Dombey en Zoon

Part 7

Chapter 73,851 wordsPublic domain

“In de zes maanden of daaromtrent, Richards, die gij hier in huis hebt gewoond, hebt gij uw plicht gedaan. Verlangende om u bij deze gelegenheid een geringen dienst te bewijzen, heb ik nagedacht hoe ik best dat oogmerk zou kunnen bereiken, en ben ik ook te rade gegaan met mijne zuster, mevrouw...”—“Chick,” viel de heer van dien naam er op in.—“O, stil toch, als ’t u blieft!” zeide jufvrouw Tox.—“Ik wilde u zeggen, Richards,” hervatte Dombey, met een ontzettenden blik naar mijnheer John, “dat ik bij het nemen van mijn besluit verder bestuurd werd door de herinnering van een gesprek, dat ik in deze kamer met uw man heb gehouden, bij gelegenheid dat gij gehuurd werdt, en waarbij hij mij de treurige omstandigheid mededeelde, dat uwe familie, hij zelf aan het hoofd, in onwetendheid was gedompeld en verzonken.”

Richards sloeg onder de deftigheid dezer bestraffing de oogen neer.

“Ik ben verre van datgene toegedaan te zijn,” vervolgde Dombey, “wat menschen, die overdreven liberale gevoelens hebben, algemeene opvoeding noemen. Maar het is noodzakelijk dat de mindere klassen onderricht blijven ontvangen om hunne positie te kennen en zich behoorlijk te gedragen. In zooverre geef ik mijne goedkeuring aan scholen. Daar ik macht heb om een kind te plaatsen in de fondatie eener oude instelling, die naar een achtbaar gilde, de Liefdadige Slijpers wordt genoemd, waar niet alleen den scholieren eene heilzame opvoeding wordt gegeven, maar zij insgelijks van eene bovenkleeding en een onderscheidingsteeken worden voorzien, heb ik (vooraf door mevrouw Chick met uwe familie in overleg getreden) uw oudsten zoon tot de opengevallene plaats benoemd, en heeft hij vandaag, naar ik onderricht ben, de kleeding aangenomen. Het nommer van haar zoon is, geloof ik,” vervolgde hij, zich naar zijne zuster keerende, en sprekende alsof het kind eene huurkoets was, “honderd zeven en veertig. Louise, dat kunt gij haar zeggen.”—“Honderd zeven en veertig,” zeide mevrouw Chick. “De kleeding, Richards, is een mooie, warme, blauwe saaien rok met lange panden, en eene pet van dezelfde stof, met oranje uitgemonsterd, roode wollen kousen, en eene korte leeren broek, heel sterk. Men zou zulk goed zelf kunnen dragen,” zeide mevrouw Chick, met geestvervoering, “en er dankbaar voor zijn.”—“Wel, Richards!” zeide jufvrouw Tox. “Nu moogt ge wel trotsch wezen. De Liefdadige Slijpers!”—“Ik ben u zeker wel zeer verplicht, mijnheer,” antwoordde Richards flauw, “en houd het voor eene groote goedheid dat gij om mijne kleintjes denkt.” Te gelijker tijd rees eene verschijning van Biler als een Liefdadig Slijpertje, met zijne korte beentjes in de door mevrouw Chick beschrevene, onverslijtelijke broek gepakt, voor Richards’ oogen op, en deed ze wateren.—“Het verheugt mij wel te zien, dat ge zooveel gevoel hebt, Richards,” zeide jufvrouw Tox.—“Het doet iemand bijna hopen, dat doet het waarlijk,” zeide mevrouw Chick, die er zich op beroemde dat zij altijd het beste van de menschen vertrouwde, “dat er nog een vonkje van dankbaarheid en rechtschapenheid in de wereld is.”

Richards beantwoordde deze complimenten door te nijgen en eene dankbetuiging te prevelen; maar het geheel onmogelijk vindende om zich te herstellen van de ontroering, welke het beeld van haar zoon met zijn kort lederen broekje haar veroorzaakt had, ging zij langzamerhand naar de deur, en was hartelijk blijde toen zij daaruit ontsnapt was.

De tijdelijke teekenen van een gedeeltelijken dooi, die met haar verschenen waren, verdwenen ook met haar; en de vorst viel weder in, zoo koud en hard als ooit. Men hoorde mijnheer Chick aan het eind van de tafel tweemaal een wijsje brommen, maar beide keeren was het een brok van den doodenmarsch in Saul. Het gezelschap scheen al kouder en kouder te worden en langzamerhand in een geheel bevrozen toestand over te gaan, gelijk het collation waarom het verzameld was. Eindelijk zag mevrouw Chick jufvrouw Tox aan en zond jufvrouw Tox dien blik terug; beiden stonden op en zeiden dat het waarlijk tijd was om te gaan. Daar Dombey dit bericht met volmaakte gelijkmoedigheid ontving, namen zij afscheid van dezen heer en vertrokken weldra onder de hoede van mijnheer Chick, die, toen zij het huis den rug hadden gekeerd en den meester in zijne gewone eenzame grootheid gelaten, zijne handen in zijne zakken stak, zich in het rijtuig achterover liet zakken, en een van zijne lijfdeuntjes geheel uitfloot, waarbij hij zulk een dreigend en somber uitdagend gezicht zette, dat mevrouw Chick niet durfde protesteeren of hem op eenigerlei manieren hinderlijk zijn.

Richards kon, hoewel zij den kleinen Paul op haar schoot had, haar eigen eerstgeborene niet vergeten. Zij gevoelde dat dit ondankbaar was; maar de invloed van den dag strekte zich zelfs tot de Liefdadige Slijpers uit, en zij kon niet nalaten zijn tinnen plaatje op de mouw, met nommer honderd zeven en veertig, voor iets te houden dat ook heel streng en hard was. Zij sprak ook in de kinderkamer van zijne kleine beentjes, en werd nogmaals gekweld door zijne schim in uniform.

“Ik weet niet wat ik wel geven wou,” zeide Polly, “om het arme lieve kind nog eens te zien eer hij er aan gewoon wordt.”—“Wel, zal ik u eens wat zeggen, jufvrouw Richards,” zeide Suze, die zij in haar vertrouwen had genomen, “ga hem zien en stel zoo uw gemoed gerust.”—“Mijnheer Dombey zal het niet willen hebben,” zeide Polly.—“Niet, jufvrouw Richards!” liet Suze hierop volgen. “Hij zou het wel graag willen hebben, denk ik, als men het hem vroeg.”—“Gij zoudt het hem geheel niet vragen, geloof ik?” zeide Polly.—“Neen, jufvrouw Richards, wel ten contrarie,” antwoordde Suze; “en daar die twee inspecteurs, Tox en Chick, morgen niet op de wacht denken te zijn, zooals ik ze heb hooren zeggen, zullen jonge jufvrouw Flore en ik morgenochtend met u meegaan, en als ge dan wilt, jufvrouw Richards, kunnen we daar evengoed een straatje op en neer kuieren als ergens anders—nog beter zelfs.”

Polly verwierp dit denkbeeld in het eerst met vrij veel drift; maar langzamerhand begon zij het toch te begunstigen, toen de verbodene schilderijen van hare kinderen en haar eigen huis haar al duidelijker voor de oogen kwamen. Eindelijk beredeneerende dat er toch geen groot kwaad in kon steken als zij eens even aan de deur aanging, nam zij Suze’s voorslag aan.

Toen de zaak aldus was afgesproken, begon kleine Paul jammerlijk te schreeuwen, alsof hij een voorgevoel had dat er geen goed van zou komen.

“Wat scheelt het kind toch?” vroeg Suze.—“Hij is koud, denk ik,” zeide Polly, met den kleine heen en weer wandelende en hem sussende.

Het was waarlijk een gure najaarsavond; en toen zij wandelde en suste, en door de beslagene vensters uitkijkende, den kleine dichter aan hare borst drukte, vielen de verdorde bladeren bij geheele vlagen af.

VI.

PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID.

Des morgens had Polly zooveel bekommeringen, dat zij zonder het onophoudelijk aandrijven harer zwartoogige gezellin alle gedachten aan de onderneming zou hebben laten varen, en formeel verlof gevraagd om nommer honderd zeven en veertig onder de schaduw van Dombey’s dak te mogen zien. Maar Suze, die zelve grooten lust in het tochtje had, en die (gelijk Tony Lumpkin), al kon zij de teleurstellingen van anderen met vrij veel standvastigheid dragen, volstrekt geen zin had om zich zelve te leur te stellen, wierp deze tweede gedachte zoovele schrandere twijfelingen in den weg, en beval het eerste plan met zoovele schrandere redenen aan, dat Dombey bijna niet zoodra zijn statigen rug gekeerd had en zich op zijn dagelijkschen weg naar de City bevond, of zijn van niets bewuste zoon was insgelijks op weg naar Staggs’s Gardens.

De plek met dezen welluidenden naam was in eene voorstad gelegen, die bij de bewoners van Staggs’s Gardens als Camberling Town bekend stond, eene benaming welke de “kaart van Londen voor vreemdelingen” gelijk zij (tot grooter gemak en gerief) op zakdoeken gedrukt is, niet zonder schijn van reden, tot Camden Town verkort. Hierheen richtten min en kindermeid, door de haar toevertrouwde panden vergezeld, hare schreden; Richards, gelijk reeds van zelf spreekt, droeg Paul, en Suze had de kleine Florence bij de hand, die zij van tijd tot tijd zooveel duwen en rukken gaf als zij noodig en nuttig oordeelde.

De eerste schok eener groote aardbeving had juist op dien tijd den geheelen omtrek omgewoeld. Sporen daarvan waren aan alle kanten zichtbaar. Huizen waren onder den voet gesmeten, straten doorgebroken en verstopt, diepe putten en greppels in den grond gegraven, ontzaglijke hoopen klei en aarde opgeworpen, ondermijnde en verzakte gebouwen met groote balken onderstut. Hier lag een chaos van karren, verward onder en over elkander geworpen, aan den voet van een onnatuurlijk steilen heuvel; daar lagen schatten ijzer te roesten in iets dat toevallig een vijver was geworden. Overal waren bruggen die nergens heen voerden; doorgangen die geheel onbegaanbaar waren; Babelsche torens van schoorsteenen die de helft van hunne hoogte misten; tijdelijke houten huizen en afschuttingen op de onwaarschijnlijkste plaatsen; geraamten van armoedige woningen, en stukken van onvoltooide muren en bogen, en hooge steigers, en wildernissen van bouwsteenen, en reusachtige gedaanten van kranen en stellingen waar zij geheel niet noodig schenen te zijn. Men zag het onvoltooide in honderd duizend gedaanten en stoffen, alles van zijne plaats en ondereengemengd, ten onderste boven, in den grond gezonken, in de lucht opstekende, in het water vergaande, even onbegrijpelijk als een droom. Heete bronnen en vurige uitbarstingen, de gewone bijomstandigheden van aardbevingen, leenden hare bijdragen tot de verwarring van het tooneel. Kokend water borrelde en siste binnen vervallene muren, waaruit ook de gloed en het gebrul van vlammen opsloeg, en hoopen asch verstopten hier en daar den doorgang waarop men vanouds recht had, en veranderden alle wetten en gebruiken van die streek.

Kortom, de nog onvoltooide en ongeopende spoorweg was in aanleg, en uit het hart van al die gruwelijke wanorde gleed hij waterpas voort op zijne machtige baan van beschaving en vooruitgang.

Maar tot nog toe was de buurt beschroomd om den spoorweg te erkennen. Een of twee stoute speculanten hadden straten ontworpen, en een van hen had een weinigje gebouwd, maar was in den modder en de asch blijven stilstaan om er nog eens over te denken. Eene splinternieuwe herberg, naar verschen kalk en verf riekende, en met een uitzicht op niemendal, had Spoorweg’s Welvaren tot uithangbord genomen; maar dit kon wel eene roekelooze onderneming zijn—en men hoopte ook drank aan de werklieden te slijten. Zoo was de Delvers Ververschingsplaats uit eene oude bierkroeg ontstaan, en was de oude Ham- en Vleeschwinkel in de Spoorweg Restauratie veranderd, om baatzuchtige redenen van dergelijken onmiddellijken en populairen aard. De slaapsteehouders waren insgelijks welgezind en om dezelfde redenen niet te vertrouwen. Het algemeene geloof was zeer traag. Er waren weilanden, koestallen, mest- en aschhoopen, slooten, tuinen, zomerhuisjes en tapijtenklopperijen tot vlak bij den spoorweg. In den oestertijd lagen er hoopjes oesterschelpen, in den kreeftentijd kreeftenschalen, en op alle tijden potscherven en rotte koolbladen verspreid. Scheidspalen, en hekken, en oude waarschuwingen van voetangels en klemmen, en achterzijden van gemeene huizen, en met onkruid begroeide plekjes land schenen er den draak mede te steken. Niets was door den spoorweg bevoordeeld of dacht dit te worden. Als het ellendige stuk braakland, dat er bij lag, had kunnen lachen, zou het den spoorweg hebben uitgelachen, gelijk velen van de ellendige buren deden.

Staggs’s Gardens was buitengemeen ongeloovig. Het was eene kleine rij huizen, met akelige plekjes grond er voor, met oude deuren, duigen van vaten, lappen geteerd zeildoek en doode heesters afgeheind; met bodemlooze blikken ketels en brokken oud ijzer in de openingen gestoken. Hier kweekten de tuiniers van Staggs’s Gardens roode klimboomen, hielden zij kippen en konijnen, bouwden zij wrakke zomerhuisjes (een daarvan was eene oude boot), droogden zij kleeren en rookten zij een pijpje. Sommigen waren van gevoelen dat Staggs’s Gardens zijn naam ontleende van een overleden kapitalist, zekeren mijnheer Staggs, die het voor zijn vermaak had gebouwd. Anderen, die een landelijken smaak hadden, hielden den naam voor afkomstig uit den landelijken tijd toen de herten hier onder het geboomte de schaduw zochten. Dit zij gelijk het wil, Staggs’s Gardens werd door zijne bevolking voor een heilig bosch gehouden, dat niet door spoorwegen zou worden uitgeroeid; en zoo vast geloofde men algemeen dat het alle zulke belachelijke uitvindingen lang zou overleven, dat de schoorsteenveger op den hoek, die voor den toongever der plaatselijke politiek werd gehouden, openlijk had verklaard, dat op den dag wanneer de spoorweg geopend werd, als dit ooit gebeurde, twee van zijne jongens op de schoorsteenen zouden klimmen, met last om van die hoogte de mislukte onderneming uit te jouwen.

Naar deze onheilige plek, waarvan de naam tot dusverre zorgvuldig voor Dombey door zijne zuster was verborgen gehouden, werd kleine Paul nu door het Noodlot en Richards heen gevoerd.

“Dat is mijn huis, Suze,” zeide Richards, er naar wijzende.—“Ei, is het, jufvrouw Richards!” zeide Suze goedgunstig.—“En daar staat waarlijk mijne zuster Jemima aan de deur,” riep Polly, “met mijn eigen kostbaar kind op den arm!”

Dit gezicht gaf Polly’s ongeduld een paar zulke groote vleugelen, dat zij op een draf voortliep, naar Jemima toestoof en in een oogenblik van kinderen met haar verwisselde, tot groote verbazing dier jonge maagd, voor welke de erfgenaam der Dombey’s uit de wolken scheen te zijn gevallen.

“Wel, Polly!” riep Jemima. “Gij! Wat hebt ge mij doen schrikken! Wie zou dat gedacht hebben! Kom binnen, Polly! Wat ziet gij er goed uit! De kinderen zullen half razend worden als zij u zien, Polly; dat zullen zij waarlijk.”

Dat werden zij ook waarlijk, als men oordeelen mocht naar het leven dat zij maakten, en naar de manier waarop zij Polly aanvlogen en naar een stoel in het hoekje van den haard trokken, waar haar eigen goedig appelrond gezicht dadelijk het middelpunt van een tros kleine pippelingen werd, die allen hunne roode wangen dicht daarbij duwden en allen blijkbaar vruchten van denzelfden boom waren. Wat Polly betreft, zij was even luidruchtig en woest als de kinderen; en het was niet voordat zij geheel buiten adem was en de haren haar langs het gloeiende gezicht zwierden, en haar doopgoed erg gehavend was, dat het oproer eenigszins bedaarde. Ook toen nog bleef de kleinste Toodle op een na op haar schoot en hield zich met beide armpjes om haar hals vast, terwijl de kleinste Toodle op twee na achter op haar stoel klom en, met het eene been in de lucht, wanhopige pogingen aanwendde om haar over haar schouder te zoenen.

“Kijk! Daar is een lief klein dametje, dat naar u komt zien,” zeide Polly; “en zie hoe stil zij is! Wat een mooi dametje, niet waar?”

Dit gezegde richtte aller aandacht op Florence, die dit tooneel bij de deur was blijven staan aanzien, en had ook het gelukkige gevolg dat men nu ook behoorlijk op jonge jufvrouw Nipper lette, die reeds begon te denken dat men haar over het hoofd zag.

“O kom toch binnen en ga even zitten, Suze,” zeide Polly. “Dit is mijne zuster Jemima, hier. Jemima, ik weet niet hoe ik het maken zou, als ik Suze Nipper niet had. Zonder haar zou ik nu niet hier zijn geweest.”—“O ga toch zitten, jufvrouw Nipper, als het u belieft,” zeide Jemima.

Suze zette zich met een zeer stijf en deftig gezicht op het uiterste kantje van een stoel.

“Ik ben nog nooit in mijn leven zoo blij geweest dat ik iemand zag; waarlijk niet, jufvrouw Nipper,” zeide Jemima.

Suze liet zich vermurwen, nam wat meer van haar stoel, en glimlachte genadig.

“Maak toch uw hoed los en doe alsof gij thuis waart, als het u belieft, jufvrouw Nipper,” smeekte Jemima. “Ik vrees dat het hier armoediger is dan gij gewoon zijt, maar dat zult gij zeker wel inschikken.”

De zwartoogige liet zich door deze eerbiedige behandeling zoodanig verzachten, dat zij het oudste meisje, dat haar juist voorbijliep, oppakte en op haar schoot nam.

“En waar is mijn lieve jongen?” zeide Polly. “Mijn arm kereltje? Ik ben dien heelen weg gekomen om hem met zijn nieuw pakje te zien.”—“O hoe jammer!” riep Jemima uit. “Wat zal het hem spijten, als hij hoort dat zijne moeder hier geweest is. Hij is naar school, Polly.”—“Al daar naar toe!”—“Ja. Hij is gisteren voor het eerst gegaan, om geene lessen te verzuimen. Maar het is een halve vacantiedag, Polly. Als ge nu maar blijven kondt totdat hij thuis komt, ten minste als jufvrouw Nipper ook wel wil blijven,” zeide Jemima, bijtijds bedacht op de waardigheid der zwartoogige.—“En hoe ziet hij er uit, Jemima?” zeide Polly haperend.—“Wel, hij ziet er waarlijk zoo kwaad niet uit als ge zoudt denken,” antwoordde Jemima.—“Och,” zeide Polly, met aandoening, “ik wist wel dat zijne beentjes te kort moesten zijn.”—“Zij zijn wel wat kort,” antwoordde Jemima, “vooral van achteren; maar zij zullen met iederen dag langer worden, Polly.”

Dit was eene langzame, ver vooruitziende soort van troost; maar de vroolijkheid en goedhartigheid waarmede hij werd toegediend, gaf er eene waarde aan, die hij op zich zelf niet bezat. Na een oogenblik van stilzwijgen vroeg Polly op levendiger toon: “En waar is vader, Jemima lief?” Want bij dezen patriarchalen naam was baas Toodle in zijn huishouden bekend.—“Daar alweer!” zeide Jemima. “Hoe jammer! Vader heeft van morgen zijn eten meegenomen, en komt niet voor van avond thuis. Maar hij spreekt aldoor over u, Polly, en vertelt de kinderen van u, en is de goedigste, geduldigste ziel van de wereld, zooals hij altijd geweest is en zijn zal.”—“Dank daarvoor,” riep de eenvoudige Polly uit, opgetogen over het gezegde en te leur gesteld door de afwezigheid.—“O, gij hebt mij niet te bedanken,” zeide hare zuster, die haar een klinkenden kus op de wang gaf, en toen kleinen Paul vroolijk liet dansen. “Ik zeg wel eens hetzelfde van u, en ik denk het ook.”

In spijt van de dubbele teleurstelling, was het onmogelijk een bezoek, dat met zulk eene ontvangst werd begroet, voor mislukt te houden. De zusters praatten dus vergenoegd over huiselijke zaken, en over Biler, en over al zijne broertjes en zusjes; terwijl de zwartoogige het oudste meisje op haar schoot liet koetsje rijden, en scherpe waarnemingen deed op het huisraad, de houten klok, het hoekbuffet, het kasteeltje op den schoorsteenmantel met groene en roode vensters, dat met een eindje kaars van binnen kon geïllumineerd worden, en de twee zwarte fluweelen katjes, met eene damesreticule in den bek, die door de bewoners van Stagg’s Gardens als wonderen van nabootsende kunst beschouwd werden. Daar het gesprek spoedig eene meer algemeene wending nam, opdat de zwartoogige niet stekelig zou worden, gaf deze jonge dame aan Jemima een kort verslag van alles wat haar van mijnheer Dombey, zijne familie, vooruitzichten, levenswijs en karakter bekend was, benevens een getrouwen inventaris van hare eigene garderobe, en eenig bericht van hare betrekkingen en vriendinnen. Nadat zij door deze mededeelingen haar gemoed had verlicht, verkwikte zij zich met garnalen en porter, en legde zij eene neiging aan den dag om eeuwige vriendschap te zweren.

Kleine Florence zelve verzuimde niet van deze gelegenheid om pleizier te hebben zooveel mogelijk gebruik te maken, want toen zij door de jeugdige Toodle’s naar buiten was gebracht om eenige paddestoelen en andere merkwaardigheden der Gardens te bezichtigen, was zij met hart en ziel behulpzaam tot het aanleggen van een dijkje door een groenachtigen waterplas, die zich in een hoek had verzameld. Zij was nog ijverig aan dien arbeid toen Suze haar kwam opzoeken, die zulk een diep gevoel van plicht had, dat zij zelfs onder den vermurwenden invloed der garnalen, het meisje eene met stompen aangedrongen zedepreek over hare goddelooze ondeugendheid liet hooren, terwijl zij haar gezichtje en handjes waschte, en voorspelde dat zij hare geheele familie van verdriet ten grave zou brengen. Na eenig dralen, veroorzaakt door een vertrouwelijk onderhoud over geldzaken, dat op het bovenkamertje tusschen Polly en Jemima plaats had, werden de kinderen nogmaals uitgewisseld—want Polly had al dien tijd haar eigen kind, en Jemima kleinen Paul gehouden—en namen de bezoeksters afscheid.

Doch eerst werden de jeugdige Toodle’s, slachtoffers van een vroom bedrog, verleid om zich gezamenlijk naar een naburigen komenijswinkel te begeven, zoo het heette om daar een stuiver te besteden; en toen de baan schoon gemaakt was, nam Polly de vlucht, terwijl Jemima haar nog nariep dat, als zij om weer naar huis te gaan den City Road konden nemen, zij zeker den kleinen Biler zouden ontmoeten, die van school kwam.

“Denkt ge dat wij nog tijd zouden hebben om zoover om te gaan, Suze?” vroeg Polly, toen zij bleven stilstaan om adem te scheppen.—“Waarom niet, jufvrouw Richards?” antwoordde Suze.—“Het loopt al tegen onzen etenstijd, weet ge,” zeide Polly.

Maar de genoten hartsterking had hare gezellin meer dan onverschillig voor deze gewichtige bedenking doen worden, en men besloot dus nog zoover om te gaan.

Nu was het geval dat het leven van den armen Biler hem sedert den vorigen ochtend tot een last was geworden, alleen door het costuum der Liefdadige Slijpers. De straatjeugd kon dit niet uitstaan. Geen kwade jongen kon het een oogenblik zien, zonder den onschuldigen drager te lijf te willen. Zijn maatschappelijk aanzijn had meer gelijkenis naar dat van een Christen uit den oudsten tijd, dan naar dat van een onschuldig kind uit de negentiende eeuw. Hij was op de openbare straat gesteenigd, in de goot gesmeten, met modder bespat, met geweld tegen palen geduwd. Volslagen vreemdelingen, die niets van hem wisten, hadden hem zijne opzichtige pet afgenomen en die verder weggegooid. Zijne beentjes waren niet alleen bespot en uitgejouwd, maar ook aangepakt en geknepen. Dien zelfden ochtend had hij onderweg naar de Slijperschool geheel ongevraagd een blauw oog gekregen en was hij daarvoor nog door den meester gestraft, een bejaarden Slijper van kwaadaardig karakter, die tot schoolmeester was aangesteld omdat hij niets wist en tot niets deugde, en wiens gruwelijke rotting eene ware toovermacht over alle welgevleeschde kleine jongens uitoefende.

Zoo kwam het dat Biler om naar huis te komen de minst begane wegen zocht, en door nauwe stegen en achterstraatjes sloop, om zijne pijnigers te ontwijken. Eindelijk genoodzaakt om weder in de groote straat te komen, bracht zijn ongeluk hem daar juist op een punt, waar een troepje jongens, met een bloeddorstigen jongen slager aan het hoofd, op de loer stond om op een of ander pretje te wachten. Toen deze een Liefdadigen Slijper vlak bij zich zagen—als het ware door het noodlot in hunne handen overgeleverd—vlogen zij met een algemeen gejoel op hem aan.

Maar nu gebeurde het dat Polly, die na eene wandeling van een goed uur hopeloos voor zich had uitgezien en gezegd, dat het toch niet baten zou verder te gaan, ook juist dit schouwspel in het oog kreeg. Niet zoodra zag zij het, of zij gaf met een haastigen uitroep den kleinen Paul aan Suze over, en snelde heen om haar ongelukkigen zoon te ontzetten.

Verrassingen, gelijk ongelukken, komen zelden alleen. De verbaasde Suze en de twee kinderen werden door de omstanders bijna onder de wielen van een juist voorbijkomend rijtuig vandaan gehaald, eer zij zelven wisten wat er gebeurd was; en op hetzelfde oogenblik (het was marktdag) werd de onrustbarende kreet van “een dolle stier!” aangeheven.