Part 21
»George!” riep de kleine Lieze, maar George hoorde haar niet en liep haar voorbij om naar de familie Wagner te zoeken, die vóor hem zat.
»Wat is hij mooi!” riep Anna, die even twaalf telde. »Hoe kan Emma toch zoo dwaas wezen om meer van August te houden, zoo’n domme liplap!...”
Emma voelde zich vreeselijk beleedigd door die »speech” harer zuster, maar zeide niets. Ook zij had August gezien—ergens in de foule—zij was er niet zeker van, want zij durfde niet omkijken, wacht, straks, als niemand het ziet...
»Wel van Langendijk, hoe gaat het, mijn vriend?”
Dáar was hij! Haar vader gaf hem de hand, liet een van de kleine jongens voor hem opstaan en bood hem een cigaar aan.—Daar kwam ook George aangesneld.
»Eindelijk!” riep hij half buiten adem, »wat heb ik rondgedwaald om u te zoeken!”
»Je bent te driftig,” zeide August kalm, »ik kom het hek pas binnen et me voici installé...”
»Je hebt meer geluk dan ik, dat is al,” antwoordde George eenigszins scherp.
»Een cigaar?” vroeg de kolonel, zijn oudste zoontje opjagende, en George was ook »geïnstalleerd”.
»Ik heb je nog bij je mouw getrokken,” fluisterde Lieze hem in, »heb je ’t niet gevoeld?”
»Neen, wanneer?”
»Wel daar even, toen je hier voor den derden keer voorbij kwaamt...”
»Ik heb niets gevoeld.”
»Foei!...”
»Welk nieuws?” vroeg de kolonel.
»Geen!” antwoordde George.
»Wat? Geen?” riep August, »is het geen nieuws dat je zoo glorieus door je examen bent gekomen?”
»Ben je? Wel, ik feliciteer je man!”
»Van harte geluk!” riep Lina, en al de kinderen voegden hun gelukwenschen bij die der ouders, welke George ontving als of hij ze zijn gansche leven door ontvangen had, terwijl August innig in de algemeene vreugde deelde.
Emma zag het, en gevoelde niets voor de knapheid van George, dien zij »naar” vond.
»Zóo ver heb ik het nooit kunnen brengen!” riep August met eenvoudige goedigheid.
»Ik hoop het verder te brengen,” antwoordde George trotsch.
August zag hem even aan.
»Dàt hoop ik ook,” sprak hij lachend, »want je bent een man van studie en van kunde en die hebben wij noodig in ons land.”
»Denk je?” vroeg George op een toon, waarin lag: »Het doet er niet veel toe wat je denkt.”
August voelde zich gekrenkt, maar hij vergaf den knappen George zijne bitterheid, hij wist wel waar zij uit voort sproot.
De mooie Emma had hem hare toekomst beloofd, en, ofschoon George niets wist, toch vermoedde hij iets dergelijks, daar het jonge meisje den »dommen liplap” steeds de voorkeur gaf boven den knappen, blonden student en zich volstrekt geen geweld aan deed om hare »belachelijke admiratie” voor den »kleurling” te verbergen.
VIJFENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
ACADEMIE-VRIENDEN
Niets was grappiger dan de zonderlinge vriendschap, die er tusschen van Langendijk en George bestond. August eenige jaren ouder dan George, behandelde zijn jongen vriend met een soort van beschermende bewondering die deze onverdragelijk vond, daar hij er van overtuigd was dat hij meer verstand in zijn pink had dan die domme liplap in zijn geheele hoofd. Maar was hij ziek of verdrietig, gevoelde hij zich ongelukkig over het een of ander waaraan niets te veranderen viel, had hij geld noodig of hulp, dan was het altijd weer de domme liplap die voor hem deed hetgeen geen ander voor hem gedaan zou hebben.
»Het helpt je niet,” had hij hem eens gezegd, toen George, teleurgesteld in zijne studies, alles verzon om hem onaangenaam te wezen. »Het helpt je niet, of je me al mishandelen wilt of beleedigen. Ik heb beloofd dat ik je helpen zou overal en altijd, en dat zal ik doen, of je me lief hebt of haat...”
»Wat is dat?” had George driftig opspringende gevraagd.
»Niets,” had de ander geantwoord, zóo dom en goedig dat George er hem wel een klap voor had willen geven.
August wist het geheim van George’s geboorte en hij was het geweest die het hem had medegedeeld.
Wat hadden zij dikwijls over dat onderwerp gekibbeld! Wat had George in zijne wijsheid niet gegeven om Stevens van Langendijk te heeten! En hoe gaarne had de domme August hem den grooten naam afgestaan waaraan hij geen waarde hechtte!
»Is het niet het zelfde of je Piet of Dirk heet?” had hij hem in zijn onnoozelen eenvoud gevraagd. »Wat doet de naam ter zake? Een jongen als jij, wel, die maakt zich een naam! Ik wou dat ik George heette en dat ik zóo knap was als jij, dan had ik den naam van mijn vader niet noodig om mij staande te houden in de publieke opinie.”
»Je bent ondankbaar, en je weet niet wat je zegt! Indien je zóoveel geleden had als ik...”
»Ik!” riep August met een gullen lach, »ik geloof dat ik evenveel geleden heb onder den trots van mijn vader als jij onder je eigen trots! Ambtenaar eerste klasse voor Indië moest ik worden, omdat mijn vader een resident in mij zag, een raad van Indië, een Gouverneur-Generaal, weet ik al wat! Och, arm!... Ik!... Ziet gij, zulk een toekomst droomt gij u voor u zelven, en droomde hij zich voor mij! Het eenige onderscheid is, dat uw droom op wetenschap en studie gegrond is en eenmaal verwezenlijkt kan worden, terwijl de zijne slechts een illusie was, die in de domheid van zijn zoon verloren is gegaan.”
George kon het niet helpen, met al zijn superioriteit en al zijn trots, al zijn afgunst en ongeduld, dat hij toch voor August een sympathie gevoelde die hij zich niet verklaren kon, en die hij zich in ’t publiek zelfs soms schaamde, ofschoon dan de naam, Van Langendijk, tot apologie kon strekken.
Eenmaal had August een vreeselijke vraag gedaan:
»Herinnert gij u in het geheel uw moeder niet meer?”
George was opgevlogen alsof hij hem vermoorden wilde.
»Neen, God dank niet!” had hij toen woedend geantwoord. »Dat mensch is dood—en het is haar geluk!”
»Toch zou het uw geluk geweest zijn, indien zij geleefd had,” ging August voort, tegen alle drift en ongeduld van zijn vriend in. »Ik heb haar gekend. Wat was zij zacht, en goed, en lief—edelmoedig en zelfopofferend!...”
»En mooi vooral, niet waar?” viel George hem sarkastisch in de rede. »Luister, August, indien gij eenige waarde aan mijn vriendschap hecht, spreek mij dan nooit meer van mijn moeder!—Ze is dood, gelukkig!—Leefde zij nog, dan ging ik haar opzoeken, eens slechts, éens, om haar zelf te zeggen dat ik haar haat, veracht, vervloek voor eeuwig!”
»Schaam u, George!”
»Geen woord meer over dit onderwerp,” gebood George bevend van toorn, en zijn pet grijpende vlood hij de straat op zonder zelf te weten waarheen.
Na dien tijd had August hem nooit meer over zijne moeder gesproken, maar nu hij op een meer intiemen voet bij de familie Wagner aan huis begon te komen, had hij Lina in den arm genomen en haar verzocht een laatste poging te wagen, om George met zijn moeder te verzoenen.
Lina had de moeielijke taak aanvaard, en dien zekeren Woensdagavond in het bosch had zij George verzocht den volgenden morgen bij haar te komen, daar zij hem iets mee te deelen had, dat van het grootste belang voor hem was.
ZESENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
LINA’S TUSSCHENKOMST
George kwam den volgenden morgen, trotsch en geleerd als altijd, zonder in het minst te gissen welke de reden kon zijn van Lina’s vreemde uitnoodiging.
»Emma mogelijk!” had hij binnentredende gedacht en het hoofd achterover werpende had hij zijn vermetele gedachte beantwoord met een vast besloten: »neen, geen Emma’s voor mij. Zulke dwaasheden zijn goed voor August... Een kundig man moet vrij blijven, anders breekt hij zijn carrière.”
Toch hield hij van Emma zooveel als zijn zelfzuchtige ziel van iemand houden kon; te weinig om een enkelen gloriedroom aan zijn liefde op te offeren, genoeg om August elken blik van sympathie te benijden waarmede het meisje onwillekeurig nu eens een goed woord dan weer een kleinen dienst van zijn vriend beloonde.
»Mijnheer George,” begon Lina zoodra zij zich met den jongeling alleen bevond, »vermoedt gij waarom ik u dit onderhoud gevraagd heb?”
»Volstrekt niet mevrouw.”
»Het geldt uw moeder.”
»Mijne moeder!—Ik heb geen moeder!—Ik zou zelfs bijna zeggen: ik heb nooit eene moeder gehad!”
»Dan zoudt gij onwaarheid spreken, want ofschoon gij u mogelijk de zelfopofferende gehechtheid der liefdevolle vrouw die uwe moeder is, niet meer herinnert, zoo heeft die toch bestaan, en... zoo bestaat die nog.”
»Nog!” riep George opspringende, »leeft mijn moeder nog? O, zeg mij, mevrouw, waar ik die gehate vrouw kan vinden, opdat ik haar zelf zeggen kan hoe diep ik haar veracht!”
»Is dat al wat gij haar zeggen zoudt?”
»Dat is al.”
»Geen woord van medelijden, geen woord van sympathie of troost zoudt gij in uw hart kunnen vinden voor de ongelukkige vrouw, die zoo oneindig liefheeft gehad en zoo vreeselijk heeft geleden?”
»Niets dan haat—eeuwige haat.”
»Gij zijt uwer moeder onwaardig, George. Mogelijk zal er eenmaal een dag komen dat de ondervinding u zal geleerd hebben hoe onvolmaakt verstand is in vergelijking van gemoed, kom dien dag terug, dan zal ik u de vrouw leeren kennen, die uw moeder is. Nu zijt gij voor dat geluk nog niet rijp. Maar draal niet te lang, want uwe wreedheid doodt haar.”
»Zij weet dus dat ik haar veracht?”
»Zij weet alles... Luister, George, uw verachting is onrechtvaardig; indien uw verstand u dit niet leert, laat uw hart het u zeggen...”
En na hem het geheele leven zijner moeder medegedeeld te hebben, besloot Lina met hem aan te raden om met August over het voorgevallene te spreken.
»Hij is uw vriend en hij kent uw moeder, indien iemand in uw belang zal handelen is hij het, vraag hem om raad.”
George lachte om dat vrouwenoordeel, greep zijn hoed en vertrok, trotsch op zijn vast karakter dat hem onwankelbaar had doen volharden op den eenmaal ingeslagen weg en hem had doen volhouden tegen alle verleiding van verwondering en nieuwsgierigheid in.
ZEVENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
DE LAATSTE BRIEVEN
Au lieu de l’instinct c’est l’intelligence qui a compris le grand mot de la Nature
Amour.
»George!
»Het is met een stervende hand dat uwe moeder de laatste woorden schrijft, die zij haar kind had willen toespreken—indien hij ze van hare lippen had willen aanhooren.
»Haat, verachting, vloek, niets anders hadt gij over voor de vrouw die u het leven gaf.
»Laat dezen brief verzegeld blijven totdat gij geleerd zult hebben een zachter oordeel te vellen over het ongeluk dat u onbekend is.—Uwe moeder wil niet, dat gij met een blik van toorn of verwijt hare woorden lezen zult.”
Dat opschrift beviel hem,—hij vond het curieus en, met een minachtend lachje nam hij zijn mes en sneed hij de enveloppe open.
»Geen vergeving, maar sympathie, maar medelijden eisch ik, eer gij verder zult lezen.”
Dat stond buiten op den brief, die nogmaals verzegeld was.
Wat had zij hem goed gekend! Zij had het dus geweten dat hij bij hare eerste woorden niet stil gestaan zou hebben! Dat hij ze gelezen zou hebben met de oogen slechts, en dat hij verder zou gegaan zijn zonder zelfs aan gehoorzamen te denken.
Een oogenblik hield hij den brief geduldig tusschen zijne vingers, bezag het opschrift dat hem aantrok, de kleine magere letters die hij kinderachtig vond, het groote zegel dat hem nijdig maakte. Toen greep hij weer zijn mes en opende ook den tweeden omslag.
»Nu, ja, ik vergeef je!” mompelde hij half tusschen de tanden. »Ik vergeef je, want ik wil zien wat je daar geschreven heb... En al vergaf ik je ook niet, dan toch opende ik je brief; het is in allen geval mij dat het geldt, en geen ander.”
»Dus haat gij uw moeder niet meer?—veracht gij de vrouw niet meer die gij nimmer gekend hebt? vervloekt gij niet meer het ongelukkige schepsel dat uw vloek gedood heeft? Heb dank, George, voor dat eerste blijk van rechtvaardigheid.”
»Rechtvaardigheid!” Hij hield een oogenblik op met lezen, herlas dien volzin nog eens.—»Ja, rechtvaardigheid,—dat staat er!” Hij las verder.
»De wet had schuldig gezegd.
»En de wereld heeft gelachen, gespot, veracht, gejuicht en aangeklaagd, vervloekt!
»De zoon had moeten zwijgen en vergeven, of liefhebben en troosten.
»Maar de wet had ook den zoon aangeklaagd, en de menschen hebben het kind verstooten, om de schuld der wereld.”
»Wat—is—dat?” riep George, zich op eens in een geheel andere atmosfeer bevindende dan die waarin hij gewoon was zich met zijne academievrienden te bewegen. »Om de schuld der wereld? Der moeder, wil ze zeggen!” Hij vervolgde.
»De wereld, wier recht in kracht bestaat, en wier kracht op berekening gegrond is, heeft hare geleerdheid in een wetboek uitgestort, en dat wetboek als een eeuwig werkende guillotine in Gods volmaakte natuur geplaatst, om te vermoorden al wat oorspronkelijk goed of groot zou zijn.”
»Hei! hei!” riep de jonge advocaat, opspringende. Toch was het een andere lach dan die van zoo even, die zijn welgevormde lippen opende. Hij las weer verder.
»Ziel,” had de godheid gezegd.
»Masker” het wetboek geantwoord.
»Vrijheid.”
»Neen, slavernij.”
»Waarheid.”
»Neen, bedrog.”
»Leven.”
»Neen, dood.”
»En dood is het geweest, eeuwen en eeuwen lang! Dood volgens de wet, zoo als het dood volgens de wereld was.
»Dood voor de ziel, dat heette plicht.—Dat werd later in beschaving en distinctie veranderd.—Valschheid was de rechte naam!
»Dood voor het lichaam, dat werd glorie genoemd, martelaarschap en heldenmoed.—Slavernij was de verborgen naam!
»Dood voor het hart, dat heette deugd en reinheid, onschuld, heiligheid.—Huichelarij had het moeten heeten, of onwetendheid, of zielloosheid!
»Dood voor het verstand, dat werd geleerdheid genoemd, of godsdienst, braafheid, eenvoud. Goddeloosheid had het moeten zijn. Maar dood bleef het altijd!
»Dood,” hadden de menschen met bloedige letters op de eerste bladzijde van hun wetboek moeten schrijven, dan hadden zij op de laatste »waarheid” kunnen zetten met donkere letters van rouw!
»Maar zij hebben »bescherming” tot hun opschrift gekozen en »kracht” tot hun rechter, en nu wordt onderwerping deugd genoemd, terwijl de misdaad wettig kan zijn en de sluwheid met succès wordt bekroond.
»Natuur is buiten de wet en bij gevolg »schuldig.””
George lachte niet meer, hij staarde op den brief zijner moeder met eene belangstelling die aan bewondering grensde. Het speet hem dat hij die vrouw niet gekend had, zij had hem mogelijk van nut kunnen zijn.
»Eene vrouw!”
Daar kwam dat hatelijke lachje weder, waarvoor Emma hem niet uit kon staan.
Hij sloeg het blaadje om en wilde verder lezen—er was niet meer.
»Wat is dat? Niets meer?...”
Teleurgesteld las hij den ganschen brief nog eens over.
En geen woord voor hem?—Geen woord van liefde?—Geen woord om hem vergeving te vragen voor het leed dat zij hem berokkend had? Voor de levenslange schande, die door hare schuld zou rusten op het kind zonder naam?—Welk eene vrouw! Het was niet zóo dat August hem zijne moeder beschreven had. »Zacht, en goed, en lief, edelmoedig en zelfopofferend... Neen, eene soort van bas-bleu moest zij geweest zijn!...” Het speet hem toch dat hij haar niet gekend had... In het geheel geen doetje, zoo als hij zich had voorgesteld.
Wat gaf die brief te denken! Maar ook niets meer dan dat. Gevoel zat er niet in, liefde voor geen cent—een geest van opstand,—opstand tegen de noodzakelijkheid. Dat was haar gansche leven immers ook geweest! Arm mensch!
George stond op om den brief in zijn secretaire te sluiten, op het zelfde oogenblik werd de deur geopend en trad August binnen.
»Zóo, ben jij ’t! Ga zitten, hier is een brief van mijn moeder, wil je lezen?”
August zette groote oogen op, hij wist niet wat hij hoorde, zonder te antwoorden nam hij den brief aan en las.
George plaatste zich voor zijne schrijftafel en deed als of hij schreef, eigenlijk hield hij zijn vriend in het oog.
Toen August den brief gelezen had, vouwde hij hem zorgvuldig dicht en gaf hij hem aan George terug zonder een enkel woord te zeggen.
»Nu?”
»Wat?” vroeg August met zulk een gebroken stem, dat George er hem op aanzag. »Huil je?”
»Die vrouw was een engel, heb ik je altijd gezegd!...”
»Een mooi soort van engel!” riep George met een gemaakten lach.
August greep zijn hoed en verdween.
Daar stond hij weer alleen in het midden van zijn kamer met den geopenden brief zijner moeder vóor zich.
»August is gek!” dacht hij bij zich zelven. »Ik begrijp de verblindheid van dien jongen niet! Mijne moeder is een engel, dat was ze en dat moet ze eeuwig blijven... hij heeft dat zoo gedecreteerd en zóo is het dus.”
Hij lachte en greep den brief om hem in de secretaire te werpen.
»Wat?—Twee?” riep hij op eens. »Wat is dat voor een brief?”
»Om aan mijn zoon George te overhandigen, wanneer hij mijn eersten brief gelezen zal hebben.
»Ook van mijne moeder! En verzegeld!—Dien heeft August zeker gebracht!—Met koortsachtige zenuwachtigheid opende hij den tweeden brief.
»Innig, innig geliefde George! Gedurende ruim vierentwintig jaar zijt gij de oogappel uwer moeder geweest, het doel van haar leven, de hoop harer toekomst. Ongezien, onbemind, ongekend heeft zij over haar kind gewaakt, dat zij beschermd heeft, verzorgd en geraden van verre, en door vreemden...
»Grootheid zag zij in dat kind,—kracht, geleerdheid en fortuin.—Liefde had zij in hem willen vinden.
»Bewondering voor wat boven hem is.
»Bescherming voor wat hij beneden zich acht.
»Hulp voor zwakken.
»Vergeving voor verdoolden.
»En troost voor ongelukkigen.
»Sympathie voor al wat leeft en dus bestemd tot lijden is.
»Want grootheid zonder liefde is tirannie.
»Kracht zonder liefde is wreedheid.
»Geleerdheid zonder liefde is onverstand.
»En fortuin zonder liefde leidt tot gierigheid of tot verspilzucht.”
George liet den brief op tafel vallen en staarde vóor zich, zonder te weten waaraan hij dacht.
»Dat is waar...” mompelde hij eindelijk, »waarom heb ik die vrouw niet gekend?”
»Omdat gij geene liefde hadt...” las hij verder; hij las dat schijnbare antwoord op zijne vraag nog eens.
»Omdat gij geene liefde hadt, hebt gij verstooten wat eenvoudig goed was, en toch dat alleen is waar en groot.
»Omdat gij geene liefde hadt, hebt gij de eenige vrouw veracht wier liefde belangeloos was, wier raadgevingen heilig voor u hadden moeten zijn.
»Uwe moeder, de eenige persoon op aarde, aan wie de natuur zelve u toevertrouwd had, hebt gij geweigerd te kennen.
»Zoek geen verontschuldiging in de opinie der wereld—voor elke andere vrouw zoudt gij kracht gehad hebben die opinie te trotseeren.
»Zoek haar ook niet in onwetendheid.
»Gij wist dat uw moeder leefde, dat zij u lief had en dat zij leed onder uwe miskenning, die haar dooden moest.
»Gij wist het, niet waar?
»Welnu, uw weten heeft haar gedood.
»Gingen uw haat, uw wraak, uw berekening zóo ver?
»Uw moeder vergeeft u alles, kind!
»Ik ken geen haat en geen wraak, ik ken niets meer dan medelijden.
»Liefde was de schoonste schat die de godheid mij bij mijne geboorte gaf. Liefde had mijn gansch bestaan moeten zijn.
»Liefde voor de leidslieden die de natuur over mijne kindschheid gesteld had. Liefde voor den man wiens ziel de zusterziel der mijne was. Liefde voor het kind dat recht op mijne toekomst had. En liefde voor de menschheid wier rampen mij lijden deden.
»Liefde!
»Niemand begreep mijne liefde... ik begreep haar zelve niet.
»Liefde is een droom,” hadden mijne ouders mij geleerd. »Eene gewoonte,” had de man der fortuin mij gezegd. »Een plicht of een zonde!” riep de wereld mij toe, met haar wetboek in de hand en den zegen der kerk tot staving harer onfeilbaarheid!
»Toch was liefde het bevel der natuur. En worstelend, ongelukkig, rampzalig, krankzinnig zelfs, heb ik lief gehad, om miskend te worden, gefolterd, versmaad, bespot, veracht en eindelijk gedood.
»Was het daarvoor dat God liefde schiep en medelijden?
»Uw moeder vergeeft u, George. Gij zijt aan haar gelijk, mijn zoon, want ook zij had het leven niet begrepen. Ook zij heeft gehaat en veracht, en gelachen in spijt der liefde die haar ziel verteerde. Zij had niet leeren strijden, dus moest zij wel bezwijken. Maar de dood kwam nader, en eenzaam, verstooten en verlaten heeft zij het leven begrepen dat ten einde spoedde, en haren Schepper gedankt voor het eenige geschenk dat der volmaaktheid nadert: Liefde.
»Leef gelukkig, mijn kind, uwe moeder zegent u en smeekt u, lief te hebben.
»Wees niet hard voor de menschheid die lijdt, want haar lijden is onwetendheid.
»Beschuldig niet, maar troost en help, en bescherm en stel uw eer in de kracht van vergeven en van rechtvaardig goed te wezen. Die zwakheid alleen is grootheid, is wijsheid, is geluk.
»Vaarwel, mijn kind, mijn innig geliefde George! God schenke u liefde: dit is de laatste zegen dien mijn stervende lippen Hem smeeken over u uit te storten.
»Vaarwel!
»Uwe moeder.”
George zag de laatste woorden niet meer, zijn tranen verblindden hem. Dit waren de eerste tranen van medelijden sedert de jaren zijner kindschheid.
»August heeft gelijk!” sprak hij afgebroken. »Mijne moeder was een engel... Waarom heb ik die ongelukkige vrouw miskend!
»De menschen hebben haar krankzinnig genoemd, omdat zij veel begreep en weinig wist.”
AANTEEKENINGEN
[1] Siedin, ga eens zien of er geen brief op de piano ligt.
[2] Indië, twintig jaar geleden.
[3] Chineesche marschkramer.
[4] Lastdrager.
[5] Een klein dak van bladeren op vier bamboezen stijltjes.
[6] Gekookte rijst; ongekookte noemt men bras, en in de halmen heet zij paddie.
[7] Snoeperijen, gebak.
[8] Groote en-cas van bladeren of geolied papier.
[9] Matje.
[10] Juffrouw.
[11] Jonge mijnheer.
[12] Een langwerpig, vierkant rijtuig, aan alle kanten van glazen raampjes en jalousiën voorzien.
[13] Banana, vrucht.
[14] Grillen, kuren.
[15] Men lette er op dat wij hier het Java van een twintig jaren geleden bedoelen, niet het eenvoudige, gastvrije »tempo doloe” noch het, oppervlakkig schitterende, tegenwoordige. Wij bedoelen die rijke, bloeiende, gemakkelijke Europeesche maatschappij op Java, die thans worstelend bezwijkt onder de vergulde kroon der weelde en den ijzeren schepter der welvoegelijkheid.
[16] De vrouw die naar de markt gaat om inkoopen te doen.
[17] De »daagsche pot” bestaat uit rijst (de hoofdschotel), kerrie, sajor (gekookte groenten), drie tot zeven vleeschsoorten en sambal-sambal.
[18] Een Indische dame noemt haar japon nooit anders dan »mijn kleed”, ook al is dat kleed van grof nanking of katoen.
[19] Een groot vierkant dak, met atap (een lange grassoort) gedekt, op houten of bamboezen stijlen.
[20] Waaien, met groote grove waaiers van gevlochten matwerk, opzettelijk tot dit einde vervaardigd en in alle keukens te vinden.
[21] Jongen staat gelijk met het fransch »garçon”. Al is de man ook honderd jaar oud, zoolang hij bediende is, blijft hij een jongen, zelfs voor het kleinste kind.
[22] Verguld zonnescherm; onderscheidingsteeken voor residenten.
[23] Vergeving!
[24] Jocelyn, par de Lamartine.
[25] Aarden waterkruik.
[26] Aap!
[27] Woordelijk vertaald: »Winst, mijnheer de resident is uit.”
[28] Ongelukkig, rampzalig.
[29] Medelijden.
[30] Aarden waterkruik.
[31] Indische rok.
[32] Doe veel bloemen in mijn haar.
[33] Leg mijn fraaiste kleed gereed.
[34] Mevrouw, de jongeheer Willem is ziek.
[35] Wezenlijk.
[36] Dispens: provisie-kamer.
[37] Mati: dood,
[38] Waar is mevrouw?
[39] Domoor, luiaard!
[40] Waar is mevrouw heen gegaan?
[41] Ik weet het niet mijnheer.
[42] Loop naar den duivel!
[43] Bloem.