Part 9
“Dat is heerlijk!” fluisterde hij, Samuel zoodanig in zijne armen knellende, dat hij op het gezicht des ouden mans eene geheel nieuwe uitdrukking perste. “Nu loop ik heen. Ik zal maar even een stuk brood nemen, want ik heb een geweldigen honger—en—maak haar vooral niet wakker, oom Sam.”—“Neen, neen,” zeide Samuel. “Lief kind!”—“Hoe lief, niet waar!” riep Walter uit. “Ik heb nooit zulk een gezichtje gezien, oom Sam. Nu loop ik heen.”—“Heel goed,” zeide Samuel, met groote verademing.—“Zeg eens, oom Sam!” zeide Walter, zijn hoofd weder binnenstekende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Hoe ziet zij er nu uit?”—“Heel vergenoegd,” zeide Samuel.—“Allerbest. Nu loop ik heen.”—“Ik hoop van ja,” zeide Samuel bij zich zelven.—“Zeg eens, oom Sam,” riep Walter, nog eens voor de deur komende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Wij zijn mijnheer Carker junior op straat tegengekomen, nog wonderlijker dan ooit. Hij zeide mij goedendag, maar ging ons toch na—dat is het rare!—want toen wij hier aan de deur kwamen, keek ik om en zag hem stilletjes heengaan, evenals een knecht die mij had thuis gebracht, of als een trouwe hond. Hoe ziet zij er nu uit, oom?”—“Zoo wat eveneens als te voren, Walter,” antwoordde Samuel.—“Goed zoo! Nu loop ik heen.”
Ditmaal deed hij dit werkelijk, en Samuel Gills, die geen trek had om te eten, bleef bij het vuur Florence in haar sluimer zitten bewaken en eene menigte allergrilligste luchtkasteelen bouwen, zoodat hij er in het schemerlicht en in de nabijheid van al die instrumenten uitzag als een toovenaar, met eene gepoeierde pruik en een koffiebruin lakensch pak vermomd, die het kind in een tooverslaap hield geboeid.
Ondertusschen reed Walter naar het huis van Dombey met een spoed gelijk een huurkoetsiers paard maar zelden maakt, en toch stak hij elke twee of drie minuten zijn hoofd uit het portier om den koetsier eene ongeduldige aanmaning te geven. Aan het eind van zijn tocht gekomen, sprong hij af, gaf den knecht, nog buiten adem van het haasten, zijne boodschap en volgde hem op den voet naar de bibliotheek, waar eene groote verwarring van tongen heerschte, en waar mijnheer Dombey, zijne zuster, jufvrouw Tox, Richards en Suze Nipper op dat oogenblik allen bij elkander waren.
“O, neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Walter, naar hem toestuivende; “maar ik ben zoo blij dat ik u kan zeggen dat alles wel is, mijnheer. Jonge jufvrouw Dombey is gevonden!”
De knaap met zijn rondborstig gezicht, zijne zwierende haren en schitterende oogen, hijgende van blijdschap en aandoening, vormde een verbazend contrast met Dombey, die in zijn leuningstoel tegenover hem zat.
“Ik heb u wel gezegd, Louise, dat zij zeker gevonden zou worden,” zeide Dombey, even over zijn schouder naar die dame omziende, die in gezelschap van jufvrouw Tox zat te schreien. “Laat de bedienden weten dat er verder geene moeite noodig is. Deze knaap, die mij het bericht brengt, is de jonge Gay, van het kantoor. Hoe is mijne dochter gevonden, mijnheer? Ik weet hoe zij is weggeraakt.” Hier zag hij majestueus naar Richards om. “Maar hoe is zij gevonden? Wie heeft haar gevonden?”—“Wel, ik geloof dat ik jonge jufvrouw Dombey zoo goed als gevonden heb, mijnheer,” zeide Walter zeer bescheiden; “ten minste, ik weet niet of ik mij wel de verdienste kan geven dat ik haar eigenlijk gevonden heb, maar ik was toch het gelukkige werktuig om...”—“Wat meent gij er mee, mijnheer?” viel Dombey hem in de rede, die de zichtbare blijdschap en trotschheid des jongelings over zijn aandeel in het gebeurde met instinctmatig misnoegen beschouwde, “dat gij mijne dochter niet eigenlijk gevonden hebt en toch het gelukkige werktuig zijt? Wees duidelijk en geregeld, als het u belieft.”
Geregeld te wezen was geheel boven Walter’s vermogen; maar hij maakte zich toch zoo duidelijk als hij in zijn ademloozen toestand kon, en vermeldde de redenen waarom hij alleen gekomen was.
“Gij hoort dit, meisje?” voegde Dombey de zwartoogige met barschheid toe. “Neem wat er noodig is, en ga dadelijk met dit jonge mensch mee om Florence naar huis te halen. Gay, gij zult morgen beloond worden.”—“O, ik dank u wel, mijnheer,” zeide Walter. “Gij zijt wel goed. Ik heb waarlijk aan geene belooning gedacht, mijnheer.”—“Gij zijt nog een jongen,” zeide Dombey stroef, bijna toornig, “en waar gij aan denkt of zegt te denken is van weinig belang. Gij hebt wel gedaan, mijnheer. Bederf het niet weder. Louise, wees zoo goed om hem een glas wijn te geven.”
Dombey’s blik volgde Walter Gay met bitter ongenoegen, toen hij onder het geleide van mevrouw Chick de kamer verliet; en misschien volgden de oogen van zijn geest hem met geen grooter welgevallen, toen hij met Suze Nipper naar zijn oom terugreed.
Daar vonden zij dat Florence, door het slapen zeer verkwikt, reeds gegeten had, en ook reeds beter met Samuel Gills kennis had gemaakt, met wien zij nu zeer gemeenzaam en vertrouwelijk praatte. De zwartoogige (die zooveel geschreid had, dat zij nu wel de roodoogige mocht genoemd worden, en zeer stil en neerslachtig was) sloot haar zonder een woord van bestraffing of verwijt in hare armen, en maakte de ontmoeting tot een zeer zenuwachtig tooneel. Toen het winkelkamertje voor behulp tot eene toiletkamer makende, kleedde zij Florence zeer zorgvuldig in hare eigene kleeren, en was toen gereed om haar weg te brengen, zoo gelijk aan eene Dombey als zij, met hare natuurlijke ongeschiktheid daartoe, kon gemaakt worden.
“Goeden nacht!” zeide Florence, naar Samuel toeloopende. “Ge zijt heel goed voor mij geweest.”
De oude Sam was opgetogen en kuste haar als een grootvader.
“Goeden nacht, Walter!” zeide Florence toen.—“Goeden nacht!” zeide Walter, haar beide handen gevende.—“Ik zal u nooit vergeten,” vervolgde Florence. “Neen, waarlijk, dat zal ik nooit. Goeden nacht, Walter!”
In de onschuld van haar dankbaar hart lichtte zij haar gezichtje naar het zijne op. Walter boog zijn hoofd, en toen hij het weder ophief, was hij gloeiend rood en keek hij om naar zijn oom Sam, met een zeer schaapachtig gezicht.
“Waar is Walter?—Goeden nacht, Walter!—Dag Walter!—Nog eens de hand, Walter!” Zoo riep Florence nog toen zij reeds met Suze in de koets zat. En toen de koets eindelijk voortreed, beantwoordde Walter op de stoep vroolijk het wuiven van haar zakdoek, terwijl de houten adelborst, even als hij, alleen op die koets scheen te letten, en alle andere voorbijrijdende koetsen van zijne observatiën uit te sluiten.
Na verloop van tijd bereikte men wederom het huis van Dombey, en wederom heerschte het verwarde gerucht van tongen in de bibliotheek. Wederom ook werd den koetsier gelast te wachten—“voor vrouw Richards,” fluisterde een van Suze’s mededienstboden haar onheilspellend toe, toen zij met Florence voorbijging.
Het binnenkomen van het verloren kind veroorzaakte eenige beweging, maar niet veel. Haar vader, die haar nooit gevonden had, gaf haar een kus op het voorhoofd, en waarschuwde haar om niet weder weg te loopen of met ontrouwe dienstboden ergens heen te gaan. Mevrouw Chick staakte hare jammerklachten over de bedorvenheid der menschelijke natuur, zelfs wanneer zij door een Liefdadigen Slijper naar het pad der deugd werd gewenkt; en ontving haar met eene welkomst, een weinig minder dan die welke alleen aan volmaakte Dombey’s toekwam. Jufvrouw Tox regelde hare aandoeningen naar de modellen die zij voor zich had. Richards alleen stortte haar hart in afgebrokene woorden van welkomst uit, en boog zich over het weggedwaalde hoofdje alsof zij het waarlijk liefhad.
“O Richards!” zeide mevrouw Chick met een zucht. “Het zou diegenen, die gaarne goed over hunne evennaasten denken, veel meer voldoening hebben gegeven, en u veel beter hebben gestaan, als gij bijtijds behoorlijk gevoel hadt getoond voor het kind, dat nu ontijdig van zijn natuurlijk voedsel zal beroofd worden.”—“Afgesneden,” zeide jufvrouw Tox met een klagend gefluister, “van eene gemeenschappelijke bron.”—“Als het mijn geval was, dat ik zoo ondankbaar was geweest,” zeide mevrouw Chick plechtig, “en ik zoo denken moest als gij, Richards, zou het mij wezen alsof de kleeding van de Liefdadige Slijpers mijn kind ongeluk zou aanbrengen en de opvoeding van die instelling het zou doen stikken.”
Wat dat betrof—maar mevrouw Chick wist het niet—die kleeding had hem al genoeg kwaad gedaan, en ook de opvoeding kon door den tijd aan hare wraakzucht beantwoorden, want zij was een gestadig onweder van slaan en huilen.
“Louise,” zeide Dombey. “Het is niet noodig die aanmerkingen voort te zetten. De vrouw heeft haar ontslag en is betaald. Gij verlaat dit huis, Richards, omdat gij mijn zoon—mijn zoon,” hij herhaalde die twee woorden met nadruk, “naar plaatsen en in gezelschap hebt gebracht, waaraan men niet zonder huiveren kan denken. Wat het ongeluk aangaat, dat jonge jufvrouw Florence dezen morgen getroffen heeft, dit beschouw ik, in één gewichtig opzicht, als eene gelukkige omstandigheid; dewijl ik zonder die gebeurtenis nooit had kunnen vernemen—en dat wel uit uw eigen mond—waaraan gij u hadt schuldig gemaakt. Ik denk, Louise, dat de andere, dat meisje,” hier snikte jonge juffer Nipper hardop, “daar zij zooveel jonger, en natuurlijk door de min van Paul verleid is, wel blijven kan. Wees zoo goed om te zorgen dat de koets voor die vrouw betaald wordt tot aan—” hier haperde hij voor een oogenblik eer hij met walgenden tegenzin vervolgde, “tot aan Staggs’s Gardens.”
Polly ging naar de deur, terwijl Florence haar bij haar kleed vasthield en haar op de aandoenlijkste manier toeriep om toch niet heen te gaan. Het was een dolksteek in het hart van haar trotschen vader, een pijl door zijn brein, te zien hoe vleesch en bloed, dat hij niet verloochenen kon, zich aan deze geringe vreemde hechtte, terwijl hij daarbij zat. Niet dat hij er om gaf tot wien zijne dochter zich keerde, of van wien zij zich afkeerde. De gedachte die hem door de ziel sneed was, wat zijn zoon eens zou kunnen doen.
Zijn zoon schreeuwde en huilde dien nacht, in allen gevalle, luidkeels. Om de waarheid te zeggen, de arme Paul had eene betere reden voor zijne tranen dan zonen van dien ouderdom dikwijls hebben, want hij had zijne tweede moeder verloren—zijne eerste zooveel hij wist—door een slag even plotseling als het verlies dat het begin van zijn leven had verdonkerd. Door denzelfden slag had zijne zuster, die zich zoo droevig in slaap schreide, ook eene even goede en trouwe vriendin verloren. Maar dit is geheel buiten bedenking. Laten wij daarover geene woorden verspillen.
VII.
EEN BLIK IN DE WONING VAN JUFVROUW TOX, ALSMEDE IN DEN STAAT VAN HAAR GEMOED.
Jufvrouw Tox bewoonde een donker huisje, dat, in een of ander verwijderd tijdperk der Engelsche geschiedenis, in eene aanzienlijke buurt van het West einde der stad was ingeschoven, waar het in de schaduw stond als eene arme nabestaande der groote straat om den hoek, en de trotsche huizen daar er met koude minachting op neerzagen. Het was niet juist in een hofje, en niet juist in een slop, maar het was in den stilsten van alle doodloopende inhammen, gedurig verontrust door het aankloppen aan de voorname huizen in de verte. De naam dezer afgelegene plek, waar het gras tusschen de steenen groeide, was Princess’s Place. Men had daar een kerkje met eene tinkelende klok, waar somtijds op een zondag wel vijf en twintig menschen den dienst bijwoonden, en eene herberg, die veel door prachtige lakeien werd bezocht. Binnen het hek voor die herberg stond een draagstoel, dien men echter zoolang iemand heugde nog nooit daar vandaan had zien komen; en op een fraaien ochtend was elke punt van dat hek (er waren er acht en veertig, gelijk jufvrouw Tox dikwijls geteld had) met eene tinnen kan versierd.
Er was nog een gesloten huis behalve dat van jufvrouw Tox in Princess’s Place, om niet van eene ontzaglijke dubbele deur te spreken, met een ontzaglijk paar leeuwenkoppen als kloppers daarop, die nooit geopend werd en voor den ongebruikten ingang van iemands stal werd gehouden. Inderdaad had de lucht van Princess’s Place een reuk van stallingen; en de slaapkamer van jufvrouw Tox, die achter in huis was, had het uitzicht op een pleintje, waarop stalknechts, met wat voor werk ook bezig, zich daarbij gedurig met bruisende geluiden accompagneerden, en waar de huiselijkste en geheimste kleedingstukken van koetsiers en hunne vrouwen en kinderen gewoonlijk, gelijk de banieren van Macbeth, aan de muren uithingen.
In dat andere gesloten huis in Princess’s Place, door een gewezen bottelier bewoond, die eene huishoudster had getrouwd, werden gemeubileerde kamers verhuurd aan een nog ongetrouwd heer, namelijk aan een majoor, met een houten gezicht van blauwe kleur, en uit het hoofd puilende oogen, in wien jufvrouw Tox, gelijk zij het uitdrukte, “iets zoo echt militairs” ontdekte; en tusschen wien en haar zelve nu en dan eene uitwisseling van nieuwsbladen, vlugschriften en dergelijke Platonische galanterieën plaats had, door tusschenkomst van een bruinen knecht van den majoor, wien jufvrouw Tox zich vergenoegde een “inboorling” te noemen, zonder daaraan eenig geographisch denkbeeld hoegenaamd te verbinden.
Misschien is er nooit een kleiner voorhuis en trap geweest dan het voorhuis en de trap van jufvrouw Tox. Misschien was er over het geheel geen ongemakkelijker huisje in Engeland; maar dan, zeide jufvrouw Tox, welk een stand! Er was in den winter zeer weinig daglicht te krijgen, geen zon in den besten tijd zelfs, en lucht en levendigheid kwamen in geene bedenking. Evenwel zeide jufvrouw Tox, bedenk welk een stand! Zoo zeide ook de majoor met het blauwe gezicht en de uitpuilende oogen, die grootsch was op Princess’s Place, en in zijne club gaarne het gesprek op de groote lui in de groote straat om den hoek bracht, om de zelfvoldoening te kunnen hebben van te zeggen dat zij zijne buren waren.
Het donkere huisje, door jufvrouw Tox bewoond, was haar eigendom, daar het haar was nagelaten en vermaakt door den overleden eigenaar van het vischachtige oog in het medaillon, van wien ook een miniatuurportretje, met een gepoeierd hoofd en een staart, in het voorkamertje hing. De meeste meubelen waren uit den poeier- en staartentijd; waaronder een bordenwarmer, die zijne vier dunne kromme pooten iemand altijd in den weg stak, en een oud klavier, om den naam van den maker met een krans van doperwtjes versierd.
Hoewel majoor Bagstock over de middelbare jaren was gekomen, en nu bijna zonder hals, met een paar zeer strakke kaken, lange olifantsooren, en eene kleur en oogen in den reeds gemelden kunstmatigen toestand van geprikkeldheid, zijne reis benedenwaarts voortzette, was hij er machtig trotsch op dat hij de belangstelling van jufvrouw Tox had doen ontwaken, en streelde hij zijne ijdelheid met den waan dat zij eene brillante dame was, die een goed oog op hem had. Hiervan had hij reeds verscheidene malen in zijne club een wenk gegeven, gepaard met andere schertsende aardigheden, waarvan oude Joe, of Joey, of J. of Josh. Bagstock, enz. gestadig het onderwerp was; want het was als het ware het bolwerk van des majoors geestigheid, zoo vrijpostig mogelijk met zijn eigen naam om te springen.
“Joey B., mijnheer,” placht de majoor te zeggen, met zijn rotting zwaaiende, “is alleen zooveel waard als een dozijn van u. Als ge wat meer van den Bagstock-stam onder u hadt, mijnheer, zoudt gij er niet te minder om zijn. Oude Joey, mijnheer, zou zelfs nu niet ver naar eene vrouw behoeven te zoeken, als hij daarnaar uitkeek; maar hij is hard van bast, mijnheer, dat is Joe—hij is taai, mijnheer, taai, en verduiveld slim!” Na zulk eene verklaring hoorde men veelal een benauwd hijgen, terwijl het blauw des majoors in purper overging en de oogen hem geheel uit het hoofd schenen te zullen springen.
In weerwil van zijn milden eigenlof, was de majoor toch zelfzuchtig. Het is zelfs te betwijfelen of ooit iemand meer geheime eigenliefde bezat. Het kwam niet bij hem op dat iemand hem zou over het hoofd zien of minachten, vooral kon hij zich volstrekt niet verbeelden dat jufvrouw Tox dit zou doen.
En toch, naar het scheen, jufvrouw Tox vergat hem langzamerhand. Kort nadat zij de familie Toodle had ontdekt, begon zij hem te vergeten. Zij bleef hem vergeten tot aan den tijd dat Paul gedoopt werd, en naderhand scheen zij hare vergetelheid op saamgestelden interest te hebben gezet. Iets of iemand had hem uit hare belangstelling verdrongen.
“Goeden morgen, mejufvrouw,” zeide de majoor, toen hij, eenige weken na de voorvallen in het laatste hoofdstuk geboekt, jufvrouw Tox in Princess’s Place ontmoette.—“Goeden morgen, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zeer koel.—“Joe Bagstock, mejufvrouw,” hervatte de majoor, met zijne galanterie, “heeft sedert geruimen tijd het geluk niet gehad om voor u aan het venster te buigen, Joe is hard behandeld, mejufvrouw. Zijne zon is achter eene wolk geweest.”
Jufvrouw Tox antwoordde met eene hoofdbuiging maar zeer koel.
“Joe’s gesternte is misschien uit de stad geweest, mejufvrouw,” zeide de majoor vragenderwijs.—“Ik? uit de stad? O neen, ik ben niet uit de stad geweest,” antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik ben toch sedert kort veel uit geweest. Mijn tijd is bijna geheel aan eenige zeer intieme vrienden gewijd. Ik vrees dat ik zelfs nu geen tijd overheb. Goeden morgen, mijnheer.”
Toen jufvrouw Tox met haar sierlijksten tred en hare bekoorlijkste houding uit Princess’s Place verdween, bleef de majoor haar staan nazien met een gezicht, blauwer dan ooit, onder het brommen en mompelen van eenige lang niet vleiende gezegden.
“Wel, verd...md, mijnheer,” zeide de majoor, en liet zijne bolle oogen in Princess’s Place rondgaan, “zes maanden geleden had die vrouw den grond wel willen kussen waarover Joe Bagstock ging. Wat beduidt dat nu?”
Na eenig bedenken begreep de majoor, dat het eene listige toelaag op zijn hart beduidde, dat jufvrouw Tox hem strikken spande. “Maar ge zult Joe toch niet vangen, mejufvrouw,” zeide de majoor. “Hij is taai, mejufvrouw; J. B. is taai. Taai en verduiveld slim!” over welke gedachte hij het overige van den dag bleef grinniken.
Maar toen die dag en nog vele andere dagen verloopen waren, scheen het toch dat jufvrouw Tox zich hoegenaamd niet om den majoor bekommerde en geheel niet aan hem dacht. Eens was zij gewoon geweest nu en dan toevallig voor een van hare donkere venstertjes te komen en den groet des majoors met een blosje te beantwoorden; maar nu gaf zij den majoor volstrekt geene gelegenheid meer daartoe, en stoorde zij er zich geheel niet aan of hij naar den overkant keek of niet. Nog andere veranderingen hadden plaats gehad. De majoor kon, in de schaduw zijner eigene kamer staande, waarnemen dat het huis van jufvrouw Tox sedert onlangs iets meer opgeschikts had gekregen; dat er eene kooi met vergulde traliën voor het oude kanarievogeltje was gekomen; dat verschillende ornamenten, uit gekleurd carton en papier geknipt, den schoorsteenmantel en de tafels schenen te versieren; dat eensklaps een paar bloemstruikjes voor de vensters waren opgegroeid; dat jufvrouw Tox nu en dan op het klavier speelde, welks krans van doperwtjes altijd pronkerig was opgeslagen, bekroond met een muziekboek, opengelegd bij ouderwetsche walsen, die jufvrouw Tox zelve had gekopieerd.
Bovenal, jufvrouw Tox was nu sedert lang buitengewoon elegant in lichten rouw gekleed. Maar dit hielp den majoor uit zijne verlegenheid, en hij begreep dat zij een legaatje had gekregen en trotsch was geworden.
Het was des anderen daags nadat hij zijn gemoed had verruimd door tot dit besluit te komen, dat de majoor, aan zijn ontbijt gezeten, in de voorkamer van jufvrouw Tox eene verschijning zag, zoo verbazend en geducht, dat hij eene poos op zijn stoel geworteld bleef, en toen, naar de naaste kamer snellende, met een dubbelen tooneelkijker terugkwam, waardoor hij die verschijning eene poos oplettend beschouwde.
“Het is een kind, een bakerkindje, mijnheer,” zeide de majoor, den kijker weder inschuivende; “daarop wil ik vijftig duizend pond verwedden.”
De majoor kon dit niet vergeten. Hij kon niets anders doen dan fluiten en zoodanig staren, dat zijne oogen, bij hun tegenwoordigen staat vergeleken, voorheen hol en ingezonken waren geweest. Dag na dag, twee-, drie-, viermaal in de week, verscheen dit kind alweder. De majoor bleef staren en fluiten. Anders had hij niets meer te doen. Jufvrouw Tox lette geheel niet meer op hem. Hij had evengoed zwart als blauw kunnen zijn, en zij zou het zich niet hebben aangetrokken.
De volharding waarmede zij uitging om dit kind en de draagster te halen, en daarmede uit wandelen ging, en er weder mede terugkwam, en er gedurig de wacht over hield; en de volharding waarmede zij hetzelve verschoonde, en eten gaf, en er mee speelde, en zijn jeugdig bloed door airtjes op het klavier deed stollen, was iets buitengemeens. Te gelijker tijd werd zij aangetast door eene zucht om zekeren armband te bekijken, alsmede door eene zucht om naar de maan te turen, waarop zij uit haar venster lange waarnemingen deed. Maar waar zij ook naar keek, naar zon, maan, sterren of armbanden, zij keek niet meer naar den majoor. En de majoor floot en staarde, en drentelde in zijne kamer rond, en kon er niet wijs uit worden.
“Gij zult heel en al mijn broeder Paul’s hart winnen, dat is de waarheid, lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick eens.
Jufvrouw Tox verbleekte.
“Hij begint met elken dag meer op Paul te gelijken,” zeide mevrouw Chick.
Jufvrouw Tox gaf geen antwoord dan door kleinen Paul in hare armen te nemen, en den strik op zijn mutsje met hare liefkoozingen geheel plat te drukken.
“Zijne moeder, lieve,” zeide jufvrouw Tox, “met wie ik door u in kennis zou gebracht zijn, gelijkt hij ook eenigszins op haar?”—“Geheel niet,” antwoordde Louise.—“Zij was—zij was mooi, geloof ik?” stamelde jufvrouw Tox.—“Ja, die arme lieve Fanny was wel interessant,” zeide mevrouw Chick, na rijp overleg. “Zekerlijk interessant. Maar zij had dat air van iets verhevens en gebiedends niet, dat men eenigermate, bijna als iets natuurlijks, bij mijn broeders vrouw zou verwacht hebben, en had ook de geestkracht niet die zulk een man verlangt.”
Jufvrouw Tox slaakte een zwaren zucht.
“Maar zij was zeer innemend,” zeide mevrouw Chick, “buitengemeen. En zij meende het—och lieve, die arme Fanny meende het zoo goed!”—“Gij engeltje!” riep jufvrouw Tox den kleinen Paul toe. “Gij schilderijtje van uw eigen papa!”
Indien de majoor had kunnen weten hoevele wenschen en uitzichten, welk eene menigte van plannen en berekeningen op dat kinderhoofdje gevestigd waren; en ze in een bonten drom om het geborduurde mutsje van den nog geheel argeloozen kleinen Paul had kunnen zien zweven, dan had hij wel mogen staren. Dan had hij onder dien drom eenige zonnestofjes kunnen herkennen, die aan jufvrouw Tox behoorden; dan zou hij misschien begrepen hebben naar welke soort van compagnieschap met de firma Dombey en Zoon die dame verlangde.
Als het kind zelf, des nachts wakker wordende, om zijn bedje de flauwe afspiegelingen had kunnen zien van de droomen, die anderen van hem hadden, had hij er wel bang van mogen worden. Maar hij sluimerde voort, evenzeer onbewust van de goede voornemens van jufvrouw Tox, de verwondering van den majoor, het jeugdig harteleed zijner zuster en de ernstiger hersenschimmen van zijn vader, onbewust zelfs dat er ergens op de wereld een Dombey of een Zoon bestond.
VIII.
PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER.
Onder de waakzame en oplettende oogen van den tijd—in zooverre een tweede majoor—veranderde de sluimer van den kleinen Paul langzamerhand van aard. Al meer en meer licht brak daarin door; hij werd door al duidelijker en duidelijker droomen gestoord. Eene gestadig toenemende menigte van voorwerpen en indrukken dwarrelde om hem heen, en zoo trad hij de eerste bewustelooze kindsheid uit, en werd hij een loopende, pratende, zich verwonderende Dombey.