen, stond zij op en schelde om het ontbijt.

Gisteren had zij aan geen eten gedacht, zij had nu ook geen honger: zij zocht een reden om te dralen.

»Reeds half tien... En ik heb gezegd dat ik vóor twaalven terug zou komen... Wat vliegt die tijd voorbij... En indien hij mij verachtte? Niet meer kennen wilde?... Verstootte?... Hij is nu twaalf jaar oud, mijn brieven heeft hij nooit ontvangen, men heeft ze onderschept, dit weet ik... De menschen zijn zoo wreed! zoo wraakzuchtig! zoo slecht!

»O God! geef mij kracht om in het belang van mijn kind alleen te handelen!...”

Een oogenblik bleef zij als gedachteloos voor zich staren, toen richtte zij zich op, kalm en vastberaden, als in de dagen harer grootheid, en sprak bijna overluid.

»Neen, Werner.—Indien het den geesten van afgestorvenen vergund is, onzichtbare getuigen te wezen van het leven dergenen die zij eenmaal op aarde hebben lief gehad, dan zult gij weten dat gij vertrouwen kunt op de vrouw aan wie gij uwen lieveling hebt nagelaten.—Nooit zal zwakheid of eigenbelang mij den eed doen verbreken, dien ik in uwe stervende handen heb afgelegd. De toekomst van uw kind zal heilig voor mij wezen, dit zweer ik u.”

Zij schelde, vroeg een rijtuig en reed naar haren zoon.

»Je tante misschien?”

»Ik heb geen tantes.”

»Nu, je moeder dan.”

»Ik heb geen moeder!” was het antwoord, dat gepaard ging met een klap die klonk in den gang. »Dat zal je leeren om van mijn moeder te spreken.”

Er volgde eenig gestommel, een worsteling waarschijnlijk; en toen ging de deur open en kwam er een jongen binnen met roode wangen, vonkelende oogen, dikke blonde lokken die hem tot op de schouders hingen en die hij met een ongeduldig hoofdschudden naar achteren wierp.

»Ik ben George.” sprak hij hijgend.

»Ik zie het...” antwoordde Louise nauw hoorbaar. Zij kon niet verder spreken. Zij greep hem bij de hand, trok hem naar zich toe en gaf hem een kus op de wang, dien de jongen onwillekeurig met zijn mouw afveegde.

»Vele jaren geleden heb ik uwe ouders gekend,” begon Louise na eenige aarzeling, en zij wachtte even, moed scheppende om verder te spreken.

De jongen lachte onverschillig en spotachtig alsof hij zeggen wilde: »Dan hebt gij meer gekend dan ik!”

»Uw vader,” vervolgde zij »wiens oogappel gij waart, uwe moeder...”

»Spreek mij nooit van mijn moeder, mevrouw! Ik heb het mensch nooit gekend, ze is dood en begraven, dus, laat haar rusten als je blieft.”

»Maar zij heeft u gekend...” antwoordde Louise, voortgaande tegen alle terugstooting in, »en zij heeft u lief gehad zoo als weinige moeders mogelijk lief kunnen hebben...”

»’t Is mogelijk!” riep George, klaar om een deuntje te fluiten. »Ik ken haar niet!”

»Uwe grootmoeder, mevrouw Van Amerongen, is een paar maanden geleden gestorven; dit weet gij, niet waar?”

»Ja,” antwoordde George ernstiger, en haar met meer belangstelling aanziende vervolgde hij: »Hebt gij grootmama ook gekend?”

»Ja... zeer goed.”

»Arme grootmoeder! Ik ken haar niet anders dan uit hare brieven, maar ik had wat gegeven om haar persoonlijk te leeren kennen! Zij is altijd zoo goed voor mij geweest.”

Er kwam een vreeselijke gloed in Louise’s donkere oogen, een doodelijke bleekheid overtoog haar schoon gelaat; zij sprong op, maar zich bijna terstond herstellend, beet zij zich op de lippen en zweeg.

De jongen vond iets spookachtigs in dat bleeke mensch met haar groote zwarte oogen.

»Hebt gij grootpapa ook gekend?” vroeg hij stotterend, omdat hij eigenlijk niet wist hoe hij zich houden moest tegenover dat vreemdsoortige mensch.

»Ja... zeer goed.”

Beide zwegen een oogenblik.

Louise hervatte aarzelend:

»Ik heb het een en ander voor u mee gebracht dat... dat grootmama mij voor u gegeven had... hier is het...”

Met hoe veel zorg had zij het pas in Parijs voor hem gekocht!

Met een soort van godsdienstige vereering opende George het doosje dat Louise hem ter hand stelde.

Een gouden horloge!—Een ketting!—Een paar gouden manchetknoopen!—De tranen schoten hem in de oogen toen hij dien rijkdom bezag. Zwijgend drukte hij zijne moeder de hand, hij kon zóo gauw geen woorden vinden.

Wat deed het haar goed, te midden van al hare droefheid, althans te zien dat haar kind onbedorven was gebleven, dankbaar en fier zoo als zij eenmaal den vader had lief gehad. Wat zag zij hem aan met hare groote vragende oogen, als of zij in het diepst zijner ziel wilde dringen om er zoo mogelijk éen woord van vergeving, van troost, voor zijne arme moeder te vinden!—éen blik van sympathie... O, dat alleen was reeds geluk geweest!—Maar niets—volstrekt niets... Welk een schat van liefde moest haar George bezitten! En niets voor haar?... Welk een eerbied voor de nagedachtenis zijner grootmoeder! En voor haar?...

Zij stond op, sloot hem in hare armen, drukte een laatsten kus op het voorhoofd van haar kind en verliet hem weenend, zich haastig in haar rijtuig werpende om naar haar logement terug te keeren.

Ook die droom was dus geëindigd.

»O God! Ik dank u voor mijn kind. Gij hebt mijn vurigste bede verhoord.—Ik mag niet meer vragen...”

TWEEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK

AUGUST VAN LANGENDIJK

Toen het zomer was geworden, en vele Nederlandsche families, verlangend naar buitenlucht en zonneschijn, na de koude, droeve wintermaanden, tusschen de muren bij de kachels doorgebracht, haar intrek genomen hadden in het schoon gelegen hôtel Belle-vue bij Arnhem, waar alles rust, gezelligheid en comfort ademde, kwam er op een dinsdagmorgen van het spoorwegstation een jonge vrouw die twee kamers verlangde »bij de maand”. Het hôtel was vol, men had geen plaats meer, geen twee kamers althans...

»Geef er mij dan een.”

»Wij hebben er geen voor het oogenblik.”

»Geen enkele kamer meer? Geen zolderkamertje? Geen hokje? Niets enfin, waar ik logeeren kan, totdat er een paar kamers open zullen komen?—Ik zal met alles tevreden zijn, geef mij wat gij wilt—maar zend mij naar geen ander hôtel, want hier moet ik wezen!”

Zij kreeg een kamertje ergens boven, heel hoog, en verhuisde eenige dagen later naar beneden, waar toen een paar groote kamers waren opengekomen.

Die vrouw was buitengewoon schoon en zij was alleen. Zij scheen rijk te wezen. Brieven ontving zij niet en niemand kende haar. Ook zij kende niemand en vermeed elke gelegenheid om kennissen te maken. Zij was in het zwart gekleed, altijd, doch niet in den rouw, en had iets sombers, iets droefgeestigs over zich, dat geheel in overeenstemming was met hare zware donkere kleeding. Men had haar mooi gevonden en onverdragelijk, coquette, stijf, trotsch, excentrique. Zij was ongelukkig, dat was al. Zij was daar met een doel, naar het scheen, want dagelijks vroeg zij naar de vreemdelingen die er gekomen waren, en, wanneer zij de namen vernomen had, liep zij met een onverschilligheid heen, die veel van teleurstelling had.

Drie weken was zij er reeds geweest en nog altijd bleef zij als den eersten dag zwijgend, koud, teruggetrokken, beleefd jegens allen, vriendelijk tegen niemand, haar tijd doorbrengende met lezen, of met het maken van handwerken, of somwijlen ook met half droomend naar het schoone landschap te staren, dat zich in volle zomerpracht voor haar ontrolde.

Hare menschenschuwheid, die slecht overeenkwam met hare gemakkelijke hoffelijke manieren, deed haar terstond in het oog vallen, en trok al spoedig de algemeene aandacht zoo zeer, dat zij het onderwerp der meeste gesprekken werd en men schier het onmogelijke deed om met haar in kennis te komen, of het een of ander betreffende haar verleden uit te vorschen.

Eens op een avond toen zij, als naar gewoonte, alleen zat thee te drinken op het terras, kwamen er nieuwe logés, die zij met ongewone belangstelling gadesloeg. Het waren drie personen, een oude grijze heer met een rood gezicht, zijn echtgenoote, een zware vrouw met zwart haar en kleine, schitterende oogjes, en hun zoon, een jong mensch van een jaar of achttien, negentien. Zij scheen die menschen te kennen, ofschoon de nieuwaangekomenen beweerden haar nooit gezien te hebben.

Drie dagen lang hield zij de vreemdelingen in het oog met een geduld en een oplettendheid welke niemand begreep, en toen eindelijk den derden dag, tegen het vallen van den avond, de oude lui uitgegaan waren en de zoon alleen onder de verandah zijn cigaartje zat te rooken, naderde zij langzaam zijn tafeltje en zeide met eenige aarzeling:

»Vergeef mij mijnheer, maar indien ik mij niet vergis, moet gij August Stevens van Langendijk zijn, zoon van den oud-raad van Indië Van Langendijk—student aan de academie te Leiden...”

»Dat ben ik, mevrouw,” antwoordde de jongeling opspringende, »mag ik u vragen... kent gij mij?”

»Ik heb u gekend—en ik zou u gaarne weer willen kennen... Kan ik u niet een oogenblik alleen spreken, ergens waar niemand ons zien kan, niemand ons hooren kan vooral?”

»Boven, in onze kamers,” antwoordde August goedig.

»Ik volg u.”

Zij gingen.

Van Langendijk bood zijne vreemde bezoekster heel beleefd een stoel aan en bleef tegenover haar staan, ongeduldig wachtende op hetgeen er volgen zou.

Zij haalde een pakje brieven uit haar zak en lei het vóor zich op tafel.

»Hier heb ik schrift, dat gij mogelijk herkennen zult,” sprak zij zacht, en een oud papier uitzoekende, dat geel zag en beschreven was met groote onregelmatige letters, bood zij het August aan met de woorden: »Kent gij die kinderhand?”

Hij bezag het aandachtig.

»Het is van mij,” zei hij lachend. Maar plotseling verdween de lach van zijn gelaat en op zijn beurt de vreemdelinge uitvorschend aanziende, reikte hij haar op eens beide handen met de woorden:

»Zijt gij die vrouw?—Mijne moeder?”

Louise wierp zich zwijgend in de armen van haar stiefkind, haar tranen beletten haar te antwoorden.

»Wat heb ik dikwijls aan u gedacht, over u gesproken, naar u gevraagd!” riep August. »Gij die over mij gewaakt hebt en mij beschermd hebt door alle omstandigheden heen. O mijne moeder, wat ben ik gelukkig u eindelijk weer te vinden!... ’t Is waar, ik had u niet herkend; ik was ook zoo jong toen ik u verliet... ik herinnerde mij niet meer hoe gij er uit zaagt, maar ik weet hoe goed gij voor mij geweest zijt en dat vergeet ik nooit.”

»Dank je kind...”

Beide zwegen eenige oogenblikken, toen hernam Louise zachter, zich uit zijn armen loswikkelende:

»Luister August, gij zijt nu geen kind meer, en ik wil dus met u spreken als met een man, een vriend. Ik kan uw vader niet weder zien, hij heeft mij gelukkig niet herkend, maar ook, al had hij mij herkend, dan nog zou ik niet van hier vertrokken zijn vóor u gesproken te hebben... Ik wist dat gij elken zomer met uwe ouders hier kwaamt, daarom ben ik ook gekomen...” Zij wachtte even en hernam toen nog zachter: »Mijn verleden is u bekend, niet waar?—Gij weet dat ik een kind heb?”

»George.—Ik ken hem.”

»Ik weet het.—Maar George kent zijne moeder niet en wil haar niet kennen. Hij heeft haar vervloekt!”

»Niet mogelijk!... Maar dan...”

»O, beschuldig hem niet! Ik heb hem vergeven. Maar ik had voor hem willen zorgen, over hem willen waken, zelve zijne opvoeding willen bestieren... Hij veracht mij, hij heeft mij verstooten; en machteloos moet ik mijn kind aan vreemden overlaten, die mogelijk liefdeloos zijn, hardvochtig en wreed, onverstandig, baatzuchtig, onverschillig. O August, beloof mij dat gij over mijn arm kind zult waken!—Tracht zijn vertrouwen te winnen, en help hem, steun hem, troost hem waar gij kunt... Zeg mij wat hij noodig zal hebben, en geef het hem voor mij, maar laat hem nooit weten dat het van zijn moeder komt, want hij zou te trotsch wezen om het van haar aan te nemen. Bovendien, zijn moeder is dood, dat hebben de menschen hem gezegd, laat haar dood voor hem blijven.”

Ook August’s oogen schoten vol tranen. Wat verstond zijn eerlijk hart die droeve woorden goed, ofschoon ze niet op hem sloegen.

»Ik beloof het u,” sprak hij vastberaden, haar de hand reikende, »wat ik voor hem doen kan, zal ik voor hem doen. Ik beloof u dat ik voor hem zorgen zal als voor mijn eigen broeder.—Toch kan ik nooit zóo veel voor hem doen als gij voor mij hebt gedaan!”

»Gij kunt meer, veel meer; want wat gij voor hem doet, dat doet gij ook voor mij.”

Zij drukte een kus op het voorhoofd van den jongeling, gaf hem haar adres op in den Haag, en verzocht hem dringend, niets van het voorgevallene aan wie ook mee te deelen.

Den volgenden morgen verliet zij Arnhem.

DRIEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK

OUDE KENNISSEN

Eenige jaren later

Eene vrouw van meer dan middelbaren leeftijd, ligt half droomend op een rood fluweelen sofa uitgestrekt. De zon werpt haar gouden licht vroolijk door de ramen met bloemen versierd, en doet de weelde van het vorstelijk gemeubeld vertrek uitkomen. Wij bevinden ons in een van die groote statige ouderwetsche huizen op den Vijverberg in den Haag, die hun roem bij eeuwen tellen en niet voornemens schijnen om in deze eeuw nog afstand van hun voorrang te doen.

In de vrouw die dit huis bewoont vinden wij Ella Salvita, mevrouw Van Wageningen, weder.

Zij is nog schoon, ja, meer dan schoon zouden wij bijna zeggen, zij is aantrekkelijk, bekoorlijk. Niet dat zij krachtig, vroolijk, levendig is zoo als zij vroeger was, met een lachend oog en een hart vol geestdrift, maar ze is kalm, zacht, vastberaden, liefdevol, groot en edel met zelfbewustheid. Zij heeft veel verdriet gehad in haar leven; zij heeft geworsteld tegen domheid en bijgeloof, gestreden tegen gewoonte en vooroordeel; zij heeft armoede en ontbering gekend, medelijden en verachting, spot, haat, miskenning, smaad. Zij heeft alles vergeven, en nu zij rijk en onafhankelijk is, ofschoon niet gelukkig, tracht zij anderen de moeielijkheden te besparen die haar het meest gegriefd en gefolterd hebben.

Zij schijnt iemand te wachten, want bij elk geritsel dat zij hoort, ziet zij naar de deur alsof daar buiten iemand wezen moest met wien haar geheele ziel vervuld was.

Eindelijk werd er zacht geklopt en een oogenblik later trad een jong mensch binnen. Slank, welgevormd, fijngemanierd, bruin van tint met donkere oogen en gitzwart haar had hij veel van een Italiaan of een Spanjaard; hij reikte Ella de net geganteerde hand en schoof een tabouret aan, waarop hij naast de sofa plaats nam.

»Hoe gaat het mevrouw?” vraagt hij met teedere belangstelling, »is de koorts wat minder van daag?”

»Dank je August, ik ben veel beter. Als het zóo voort gaat, hoop ik over eenige dagen sterk genoeg te zijn om weder uit te gaan en met u een bezoek aan uw moeder te brengen.”

»Denkt gij?” vroeg de jongman twijfelend, ofschoon de glans zijner oogen zeide: »Ik hoop het!”

»O zeker, ik ben niet ziek meer, ik ben alleen zwak, en zwakte is een kinderkwaal, die men spoedig genoeg ontgroeit.”

August drukte hare hand en zag haar treurig aan, zonder een woord te uiten.

Na eenige minuten zwijgens brak mevrouw Van Wageningen de stilte weder af met de vraag:

»Wanneer hebt gij haar het laatst gezien?”

»Een maand geleden.”

»En uw vader?”

»Van daag. Hij was zeer zwak, bijna stervende en hij weet dat hij niet genezen kan; toch wil hij van geen vergeven hooren—hij zegt zelfs dat hij mij voor de helft onterven zal, indien ik weer een voet bij haar in huis zet. En hij is stervende, mevrouw! ’t Is vreeselijk!”

Weer zwegen beiden geruimen tijd.

»En hoe maakt George het aan de akademie?”

»O! het gaat met George heel goed, ’t is een knappe jongen—maar verschrikkelijk trotsch! Hij gaat gebukt onder het geheim zijner geboorte; de gansche wereld ziet er hem op aan, beweert hij, en zijn moeder is hem een afschuw, ofschoon hij zich de arme vrouw volstrekt niet meer herinnert.”

»Weet hij dat gij haar kent?”

»Neen mevrouw, ik heb haar beloofd dat ik het hem nooit zou zeggen.”

»Arme vrouw!”

»En ze is zoo goed voor hem, zoo onuitputtelijk goed! Ik begrijp niet hoe zij ’t vol kan houden... En nu ze weet dat hij ’s Zaterdags in den Haag komt en tot Maandag blijft, staat zij uren lang door de jalousieën te turen in de hoop van hem even in het voorbijgaan te zien, zonder zelve gezien te worden.—Ik kan het niet helpen, mevrouw, en het is zeker slecht van mij, maar er zijn oogenblikken waarin ik dien jongen niet uit kan staan, om zijn onverdragelijken kinderachtigen trots dien hij zelf »grootheid van ziel” durft noemen!—Ik vind meer grootheid van ziel in zijne moeder dan in hem. Wat de menschen er ook van zeggen mogen, voor mij is die vrouw een Engel op aarde! Een schier bovenmenschelijk wezen, al heeft zij dan ook een misstap gedaan, waarvoor de menschen denken dat zij haar, haar leven lang verachten mogen!”

»En dat een misstap dien zij gedaan heeft, toen zij krankzinnig was van verontwaardiging en droefheid! Och! de wereld is zoo onrechtvaardig en wreed!”

»Ten opzichte van haar vooral. Niemand kent haar hier, zij gaat om zoo te zeggen nooit uit, ze is niemand tot last en doet goed waar ze kan, en toch is iedereen gereed haar te bespotten of te verachten! ’t Maakt mij tusschenbeide razend als ik de menschen over haar hoor spreken! Oude, uitgedroogde tooverheksen, tusschen een breikous en een statenbijbel, en jonge gelukkig gehuwde vrouwen met een half dozijn gezonde, bloeiende kinderen om zich heen! Zij moesten zich schamen de godvruchtige créaturen om een medemensch zoo te vonnissen! Ik heb eergisteren nog een uitval gedaan... Mevrouwtje lief ik kon het niet helpen, zie er mij s.v.p. niet zoo verwijtend om aan!... Het was bij de familie B. in Leiden. Er waren een tiental getrouwde vrouwen en oude-jonge-jufvrouwen bij elkaar en het gesprek liep, half fluisterend, over een jong kindermeisje dat zich in de gracht verdronken had, omdat zij op het punt was van moeder te worden... Zonder een enkel woord van medelijden of sympathie, werd het arme schepsel door die volmaakte kerkeleden gevonnist en zeer liefdevol rechtstreeks naar de hel gezonden. Eene van de oude vrijsters wierp een blik op mij, die blik deed mij koken en zonder mij een oogenblik te bedenken, liet ik mij ontvallen: »Menigeen veroordeelt, die nooit in zulke verleiding geweest is, en die den moed niet zou hebben er zooals dit meisje voor te boeten met haar leven!” Er volgde een doodsche stilte eerst veel later verbroken door een fluisterend gesprek der vrome dames, waar het mij, God dank, vergund was buiten te blijven.”

»Dat zullen die dames u niet licht vergeven!”

»Dat hoop ik! Dan zullen zij ten minste zorg dragen in mijn bijzijn wat meer égards voor ongelukkigen te hebben.”

»Och, August! Dáar moet gij u zóo boos niet over maken; geloof mij, onwetendheid alleen is hard—verstand is goedig. Domheid is haat, afgunst, wreedheid, en kennis medelijden, liefde, vergeving.”

»En gij hebt recht van spreken mevrouw! Was de wereld u gelijk dan zouden wij geen reden van klagen hebben!”

Een oud man, grijs en gebogen, met een goedigen lach, opende de deur en vroeg zacht:

»Wie is daar bij je, Ella?”

»August van Langendijk,” antwoordde de jongman dadelijk opspringende, en den grijsaard te gemoet snellende, om hem naar een fauteuil te geleiden.

Ritmeester van Wageningen was blind...

VIERENVEERTIGSTE HOOFDSTUK

IN HET HAAGSCHE BOSCH

Woensdag avond. Alles stroomt naar het haagsche bosch. De muziek der grenadiers doet hare mélodieuse tonen over den vijver golven, en vult de lange donkere lanen met haar schoone volle harmoniën. Met stilte luistert het publiek naar een fantaisie op de Juive, alles ademt rust en genot, men gevoelt het, hier zijn alleen diegenen gekomen die gelukkig zijn, of slechts vermoeid, of die hunne zorgen te huis konden laten.

Aan een tafeltje rechts van de tent zit een dikke oost-indische kolonel met zijne vrouw en kinderen. Zij zijn pas in het land gekomen schijnt het, want die geheele familie, vader, moeder en vijf kinderen, ziet er nog zoo vreemd uit, met die verbrande gezichten en eenigszins zonderlinge kleeding. Niet dat ze anders gekleed zijn dan het overige publiek, of dat ze er ouderwetsch of arm uitzien, neen, maar onhandig. Die mooie, gezonde vrouw schijnt niet geschapen voor een hoed met keelbanden; die groote strik onder haar kin hindert haar, zij maakt haar los en werpt de linten naar achteren, maar die linten hooren dáar niet, en eer zij er aan denkt vliegen zij haar weer om den hals. Ook die kinderen tobben vreeselijk met hun hoeden, het jongste meisje vooral: dat schepseltje ziet geregeld scheel ter eere van haar mooie witte veer! En de handschoenen dan. Die kleine handjes zijn gemaakt om vrij te zijn, die vlugge vingertjes voelen zich niet op hunne plaats in de mooie, nieuwe glacé handschoentjes die knijpen en trekken en gevoelloos maken... Wacht maar kinderen! Eenige jaartjes nog, en uw geheel bestaan zal zóo gepakt worden in een handschoentje dat knijpt en trekt en gevoelloos maakt!

Maar dat was het niet waaraan zij dachten met hare ronde gezichtjes en vriendelijk lachende oogen. Zij hadden oude kennissen gezien, een jong mensch met golvende, blonde lokken en een ander met zwarte goedige oogen. Emma, de oudste, had gebloosd voor dien zwarte, en de kleintjes lachten haar uit, omdat ze meer van den blonde hielden, die tusschenbeide krijgertje met haar speelde.