Part 2
Een oogenblik later trad Lina binnen. Mijnheer d’Artonges herhaalde zijn aanzoek, er bij voegende dat hij de toestemming haars vaders reeds verkregen had.
Lina had hem vrij verwonderd aangehoord. Toen stond zij op, reikte hem de hand en sprak zacht:
»Neen, wij zouden elkander niet gelukkig maken—onze karakters loopen te veel uiteen.” Zij wachtte een oogenblik en vervolgde toen, met tranen in de oogen:
»O! denk daarom niet dat ik hem niet hoog acht, of dat ik hem niet dankbaar ben voor het vertrouwen dat hij in mij stelt! Neen, ik ken hem, en ik weet hoe goed hij is—maar ik kan zijn liefde niet beantwoorden zooals zij verdient beantwoord te worden, daar ik meer bewondering dan sympathie voor hem gevoel.”
Mijnheer d’Artonges deed nog eenige pogingen om Lina tot andere inzichten te brengen, maar toen hij overtuigd was dat haar besluit vast stond, vertrok hij, na haar herhaaldelijk zijn diep leedwezen verzekerd te hebben, dat zij zijn schoondochter niet worden zou.
»Gij hebt goed gehandeld mijn kind,” zeide de ritmeester, zoodra hij zich met zijn dochter alleen bevond. »Het geld brengt veel geluk aan in de wereld, maar het hart kan koud blijven en de ziel onvoldaan te midden der grootste rijkdommen,—en gij gevoelt niets voor den jongen d’Artonges, nietwaar?”
»Niets,” antwoordde Lina met een licht hoofdschudden.
Een oogenblik bleven vader en dochter zwijgen, toen zag Lina hem uitvorschend aan met hare groote heldere oogen, en vroeg zij zacht:
»Papa, is Herman Wagner nog niet bij u geweest?”
De beurt van uitvorschend aanzien kwam aan den ritmeester.
»Neen,” zeide hij verwonderd, »maar indien er eenig verband in den loop uwer gedachten bestaat, dan zou ik geneigd zijn te vragen: Gevoelt gij ook meer voor hem dan voor den jongen d’Artonges?”
»Ja,” antwoordde Lina nauw hoorbaar, zich half weenend half lachend in de armen haars vaders werpende.
De ritmeester trok haar zacht naar de canapé en ging naast haar zitten.
»Lief kind,” begon hij, na een oogenblik, »ik geloof dat Wagner een beste, brave, oppassende jongen is. Ik billijk je keuze dus ten volle. Maar Wagner is luitenant en bezit niet veel meer dan zijn traktement. Hebt gij er dus op gerekend dat er nog menig jaartje zal moeten verloopen, eer er aan een huwelijk gedacht zal kunnen worden?”
»Ja,” antwoordde Lina weder.
»Weet Wagner dat ook gij geheel ontbloot zijt van fortuin?”
»Ik heb het hem gezegd, lang vóor dat hij mij zijn liefde verklaarde, en ...”
»En?—wat verder?”
»Gisteren toen wij wandelden en gij met zijn broeder ons eenige schreden vooruit waart, heeft hij mij gevraagd of ik genoeg van hem hield om te wachten tot hij kapitein zou zijn. Ik heb »ja” gezegd, en nu is hij van plan over te gaan bij het leger in Indië, in de plaats van éen zijner vrienden, die liever in Europa wilde blijven en hem dezen ruil had voorgesteld.—En nu had ik van mijn kant ook een plan gemaakt—dat gij zult goedkeuren, niet waar?”—voegde zij er vleiend bij. »Want het zou uw Lina gelukkig maken!”
»Spreek kind, en wanneer het tot de mogelijkheden behoort, zal ik u helpen om het plan ten uitvoer te brengen. Want goed is het zeker, anders zoudt gij het niet gemaakt hebben.”
Lina schoof wat dichter naar den ritmeester toe, greep zijn beide handen in de haren, zag hem aan alsof zij in het diepst zijner ziel wilde lezen en zeide zacht:
»Mevrouw Van Hoorn zoekt een gouvernante voor een fatsoenlijke, brave familie in Indië..... zoudt gij het ondankbaar van mij vinden, indien ik u verlaten ging?”
De ritmeester bedacht zich een oogenblik. »Neen,” zeide hij, »van ondankbaarheid kan hier nooit sprake wezen, daar wij een jaar of drie geleden immers reeds overeengekomen zijn dat gij, wat ouder geworden, een betrekking als gouvernante zoeken zoudt.—Gisteren dacht ik nog aan Indië—en ik vond u te jong om u zoo geheel alleen de wijde wereld in te zenden. Maar de vrouw, die waarachtig lief heeft, is ouder dan hare jaren en sterk door hare liefde; de deugd is haar een behoefte, want zij is haar steun en hare belooning tevens. Ga dus, mijn kind! ga, betracht uw plicht en wees gelukkig!”
Drie maanden later werden er groote koffers uit het huis van den ritmeester gedragen en verzonden naar het schip Antonia dat te Rotterdam in lading lag voor Java.
En acht dagen daarna werd Lina van Wageningen naar boord gebracht door haren vader, Wagner, en Richard haar broeder.
Toen zij weder t’huis gekomen waren, reikte Mlle Salvita den ritmeester zwijgend de hand. Zij begreep wat er in het hart van den armen vader omging en zij vond geen woord van troost voor den braven, zelf-opofferenden man, die in de wereld alleen stond en niets dan spot of onverschilligheid in vreemde oogen las.
»Zij heeft gelijk dat zij ver weg gaat,” sprak hij nauw hoorbaar, »want in haar eigen land had ze nooit een conditie gevonden.—»Excentrique!” heeft haar dorpje gezegd en »excentrique” heeft de hofstad nagegalmd. »Excentrique” gilt de wereld al verder en verder, en de kring, gevormd door een droppel in een waterplas, wordt dagelijks grooter en grooter!—Domme wereld die een lof tot een schimpnaam maakt, zonder te begrijpen dat het toch een lof blijft.—Niet gewoon is buitengewoon dus meer dan gewoon.—God zegene alle excentrieke menschen! O! mocht het hedendaagsch gewoon vernietigd en het excentrieke gewoon worden. Welk een reuzenstap zou dan de menschheid op het gebied van vooruitgang gedaan hebben!”
TWEEDE HOOFDSTUK
HET EERSTE VOORGEVOEL
Zij zat aan den voet van een ouden weringinboom in het mollige gras te spelen. Een jonge poedel dartelde vroolijk om haar heen, duizende bloemen geurden aan haar voeten en veelkleurige vlinders omdartelden het vriendelijke kinderkopje, terwijl de vogels het bosch van hun liefelijke tonen deden weergalmen en de eenzaamheid die toovermacht uitoefende, welke tot zelfs op het gemoed van het onnadenkend zorgeloos kind inwerkt en een zweem van overpeinzing doet geboren worden in de ziel die nog nimmer heeft gevoeld door nadenken, of nagedacht over hetgeen zij gevoelde.
Vreemd voorwaar is het oogenblik van ontwaken, wanneer men zóo ontwaken kan; maar groot, maar heilig is dat oogenblik voor de toekomst, en machtig werkt het op het jeugdig hart, dat in de vrije, rijke natuur het eerst met zichzelf bekend is geworden. En later, wanneer de wereld zich met hare schijntooneelen somber aan het menschenoog vertoond heeft; wanneer teleurstelling en bedrog elke illusie, elk ideaal, ja, somtijds zelfs elken wensch vernietigd hebben; wanneer vrees de plaats van hoop, en mistrouwen die van menschenliefde heeft ingenomen; wanneer het denkbeeld van geluk door een spotlach wordt verdreven; wanneer deugd en godsdienst als bittere schimpwoorden, in de dichtste plooien van het versteende hart teruggedrongen worden, en smart of haat de eenige tonen opwekken die nog weerklank vinden in de droeve, kranke ziel,—o, dan is het goed een gelukkige kindschheid gehad te hebben! Dan is het heilzaam een blik in het verledene te kunnen werpen en dáar de heldere, klare dagen weer te vinden, die ons in het tegenwoordige ontbreken; dáar de deugden in ons zelve aan te treffen, die wij thans in onze medemenschen ontkennen willen: dáar te herleven, terwijl het tegenwoordige ons dreigt te dooden.
Maar hieraan dacht de kleine Melatie niet. Zij was nog in den aanvang des levens en haar aandacht was niet op het verledene gevestigd. Het was de toekomst die zij gevoelde, het was het menschelijk instinkt, dat in het kind ontwaakte.
Zij had gezongen en gespeeld en versjes opgezegd voor haar getrouwen poedel. Maar plotseling nam het spel een einde, de lieve kinderstem bleef zwijgen en het »Zou ik niet mijn moeder eeren” werd door een tranenvloed gesmoord.
»O! maatje! maatje!” snikte zij luid, »zal Mela altijd bij u blijven?—O! sterf toch niet!—sterf nooit—of neem uw kleine Mela mee!”
Zij weende lang en staarde treurig vóor zich.... Maar poedel kwam, lekte ’t lieve kind de kleine natte handjes, sprong tegen ’t rood geschreid gezichtje op en ging weer lustig aan het stoeien.
Weg met Van Alphen! Weg met de tranen! Weg met elke gedachte die niet recht vroolijk was!
Dáar sprong zij op. Weer plukten de kleine handjes de geurigste bloemen, weer speelde een gulle lach om het bevend onderlipje, weer blonk een straal van hoop in ’t nog betraande oog. En vlug trippelden de voetjes weer voort over ’t mollige frissche gras.
Gelukkig de jaren der kindsheid, waarin een traan in een lach, waarin een zucht in een vreugdekreet kan wegsmelten! Gelukkig de mensch die zulk een kindsheid gehad heeft en die zich haar ten nutte heeft gemaakt om in zijn hart de dankbaarheid jegens zijn Schepper aan te kweeken zooveel in zijn vermogen was. Gelukkig de sterveling die zich ook in de jaren van ondervinding en smart in zijn jeugd kan spiegelen en nooit de gelijkenis verliest, die tusschen het beeld van het kind en dat van den mensch bestaan kan en bestaan zal, zoolang de ziel haar oorspronkelijke reinheid behouden heeft, en het verstand ontwikkeld is geworden, zonder dat het hart door deze ontwikkeling verwaarloosd is of gedood.
DERDE HOOFDSTUK
DE GOUVERNANTE
De kleine Melatie was nog geen zeven jaar oud toen haar moeder haar op een morgen een fleschje eau de Cologne en een stukje zeep gaf om in de kamer van de »juffrouw” te brengen.
Trotsch op de gewichtige taak welke zij volbracht had, kwam zij een oogenblik later terug en zei ernstig:
»De juffrouw zal tevreden zijn over Melatie, want Melatie heeft hard gewerkt vandaag.”
»Zoo? Wat heb je dan gedaan?”
»Ik heb bloemen geplukt voor de juffrouw en ze in haar bed gestrooid.”
»En als de juffrouw nu eens niet hield van bloemen in haar bed? Want daar zijn de menschen in Holland niet aan gewoon?”
»Zal ik ze weer weghalen, moesje?” vroeg het arme kind teleurgesteld, maar terstond weer vroolijk lachende, vervolgde zij vleiend: »Mag ik met papa meegaan, om de juffrouw uit de stad te halen?”
»Ja, dat moogt ge, maar laat Sarina je eerst netjes aankleeden en gedraag je dan verstandig, anders krijgt de juffrouw nog berouw van hier gekomen te zijn en al hare familie en vrienden verlaten te hebben, alleen voor het geluk van de kleine Melatie.”
Het goede kind beloofde dat zij zoet zou wezen en de nieuwe gouvernante heel lief zou vinden, en reed toen, netjes aangekleed, met mijnheer Oristorio di Frama, naar A., om Lina van Wageningen, de nieuwe gouvernante, af te halen.
Lina was nog niet bij de familie Joly aangekomen, bij wie mijnheer di Frama haar rendez-vous gegeven had.
Na geruimen tijd al pratende gewacht te hebben kwam er eindelijk een reisrijtuig met koffers beladen het hek inrollen. Mevrouw Joly, haar vijf meisjes, waarvan het oudste veertien jaren telde, mijnheer Oristorio, de kleine Melatie, allen snelden naar voren om de jonge gouvernante te verwelkomen, die niet wist welke hand zij het eerst zou vatten, welke vraag zij het eerst moest beantwoorden.
»Dag jufje!” klonk eindelijk een kinderstemmetje tusschen al die drukte. »Dag jufje! Krijgt Melatie geen zoentje van je?”
Lina zag het arme kind de handjes naar haar uitstrekken en haar bij haar japon grijpen om niet door de groote menschen verdrongen te worden.
»Kom hier mijn zoete, lieve Melatie!” sprak zij met tranen in de oogen, en het kind in hare armen sluitende, drukte zij het tegen haar hart, overlaadde het met kussen en vervolgde zachter:
»O zulk een ontvangst had ik nooit durven verwachten! Wat zijt gij allen goed voor mij!”
Spoedig vertrokken mijnheer Oristorio, Lina en de kleine Melatie naar Felicita, alwaar mevrouw di Frama met ongeduld de jonge gouvernante wachtte, die zij zonder eenige plichtplegingen omhelsde en bij de hand naar haar kamer geleidde.
»Wij zijn allen gelukkig u in ons midden te zien,” sprak zij goedig. »Zoo gij u in de eenzaamheid kunt schikken, geloof ik dat gij hier tevreden zult wezen, en hoop ik dat gij uw ouderlijk huis niet te veel zult missen in een familie die gij geheel als de uwe beschouwen kunt.”
»O! dat gevoel ik!” antwoordde Lina aangedaan. »Gij zult allen goed en lief voor mij zijn, daar twijfel ik niet aan! Mijn vurigste wensch is, mij die goedheid waardig te maken en voor dat lieve kind te wezen....”
Zij kon niet verder spreken en borst in een luid snikken uit.
Mevrouw di Frama leidde haar zacht naar een rotanbank waarop zij naast haar plaats nam, en liet haar ongestoord uit weenen.
Toen zij tot bedaren was gekomen, sprak zij met haar over haar reis, haar aankomst te Batavia, haar kortstondig verblijf in Java’s hoofdstad. Zoo werden de tranen, al pratende, weggewischt, en toen de huisgenooten een half uur later aan het diner vereenigd waren, klonken de gesprekken zóo ongedwongen en vertrouwelijk dat niemand verondersteld zou hebben dat zich een nieuweling in dien kleinen vriendenkring bevond.
»Och! er zijn geen vreemdelingen,” zeide Lina lachend, »voor mij ten minste bestaan ze niet!”
»Voor mij ook niet!” riep mijnheer Oristorio, »dat zijn wij alweer éens. Dien ik niet dadelijk ken, ken ik nooit!”
»En dien ik niet dadelijk ken, verlang ik niet te kennen ook,” gaf Lina ten antwoord. »Ik heb reeds zooveel tegen sympathie en antipathie gestreden en ik heb er mij nog nooit goed bij bevonden. Daarom ben ik nu ook tot de conclusie gekomen, dat wij wijs zouden doen indien wij dat onverklaarbaar, waarschuwend instinkt, in plaats van het tegen te werken en langzamerhand te vernietigen, liever met zorg aankweekten en zuiver hielden.....”
»Hetzelfde wat ik altijd zeg! Niet waar Julie?” vervolgde mijnheer di Frama, zich tot zijn vrouw wendende, »Heb ik niet altijd gezegd, de mensch weet meer dan hij zelf weet, maar zijn hoogmoed gaat zóo ver, dat hij alles weten wil en per slot van rekening door zijn waanwijsheid zijn weten verleert. Bleven wij toch maar eenvoudig waar, ongekunsteld oorspronk....”
»Toewan Werner,” kondigde een der jongens aan, en op hetzelfde oogenblik trad een jong mensch de achtergalerij binnen.
»Onze huisvriend,” zeide de gastheer, »onze gouvernante,” vervolgde hij, Werner een stoel aanbiedende tusschen zijn vrouw en Lina.
De nieuw gekomene was een slank jongman, met golvend blond haar en groote blauwe oogen, een hoog voorhoofd, een fraaien neus en fijne welgevormde lippen, nauwlijks overschaduwd door de kleine blonde knevels. Bij den eersten aanblik was men geneigd hem vroolijk te noemen; maar, sloeg men hem aandachtig gade, dan vond men meer geestdrift en meer denken in die beweegbare trekken, dan eigenlijke vroolijkheid. Buitendien teekende zijn geheele persoon kalme vastberadenheid, zachtheid en kracht. Hij had iets hoogs, iets vorstelijks over zich, dat vreemd overeenkwam met zijn jeugd, daar hij nauwlijks eenentwintig jaren bereikt kon hebben. Toch was er harmonie in zijn voorkomen en, zooals mijnheer di Frama gewoonlijk zeide: »charme.”
»Juffrouw Van Wageningen, is dat een vreemdeling?” vroeg mijnheer Oristorio, op Werner wijzende.
»Neen mijnheer, dat is een kennis.”
»Op weg om een vriend te worden, hoop ik? Hij speelt viool en zingt, soms declameert hij ook, maar daar is hij karig mee, zeker omdat hij zijn auditorium niet op de hoogte van zijn talent acht. Maar nu het publiek met een artiste vermeerderd en dus verbeterd is, sedert de komst van de juffrouw, zal hij zich zeker minder laten bidden en ons....”
»Neen mijnheer di Frama, dat moogt gij niet zeggen! De juffrouw zou nog gaan denken dat ik talent had en ik kan toch werkelijk niets.”
»Kom, kom, geen valsche schaamte, als je blieft. Gij hebt meer talent in uw kleinen pink, dan er in geheel A. te vinden is.”
»Och! neen, geloof dat niet juffrouw,” hernam Werner levendig. »Ik ben maar een arme verwaarloosde jongen die eigenlijk niets goed, grondig geleerd heb.—Ik heb vroeg mijn ouders verloren, en mijn voogden lieten zich nooit veel aan mij gelegen liggen. Toen zij mij vroegen wat ik worden wilde, zeide ik »zeeman”, omdat ik eens met een mijner vrienden een dag te Scheveningen doorbracht, en het gezicht van de zee mij zoo had getroffen dat het dweepen met de golven en de kleine vaartuigen mij drie dagen van mijn werk hield en mij veel straf bezorgde. Op mijn zestiende jaar deed ik mijn eerste reis als adelborst en daarna werd ik voor vijf jaren naar Indië gezonden. De zee beviel mij, maar het zeemansleven had ik mij gansch anders voorgesteld, en ik was zoo gelukkig hier iemand te vinden die er mij van verloste. Het was te Samarang. Ik stond in de sociëteit met een paar officieren te praten, toen een man van middelbaren leeftijd, bruin, verbrand, met een donkeren oogopslag en een forsche stem, mij plotseling op den schouder klopte met de vraag: »Wel jonker, hoe bevalt je het zeemansleven?”
»Slecht, mijnheer.”
»Dat dacht ik wel. En als je ook nog geen berouw hadt over de keuze van je vak, dan zou ik je zeggen dat je het weldra krijgen zoudt. Je liefde of liever je bewondering voor de zee heeft je het scheepsleven over het hoofd doen zien, niet waar? En nu je eenmaal in het schuitje bent, vaar je voort, omdat je geen kans ziet er weer uit te komen.”
»Juist mijnheer,” antwoordde ik lachend, eenigszins verwonderd over den familjaren, kortafgebeten en toch goedhartigen toon van den vreemdeling.
»Heeren, je permiteert me?” vervolgde hij, de officieren groetende en mij zonder complimenten bij den arm de galerij uitvoerende.
»Luister jonker, je bevalt me. Ik heb op mijn fabriek iemand noodig die vlijtig en eerlijk is, en meer gezond verstand en oordeel heeft, dan vernuft en geleerdheid. Ik geloof dat ik in u gevonden heb wat ik zoek; een bruikbaar mensch. Wil je de zeedienst vaarwel zeggen en bij mij komen, dan kun je beginnen met ondergeschikt werkzaam te zijn, en later kun je administrateur worden. Of je eenmaal deelhebber of eigenaar zult worden, dit zal geheel van je zelven afhangen. Om te beginnen kun je rekenen op een inkomen van tweehonderd ’s maands, vrij woning, vrij brandstof enz. enz.— —Neem je mijn aanbod aan?”
»Dat weet ik niet, mijnheer.”
»Je bent voorzichtig. Dat bevalt me ook. Máar waarom weifel je? Heb je ouders wier toestemming je denkt noodig te hebben?—Dan zal ik wachten tot je die verkregen hebt.—Of denk je dat épauletten meer waarde aan een mensch geven dan een pen of een schop? Dan vergis je je. Of is je traktement niet hoog genoeg? Dan zal ik het.....”
»O! neen mijnheer, niets van dat alles! Mijn eenige vrees is dat ik niet berekend ben voor de betrekking die gij mij zoo loyaal aanbiedt.”
»Daar ben je vrij wat beter voor berekend dan voor de betrekking, die je thans vervult.—Maar ik dring je niet. Ik wil zelfs volstrekt niet dat je met overijling over je levenslot beschikken zult. Hier heb je mijn kaartje—wacht heb je ook even een potlood voor me?—Zóo—en hier heb je het adres van mijn vriend bij wien ik logeer.—Als je iets besloten hebt, kom mij dan zien; je kunt informaties naar me inwinnen bij wie je wilt—heel Samarang kent me—au revoir!”
Hij had mijn hand gegrepen en was verdwenen, eer ik nog recht tot bezinning gekomen was.
Wat bewoog dien man om dus te handelen? Ik begreep er niets van. Maar er lag zóo iets goedigs, opens en vertrouwelijks in zijn donkere oogen, dat ik nog dienzelfden avond naar Bodjong reed, om hem te zeggen dat ik mijn ontslag had ingediend.
»En welke informaties heb je van me ingewonnen?”
»Geen, mijnheer.” Ik was trotsch dát te kunnen zeggen.
»Geen? Dat is onvoorzichtig jonker, want je kent me niet, je weet niet wie ik ben en waartoe ik in staat ben.”
»Ik weet niets, mijnheer, dat is waar. Maar ik ken hier niemand en ik heb dus geen reden om iemand anders meer te vertrouwen dan u, de eenige persoon die mij werkelijk belangstelling betoond heeft.”
»Daar heb je gelijk in, en ik hoop je later ook te toonen dat ik je vertrouwen waardig ben.”
»Zóo kwam ik hier op de fabriek van den heer Van Romberg terecht, waar ik nu als administrateur een gelukkig, kalm, werkzaam leven lijd. Mijnheer Van Romberg is eenige maanden geleden, tot herstel van gezondheid, naar Europa vertrokken, en nog dagelijks mis ik den hartelijken, vertrouwlijken omgang van den braven man, dien ik langzamerhand als een vader heb leeren hoogachten en liefhebben.”
»En dien je weldra in zijn zaken zult opvolgen,” ging mijnheer Oristorio voort. »Zeg nu alles maar, want deelhebber is hij reeds sedert eenigen tijd, en als de zaken zóo blijven voortgaan, als ze tot dus ver gegaan zijn, dan kan hij over twee, drie jaar de fabriek vrij hebben, en voor zijn eigen rekening de zaken voortzetten.”
»En mijnheer Van Romberg?” vroeg Werner angstig.
»Van Romberg zal niet terugkomen. Hij is naar Europa vertrokken hoofdzakelijk omdat hij het heimwee naar zijn oude moeder had en omdat hij zijn vaderland terug wilde zien, zijn gezondheid was eigenlijk pas de derde reden.”
»Maar mijnheer, dat heeft hij mij nooit gezegd!”
»Dat weet ik wel, maar hij heeft het mij geschreven. Wacht, ik zal u zijn brief laten lezen. Julie, waar is hij? Wij hebben hem gisteren in de pianokamer gelaten, niet waar?—Siedin, tjobak liat apa tr’ada satoe soerat di atas piano?” [1]
Siedin kwam met den brief terug, waaruit mijnheer di Frama het volgende voorlas:
»Ik ben rijk genoeg. Waarom zou ik nog langer in den vreemde blijven, terwijl mijn oude moeder gelukkig is mij bij zich te hebben? En terwijl ik zelf hier alles gevonden heb wat ik met billijkheid verlangen kan? Intusschen regretteer ik nog ons heerlijk Indië, maar men kan niet overal te gelijk zijn, en nu ik kiezen moet, hier blijven of terugkeeren, heb ik maar besloten, een einde aan alle quaesties te maken, door hier te blijven. Met de volgende mail schrijf ik aan Werner. Zonder hem had ik zoo spoedig mijn zaken niet verlaten, want ik heb hart voor mijn land en hart voor mijn volk, dat ik zoo maar niet aan den eersten den besten had willen overgeven, voor een miserable hand vol banknoten.—Wat Werner betreft, zijn eenig gebrek is dat hij zóo jong is (maar dat zal wel beteren), overigens is hij geheel de man, berekend voor het besturen eener groote possessie. Hij is werkzaam en stipt, goedhartig en ferm, meegaande en plichtlievend; en Goddank, heeft hij enthousiasme en poëzie genoeg om zich in de eenzaamheid niet dood te kniezen. Als ik in mijn riet niets dan suiker had gezien en in mijn suiker niets dan geld, dan was ik krankzinnig geworden, lang vóor dat ik rijk was geweest!—En zóo is het met hem ook gesteld.—Het eenige wat ik hem toewensch, is een lieve, verstandige, brave vrouw, die met hem denken en gevoelen kan—maar—waar hij die vinden zal?—Of hij haar zelfs ooit zal vinden?—Er zijn naturen in de wereld, die geschapen schijnen om alleen te staan. Zijn ze te goed, te hoog, te fier, te rein?—Wat zijn ze?.... Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat ze hier op aarde ronddoolen om gelukkig te maken en niet om gelukkig te zijn. Ik houd Werner voor éen van die lichtzuilen in de duisternis. De menschheid heeft mooi golven en woelen, bruisen en opstuiven tegen den rotsklomp die tot voetstuk dient, de zuil staat vast en kalm, en het licht blijft schijnen en waarschuwen en goed doen, tegen alle mishandeling in.—Ik ken nog iemand die tot de lichtzuilen behoort; ik bedoel onzen armen dokter, die ook als een dwaalster alleen het leven doorgaat, troost en verlichting brengt, waar hij komt, en voor zichzelven geen geluk kan vinden. Arme Heisterman! Ik wou dat hij hier was, om mijne moeder te troosten, als zij haar aanvallen van rhumatisme krijgt, waaraan de dokters beweeren dat niets gedaan kan worden. Arme menschheid die zoo veel moet lijden, omdat ze zoo weinig weet! Enfin, dáar zijn wij dan ook maar menschen voor, enz. enz.”
»Gij ziet dus,” vervolgde mijnheer Oristorio den brief dichtvouwende, »dat Van Romberg geen plan heeft om terug te komen.”
»Dat spijt mij. Niets kan mij de vriendschap vergoeden van den edelen man, die mij heeft voortgeholpen, onderwezen, aangemoedigd alsof ik zijn eigen zoon geweest was.”
»Gij hadt hem liever zien terugkomen, dan uwe positie te verbeteren door zijn afwezigheid?”