Dombey en Zoon

Part 6

Chapter 63,869 wordsPublic domain

“Ik zal hem niet wakker maken,” zeide zij, met een hangend hoofd de handjes voor de oogen houdende. “Ik zal hem maar even met mijne hand aanraken en dan gaan slapen. Och, laat ik van nacht maar bij mijn broertje liggen, want ik geloof dat hij veel van mij houdt.”

Richards nam haar zonder een woord te spreken op, droeg haar naar het bedje waarin het kind sliep en legde haar naast het wichtje neer. Florence kroop zoo dicht bij hem als zij kon doen zonder zijne rust te storen; strekte schroomvallig een arm uit, zoodat hij om den hals van haar broertje kwam, verborg haar gezichtje op den anderen arm, waarover hare vochtige losgeraakte haren heenvielen, en bleef toen roerloos liggen.

“Arme kleine,” zeide jufvrouw Tox. “Zij heeft gedroomd, denk ik zeker.”

Dit geringe voorval had den loop van het gesprek zoodanig gestoord, dat het moeielijk weder op te vatten was; en bovendien was mevrouw Chick zoodanig ontroerd door de beschouwing van haar eigen verdraagzaam karakter, dat zij geen lust meer had om te praten. De twee vriendinnen maakten dus spoedig een eind aan haar theedrinken, en er werd een knecht gezonden, om voor jufvrouw Tox eene vigilante te halen. Jufvrouw Tox had groote ondervinding van vigilantes, en als zij met eene zou wegrijden, was dit doorgaans een werk dat tijd kostte, daar zij zeer stelselmatig in de toebereidselen daartoe was.

“Wees zoo goed, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “om eerst met pen en inkt naar buiten te gaan en zijn nommer duidelijk op te schrijven.”—“Ja, jufvrouw!” zeide Towlinson.—“En dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “wees zoo goed om het kussen om te keeren.—Dat is doorgaans vochtig, melieve,” voegde zij er ter zijde tot mevrouw Chick bij.—“Ja, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En dan moet ik u, als het u belieft, Towlinson,” hervatte jufvrouw Tox, “nog met dit kaartje en dezen schelling lastig vallen. Hij moet mij op dit kaartje brengen, en wel verstaan dat hij om geene reden meer dan dien schelling zal krijgen.”—“Neen, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En—het spijt me dat ik u zooveel moeite geef, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox peinzend.—“Geheel niet, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“Zeg den man dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “dat een oom van de dame een rechter is, en dat hij, als hij haar eenige impertinentie toont, schrikkelijk gestraft zal worden. Gij kunt u wel houden, als het u belieft, Towlinson, alsof ge hem dat maar vriendschappelijk zegt, en omdat gij weet dat dit met een ander man gebeurde, die nu al dood is.”—“Zekerlijk, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En nu goeden nacht, mijn lief, lief petekindje,” zeide jufvrouw Tox, met een zacht regentje van kussen bij elke herhaling van het woord “lief.” “En Louise, beste vriendin, beloof me dat ge wat warms zult gebruiken eer ge naar bed gaat, en dat gij u niet bedroefd zult maken.”

Het was met groote moeite dat Susanna Nipper, met de zwarte oogen, die strak stond te kijken, zich bij deze crisis en tot aan het kort daarop volgend vertrek van mevrouw Chick in bedwang hield. Maar toen de kinderkamer eindelijk van de dames was bevrijd, verschafte zij zich eenige vergoeding voor het geweld dat zij zich had aangedaan.

“Ge zoudt me zes weken lang in een dwangjak kunnen zetten,” zeide zij, “en als het uitging zou ik nog maar nijdiger wezen. Wie heeft ooit van twee zulke draken gehoord, Richards?”—“En dan te zeggen dat zij gedroomd had, arm kind!” zeide Polly.—“O, gij lievertjes!” riep Susanna, en neeg voor de deur waardoor de dames waren heengegaan. “Nooit eene Dombey worden zal ze; het is wel te hopen dat ze niet zal; wij hebben er niet meer zoo noodig; een is al genoeg.”—“Maak de kinderen niet wakker, lieve Suze,” zeide Polly.—“Ik ben u wel zeer verplicht, jufvrouw Richards,” zeide Susanna, die in hare gramschap weinig onderscheid tusschen vriend en vijand kende; “ik gevoel mij waarlijk vereerd dat ik bevelen van u ontvang, want ik ben toch maar eene zwarte slavin en mesties. Jufvrouw Richards, als gij mij nog meer orders geven kunt, zeg ze dan maar.”—“Gekheid! Orders!” zeide Polly.—“O lieve deugd, jufvrouw Richards,” riep Susanna, “die maar kort blijft mag de anderen, die voor vast geplaatst zijn, altijd orders geven. Wist ge dat niet? Wel, waar zijt ge dan geboren, jufvrouw Richards? Maar waar gij ook geboren moogt wezen, jufvrouw Richards,” hierbij schudde zij geweldig haar hoofd, “en wanneer en hoe (dat ge zelve best weten zult), gij moogt toch wel onthouden, als het u belieft, dat het één ding is orders te geven, en geheel iets anders ze aan te nemen. Iemand mag een ander zeggen om hals over kop van eene brug te springen in vijf en veertig voet water, jufvrouw Richards, maar de ander kan wel geen lust hebben om te duiken.”—“Zie daar nu,” zeide Polly, “ge zijt boos omdat gij een goedhartig schepsel zijt en veel van jonge jufvrouw Florence houdt; en toch valt ge mij op het lijf, omdat er niemand anders is.”—“Het is heel gemakkelijk voor sommige menschen om in een goed humeur te blijven, jufvrouw Richards,” antwoordde Suze, eenigszins verzacht, “als van hun kind zooveel werk wordt gemaakt als een prins, en het gestreeld wordt tot het zijne vrienden ik weet niet waar zou wenschen; maar als een lief, mooi, onschuldig dingetje, dat nooit een kwaad woord hooren moest, achteraf wordt gezet, dan is het een heel ander geval. Wel heere mijn tijd, jonge jufvrouw Flore, gij goddeloos ondeugend kind, als gij uwe oogen niet dadelijk toedoet, zal ik de bietebauwen roepen die op de vliering wonen om u levend te komen opeten.”

Daarop maakte zij een gruwelijk gebulk, dat van een bietebauw uit het rundergeslacht moest komen, ongeduldig om zijn strengen plicht te vervullen. Nadat zij het meisje verder had gerustgesteld door haar het dek over het hoofd te slaan en het kussen drie of vier nijdige stompen te geven, sloeg zij hare armen over elkander, kneep zij haar mond dicht en bleef zij het overige van den avond naar het vuur zitten kijken.

Schoon men in kinderkamertaal van kleinen Paul zeide, dat hij voor zijn ouderdom heel kennelijk was, lette hij toch op dat alles even weinig als op de toebereidselen tot zijn doopen op den tweeden dag daaraanvolgende, die evenwel—zoover de zorg voor zijn opschik, en die van zijn zusje, de min en de kindermeid betrof—met veel drukte in zijne tegenwoordigheid plaats hadden. Even weinig toonde hij op den bepaalden morgen eenig gevoel van het gewichtige daarvan; hij was integendeel buitengewoon genegen om te slapen en het zijne oppassters kwalijk te nemen dat zij hem kleedden om uit te gaan.

Het was juist een ijzergrauwe najaarsdag, met een guren oostenwind—een dag geheel in overeenstemming met de plechtigheid. Dombey representeerde in zich zelven den wind, de duisternis en het najaarsachtige van dit doopfeest. Hij stond in zijne bibliotheek om het gezelschap te ontvangen, even koud en guur als het weder, en als hij door de glazen kamer naar de boomen in het tuintje keek, kwamen hunne bruine en gele bladeren naar omlaag dwarrelen, alsof zijn blik ze deed verdorren.

Bah! Het waren zwarte, koude kamers; zij schenen, evenals de bewoners van het huis, in den rouw te zijn. De boeken, nauwkeurig volgens de grootte gerangschikt en als soldaten in gelid geschaard, schenen in hunne koude, harde, gladde monteeringen, met hun allen slechts één denkbeeld te hebben, en dat was bevriezend. De boekenkast, met geslotene glazen deuren, weerde alle familiariteiten af. De heer Pitt, in het brons, bovenop, zonder eenig spoor van zijne hemelsche afkomst over zich, bewaarde dien ontoegankelijken schat gelijk een betooverde moor. Eene stofferige urne, uit eene oude grafstede opgedolven, op elken hoogen hoek, predikte rouw en vergankelijkheid, als van twee preekstoelen; en de spiegel in den schoorsteenmantel, welke Dombey en zijn portret in éénen terugkaatste, scheen vol zwaarmoedig gepeins.

Het stijve, hoekerige haardgereedschap scheen nauwer verwantschap dan iets anders daar op Dombey te kunnen doen gelden, met zijn dichtgeknoopten rok, zijne witte das, zijn zwaren gouden horlogeketting en zijne krakende laarzen. Maar dit was voor de komst van mijnheer en mevrouw Chick, die zich weldra vertoonden.

“Mijn beste Paul,” prevelde mevrouw Chick, terwijl zij hem omhelsde, “het begin, hoop ik, van vele blijde dagen.”—“Dank u, Louise,” zeide Dombey stroef. “Hoe vaart ge, mijnheer John?”—“Hoe vaart gij, mijnheer?” zeide Chick.

Hij gaf Dombey de hand, alsof hij vreesde dat die hem zou electriseeren. Dombey nam ze aan alsof zij een visch of eene zeeplant of eene dergelijke klamme zelfstandigheid was, en gaf ze hem terstond met statige beleefdheid weder terug.

“Misschien, Louise,” zeide Dombey, zijn hoofd eenigszins in zijne das omdraaiende, alsof het op eene spil stond, “zoudt ge liever vuur gehad hebben?”—“O mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, die veel moeite had om hare tanden het klapperen te beletten, “voor mij niet.”—“Mijnheer John,” zeide Dombey, “gij voelt toch geene kilheid?”

Mijnheer John, die zijne handen reeds tot over de polsen in zijne broekzakken had gestoken, betuigde dat hij het warm genoeg vond.

Hij voegde er zachtjes bij, “met mijn tiere liere la,” toen hij gelukkig door Towlinson werd gestuit, die jufvrouw Tox aandiende.

En nu trad deze schoone binnen, met een blauwen neus en een onbeschrijfelijk koudbont gezicht, daaraan te wijten dat zij zich, om de plechtigheid eer aan te doen, zeer dun in een warhoop van fladderende lapjes en strookjes had gekleed.

“Hoe vaart gij, jufvrouw Tox?” zeide Dombey.

Te midden harer uitspreidende gazen strooken zonk jufvrouw Tox geheel in elkander, evenals een tooneelkijker die ingeschoven wordt; zij neeg zoo laag uit erkentelijkheid dat Dombey haar een paar stappen te gemoet kwam.

“Ik kan deze gelegenheid nooit vergeten, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zachtjes. “Dat is onmogelijk. Mijne lieve Louise, ik kan haast het getuigenis van mijne zinnen niet gelooven.”

Indien jufvrouw Tox het getuigenis van een harer zinnen gelooven kon, was het een zeer koude dag. Dit was volkomen duidelijk. Zij nam de eerste gelegenheid waar om den bloedsomloop in het tipje van haar neus te bevorderen door dit heimelijk met haar zakdoek te wrijven, opdat het door deszelfs bijzonder lage temperatuur het wichtje niet op eene onaangename wijs zou verbazen, als zij het een kus zou komen geven.

Weldra verscheen dit wichtje, in groote staatsie door Richards gedragen, terwijl Florence, in bewaring van Susanna Nipper, als dienaar van politie, achteraankwam. Hoewel het gezelschapje uit de kinderkamer thans in lichter rouw was gekleed dan in het eerst, had het voorkomen der moederlooze kinderen toch iets, niet geschikt om den dag helderder te doen schijnen. Ook begon het wichtje—misschien was het wel om den neus van jufvrouw Tox—te schreeuwen, en verhinderde daardoor mijnheer Chick in de ongepaste volvoering van een zeer welgemeend voornemen dat hij had, namelijk om bijzonder werk van Florence te maken. Want deze heer, ongevoelig voor de hoogere aanspraken van een volmaakten Dombey (misschien wel omdat hij zelf de eer had van met eene Dombey vereenigd te zijn, en aan dat uitmuntende gewoon was geworden) had waarlijk veel schik in haar, toonde dit ook, en was nu gereed om dit op zijne manier weder te toonen, toen Paul begon te schreien, en zijne wederhelft hem stuitte.

“Kom, Florence, kind!” zeide hare tante levendig. “Wat doet ge nu toch, liefje? Laat u aan hem kijken. Houd hem wat bezig!”

De lucht in het rond werd al kouder en kouder, of had dit wel kunnen worden, terwijl Dombey stijf en stil naar zijn dochtertje stond te kijken, dat in hare handjes klappende voor den troon van zijn zoon en erfgenaam op de teenen ging staan en hem verlokte van zijne hooge waardigheid op haar neer te zien. Eene welgemeende beweging van Richards mag daartoe hebben geholpen, maar hij keek naar omlaag en hield zich stil. Als zijn zusje zich achter de min verschool, volgde hij haar met de oogen; en als zij met een dartelen kreet naar hem kwam uitkijken, sprong hij op en kraaide—hardop lachende als zij op hem kwam toeloopen, en terwijl zij hem met zoentjes smoorde, scheen hij met zijne kleine handjes hare krullen te liefkoozen.

Behaagde het Dombey toen hij dit zag? Hij toonde geen genoegen door het ontspannen van een enkelen trek; maar uitwendige blijken van eenigerlei gevoel waren bij hem iets buitengewoons. Als er een zonnestraal in de kamer sloop om de kinderen onder hun spel te beschijnen, bereikte hij zijn gezicht toch niet. Hij bleef zoo strak en koel toekijken, dat het warme licht zelfs uit de lachende oogen der kleine Florence verdween, toen zij eindelijk toevallig de zijnen ontmoette.

Het was wel een donkere grauwe najaarsdag, en in de korte poos van stilte, die hierop volgde, vielen de bladeren treurig neer.

“Mijnheer John,” zeide Dombey, op zijn horloge ziende, en daarna hoed en handschoenen opnemende. “Neem mijne zuster, als het u belieft; mijn arm is vandaag voor jufvrouw Tox. Gij moest liever met jongen heer Paul vooruitgaan, Richards. Wees heel voorzichtig.”

In Dombey’s koets zaten Dombey en Zoon, jufvrouw Tox, mevrouw Chick, Richards en Florence; in een ander rijtuigje volgden Susanna Nipper en de eigenaar, mijnheer Chick. Susanna keek aanhoudend uit het portier, om niet verlegen te worden, dat zij het groote gezicht van dien heer zoo vlak over zich had, en dacht telkens als er iets rammelde, dat hij eene voegzame vereering voor haar in een papiertje deed.

Eens op weg naar de kerk, klapte Dombey tot vermaak van zijn zoon in de handen; bij welk voorbeeld van vaderlijke geestvervoering jufvrouw Tox verrukt was. Doch met uitsluiting van dit voorval, bestond het voornaamste verschil tusschen dit naar een doop rijdend gezelschap en een gezelschap in eene rouwkoets, in de kleur van de koets en de paarden.

Aan de deur der kerk werden zij door een geduchten kerkeknecht ontvangen. Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen, en naast hem bij het portier bleef staan, scheen wel een tweede kerkeknecht te zijn. Een minder prachtig maar veel geduchter tuchtmeester; de tuchtmeester van den huiselijken kring en het dagelijksche leven.

De hand van jufvrouw Tox beefde, toen zij die door Dombey’s arm stak, en zich, door een steekhoed en een bont gekleurden kraag voorafgegaan, de trappen voelde opleiden. Voor een oogenblik scheen het naar die andere plechtigheid te gelijken.—“Wilt gij dezen man hebben, Lucretia?”—“Ja, ik wil.”—“Breng het kind maar gauw hier uit de lucht,” fluisterde de kerkeknecht, de binnendeur der kerk open houdende.

Kleine Paul had wel met Hamlet mogen vragen: “In mijn graf?” zoo kil en dompig was het daar. De hooge met donkere stof bekleede preekstoel en leeslessenaar, het akelige verschiet van ledige banken, die zich onder de galerijen uitstrekten en tot aan het dak opstegen, waar zij zich in de schaduw van het groote sombere orgel verloren; de stofferige matten en koude steenen zerken; de smerige vrije banken in de zijgangen; en de vochtige hoek bij het klokkentouw, waar de zwarte schragen, bij begrafenissen gebezigd, waren weggeborgen, benevens eenige schoppen en manden en een paar ringen grafachtig touw; de vreemde, onaangename reuk en het lijkachtige licht, alles strookte met elkander. Het was een koud en akelig tooneel.

“Er wordt juist getrouwd, mijnheer,” zeide de kerkeknecht; “maar het zal zoo meteen gedaan zijn, als gij hier maar even in de kerkekamer wilt gaan.”

Eer hij zich weder omkeerde om vooruit te gaan, maakte hij voor Dombey eene buiging met een half glimlachje van herkenning, om aan te duiden dat het hem (den kerkeknecht) nog wel heugde het genoegen te hebben gehad van op hem te wachten toen hij zijne vrouw kwam begraven, en hoopte dat hij sedert wel in zijn schik was geweest.

Zelfs de trouwplechtigheid, die zij zagen toen zij het altaar voorbijgingen, had iets akeligs. De bruid was te oud en de bruidegom te jong, en een oud maar zeer pronkerig gekleed heertje met één oog en een lorgnet voor de andere ledige holte, was bruidsvader, en de vrienden stonden te huiveren. In de kerkekamer rookte het; en een bejaarde, overwerkte en karig betaalde procureursklerk, die “iets moest nazoeken,” liep met zijn voorvinger langs de perkamenten bladen van een ontzaglijk register (een van eene lange reeks dergelijke boeken) propvol aanteekeningen van begrafenissen. Boven den schoorsteen was eene grondteekening van de grafgewelven onder de kerk; en mijnheer Chick, die om het gezelschap te vervroolijken de bijgeschreven verklaring overluid voorlas, had de aanwijzing van mevrouw Dombey’s graf voluit gelezen, eer hij zich kon bedenken.

Na nog eene koude poos wachtens, riep eene aamborstige stoelenzetster, met een kuch, die aan het kerkhof, niet aan de kerk, moest doen denken, hen naar de doopvont. Hier wachtte men nog een poosje terwijl de pas getrouwden en hun gezelschap in de kerkekamer draalden; en ondertusschen liep de aamborstige stoelenzetster, nog harder hoestende,—gedeeltelijk omdat zij dit niet laten kon, gedeeltelijk opdat het aftrekkende gezelschap haar niet zou vergeten—door de kerk rond.

Weldra kwam de klerk (de eenige die er eenigszins vroolijk uitzag—en hij was een aanspreker) met eene kan warm water aan, en terwijl hij dit in de doopvont goot, zeide hij iets van de kilheid weg te nemen, hetgeen millioenen emmers kokend heet water niet hadden kunnen doen. Toen verscheen de geestelijke, een jong hulpprediker, met een zacht en vriendelijk gezicht, maar blijkbaar bang voor het kind, gelijk de hoofdpersoon in eene spookhistorie, “eene lange gedaante geheel in ’t wit;” op wiens gezicht Paul de kerk met zijn geschreeuw vervulde, niet ophoudende voordat hij met een leiblauw gezichtje werd weggebracht.

Zelfs toen dit, tot verademing van alle aanwezigen geschied was, hoorde men hem nog zoolang de plechtigheid verder duurde, in het portaal, nu flauwer dan harder, dan bijna stil, dan weder met een onbedwingbaar gevoel van zijne grieven uitbarstende. Dit trok de aandacht der twee dames zoodanig af, dat mevrouw Chick gedurig den middelgang instapte om boodschappen met de stoelenzetster te zenden, terwijl jufvrouw Tox haar gebedenboek bij het buskruitverraad openhield, en nu en dan de antwoorden uit dat formulier oplas.

Onder dit alles bleef Dombey zoo stijf en statig als ooit, en droeg er misschien toe bij om het zoo koud te maken, dat den jongen hulpprediker onder het lezen eene dampwolk uit den mond vloog. De eenige maal dat hij zijn gezicht eenigszins ontspande, was toen de geestelijke, bij het lezen der toespraak aan het slot (hetgeen hij zeer eenvoudig en zonder eenige gemaaktheid deed) aangaande de toekomstige ondervraging van het kind door de doopgetuigen, toevallig mijnheer Chick aanzag; en toen had men Dombey door een blik vol majesteit kunnen zien uitdrukken, dat hij zijn schoonbroeder wel eens daarop wilde betrappen.

Het zou misschien goed voor Dombey zijn geweest als hij wat minder aan zijne eigene waardigheid had gedacht, en wat meer aan den grooten oorsprong en het gewichtige doel der plechtigheid, waaraan hij zoo stijf en statig deel nam. Zijne verwaandheid stond in een vreemd contrast met de geschiedenis dier instelling.

Toen alles voorbij was, gaf hij zijn arm weder aan jufvrouw Tox en leidde haar naar de kerkekamer, waar hij den geestelijke onderrichtte hoeveel genoegen het hem zou verschaft hebben de eer van zijn gezelschap aan den maaltijd te verzoeken, indien zijne ongelukkige huiselijke omstandigheden dit niet hadden verhinderd. Toen het register geteekend, het doopgeld betaald, de stoelenzetster (die weer zeer erg hoestte) bedacht, de kerkeknecht bevredigd, en de doodgraver (die toevallig in het portaal stond en met groote belangstelling naar het weder keek) niet vergeten was, stapte men weder in de koetsen en reed in dezelfde kille gezelligheid naar huis.

Daar vonden zij den ouden heer Pitt, zijn neus ophalende voor een koud collation, in koude pracht van glas- en zilverwerk opgezet, en dat meer naar een diner op een paradebed dan naar een gezellig onthaal geleek. Bij hunne aankomst bracht jufvrouw Tox een kroesje voor haar petekind te voorschijn, en mijnheer Chick een mes, vork en lepel in een doosje. Dombey haalde een armband voor jufvrouw Tox voor den dag; en bij het ontvangen dezer gedachtenis was jufvrouw Tox teeder aangedaan.

“Mijnheer John,” zeide Dombey, “wilt gij aan het eind van de tafel plaats nemen, als het u belieft. Wat hebt gij daar, mijnheer John?”—“Ik heb hier eene koude kalfsschijf, mijnheer,” antwoordde Chick, zeer hard zijne handen wrijvende. “Wat hebt gij daar, mijnheer?”—“Dit,” antwoordde Dombey, “is eene toebereiding van kouden kalfskop, geloof ik. Ik zie ook koude kippen—ham—kreeften—sla—jufvrouw Tox, wilt ge mij de eer bewijzen om eens te drinken? Champagne voor jufvrouw Tox.”

Er stak kiespijn in alles. De wijn was zoo bitter en koud, dat hij jufvrouw Tox een gilletje afdwong, hetwelk zij met groote moeite in een lachje veranderde. Het kalfsvleesch kwam uit zulk eene luchtige vliegenkast, dat het eerste proefje er van mijnheer Chick een gevoel als van koud lood tot in de teenen zond. Dombey alleen bleef onbewogen. Hij had op eene Russische kermis te koop gehangen kunnen worden als een staaltje van een bevrozen gentleman.

De heerschende invloed was zelfs zijne zuster te erg. Zij deed geene poging tot vleierij of beuzelpraatjes, maar alleen haar best om er zoo warm uit te zien als zij kon.

“Wel, mijnheer,” zeide Chick, na eene lange stilte een wanhopigen sprong doende, en een glas sherry inschenkende; “ik zal dit, mijnheer, als ge mij permitteert, op het welzijn van den kleinen Paul drinken.”—“Zegen hem!” prevelde jufvrouw Tox, een teugje nemende.—“Lieve kleine Dombey!” fluisterde mevrouw Chick.—“Mijnheer John,” zeide Dombey met strengen ernst, “mijn zoon zou zonder twijfel zijne verplichting aan u gevoelen en uitdrukken, als hij reeds in staat was om de gunst, die gij hem bewezen hebt, te waardeeren. Hij zal in vervolg van tijd, vertrouw ik, bewijzen berekend te zijn voor alle verantwoordelijkheid, welke de verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem kunnen opleggen.”

De toon waarop dit gezegd werd liet geen wederantwoord toe, en Chick verzonk dus nogmaals in neerslachtigheid en stilzwijgen. Niet zoo jufvrouw Tox, die met nog meer opgetogene aandacht en nog meer uitdrukking in het overhangen van haar hoofd dan gewoonlijk naar Dombey geluisterd had, en nu over de tafel leunde en zachtjes tot mevrouw Chick zeide:

“Louise!”—“Lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick.—“Gewichtige plichten van onze openbare positie hem mag—ik heb de juiste uitdrukking vergeten.”—“Hem mogen blootstellen,” zeide mevrouw Chick.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” hervatte jufvrouw Tox, “ik geloof van neen. Het was meer welluidend en vloeiend. De verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem—kunnen—opleggen?”—“Opleggen—o wel zeker,” zeide mevrouw Chick.

Jufvrouw Tox klapte zegevierend in hare kleine handjes en zeide, in verrukking hare oogen opslaande: “Dat is welsprekend!”

Dombey had ondertusschen last gegeven dat Richards zou geroepen worden. Deze trad nu nijgende binnen, maar zonder kind, daar Paul, na de vermoeienis van dien morgen, in slaap geraakt was. Nadat Dombey aan deze onderhoorige een glas wijn had gegeven, sprak hij haar met deze woorden aan: vooraf zette jufvrouw Tox haar hoofd reeds op zijde en maakte andere kleine schikkingen om ze in haar hart te graveeren.