Part 8
In die wilde verwarring, terwijl de menschen schreeuwend heen en weder liepen, wagens hen overreden, jongens vochten, dolle stieren kwamen aanloopen, en de min onder al die gevaren misschien reeds verloren was, liep Florence gillend weg. Zij liep tot zij geheel buiten adem was, Suze gedurig toeroepende om mee te loopen; en toen angstig stilstaande, daar zij bedacht dat zij de min hadden achtergelaten, zag zij, met onbeschrijfelijken schrik, dat zij geheel alleen was.
“Suze! Suze!” riep Florence, met woesten angst in hare handjes klappende. “O, waar zijn zij! Waar zijn zij!”—“Waar zijn zij?” riep eene oude vrouw, die zoo gauw zij kon van den overkant der straat kwam aanstrompelen. “Waarom zijt ge van hen weggeloopen?”—“Ik was bang,” antwoordde Florence. “Ik wist niet wat ik deed. Ik dacht dat zij bij mij waren. Waar zijn zij?”
De oude vrouw nam haar bij den arm en zeide: “Ik zal het u wijzen.”
Zij was een allerleelijkst oud wijf, met roode randen om de oogen, en een mond die van zelf mummelde en fluisterde, al sprak zij niet. Zij was ellendig gekleed en droeg eenige beestenvellen over den arm. Zij scheen Florence reeds eenigen tijd gevolgd te hebben, want zij was buiten adem, en dit maakte haar nog leelijker, terwijl zij daar stond te hijgen en haar geheel gerimpeld gezicht stuipachtig verdraaide, alsof zij zou stikken.
Florence was bang voor haar en keek angstig de straat in, die zij bijna ten einde was geloopen. Het was eene eenzame plek, meer een achterslop dan eene straat, en er was niemand dan zij zelve en die oude vrouw.
“Gij behoeft nu niet meer bang te zijn,” zeide de oude vrouw, haar nog stijf vasthoudende. “Kom maar met mij mee.”—“Ik—ik ken u niet. Hoe heet gij?” zeide Florence.—“Vrouw Brown,” zeide de vrouw. “Goede vrouw Brown.”—“Zijn zij dichtbij?” vroeg Florence medegaande.—“Suze is niet ver weg,” zeide vrouw Brown; “en de anderen zijn dicht bij haar.”—“Is er iemand bezeerd?” vroeg Florence schreiende.—“Wel neen, geheel niet,” antwoordde vrouw Brown.
Florence schreide tranen van blijdschap toen zij dit hoorde, en ging daarop gewillig met de oude vrouw mede; schoon zij niet kon nalaten haar nu en dan in het gezicht te zien—vooral naar dien bewegelijken mond—en zich te verwonderen of Kwade Vrouw Brown, als er zoo iemand was, ook eenigszins op haar geleek.
Zij hadden nog niet ver gegaan, maar waren toch reeds eenige leelijke onaangename plaatsen, zooals steen- en pannenbakkerijen, voorbijgekomen, toen de vrouw een laantje insloeg, waar de modder zoo hoog lag dat men er slechts met moeite doorheen kon. Zij bleef staan voor een armoedig huisje, zoo dicht gesloten als een huisje vol spleten en scheuren maar zijn kon. De deur openende met een sleutel, dien zij uit haar hoed haalde, duwde zij het kind voor zich uit naar eene achterkamer, waar op den vloer eene groote hoop vodden van allerlei kleur lag, met twee kleinere hoopen beenderen en sintels; maar er was in het geheel geen huisraad, en de muren en de zolder waren even zwart als de vloer.
Florence schrikte zoodanig dat zij de spraak verloor en scheen te zullen flauwvallen.
“Kom, wees nu niet ezelachtig,” zeide Goede Vrouw Brown, haar met schudden bijhelpende. “Ik zal je geen zeer doen. Ga op die vodden zitten.”
Florence gehoorzaamde en stak stil smeekend hare gevouwene handjes op.
“Ik zal u niet houden, zelfs geen uur lang,” zeide vrouw Brown. “Verstaat ge wat ik zeg?”
Het kind antwoordde met groote moeite: “Ja!”
“Maak mij dan niet kwaad,” zeide Goede Vrouw Brown, zelve op de beenderen plaats nemende. “Als ge dat niet doet, zeg ik u dat ik u geen zeer zal doen. Maar als ge dat doet, zal ik u vermoorden. Ik had u altijd kunnen vermoorden, al waart ge in uw eigen bed. Laat nu hooren wie ge zijt en wat ge zijt, en alles.”
De dreigementen en beloften der oude vrouw, de vrees om haar boos te maken, en de gewoonte, zeldzaam bij een kind, maar bij Florence reeds bijna natuurlijk, om zich stil te houden en te smoren wat zij gevoelde, vreesde en hoopte, waren oorzaak dat het haar mogelijk was dit bevel te gehoorzamen, en hare geschiedenis, of wat zij daarvan wist, te vertellen. Vrouw Brown luisterde oplettend tot zij gedaan had.
“Dus heet gij Dombey, he?” zeide vrouw Brown.—“Ja, jufvrouw.”—“Ik wou dat mooie jurkje hebben, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Goede Vrouw Brown, “en dat hoedje, en een paar rokjes, en wat ge nog meer kunt missen. Kom aan! Trek uit!”
Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende. Toen zij zich van al de genoemde kleedingstukken had ontdaan, keek vrouw Brown die op haar gemak na, en scheen tamelijk wel met de waarde daarvan tevreden.
“Hm!” zeide zij, hare oogen over het tengere figuurtje latende heengaan. “Nu zie ik niets meer—behalve de schoenen. Ik moet die schoentjes hebben, jonge jufvrouw Dombey.”
De arme Florence trok ze even gewillig uit, maar al te blijde dat zij nog middelen had om haar tevreden te stellen. De oude vrouw zocht nu uit den hoop vodden het een en ander op, dat in de plaats van het afgelegde kon dienen—een paar ellendige schoenen, een meisjes manteltje, zeer oud en versleten, en het ineengeknepen overschot van een hoed, waarschijnlijk van een mesthoop opgeraapt. Met dezen fraaien opschik beval zij Florence zich te kleeden; en daar dit de voorbereiding tot hare loslating scheen te zullen zijn, gehoorzaamde het kind, zoo mogelijk, met nog meer gewilligheid dan te voren. Toen zij haastig den zoogenaamden hoed opzette, bleef deze in hare welige haren hangen, en kon zij hem niet zoo spoedig los krijgen. Goede Vrouw Brown haalde dadelijk eene groote schaar uit en sloeg tot eene onverklaarbare opgewondenheid over.
“Waarom kondt ge mij niet met vrede laten, toen ik tevreden was? Gij zottinnetje!” zeide zij.—“Neem het mij niet kwalijk. Ik weet niet wat ik gedaan heb,” bracht Florence uit. “Ik kon het niet helpen.”—“Kon het niet helpen,” riep vrouw Brown. “En ik kan het ook niet helpen, en niet laten ook. Wel Heere,” vervolgde zij, met woedend genot in hare krullen woelende, “een ander dan ik zou ze allereerst hebben afgeknipt.”
Florence was zoo blijde dat vrouw Brown slechts op hare haren en niet op haar hoofd belust was, dat zij geen tegenstand bood en om geene verschooning bad, maar alleen hare zachte oogen naar die goede ziel opsloeg.
“Als ik niet zelve eens eene dochter had gehad—nu over zee—die grootsch op hare haren was,” zeide vrouw Brown, “zou ik alles hebben afgeknipt. Zij is ver weg, ver weg! O ho! O ho!”
De jammerkreet van vrouw Brown was niet welluidend, maar, evenals het woeste slingeren met hare magere armen, vol hartstochtelijke smart, en deed Florence opnieuw schrikken en aan het schreien gaan. Dit droeg er evenwel misschien toe bij om hare krullen te redden; want nadat vrouw Brown hare schaar, gelijk een nieuwe soort van vlinder, een oogenblik daarboven had laten zweven, beval zij haar ze onder den hoed weg te stoppen, zoodat er niets van te zien was om haar te verzoeken. Nadat zij deze zelfoverwinning had behaald, hernam vrouw Brown hare plaats op de beenderen en ging een zeer kort zwart pijpje zitten rooken, aanhoudend mummelende, alsof zij den steel opat.
Toen de pijp was uitgerookt, gaf zij het meisje een konijnevel te dragen, om haar meer den schijn van een harer gewone geleidsters te geven, en zeide haar toen dat zij haar nu ergens op straat zou brengen, van waar zij den weg naar hare familie kon vragen. Maar zij waarschuwde haar, met dreigementen van doodelijke wraak in geval van ongehoorzaamheid, om tegen geene vreemdelingen te spreken en niet naar haar eigen huis te gaan, (hetwelk vrouw Brown misschien te dichtbij vond) maar naar haar vader in de stad; en om ook op den hoek van de straat, waar zij zou gelaten worden, te blijven staan tot het drie uur sloeg, met verzekering dat er geduchte oogen en ooren zouden zijn, die alles zouden zien en hooren wat zij deed; en Florence beloofde trouw en oprecht te zullen gehoorzamen.
Eindelijk ging vrouw Brown de deur uit en bracht haar geheel veranderd en in vodden gewikkeld vriendinnetje door een doolhof van nauwe straatjes en stegen, die na langen tijd op een stalplein uitliepen, met eene poort aan het einde, waardoor men het gerucht eener drukke straat hoorde. Vrouw Brown wees naar deze poort en onderrichtte Florence, dat zij, als de klokken drie sloegen, linksaf moest gaan, pakte nog eens hare haren, hetgeen zij niet scheen te kunnen laten, en zeide dat zij nu wist wat zij doen moest, en dat maar moest doen, en onthouden dat er op haar gelet werd.
Met een lichter hart, maar toch nog bang, voelde Florence zich losgelaten en trippelde naar den hoek. Toen zij daar gekomen was keek zij om, en zag het hoofd der Goede Vrouw Brown uit het houten gangetje turen, waar zij hare laatste bevelen had gegeven, en ook de vuist der Goede Vrouw Brown haar dreigend toehouden. Maar hoewel zij naderhand nog dikwijls omkeek—elke minuut ten minste, in haar zenuwachtigen angst voor de oude vrouw—kon zij haar niet weerzien.
Florence bleef daar staan, naar het gewoel op straat kijkende en al meer en meer daardoor verbijsterd; en ondertusschen schenen de klokken zich te hebben voorgenomen om nooit meer drie te slaan. Eindelijk klonken de drie slagen van de kerktorens; er was er eene dichtbij, zoodat zij zich niet kon bedriegen; en na dikwijls over haar schouder te hebben omgekeken, een eindje te zijn voortgegaan en weder teruggekomen, uit vrees dat de geduchte spionnen van vrouw Brown het nog kwalijk mochten nemen—snelde zij voort, met zooveel spoed als hare wijde schoenen toelieten en met het konijnevel stijf in de hand geklemd.
Al wat zij van haar vaders kantoor wist was, dat het aan Dombey en Zoon behoorde, en iets zeer voornaams in de City was. Zij kon dus slechts den weg naar Dombey en Zoon in de City vragen; en daar zij deze vraag doorgaans aan kinderen deed—dewijl zij bang was om volwassen menschen aan te spreken—kreeg zij zeer weinig inlichting. Door echter na eenigen tijd alleen naar de City te vragen, en vooreerst het overige harer vraag achterwege te laten, kwam zij werkelijk langzamerhand nader bij het hart van dat uitgestrekte gebied, dat door den geduchten Lord Mayor wordt geregeerd.
Moede van het loopen, telkens geduwd en gestooten, versuft door het rumoer en gewoel, angstig over haar broertje, de min en hare oppasster, onthutst door hetgeen zij had doorgestaan, benauwd om haar vader in zulk een veranderden toestand onder de oogen te komen; verschrikt evenzeer door hetgeen er was omgegaan, nu nog omging, en zij nog voor zich had, zwoegde Florence met de oogen vol tranen voort, en kon niet nalaten een paar malen te blijven stilstaan en haar barstend hart te verlichten door bitterlijk te schreien. Slechts weinige menschen gaven dan acht op haar, in de kleeding die zij droeg; of zoo zij dit al deden, dachten zij dat zij was afgericht om medelijden te wekken en gingen voorbij. Florence riep ook al de vastheid te hulp van een karakter, dat hare droevige ondervinding reeds vroeg gevormd en gehard had, en hield onafgewend haar doel in het oog.
Het was twee volle uren later in den namiddag dan toen zij op haar avontuurlijken tocht was uitgegaan, toen zij, het gewoel en gerucht eener smalle straat vol karren en wagens ontwijkende, eene soort van werf of landingplaats aan den waterkant opkeek, waar eene menigte balen, kisten en vaten verstrooid lagen, bij eene groote houten schaal en een houten huisje op wielen, waar buiten een zwaarlijvig man, met eene pen achter het oor en de handen in de zakken, fluitend naar de masten en booten in de nabijheid stond te kijken, alsof zijn dagwerk haast gedaan was.
“Wat moet ge?” zeide de man, toevallig omkijkende.—“Wij hebben hier niets voor u, kind. Maak maar dat ge weg komt.”—“Neem mij niet kwalijk, is dit de City?” vroeg het bevende dochtertje der Dombey’s.—“Ja zeker de City. Dat weet ge ook wel. Ga maar heen. Wij hebben hier niets voor u.”—“Ik wil ook niets hebben—wel bedankt,” was het bedeesde antwoord. “Behalve dat ik den weg naar Dombey en Zoon wilde weten.”
De man, die onverschillig naar haar was toe gekomen, scheen verwonderd over dit antwoord, en haar oplettend aanziende, zeide hij:
“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.”
De man keek haar nog eens aan, en wreef in zijne verwondering zijn achterhoofd zoo hard dat hij zijn eigen hoed afstiet.
“Jo!” riep hij een ander man toe—een werkman—terwijl hij zijn hoed opraapte.—“Wat moet Jo?” zeide deze.—“Waar is dat jonge maatje van Dombey, die naar het inladen van dat goed heeft gezien?”—“Gaat daar net heen, de andere poort uit.”—“Roep hem eens even terug.”
Jo liep de poort uit, luidkeels roepende, en kwam weldra terug met een frisschen lustigen knaap.
“Gij zijt immers een snaphaan van Dombey, niet waar?” zeide de eerste man.—“Ik ben bij Dombey op het kantoor, mijnheer Clark,” antwoordde de knaap.—“Zie dan eens hier.”
Mijnheer Clark wees met de hand naar Florence, en de knaap kwam naar haar toe, zich verwonderende, gelijk hij wel mocht, wat hij met haar kon te maken hebben. Maar zij, die de woordenwisseling had gehoord, en behalve de verademing dat zij zich zoo onverwacht veilig en aan het eind van haar tocht mocht achten, zich door het levendige en jeugdige van zijn gezicht en stem geheel gerustgesteld gevoelde, kwam met drift naar hem toeloopen, waarbij een van hare wijde schoenen op den grond bleef liggen, en vatte zijne hand met hare beide handjes.
“Ik ben weggeraakt, als ’t u belieft,” zeide Florence.—“Weggeraakt!” riep de knaap uit.—“Ja, van morgen ben ik weggeraakt, heel ver van hier—en toen heeft men mij mijne kleeren afgenomen—en ik heb nu mijne eigene kleeren niet aan—en ik heet Florence Dombey, de eenige zuster van mijn broertje—en och, och, bezorg mij toch weerom!” snikte Florence, de kinderlijke aandoeningen, die zij zoolang gesmoord had, lucht gevende en in tranen uitbarstende. Te gelijk viel haar leelijke hoed af, en kwamen hare krullende lokken over haar gezichtje rollen, waardoor de jonge Walter, neef van Samuel Gills, den scheepsinstrumentmaker, tot sprakelooze bewondering en even sprakeloos medelijden werd bewogen.
Mijnheer Clark stond verbaasd en zeide binnensmonds dat hij daar op de werf nog nooit zoo iets beleefd had. Walter raapte den schoen op en stak hem aan het voetje, gelijk de prins in het sprookje Asschepoetsters muiltje mocht hebben aangestoken. Hij hing het konijnevel over zijn linkerarm, gaf zijn rechter aan Florence; en het was hem te moede, niet gelijk Richard Whittington—dat is eene lamme vergelijking—maar gelijk Sint George van Engeland, toen de draak dood voor hem lag.
“Schrei toch niet, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter in eene vlaag van geestverrukking. “Hoe gelukkig voor mij dat ik hier ben! Ge zijt nu zoo veilig alsof gij door een heelen troep uitgelezen volk van een oorlogsschip werdt bewaakt. O schrei toch niet.”—“Ik zal niet meer schreien,” zeide Florence. “Ik schrei maar van blijdschap.”—“Schreien van blijdschap!” dacht Walter. “En ik ben de oorzaak daarvan! Kom nu maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Daar valt de andere schoen! Neem de mijne, jonge jufvrouw Dombey.”—“Neen, neen,” zeide Florence, hem stuitende toen hij driftig zijne schoenen wilde uittrekken. “Deze zijn beter. Deze zijn heel goed.”—“Wel zeker ook,” zeide Walter, naar haar voetje ziende: “de mijne zijn veel te groot. Waar denk ik aan. Gij zoudt de mijne niet kunnen aanhouden. Kom maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Laat ik nu den deugniet eens zien, die u durft molesteeren.”
Zoo leidde Walter, met een geweldig fier gezicht, Florence voort, wier gezichtje zeer vergenoegd stond; en zij gingen arm in arm langs de straten, geheel onverschillig voor de verbazing die hun voorkomen kon veroorzaken.
Het werd donker en mistig, en begon ook te regenen; maar zij gaven hier niet om, daar zij beiden geheel in de avonturen van Florence verdiept waren, welke zij met de onschuldige oprechtheid en vertrouwelijkheid harer jaren vertelde, terwijl Walter luisterde alsof zij, ver van den modder van Thames-Street, onder de breede bladeren en hooge boomen van een onbewoond eiland tusschen de keerkringen wandelden—gelijk hij zich waarschijnlijk wel verbeeldde dat zij deden.
“Hebben wij nog ver te gaan?” zeide Florence eindelijk, hare oogen naar haar metgezel opslaande.—“Ja, dat is ook waar!” zeide Walter stilstaande, “laat eens zien. Waar zijn wij? O, ik weet het al. Maar het kantoor is nu gesloten, jonge jufvrouw Dombey. Daar is niemand meer. Mijnheer Dombey is al lang naar huis. Ik denk dat wij dus ook maar naar huis moeten gaan. Of wacht. Als ik u eens naar mijn oom bracht, waar ik woon—dat is heel dichtbij—en dan met eene koets naar uw huis reed om hun te zeggen dat ge veilig zijt, en wat kleeren voor u te halen. Zou dat niet best wezen?”—“Ik denk wel ja,” antwoordde Florence. “Gij ook niet? Wat denkt gij?”
Terwijl zij op straat stonden raad te nemen, kwam er iemand aan, die in het voorbijgaan snel naar Walter omkeek, alsof hij hem herkende, maar van die eerste gedachte scheen terug te komen, en zonder zich op te houden verder ging.
“Wel, ik geloof dat daar mijnheer Carker is,” zeide Walter. “Carker van ons kantoor. Niet Carker de chef. Jonge jufvrouw Dombey—de andere, Carker junior. Heila, mijnheer Carker!”—“Is dat Walter Gay?” zeide de ander, omkeerende en terugkomende. “Ik kon het niet gelooven, met zulk vreemd gezelschap.”
Toen hij bij eene lantaren stond en met verwondering naar Walter’s haastige opheldering luisterde, vormde hij een opmerkelijk contrast met de twee jeugdige gedaanten, die zoo gearmd voor hem stonden. Hij was niet oud, maar zijn haar was grijs; zijn rug was gekromd of gebogen, als ware het door den druk van een zwaar verdriet, en diepe rimpels kenteekenden zijn vervallen gezicht. De glans zijner oogen, de uitdrukking zijner trekken, zelfs de stem waarmede hij sprak, alles was gedoofd en gesmoord, alsof de geest in zijn binnenste tot asch was verteerd. Hij was fatsoenlijk hoewel zeer eenvoudig gekleed, in het zwart; maar zijne kleeren schenen het karakter van geheel zijne gestalte aan te nemen, zich aan zijn lijf in te krimpen en te verlagen, en zich te vereenigen in de droevige bede, welke de geheele man van het hoofd tot de voeten uitsprak, dat men hem maar onopgemerkt zou laten, en alleen in zijne nederigheid.
En toch was zijne belangstelling in jeugd en levenslust niet uitgedoofd met de andere vonken zijner ziel, want hij sloeg het ernstige gezicht van den knaap, terwijl hij sprak, met innige deelneming gade, hoewel met zekere onrust en een even onverklaarbaar medelijden, dat zich in zijne blikken vertoonde, hoeveel moeite hij ook deed om het te ontveinzen. Toen Walter hem ten slotte dezelfde vraag deed, die hij Florence had gedaan, bleef hij hem nog met dezelfde uitdrukking staan aanzien, alsof hij op zijn gezicht een dreigend noodlot las, dat in droevige tegenspraak met zijne tegenwoordige helderheid stond.
“Wat zoudt gij raden, mijnheer Carker?” zeide Walter met een glimlach. “Gij geeft mij altijd goeden raad, weet ge wel, als gij met mij spreekt; dat evenwel niet dikwijls is.”—“Ik houd uwe eigene gedachte voor de beste,” antwoordde hij, en liet zijne oogen tusschen Florence en Walter heen en weder gaan.—“Mijnheer Carker,” zeide Walter, door eene edelmoedige gedachte in vuur gebracht. “Kom aan! Daar is een kansje voor u. Ga gij naar mijnheer Dombey en wees de bode van goede tijding. Dat zal u misschien voordeel doen, mijnheer. Ik zal thuis blijven. Gij moet gaan.”—“Ik!” zeide de ander.—“Ja. Waarom niet, mijnheer Carker?” hervatte de knaap.
Tot antwoord drukte hij hem slechts de hand; hij scheen eenigszins beschaamd en bevreesd om zelfs dit te doen; en hem goeden avond wenschende en nogmaals aanradende om haast te maken, ging hij heen.
“Kom aan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter, hem nog even nakijkende, “nu zullen wij maar zoo gauw als wij kunnen naar mijn oom gaan. Hebt gij ooit mijnheer Dombey van mijnheer Carker junior hooren spreken, jonge jufvrouw Florence?”—“Neen,” antwoordde het kind zachtzinnig. “Ik hoor papa niet dikwijls spreken.”—“Wel waar, en wel schande voor hem,” dacht Walter.
Na het lieve geduldige gezichtje naast hem eene poos te hebben aangezien, zocht hij met zijne gewone levendigheid naar een ander onderwerp; en daar juist een van die ongelukkige schoenen weder uitging, stelde hij Florence voor om haar in zijne armen naar zijn oom te dragen. Florence, hoewel zeer vermoeid, wees dit voorstel lachend af, uit vrees, gelijk zij zeide, dat hij haar zou laten vallen; en daar zij reeds dicht bij den houten adelborst waren, en Walter verscheidene voorbeelden aanhaalde van schipbreuken en andere ongelukken, waarbij jongere knapen dan hij oudere meisjes dan Florence hadden gered en zegevierend weggedragen, waren zij nog levendig in gesprek toen zij de deur des instrumentmakers bereikten.
“Heila, oom Sam!” riep Walter, den winkel binnenstuivende, en van dien tijd af, zoolang de avond duurde, zeer afgebroken en kortademig sprekende. “Daar is een verbazend avontuur! Daar is mijnheer Dombey’s dochtertje op straat verdwaald en van hare kleeren beroofd door eene oude heks van een wijf—door mij gevonden—en naar huis gebracht om te rusten—kijk maar!”—“Goede hemel!” zeide oom Sam, terugdeinzende tegen zijn liefste kompaskistje aan. “Is het mogelijk! Wel, ik...”—“Neen, en niemand anders ook,” zeide Walter, het overige voorkomende. “Dat zou ook niemand, en kon ook niemand. Hier, help mij eens even dat kanapeetje bij het vuur schuiven, als ge wilt, oom Sam—pas op voor de borden—snijd vast wat vleesch voor haar, wilt ge wel, oom Sam—gooi die schoenen maar onder den haard, jonge jufvrouw Florence—zet uwe voeten op den rand te drogen—wat zijn ze vochtig—dat is een avontuur, niet waar, oom?—Wel mijn tijd, wat ben ik warm!”
Samuel Gills was even warm geworden, en ongemeen verbijsterd bovendien. Hij klopte Florence zachtjes op het hoofd, drong haar om te eten en te drinken, wreef hare voetzolen met zijn voor het vuur gewarmden zakdoek, volgde zijn beweeglijken neef met oogen en ooren, en had geen duidelijk begrip van iets, behalve dat die opgewonden jonge heer gedurig tegen hem aanliep, terwijl hij door de kamer heen en weer stoof om twintig dingen te gelijk te doen en eigenlijk geheel niets uitvoerde.
“Hier, wacht een oogenblikje, oom,” vervolgde hij, eene kaars opnemende, “tot ik naar boven loop en een ander buis aantrek; en dan vlieg ik voort. Zeg toch eens oom, is dat geen avontuur?”—“Mijn beste jongen,” zeide Samuel, die zich, met den bril op het voorhoofd, gedurig heen en weder draaide tusschen Florence op het kanapeetje en zijn neef die overal in de kamer te gelijk scheen te zijn, “het is het buitengewoonste...”—“Neen maar, oom, maak toch—toe, jonge jufvrouw Florence—eten, oom, weet ge!”—“Ja, ja, ja!” zeide Samuel, en begon terstond van een schapenbout te snijden, alsof de portie voor een reus bestemd was. “Ik zal wel voor haar zorgen, Walter. Ik begrijp het wel. Het lieve kind! Uitgehongerd, natuurlijk. Maak u maar gauw klaar! Wel Heere, Heere! Sir Richard Whittington, driemaal Lord Mayor van Londen!”
Het duurde niet lang of Walter was naar zijn zolderkamertje geloopen en weder beneden; maar ondertusschen was Florence, door vermoeienis overweldigd, toch voor het vuur ingesluimerd. Die korte poos van stilte, schoon zij maar weinig minuten duurde, stelde Samuel Gills in staat zijne zinnen in zooverre bijeen te halen dat hij eenige schikkingen voor haar gemak bedacht, de kamer donkerder maakte en haar voor den gloed van het vuur beschutte. Toen de knaap terugkwam lag zij dus gerust te slapen.