Part 1
EEN HUWELIJK IN INDIË
DOOR MINA KRUSEMAN (Stella Oristorio di Frama, Cantatrice)
’S GRAVENHAGE MARTINUS NIJHOFF 1873
J’ai commencé ma vie par aimer. Puis j’ai souffert. Puis j’ai haï. Puis j’ai méprisé—Et même j’ai ri.— Maintenant je pardonne.
Si je puis vivre quelques années encore, c’est probable que je finirai par où j’ai commencé et qu’au lieu de l’instinct, ce sera l’intelligence alors, qui aura compris le grand mot de la nature
Amour.
Dit is geen boek vol kennis en geleerdheid, geen poëtische fictie, rijk aan stoute droomen en onwaarschijnlijkheden, geen verhaal, geen roman, geen novelle zelfs; maar alles en niets; want ’t is een droeve kreet uit het werkelijke leven, een zwakke kopie van de fantastische realiteit, een greep uit de natuur weêrgegeven vrij en grillig als de waarheid.
New-York 1871–1872. M. K.
INHOUD
EERSTE DEEL
HOE ZIJ WAS
Hoofdstuk. Bladz.
I. Hoe Lina opgevoed werd 1 II. Het eerste voorgevoel 19 III. De gouvernante 22 IV. Meesteres en leerling 35 V. Een brief van huis 41 VI. Louise van Amerongen 44 VII. Een bal 52 VIII. Het bezoek van den resident 60 IX. De huwelijksaanvraag 63 X. Vader en dochter 73 XI. Het jawoord 70 XII. Het verlovingsfeest 91 XIII. Het eerste gesprek zonder getuigen 94 XIV. Hoe bruid en bruidegom over elkander denken 100 XV. Het offer aan eerzucht gebracht 108
TWEEDE DEEL
WAT ZIJ WERD
XVI. Te huis 113 XVII. Wie bij Louise waken komt 122 XVIII. De kinderen van Mina 129 XIX. De eerste receptie 136 XX. Een nieuw gevoel 153 XXI. Sympathie 157 XXII. Eenige bladzijden uit het leven van een dokter 169 XXIII. Hoe het kwaad ontstaat 195 XXIV. Gevoelen en begrijpen 201 XXV. Plannen 209 XXVI. Plicht 213 XXVII. Dood 220 XXVIII. Mevrouw Joly 225 XXIX. De gouverneur-generaal 227 XXX. Vrijdag avond. Werner 229 XXXI. Het tijgergevecht 235 XXXII. Felicita. De jachtpartij 246 XXXIII. Krankzinnig 269 XXXIV. Het bezoek der ouders 280 XXXV. De vlucht 293
DERDE DEEL
HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
XXXVI. Speranza 302 XXXVII. Lawson 311 XXXVIII. Geluk 321 XXXIX. Recht 324 XL. Lina’s huwelijk 326 XLI. Haat en minachting. Moederliefde 336 XLII. August van Langendijk 355 XLIII. Oude kennissen 360 XLIV. In het Haagsche Bosch 365 XLV. Academie vrienden 369 XLVI. Lina’s tusschenkomst 373 XLVII. De laatste brieven 375
EERSTE DEEL
HOE ZIJ WAS
LA FEMME AU XIXe SIÈCLE.
Un piège lui est tendu à chaque pas qu’elle fait seule.
Une insulte l’attend au bout de chaque réussite.
Et l’intérêt seul lui tresse sa couronne de gloire, qu’il lui pose sur la tête avec un rire de mépris.
Le travail l’abaisse, Le talent la déshonore, L’indépendance la dégrade.
Il faut qu’elle ne soit rien pour être quelque chose. Ou bien qu’elle tombe, pour avoir le droit de monter.
Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au sujet de son livre L’Homme-Femme, par Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.
EERSTE DEEL
HOE ZIJ WAS
EERSTE HOOFDSTUK
HOE LINA OPGEVOED WERD
Mijnheer Van Wageningen was eenige jaren geleden als ritmeester gepensioneerd geworden. Niet lang daarna had hij zijn vrouw verloren, een lief, flink, praktisch mensch, dat hem een ware steun, een hulp, een troost in zijn, anders zwaar beproefd, leven geweest was, en hem steeds had lief gehad met haar geheele hart en verstand.
Na den dood zijner vrouw was Van Wageningen van het tooneel der wereld verdwenen. Zijn vrienden hadden hem even gemist, zijn kennissen hadden zijn spoor verloren, en zijn bloedverwanten wisten niets meer van hem dan dat hij zich ergens in Gelderland, in een afgelegen dorpje, een huisje had gekocht, waar hij afgezonderd en zuinig van zijn klein inkomen leefde, en zich geheel toewijdde aan de opvoeding van zijn twee kinderen, die hij aan geen vreemde zorgen toevertrouwde.
Wat zijn zoontje betrof, had de man gelijk. Maar zijn dochtertje, een aardig, vlug, verstandig ding van nog geen elf jaar, werd in het geheel niet opgevoed zooals de mode of de gewoonte wilde dat een meisje van haren stand opgevoed zou worden.
Lina was een goed, gevoelig, hartelijk kind, maar zóo rondborstig, oprecht en vrij, dat zij de schrik was van allen die haar kenden.
»Later zal zij leeren zwijgen, laat zij eerst maar leeren oordeelen,” was de leus van den vader, en bij het minst wat er voorviel, waren de eerste woorden van den ritmeester: »Lina, mijn kind, wat zeg je daarvan?”
Hierdoor had Lina dan ook zulk een zuiver en vlug oordeel verkregen en zoo goed geleerd haar gedachten gemakkelijk en helder mee te deelen, dat de kinderen van het dorp haar te geleerd, de dames (er waren er twee) haar te wijsneuzig en de heeren haar te brutaal vonden, om zich met haar in te laten; zoodat het arme kind bijna altijd met haar vader alleen was, en tot tijdverdrijf of uitspanning, in de uren dat zij niets beters te doen had, van hem schermen en exerceeren leerde, evenals haar jonger broertje, om wat gezonde beweging te maken.
De notaris had den ritmeester eens om zijn schermmeesterschap bespot, in het koffiehuis waar zij ’s Woensdagsavonds hun whistclub hadden, maar de ritmeester had hem kalm laten uitlachen en hem toen al mêleerende geantwoord:
»Die nooit in verlegenheid wil geraken, moet alles kennen; zóover brengen wij het niet, dat is waar, maar we moeten toch trachten het zoo ver mogelijk te brengen. Ik wou jou wel eens naar Afrika of Amerika zenden, geheel alleen, zooals je daar vóor me staat, en je als je schaduw volgen, om te zien hoe je ’t maken zoudt. Ik geloof dat ik interessante kluchten beleven zou. En dat ik je nog wel eens zou hooren zeggen: »had ik ook maar schermen en exerceeren geleerd! En zoo veel andere dingen meer, die ik versmaad en bespot heb, omdat ik ze niet kende.”—Docter ’t is aan u.”
Eens kocht de ritmeester een veulen van een boer. Lina had het zien mishandelen door twee lompe boerenjongens, die het sloegen en met stokken prikten om het te doen steigeren. Met gloeiende wangen en vonkelende oogen was zij binnen komen stuiven in de kamer van den ritmeester. »Och Paatje!—Pa lief, kom toch!—Ik kan het niet aanzien!—Ze mishandelen een veulen omdat ze ’t leelijk en koppig noemen, die affreuse boeren!—Koop het Paatje! Och koop het toch.—Bij ons zal het arme dier gelukkig wezen!”—De ritmeester was met haar mee gegaan, had het veulen gezien en het, tot verbazing van den boer, gekocht.
»Wat mag die daar mee doen?” had de verkooper bij zichzelven gezegd, »drie keer heb ik het naar de paardenmarkt gebracht en drie keer ben ik er weer mee thuis gekomen, omdat ik het niet kwijt kon raken. Wat mag de ritmeester er mee doen?” Hij telde met welgevallen het geld dat hij pas ontvangen had (’t was meer dan hij op de markt had durven vragen) en lachte, sous cape over zijn eigen slimheid. »De ritmeester beet gehad!”
Bij den ritmeester in huis werd ook gelachen, het was er feest, ter eere van het veulen, dat gras uit kinderhanden at en wortelen en klontjes suiker.... Welk een geluk!
Eenigen tijd daarna ging Lina haar veulen een bezoek brengen in een nieuwe wei; de vorige eigenaar had het in zijn wei niet langer willen houden. Zij moest een boerderij langs, waar een groote hond voor een hok aan een ketting lag; ’s nachts liep hij los, dan moest hij op de bleek passen.
»Pas op, de hond zal je bijten!” riep een boer.
Lina lachte, zag het groote bruine dier flink in de oogen met haar open, goedhartigen blik en lei haar hand op zijn kop.
Hektor kwispelde met zijn staart, drong zich dicht aan haar zijde en lekte haar kleine hand.
»Ziet gij wel dat de kennis gauw gemaakt is? Wij weten wel dat wij van elkander houden.” En, den hond een zoen op zijn kop gevende, vloog zij de wei in om haar veulen te bezoeken.
De hond oogde haar na, zoolang hij kon. Dankbaarheid, vreugde, liefde, droefheid, trouw—wat lag er al niet in dien hondenblik!
De boer ook oogde haar na, dom en wel, met open mond en half gesloten oogen. »Ze zal er nog eens tegen aanloopen” mompelde hij half overluid en keerde tot zijn ploeg terug.—Was hij geen boer geweest dan had hij »excentrique” gezegd. Doch het was maar een boer. De hond zou zoo iets nooit gezegd hebben.
»Randa!” klonk een kinderstem door de wei. Een veulen, dat bij een beekje stond te grazen, spitste de ooren en zag om.
»Hier mijn Randa, kom je mee?”
In een oogwenk was hij naar haar toegesneld, en met zijn hoofd op haar schouder, haar armen om zijn hals, stapte Lina met Randa het houten brugje over, de wei uit. Toen zij de boerderij voorbijging, zag zij nog even om naar den hond.
»Adieu Hektor! adieu!”
En Hektor wurgde zich half aan zijn zware ketting om haar weer te zien en na te oogen en den hem eigenaardigen vriendschapsgroet te zenden, dien hij anders slechts voor zijn meesters over had.
De boer zag om, hij dacht dat een zijner kinderen met zijn boterhammen kwam, het was Lina maar.
»Zwijg!” riep hij van verre, hij wierp den hond met een steen en hervatte zijn werk.
Toen het veulen groot en sterk genoeg was om bereden te worden, dresseerde de ritmeester het zelf en gaf hij het aan Lina cadeau, die er den volgenden dag het dorp op door draafde.
»Schande!” riepen de dames. »Van Wageningen is een ongehoorde waaghals!” En zij haalden hare kinderen naar binnen, die op de stoep speelden en licht door het slechte voorbeeld bedorven konden worden.
Eenige dagen later leerde Lina schieten met de buks. En toen zag men op eens het huis van den ritmeester gesloten.
»God weet wat hij nu weer uit heeft gevoerd!” riepen de vrome menschlievende dames; vroom en menschlievend waren zij, want zij vergaten nooit te bidden en stuivertjes te geven voor de te bekeeren Chineesjes in Afrika en Indiaantjes aan de Noordpool.
»Wat hij uit heeft gevoerd? Ik denk dat Lina den een of ander overreden heeft.”
»Of doodgeschoten!”
»Ja, doodgeschoten! ’t Is best mogelijk.”
»O zeker.”
En den volgenden morgen twijfelde niemand in het heele dorp er meer aan dat Lina iemand doodgeschoten had. Men wist zelfs het uur waarop en de plek waar het feit had plaats gehad; den naam van den armen vermoorde was men vergeten, maar die zou wel in de courant komen, wanneer de justitie zich met de zaak bemoeien zou.
Veertien dagen later werd het huis van den ritmeester weer geopend, en zag men Lina weer rijden en schieten, alsof er niets gebeurd was.
Niemand scheen zich het droevig voorval meer te herinneren, althans niemand sprak er meer over als Lina, die het ten laatste ook gehoord had en er braaf om lachte.
Zoo waren er nog een paar jaren verloopen, toen de ritmeester zijn dochter eens in den tuin riep en haar vriendelijk zeide:
»Lina, kindlief, ik moet eens een ernstig woordje met je spreken. Je bent nu oud en wijs genoeg om zelve te oordeelen, en daar het je eigen toekomst geldt, wil ik ook dat je zelve zult beslissen.”
Lina ging naast haren vader op de tuinbank zitten en wachtte geduldig op hetgeen er volgen zou.
»Wij zijn niet rijk, dit weet ge, kind,” hernam de ritmeester; »maar gelukkig zijn wij niet arm ook, daar wij genoeg hebben en het u en den kleinen Eduard, zoolang ik leef, aan niets behoeft te ontbreken. Maar kom ik vandaag of morgen te sterven, dan houdt mijn pensioen op, en dan zal uw inkomen zóo gering wezen, dat gij er niet van leven kunt. Wat wilt ge dan beginnen?”
»Dan zal ik werken,” antwoordde Lina vast besloten.
»Uw oom en tante te Utrecht, bij wie wij een paar jaar geleden veertien dagen doorbrachten, hebben mij verzocht u te zeggen, dat gij bij hun leven nooit voor de toekomst bezorgd behoefdet te wezen, daar gij hun huis steeds als dat uwer ouders beschouwen kondet. Na hun dood zijt gij en Eduard hun eenige erfgenamen.”
Er blonken groote tranen in Lina’s oogen. »Oom en tante zijn wel goed voor ons, maar ik zou toch noch liever weinig verdienen dan veel krijgen,” zeide zij.
»Goed kind! Dus bij oom en tante wilt gij niet wezen. Maar wat wilt gij dan? Wilt gij gouvernante worden? huishoudster? katechiseerjuffrouw?”
»Wat kan ik nog meer worden?” vroeg zij, alsof de opgenoemde betrekkingen haar niet bijzonder toelachten.
»Naaister of juffrouw van gezelschap, anders schiet er ook al niet veel meer voor de vrouwen over tegenwoordig. Tenzij gij millionair waart, dan zouden alle carrières voor je openstaan, die je slechts bekoren konden. Nu moet gij een keuze doen uit die welke weinig kosten om ze te leeren, en toch een geschikt bestaanmiddel aanbieden. Om het ver in muziek of schilderen te brengen, daarvoor zijt gij reeds te oud. En een kruk moogt gij niet worden. Doe wat je wilt, maar doe het goed. Ik heb meer achting voor een schaarslijper die zijn vak verstaat dan voor een halfmislukt geleerde.”
»Ja, waren de kinderen maar niet altijd zoo bang voor mij, dan zou ik gaarne gouvernante willen worden.”
»Goed, gouvernante dus. Maar een gouvernante moet kunde hebben, en, wat meer zegt, zij moet menschenkennis bezitten. Zij moet weten wat er in de wereld omgaat. Zij moet het goede kennen om het uit te oefenen en het kwaad om het tegen te gaan. Zij moet karakterkunde en fisionomiekunde bezitten, om bij den eersten oogopslag te zien wie zij vóor heeft, en hoe zij met de menschen om moet gaan. Daarbij moet zij een karakter hebben, vast en onwrikbaar, want zij moet doen wat recht en billijk is, en geheel leven voor het welzijn van hare medemenschen. De kinderen, wier verstandelijke, wier geestelijke opvoeding geheel aan hare zorgen wordt toevertrouwd, zijn haar vreemd, zij moet ze leeren kennen en liefhebben, als of het de haren waren. Zij moet een goed humeur, een edel hart, een sterken geest, een helder oordeel hebben, wil zij dien heilzamen invloed op hare leerlingen uitoefenen dien zij alleen door eigen voorbeeld verkrijgen kan. Als ik vrouw was, zou bij mijn leven, nooit een kind van mij in handen van een vreemde komen.”
Lina liet haar hoofd op den schouder van haar vader vallen en vroeg zacht: »Paatje, hoe zou ik aan menschenkennis kunnen komen, ik die geen menschen ken?”
»Logisch! Zeer logisch, kind. Maar nu gij gouvernante worden wilt, zal ik u in de gelegenheid stellen te leeren al wat gij daarvoor kennen moet.”
Een maand later woonde ritmeester Van Wageningen met zijn kinderen in Parijs, waar Lina alle soorten van meesters en meesteressen had in vreemde talen en schoone kunsten.
»Hier zijn wij bij de oppervlakkigheid,” had de ritmeester gezegd, »en aangezien de oppervlakkigheid een hoofdrol in de wereld speelt, zoo zijn wij hier goed.” Het daarbij houdende, dwaalde hij met zijn dochtertje geheel Parijs door. Het kind moest alles zien van de Catacombes af, tot het vondelingenhuis en Bicètre toe.
Eens terwijl zij in een restaurant aan tafel zaten, kwam er een dame op krukken binnen. Zij was alleen. Een oogenblik bleef zij in de deur staan om naar een plaats te zien.—Haar oog viel op Lina die haar aankeek.
»Mooi!” dacht de eene.
»Lief,” zei de andere.
En de lieve kwam naast de mooie zitten.
Het duurde niet lang of een gesprek werd aangeknoopt. De nieuw gekomene was jong en, zonder juist een schoonheid te zijn, bekoorlijk. Zij had dat zachte, dat lijdende, dat goedhartige over zich, wat wij gewoon zijn sympathiek te noemen. En wanneer zij sprak kwam er tusschenbeide zulk een gloed in hare donkere oogen, speelde er zulk een fijne lach om hare dunne lippen, dat Lina haar tout simplement een »beauté” noemde.
Gedurende eenige dagen bleef de kennismaking bij samen eten en samen praten. De beauté was elken dag op hetzelfde uur in den restaurant gekomen, op eens bleef zij weg.
»Ze is zeker ziek,” zeide Lina. »Als ik wist waar zij woonde ging ik haar opzoeken.”
»Waar zij woont? Wel dat zal een van de garçons mogelijk wel weten.”
Alle garçons wisten het.
»Mlle Salvita? Rue Lafayette No....” riepen zij van alle kanten.
De ritmeester reed er dadelijk met zijn dochtertje heen.
Zij vonden de deur van Mlle Salvita’s kamer open, en zagen het jonge meisje voor haar piano zitten, het hoofd in de handen gezonken, bitter weenende.
De ritmeester wilde aankloppen, maar Lina was reeds binnen, en lag in de armen harer nieuwe vriendin.
»Quel ange d’enfant vous êtes! Et vous aussi, mon cher monsieur, comme vous êtes bon!”
»Je vous ai cru malade,” zeide Lina.
»Et je le suis en effet. Voilà ma maladie.” Zij wees met de hand op de muziek die vóor haar lag. »J’aime le chant, je l’aime passionnément et mon amour me tue!”
Lina begreep niet recht, de ritmeester begreep ook niet.
»Il y a six mois,” vervolgde zij, »j’étais chanteuse dramatique à l’opéra. Que de peines, que de souffrances, que de misères pour en arriver là!—Et comme j’étais heureuse alors!—Le succès coûte cher, toujours et partout—une de mes camarades, jalouse de mes triomphes, me fit tomber un soir, en jetant des pelures de pommes dans un escalier que je devais descendre rapidement. Depuis lors toute ma vie n’a été que souffrances. Ma jambe, cassée d’abord, puis mal remise, mal soignée, fut enfin amputée.—Adieu théâtre!—Adieu rêves de gloire et de bonheur!—”
Zij snikte overluid en bleef een oogenblik met het hoofd op de piano rusten. Toen lachte zij door haar tranen heen en vroeg zacht:
»Chantez vous Mademoiselle?”
»Non madame, je touche un peu du piano, c’est tout.”
»Voyons, si elle a de la voix?”
En of Lina wilde of niet, zij moest de noten aangeven.
»Quelle voix splendide! Venez me voir tous les jours, je vous apprendrai le chant. Ne dites pas non, car je suis triste et malheureuse, je suis seule au monde, c’est une oeuvre de charité que je vous demande.”
Zóo leerde Lina zingen in Parijs.—En toen de familie Van Wageningen zes maanden later naar het vaderland terug was gekeerd en zich in de hofstad gevestigd had, werd Mlle Salvita gepresenteerd als de gouvernante van Lina.
De ritmeester werd weder van krankzinnigheid beschuldigd.
»Waarom menschen?” vroeg hij lachend, toen de critique, na geheel den Haag doorloopen te hebben, ook hem ten laatste het men zegt in het oor kwam fluisteren.
»Waarom menschen? Omdat ik anders handel dan gij gedaan zoudt hebben? Wel, daar moest je me des te meer om achten! Maar je begrijpt me niet. Tant pis pour vous!”
»Eene actrice!” gilt de wereld.
»Een mensch,” antwoordt de ritmeester. »En een mensch dat goed is, dat verstandig is, en dat geleden heeft.”
»Eene actrice!” galmt de echo noch.
En de ritmeester hoort dien nagalm en lacht hem uit,
»De opvoeding mijner kinderen ligt mij het naast aan het hart,” zei Van Wageningen eens, toen men hem naar de gezondheid zijner schijfschietende dochter vroeg. »De helft van den dag besteedt zij aan hare studies, de andere helft is aan lichaamsoefeningen en uitspanningen gewijd, de avonden brengt zij in theaters, concerten of gezelschappen door—studie naar het leven—menschenkennis! altijd menschenkennis op den voorgrond.—Alle standen moet zij doorworstelen, en daar zij met den boer begonnen is, zoo moet zij met den Koning eindigen. Wat zij leeren kan dat moet zij leeren, van schijfschieten en zwemmen af, tot kooken, deklameeren en borduren toe. Zóo alleen kunnen wij vrouwen, zóo alleen kunnen wij moeders krijgen.
»Uw boeren koebeesten, uw middelstandsche werkezels, uw deftige onbekwaamheden en uw adellijke modepoppen bevallen mij niet. Leeghoofden, zelfonbewustheden, die met moeite het leven doorkruipen, omdat gij haar het gaan belet.”
Mogelijk had de man gelijk, maar zeker had hij het niet moeten zeggen, daar hij niemand tot zijn denkwijze overhaalde, en hij uitgelachen werd door zijn vrienden, die hem doorgaans de gouvernante en zijn dochter de ritmeester noemden.
Eens, het zal zoo wat twee jaar later geweest zijn, kwam Lina aan haar vader zeggen dat zij gereed was haar examen voor hoofdonderwijzeres af te leggen. »Ik ben nu al achttien jaar,” voegde zij er ernstig bij, »en het wordt dus hoog tijd dat ik voor mij zelve ga zorgen.”
»Goed kind,” was het antwoord, »ga, en vertrouw op God, die al wat goed is zegent.”
Lina ging, deed haar examen en kwam er met glans door.
Een der examinatoren, een gemoedelijk, oud mannetje, had haar vóor het examen gevraagd of zij niet bang was. »Neen,” had zij lachend geantwoord. »Ik weet wel dat ik er goed door zal komen.”
»Kleine, pedante wijsneus!” dacht de oude examinator bij zichzelven, »hoe jonger hoe verwaander, is het tegenwoordig!”
Maar Lina was er inderdaad goed doorgekomen, en toen moest de oude erkennen dat er meer waarheid en meer eenvoud in hare kalmte gelegen had, dan in den angst en onrust der overige geëxamineerden, die bijna allen bleek en bevend aan de groene tafel verschenen waren en geen van allen zoo goed voldaan hadden als zij.
Noch dienzelfden winter werd Lina voorgesteld aan het hof. Ook daar bleef zij niet lang onopgemerkt. Zij was grooter dan gewoon en had een meer dan gewone vrouwelijke schoonheid. Men had gepraat over hare excentriciteit en gelachen over haar origineele opvoeding en men had daarbij niet gedacht aan frissche jeugd, gezondheid, schoonheid. Sympathique! dat was het eenige woord dat door de bonte menigte gonsde; toen eindelijk het wezen zelf verscheen, waarvan reeds zoovele karikaturen in het licht gegeven waren. En of het vreemd is of niet, dit was zeker niet tegen te spreken, dat de eenvoudige, kalme Lina meer gefêteerd werd, dan menig hooger geplaatst meisje, dat het zeker meer verwacht had dan zij.
Toen de winter half ten einde was, hield er een prachtig rijtuig stil vóor het huis, waar Van Wageningen op kamers woonde, en een oogenblik later trad graaf Henri d’Artonges het woonvertrek des ritmeesters binnen, om hem de hand zijner dochter te vragen voor zijn eenigen zoon.
De ritmeester stond op en belde.
»Antje,” zeide hij, »verzoek juffrouw Lina even hier te komen.”
En zich tot den graaf wendende, vervolgde hij:
»Mijnheer d’Artonges, ik ben gewoon mijn dochter in al haar handelingen vrij te laten. Zij kent uwen zoon; acht zij hem en deelt zij zijn liefde, dan zal het mij gelukkig maken onze kinderen eenmaal vereenigd te zien.”