Een huwelijk in Indië

Part 3

Chapter 34,075 wordsPublic domain

»O zeker!” riep Werner, ter sluiks een traan wegpinkend. »Ik geef niet om geld,” vervolgde hij, Lina aanziende, »daar ben ik waarschijnlijk nog te jong voor. Dat zal de juffrouw wel begrijpen.”

»Ja dat begrijp ik volkomen. Ik gevoel ook niets voor geld.”

»Chut! gij spreekt als kinderen, die niet weten wat er in de wereld omgaat. Geld is de groote spil, waarom alle gelukken en gelukjes draaien, vervolgd, verdrongen, beknepen door hoop, teleurstelling en intrigue. Zonder geld is er geen geluk mogelijk.”

»En alle ongelukken zijn mogelijk met geld, niet waar?” riep Werner lachend.

»Bijna allen... ja...”

»Och! geluk is zoo denkbeeldig!” zei Lina. »Zoo als de eene mensch geschapen schijnt om onder alle omstandigheden gelukkig te wezen, zoo schijnt de andere voorbeschikt tot altijddurend zuchten en klagen.”

»Ja, dat zien wij aan Heisterman, die zijn gansche leven door met ongelukken en soesahs te kampen heeft gehad en altijd even opgeruimd en tevreden is.”

»O! ho! dat is niet altijd zóo geweest!” riep een vreemde stem. »Heisterman heeft ook droefheid en wanhoop gekend..... Pardon.... Mejuffrouw!...”

De dokter zag nu eerst dat er een vreemde dame aan tafel zat, die hem met groote, vragende oogen aanstaarde en naar zijn woorden luisterde met een nieuwsgierigen lach, waardoor hij geheel van zijn stuk raakte.

»Ga voort, Heisterman, ga voort, geneer je niet. Juffrouw Van Wageningen kent je al sedert een uur en is dus waarschijnlijk blij je te zien.”

»Ja, dat ben ik,” antwoordde Lina, »zelfs zijt gij niet vroeg genoeg gekomen naar mijn zin, daar ik reeds tijd gehad heb naar uw kennismaking te verlangen.”

De dokter bleef haar zwijgend aanstaren en nam werktuigelijk aan hare zijde plaats.

»Juffrouw Van Wageningen!” sprak hij half overluid—en haar steeds aanziende herhaalde hij nog zachter:

»Juffrouw Van Wageningen!—Ritmeester Van Wageningen——zijn dochter?——Lina?—”

»Ja dokter.”

Hij bedekte zijn gelaat met beide handen en bleef een oogenblik in gepeins verloren zitten.

»Waar blijft de tijd!” riep hij eindelijk, het hoofd weer opheffende.

»Vergeef mij,” vervolgde hij zachter, »ik moet u wel krankzinnig toeschijnen.—Mogelijk ben ik het ook—want ik leef met de dooden alsof ze levend waren—en dikwijls met de levenden alsof zij dood waren.”

»Dat schijnen ze ook wel, al zijn ze ’t niet!” antwoordde Lina lachend.

Verrast staarde hij haar weder aan.

»Zóo had ze moeten zijn!” dacht bij overluid. En als hadden zijn eigen woorden hem verschrikt, zóo sprong hij van zijn stoel op, greep zijn hoed, vatte Lina’s hand....

»Tot weerziens—ik moet weg—ik heb geen tijd—tot morgen—au revoir!”

En weg was de dokter.

»Wat heeft hij?”

»Wat is hij raar van avond!”

»Welk een vreemde man!”

»Waar moet hij heen?” riepen allen tegelijk, en niemand begreep iets van het zonderling gedrag van den dokter, dan Lina misschien, die den ganschen avond stil en afgetrokken bleef en groote sympathie gevoelde voor den vreemden man, met wien zij medelijden had.

VIERDE HOOFDSTUK

MEESTERES EN LEERLING

»Hu! juf een spin!” riep Melatie, en zij liep hard de kamer uit om een bezem te halen, waarmee zij de spin wilde dooden. Maar toen zij terug kwam, met den bezem in de hand, stond Lina haar in de geopende deur af te wachten.

»Waarom wilt gij dat arme diertje dooden?” vroeg zij zacht.

»O! omdat het zoo leelijk is!”

»En omdat gij ook leelijk zijt, zou men u dus ook moeten dooden?”

»Maar jufje! Ik ben toch geen spin!”

»Neen, gij zijt geen spin, maar gij zijt toch ook zeer leelijk, en wat hebt gij dan vóor boven die spin?”

»Wel dat ik veel verstandiger ben dan zij, en dat ik kan lezen en schrijven en naaien—en dat kan die domme spin toch niet!”

»Neen dàt kan zij niet, maar daarentegen kan zij iets anders dat gij niet zoudt kunnen, al wildet gij ook nog zoo gaarne.”

»Och! juf! En wat is dat?”

»Hebt gij ooit een spin haar webje zien maken?”

»Zoo’n vuil, leelijk spinneweb?”

»Ik vind het niet vuil en niet leelijk, Melatie. Hebt gij het wel ooit van nabij beschouwd?”

»O! neen, lieve juf!”

»En waarom spreekt gij er dan met zulk een minachting over? Kom eens even hier—maar zet eerst je bezem weer buiten de kamer, dan zal ik je eens laten zien wat die domme spin kan maken, en hoe zij zelfs de menschen nog van dienst kan wezen. Ziet gij dat leelijke spinrag hier wel aan den zolder hangen?”

»Ja, jufje, dat had de baboe al lang moeten weghalen—maar zij heeft het vergeten.”

»Kom nu eens mee in den tuin, dan zal ik je nog een spinrag laten zien, en dat zult ge voorzeker zoo leelijk niet vinden.”

Melatie ging wel met haar gouvernante mede, maar zij lachte er toch om, dat zij naar den tuin moest loopen om een webje te bewonderen.

»Welnu?” vroeg Lina, haar een spin wijzende, die midden in haar net zat, »hoe vindt gij nu dat webje?”

»Och, juflief! Ik zie er niets bijzonders aan, ik vind het heel gewoon.”

»Maar gij vindt mogelijk alles gewoon wat gij dagelijks ziet?—Neen, mijn lieve Mela, zóo oppervlakkig moogt gij niet oordeelen. Alles is waard met aandacht bezichtigd te worden en elk schepsel vooral, dat gij dagelijks om u heen ziet leven, verdient uw opmerkzaamheid ten volle. Gij hebt reeds dikwijls het garen gezien, waarmede gij dagelijks naait, niet waar?”

»Ja, juf.”

»Hoe vindt gij dat? fijn of grof?”

»Fijn, heel fijn, jufje.”

»Net zoo fijn als de draden van dit webje?”

»Neen!—O! neen—lang niet zóo fijn!”

»Kent gij dan een anderen draad, die zóo fijn is als deze?”

»Zóo fijn als deze?—Neen jufje.”

»Ziet gij nu wel dat die leelijke spin nog zoo dom niet is als gij wel zoudt denken, en dat de draden die zij kan maken vrij wat fijner en fraaier zijn, dan die welke door menschenhanden gemaakt worden?”

»Ja, zoo’n draadje! Maar wat heeft men nu nog aan zoo’n draadje?”

»Wat men er aan heeft? Dat zal ik u zeggen. Zooals gij ziet, bestaat een web uit een menigte rondloopende draadjes, die weer door dwarsdraadjes, evenals aaneengeschakelde laddertjes aan elkander verbonden zijn. Elk dezer fijne draadjes nu, dat gij slechts als éen geheel kunt onderscheiden, bestaat weer uit zoovele, veel dunnere en fijnere draadjes, dat gij die, indien men ze eens uitgespreid vóor u op tafel kon leggen, zelfs met geen mogelijkheid zoudt kunnen tellen.”

»Hé jufje, en daar zie ik niets van!”

»Ja, mijn kind, gij kunt niet alles zien wat bestaat; er is nog zóoveel in de natuur waarvan gij u geen denkbeeld kunt vormen, maar daarom juist moet gij niets onopgemerkt laten voorbijgaan, en moet gij nooit iets met minachting behandelen, of met onverschilligheid beschouwen, omdat gij het niet kent of omdat gij het niet begrijpen kunt.—Maar weet gij mij nu ook te zeggen, lieve Mela, waarom die spin dat kunstig weefsel maakt en waarmede zij de menschen van dienst kan wezen?”

»Neen jufje.”

»Zooals gij nu dat net dáarvoor u ziet, dient het hoofdzakelijk tot het vangen van vliegen en andere insekten, waarmede de spin zich voeden moet, terwijl zij de menschen alzoo tevens van een werkelijke plaag bevrijdt. Later, wanneer zij haar eieren gelegd heeft, waaruit weder andere spinnetjes te voorschijn moeten komen, spint zij ook die eiertjes geheel in een webje, om ze op deze wijze te behoeden tegen de aanvallen van weer en wind, waardoor zij anders beschadigd of geheel vernield zouden worden. En wat zegt gij nu wel van die leelijke, domme spin, Melatie? Wilt gij haar nu nog met uw bezem dooden, omdat gij haar zoo leelijk vindt? Ziet gij nu nog niets bijzonders aan dat webje? Vindt gij die dunne, fijne draadjes nu nog zóo gewoon?”

»Neen, neen, jufje! Nu vind ik ze mooi, en nu vind ik de spin zelve ook niet half zoo dom meer als vroeger. En nu ik weet dat zij van vliegen en andere nare beesten moet leven, verzeker ik u dat ik nooit meer een enkele spin zal plagen of dooden, want ik heb een vreeselijken hekel aan vliegen!”

»En toch moogt gij ook zelfs geen vliegje verachten: dit hebt gij aan de spin gezien. Elk diertje, hoe klein en hoe gering het u ook moge toeschijnen, bestaat omdat het moet bestaan, omdat de goede God het een leven gaf en een werkkring op onze aarde aanwees, waarvoor het berekend en geschapen is. Ziet gij dus later mogelijk nog eens een diertje dat gij leelijk vindt, of waarvan gij om de een of andere reden een afkeer hebt, ontzie het dan, lieve Mela, spaar het en bescherm het, omdat het een schepsel is dat door denzelfden Schepper gemaakt is die u het leven gaf en die nog dagelijks voor u en voor uw ouders zorgt, zooals Hij ook verlangt dat Zijn schepselen onderling voor elkander leven zullen en voor elkander zullen zorg dragen.”

»Altijd, jufje?”

»Ja zeker, altijd.”

»En de menschen schieten elkander dood, met groote geweren, zooals mijnheer Werner heeft.”

»Dat mogen zij niet doen.”

»Een mooie officier met dikke [2] épauletten en een grooten sabel heeft zelf aan Mama verteld, dat hij acht menschen in éen uur dood gemaakt had, en dat zeide hij, dat zoo goed was.”

»Neen Mela, dat is niet goed; maar de menschen weten niet wat goed is en daarom handelen zij verkeerd. Al wat eenig leed veroorzaakt, is kwaad, en al wat beter of gelukkig maakt is goed,—vergeet dat nooit, en als gij het een of ander doen wilt, waarvan gij niet weet of het goed of kwaad is, vraag dan u zelve dit: »Maak ik iets of iemand beter? Wie maak ik gelukkig?”—En zoo gij niets beter maakt of niemand gelukkig, doe het dan niet, want dan is het kwaad.”

Melatie sloeg de oogen neer en zag twee kippen vechten om een muis.

»Jufje!” riep zij zenuwachtig, »red die arme muis!”

Maar de muis was verdwenen en de kippen stapten voort, kalm en tevreden evenals de mooie officier, die dapperheid en heldenmoed met een doodenregister staafde. Men kon het ze aanzien, die fiere kippen, dat ze een nuttig werk verricht hadden, een gevaarlijken vijand verslagen en de aarde van een ondier verlost hadden. Wat zou er van de wereld geworden zijn, als die kippen er niet geweest waren?

»Arm muisje!” riep Mela. »’t Was zoo vlug en zoo vroolijk daareven! Hu! Foei! leelijke, stoute kippen! Ik hoop dat je ’t eerst geslacht zult worden!”

Zóo eet de een den ander op, en toch vinden allen dat opeten verkeerd, als ’t een ander is die eet....

Lina gevoelde grooten lust tot lachen, maar hield zich goed voor haar leerling en plukte een hand vol gras voor een geitje, om een andere wending aan het gesprek te geven dat wat al te scabreux begon te worden. Melatie volgde haar voorbeeld en kwam met haar schortje vol gras aanloopen om jufje te helpen.

VIJFDE HOOFDSTUK

EEN BRIEF VAN HUIS

Mejufvrouw L. Van Wageningen. Adres: den WelEd. Heer Oristorio, enz., enz.

Liefste Lina!

Wel mijn kind, wat waren wij gelukkig toen wij heden morgen de tijding ontvingen van uw goede aankomst in Oost-Indië! Richard is den ganschen dag zóo wild geweest van vreugde dat er geen huis met hem te houden was, Ella Salvita was te opgewonden om te ontbijten, zelfs om mij suiker in mijn thee te geven, nu ik beken je ronduit dat ik het niet bemerkt had vóor dat zij zelve het zag, en mij lachend verweet dat ik even ongeduldig en zenuwachtig was als zij! Je oude poes begreep niets van de consternatie, maar Bijoux scheen je ganschen brief met ons te lezen, en deelde in de vreugde alsof hij tot de familie behoorde. Mietje alleen kwam vrij nuchter uit den hoek met haar: »Och! heetje! Is de juffer nou in dat verre land! Wel, wel, ’t is wat te zeggen!” En dan beweren de geleerden dat Mietje meer ziel heeft dan Bijoux. ’t Is mogelijk, maar ik geloof het niet. En indien het zóo is, welnu dan acht ik er den hond des te hooger om, daar hij beter gebruik van de zijne maakt dan zij van de hare.

En nu heb ik je wat nieuws mee te deelen, namelijk dat ik je wijzen raad gevolgd en Ella ten huwelijk gevraagd heb. Zij was in deze omstandigheid weer eenvoudig groot, zooals zij in alle anderen geweest is.—»Neen,” was haar eerste woord. »Ik ben de vrouw niet die geluk in een familie brengen kan.”—»Wie kan die vrouw zijn, indien gij haar niet zijt?” vroeg ik haar. »Waar is verstand en ziel en wil vereenigd als in u? Waar liefde tot een hoogeren graad van volmaaktheid opgevoerd dan in de zelfverloochenende grootheid die de grondtrek van uw karakter uitmaakt.”

Zij zag mij aan, met haar groote dankbare oogen en schudde weemoedig het hoofd, terwijl zij zacht en ferm zeide: »Neen, ritmeester, gij hebt kinderen, voor wie gij den heiligen moedernaam zuiver en onbevlekt bewaren moet..... Een actrice vernedert de kinderen die haar »moeder” noemen, verlaagt hem die onder zijn naam de minachting tracht te verbergen, die aan den hare verbonden is.... Spreek nooit meer van een huwelijk. Laat mij bij u blijven en gelukkig zijn en bekommer u niet verder over een leven dat, God geve het, niet lang meer duren zal.”

Zij glimlachte, en verliet de kamer met een kalmte die ieder ander dan mij, had doen denken dat zij ongevoelig was.

Ik oogde haar na toen zij den gang doorging, den trap op, in hare kamer.... en toen alles stil was, volgde ik haar.

Ik vond haar op de sofa, met het gelaat in de handen, bitter schreiende. Ik had de deur zóo zacht geopend dat zij mij niet had hooren inkomen en dat ik naast haar zat eer zij het wist. »Ella,” sprak ik nauw hoorbaar. »Kom, wisch die tranen weg en laat ons openhartig samen spreken.” Zij zag mij een oogenblik ontsteld aan, liet toen het hoofd op mijn schouder zinken en snikte zenuwachtig zonder een woord te kunnen uiten. Toen zij eindelijk tot bedaren was gekomen en haar hoofd half lachend op had gericht met de woorden: »Laat ons nu over iets anders spreken,” gaf ik haar uw brief van de Kaap de Goede Hoop, en liet ik haar zelve lezen wat gij omtrent een huwelijk tusschen haar en mij geschreven hadt.

Toen zij gelezen had, gaf zij mij met bevende hand den brief terug.

»Verlangt gij liefde, ritmeester?” vroeg zij aarzelend.

»Neen. Ik verlang van u niet meer dan een jonge vrouw kan geven aan een man van mijn leeftijd: achting, welwillendheid, vriendschap.—” Zij zeide niets, opende een schrijfportefeuille, kreeg er een paar oude brieven uit en overhandigde mij die met de woorden: »Hier is mijn liefde.—De vrouw aan wie deze brieven gericht waren is dood, haar zuster zond ze mij terug, toen zij gestorven was, en als de weemoedige herinnering aan lang vervlogen gouden droomen, heb ik ze bewaard, niet denkende dat zij mij ooit te pas zouden komen.—Lees ze en verscheur ze dan—mijn verleden is dáar.—Later zullen wij over de toekomst spreken.”

Ik was gereed de brieven terstond te verscheuren en zeide haar dat ik haar verleden als het mijne aannam, zonder onderzoek en zonder twijfel; maar zij smeekte mij zoo dringend aan haar verzoek te voldoen, dat ik gehoorzaamde en haar niet weerzag vóor etenstijd.

Wanneer gij deze letteren ontvangt, zal Ella mijne vrouw zijn, en dan mijn kind zult gij een moeder hebben, op wie gij trotsch kunt wezen.........

ZESDE HOOFDSTUK

LOUISE VAN AMERONGEN

Het was in het midden van den goeden moesson. De zon wierp hare stralen loodrecht op de huizen, waarvan de daken gloeiden en de witgekalkte muren verblindend schitterden, terwijl de jalousieën zorgvuldig gesloten waren en niemand zich meer in de galerijen bevond. Ook de straten waren bijna geheel verlaten, slechts nu en dan deed zich nog het rateltje van den Klontong [3] hooren, of het gekraak van het bamboezen juk van den koeli [4] die, gebogen onder zijn zwaren last, zijn weg vervolgen moest, terwijl alles rust en uitputting ademde. Zelfs de vrouwen in de warongs [5] sliepen bij hare nassie [6] of kwee-kwee, [7] en de wisselaarsters op de hoeken der straten hadden slechts eenige duiten vóor zich liggen om des te rustiger onder den half gescheurden pajong [8] op de kleine gevlochten tikar [9] te kunnen voortdommelen, gedurende de weinige uren dat de groote warmte alles, tot zelfs het geld, bijna vergeten deed.

’t Is nog te vroeg, maar wacht even, en wij zullen met de ondergaande zon in deze schijnbaar uitgestorven stad het lachend Samarang herkennen. Dan zullen wij alle huizen geopend zien, alle wegen bezocht vinden, dan.... maar wacht nog even, het is nauwlijks drie uur geslagen en de europeesche bevolking is nog grootendeels in rust.

In den tuin, vóor een smaakvolle villa aan den Bodjongschen weg loopt een jonge slavin, in haar kort wit baadjoe en rood geruiten sarong, die met een gouden band om het middel wordt vastgehouden, onophoudelijk van het eene bloembed naar het andere. Zij knipt de schoonste knoppen af, plukt de geurigste rozen, maar schudt nog steeds ontevreden het hoofd, alsof zij hetgeen zij zocht, niet vinden kon. Eindelijk keert zij schoorvoetend naar huis terug.

»Wat zal Nonna [10] boos zijn. Geen enkele witte roos van daag!” denkt zij bij zichzelve en nauw hoorbaar sluipt zij een groote kamer binnen, waar zij de bloemen in een blauw glazen kommetje op een smaakvolle toilettafel plaatst.

»Hoe laat Alima?” roept een zachte stem uit het groote ledikant, waarvan de dunne neteldoeksche gordijnen langzaam door een fijn wit handje op zijde worden geschoven.

»Bij vieren, Nonna.”

»Bij vieren! gauw de thee! Mijn hemel! Hoe kom ik nog klaar! Gooi de jalousieën open! Roep Rosa! Kap mij! Raap mijn boek op! Geef mijn kousen! Laat zien de bloemen! Gauw! Gauw! Ik heb haast! Rosa! Rosa!”

Alima raapte dood bedaard, eerst het boek op, dat hare jeugdige meesteres in haar drift uit bed had laten vallen, schoof toen een grooten rotangstoel voor den toiletspiegel en opende eindelijk de jalousieën, om daarna achtereenvolgens alle verdere bevelen ten uitvoer te brengen, terwijl Louise van Amerongen met haar boek op den grooten stoel neerviel en Eugène Sue’s »Orgueil” half liggend vervolgde, zooals zij die een uur te voren half slapend begonnen was.

Toch was Louise niet lui, noch heerschzuchtig, noch wispelturig, maar zij was verwend. Zij was de eenige dochter van een schatrijken koopman, de oogappel, de afgod, de geheele toekomst harer ouders, die haar lief hadden en bedierven met een verblindheid welke alle perken te buiten ging. Tusschenbeide had het mevrouw Van Amerongen wel eens gehinderd dat hare dochter zoo langzaam in hare bewegingen, zoo kortaf in hare antwoorden, wezen kon; maar mevrouw Van Amerongen was een Europeesche vrouw, terwijl haar dochter geboren en opgevoed was in Indië, waar onverschilligheid en opvliegendheid elkander steeds de eerste plaats in het hart der meeste vrouwen betwisten; zij begreep dus dat zij hier met een kwaal te worstelen had, waarvan haar kind niet dan met de grootste moeite te genezen zou zijn. Buitendien was Louise rijk en bevallig genoeg dat men haar zulke kleine gebreken vergeven kon. Heeft niet ieder mensch het een of ander in gewoonte of manieren dat wel anders wezen mocht? En verder werd er niet aan de verbetering van de oogappel gedacht.

Louise was nauwelijks vijftien jaar oud, maar zij was groot voor haar leeftijd en geheel ontwikkeld; daarbij was zij schoon met haar fluweel zwarte oogen, haar golvend haar en hare schitterend witte tanden, haar slanke leest en haar kleine welgevormde handen en voeten. Ook was er iets vreemds, iets aantrekkelijks in hare bevallige ronde bewegingen, in haar statigen langzamen gang, terwijl haar fiere houding, gevoegd bij haar zachte welluidende stem, aan haar geheele persoon iets boeiends en meesleepends gaven.

En het hart?—Het hart was goed en sloeg voor al wat groot en edel is. Ook het hoofd was goed, maar ’t was niet goed bestuurd geworden, en hierdoor werd dáar waar het scherpe oordeel van het kind tekort schoot, helaas! maar al te dikwijls de koude rede van den »gedésillusionneerden” mensch geloofd.

Alima kwam eindelijk terug met een kopje koude thee en een paar schoteltjes kwee-kwee. Rosa, een meisje van een jaar of dertien, volgde haar, plaatste zich zwijgend tegen den muur en wachtte.

»Waarop wacht gij?” vroeg Louise.

»Ik ben bij nonna Van den Berg geweest, nonna.”

»En?”

»Nonna Van den Berg zal tegen half zes te paard hier zijn.”

»Goed.”

»Toewan ketjil [11] laat vragen of hij de nonnas vergezellen mag?”

»Hm—m,” toestemmend geluid.

»Moet ik antwoord zenden, nonna?”

»Neen, kap mij.”

Rosa maakte een zestal breede vlechten van het weelderige, zwarte haar en schikte ze in sierlijke lussen om het fraaie kopje harer meesteres.

»Alima, krijg mijn amazone uit de kast, en al wat ik verder noodig heb, leg alles op bed bij elkaar.”

De slavin liep eenige keeren de kamer op en neer, haalde hier het rijkleed, daar den hoed, ginds de handschoenen en plaatste zich, toen alles gereed lag, naast Rosa, achter den stoel harer meesteres om op nieuwe bevelen te wachten.

Louise echter was geheel in l’Orgueil verdiept, en hoorde of zag niets van hetgeen er om haar henen voor viel.

De pendule sloeg weer éen, daar werd zij wakker.

»Ja! Allah! half vijf!”

L’Orgueil ging op den grond, de koekjes moesten

weg, de thee stortte over het blad, alles ging het onderste boven om nonna spoedig in de kleeren te helpen... Eindelijk was zij gereed, en met een lichten blos van het reppen, trad zij in haar sierlijk rijkleed den hoogen stoep af, onderaan welken Henri van den Berg, de broeder harer vriendin, gereed stond om haar bij het te paard stijgen behulpzaam te zijn.

»Waar blijft Marie?” vroeg zij lachend.

»Zij zal volgen met papa en met Willem Nieland, dien wij juist tegen kwamen toen wij het hek uit reden.” En hij zag haar aan alsof hij voor haar antwoord vreesde.

»Wij zullen hen te gemoet gaan,” sprak het meisje spotachtig. Henri boog zwijgend en reikte haar de hand tot opstijgen.

Wat was de jonge lachende Louise schoon, toen hare donkere oogen van hoop en leven schitterden en hare slanke buigzame gestalte zoo sierlijk uitkwam op den fieren Arabischen Isabel die, trotsch op zijn schoonen last, het edel hoofd nog hooger ophief en in vollen galop het hek uitvloog.

Louise’s ouders oogden haar na en konden den glimlach niet bedwingen, die zoo duidelijk zeide hoe zij hun eenig kind bewonderden en liefhadden, met al den trots hunner ziel.

»Henri verraadt zich toch gedurig,” sprak mijnheer Van Amerongen.

»Louise houdt zich goed,” antwoordde mevrouw.

»Zij zal het niet opmerken.”

»O, haar ontgaat niets!”

»Henri is een beste, brave jongen, maar toch voor Louise...”

»O, Louise kan wel betere partijen doen.”

»Dat geloof ik!”

»Louise ik begrijp u niet!” sprak Henri.

»Dat verlang ik ook niet.”

»Maar... Kom, antwoord mij eens wat duidelijker... Zeg mij, bid ik u...”

»Éens Henri, maar éens vooral, hoor! Ik houd niet van herhalen, dat weet gij. Gij wilt weten of ik u lief heb, niet waar?”

»Ja,” antwoordde hij nauw hoorbaar.

»Welnu, ik heb er velen lief als u.”

»En acht gij mij?” vroeg hij verder.

»Meer dan alle anderen te zamen.”

»En toch...”

»Uw vrouw, nooit, dat weet gij.”

»Maar Louise!”

»Geen woord meer.”

»Maar welke toekomst droomt gij u dan? Wat verlangt gij...”

»Ik denk aan geen toekomst en ik verlang niets. Niets dan vrij te blijven en mijn rechten op mij zelve te behouden.”

»Altijd?”

Louise wendde lachend het hoofd van hem af.

»Zijn die rechten op u zelve u zoo dierbaar, dat gij ze levenslang zoudt wenschen te behouden?”

»Oude jonge juffrouw!” riep het meisje als verschrikt, en zij lachte zóo hartelijk dat Henri onwillekeurig met haar mede deed. »Neen, neen, dat nooit!”

»Wat dan?”

»Niets.”

»Louise, Louise, waar...”

»Ik ben jong en gelukkig Henri, waarom...”

»Gij hebt gelijk. Gij zijt jong en gelukkig! Geniet! Geniet zoo lang het u mogelijk zal zijn; blijf vroolijk en onbezorgd voortleven in de weelde en in de liefde die u omringen en droom u een toekomst zóo schoon en zóo heerlijk als uw fantastische verbeelding ze u slechts voor kan spiegelen.”

»En in de werkelijkheid?”

»Zult gij mogelijk een beter man gelukkig kunnen maken, een edeler mensch uw liefde kunnen schenken dan ik ben.”

»Neen, dat nooit!”