Dombey en Zoon

Part 5

Chapter 54,007 wordsPublic domain

“Denk eens aan dezen wijn, bij voorbeeld,” hervatte hij, “die naar de Oost-Indiën en terug is geweest, ik weet niet hoe dikwijls, en eens om de wereld. Denk aan de pikdonkere nachten, de bulderende winden en rollende golven.”—“De donder, de bliksem, de hagel, de regen, en allerlei stormen,” zeide de knaap.—“Juist,” hervatte Gills, “al wat deze wijn heeft doorgestaan. Denk eens hoe de masten en rondhouten buigen en kraken, hoe de wind door het want en de touwen huilt.”—“En hoe het volk omhoog klautert, wedijverend wie het eerst op de ra’s zal liggen om de natte zeilen te reven, terwijl het schip slingert en stampt, alsof het dol was,” riep de neef uit.—“Juist,” zeide Gills, “zoo is het gegaan met het oude vat, waar deze wijn in was. Wel, toen de Bekoorlijke Sally zonk in de....”—“In de Oostzee, in het holle van den nacht, op den veertienden Februari, zeventienhonderd negen en veertig,” riep Walter met groote beweging.—“Juist, juist,” zeide Gills. “Toen waren er vijfhonderd vaten zulken wijn aan boord, en het volk (behalve de bootsman, de eerste luitenant, twee matrozen en eene dame, in eene lekke boot) sloeg de bodems in, dronk zich dronken, en zong “Rule Britannia” met een ontzaglijken schreeuw aan het slot, toen het schip zonk.”—“Maar, oom! toen de George de Tweede strandde op de kust van Cornwall, twee uren voor den dageraad, den zevenden Maart van het jaar een en zeventig, had men bijna tweehonderd paarden aan boord, en in het begin van den storm braken de paarden beneden los, renden op en neer, trapten elkander dood, en maakten zulk een geweld en schreeuwden zoo vreeselijk, dat het volk geloofde, dat het schip vol duivels was, en sommige van de beste matrozen, geheel verbijsterd en wanhopig, over boord sprongen, en maar twee bleven eindelijk in leven, die het geval konden vertellen.”—“En toen de Polyphemus in brand raakte,” zeide Gills, “vier dagen na zijn vertrek van Jamaica, midden in den nacht...”—“Toen waren er twee broeders aan boord,” viel zijn neef er op in, snel en hard sprekende, “en omdat er geen plaats voor beiden was in de eenige boot, die nog niet overladen en gezonken was, wilden geen van beiden er in gaan, tot de oudste den jongste om het lijf pakte en hem er in smeet. En toen riep de jongste, in de boot opstaande: “Edward! denk aan uwe verloofde thuis. Ik ben maar een jongen. Niemand wacht thuis op mij. Spring in mijne plaats.” En toen wierp hij zich in zee.”

De fonkelende oogen en gloeiende kleur van den knaap, die in het vuur van zijn spreken en zijn gevoel was opgestaan, schenen den ouden man aan iets te herinneren, dat hij vergeten had. In plaats van nog meer anekdoten op te halen, gelijk hij een oogenblik vroeger blijkbaar voornemens was geweest, knikte hij droogjes, en zeide: “Als wij nu eens over wat anders gingen spreken!”

De waarheid was, dat de eenvoudige oom, in zijne geheime neiging voor het wonderbare en avontuurlijke, waarmede hij door zijn beroep, als het ware, in de verte verwant was, dezelfde neiging bij zijn neef had aangemoedigd, en dat alles, wat den knaap werd voorgehouden om hem van een avontuurlijk leven af te schrikken, de gewone onverklaarbare uitwerking had van hem er meer smaak in te doen krijgen. Dat is altijd zoo. Het zou schijnen, dat er nooit een boek geschreven of eene geschiedenis verteld wordt met het opzettelijke oogmerk om de jongens aan land te houden, of het spreekt van zelf, dat zij er door naar de zee gelokt worden.

Het gezelschap kreeg thans echter eene vermeerdering door de komst van een man in eene wijde blauwe jas, met een haak, in plaats van eene hand, aan zijn rechterarm, zeer donkere zwarte wenkbrauwen, en een dikken stok, die (evenals zijn neus) met knobbels bedekt was, in zijne linkerhand. Hij droeg een zwarten zijden doek los om zijn hals, en zulk een breed grof hemdsboord, dat het wel een klein zeil geleek. Hij was blijkbaar de persoon, voor wien het derde glas bestemd was, en scheen dit ook te weten; want nadat hij zijne ruige jas had uitgetrokken, en zijn blinkenden hoed—zoo hard dat iemand van fijne zenuwen door het gezicht alleen hoofdpijn kon krijgen, en die ook eene roode streep over zijn voorhoofd naliet alsof hij een klemmenden ijzeren pot had gedragen—aan eene bijzondere pen achter de deur had opgehangen, zette hij een stoel voor het schoone glas neder, en ging er zelf bij zitten. De bezoeker werd doorgaans met den naam “kapitein” aangesproken, en was stuurman, koopvaardij- of kaperkapitein, of misschien alle drie geweest; hij zag er inderdaad zeer zoutwaterachtig uit.

Zijn stroef bruin gezicht helderde op, toen hij oom en neef de hand gaf, maar hij scheen laconisch van aard te wezen, en zeide niets anders dan: “Hoe gaat het?”—“Alles wel,” antwoordde Gills, hem de flesch toeschuivende. Hij nam ze op, bekeek ze, rook er aan, en zeide met buitengewonen nadruk: “De?”—“De!” was het antwoord van den instrumentmaker.

De kapitein floot, terwijl hij zijn glas inschonk, en scheen te denken dat het een bijzondere feestdag moest wezen.

“Walter,” zeide hij, terwijl hij zijn haar, dat dun was, met zijn haak gladstreek, en toen naar den instrumentmaker wees. “Zie hem aan. Liefhebben, eeren en gehoorzamen. Lees uw catechismus na, tot gij dat vindt, en leg er dan een vouwtje bij. Geluk mijn jongen!”

Hij was zoo in zijn schik met zijne aanhaling en toepassing, dat hij niet kon nalaten de woorden nog eens zacht te herhalen, zeggende dat hij er in geen veertig jaren om had gedacht.

“Maar nooit in mijn leven heb ik een woord of drie noodig, Gills!” merkte hij aan, “of ik weet waar ik ze vinden kan. Dat komt er van, dat ik geene woorden verspil, zooals sommige menschen doen.”

Misschien bedacht hij nu, dat hij er ook verder zuinig op moest zijn; ten minste hij zweeg en bleef zwijgen, totdat Gills naar den winkel ging, om licht aan te steken; toen keerde hij zich tot Walter, en zeide zonder eenige inleiding:

“Ik denk, dat hij wel eene klok zou kunnen maken, als hij het beproefde.”—“Het zou mij niet verwonderen, kapitein Cuttle!” antwoordde de knaap.—“En wat zou die loopen!” zeide de kapitein, met zijn haak een zwier door de lucht makende. “Wat zou die klok loopen!”

Een oogenblik scheen hij verzonken in de beschouwing van zijn denkbeeldig uurwerk, en keek Walter aan, alsof diens gezicht de wijzerplaat was.

“Hij is propvol geleerdheid,” merkte hij eindelijk aan, zijn haak naar de instrumenten zwaaiende. “Zie maar eens! Daar is eene verzameling. Aarde, lucht of water, alles eveneens. Zeg maar wat gij gedaan wilt hebben. Omhoog met een luchtbol? Daar! Naar beneden met eene duikerklok? Daar! Wilt gij de noordstar in eene schaal gelegd en gewogen hebben? Hij zal het voor u doen.”

Men kan hieruit opmaken, dat de kapitein een diepen eerbied voor de instrumenten koesterde, en dat hij weinig of geen onderscheid maakte tusschen het verkoopen en het uitvinden daarvan.

“Ja!” zeide hij, met een zucht: “Het is iets moois, dat alles te verstaan. Maar het is ook iets moois, het niet te verstaan. Ik weet haast niet wat het beste is. Het is zoo genoeglijk, hier te zitten, en te gevoelen, dat men u zou kunnen wegen, meten, magnetiseeren, electriseeren, polariseeren, den drommel met u spelen, zonder dat ge ooit zoudt weten hoe.”

Er was niets minder noodig geweest dan de wonderbare madera, vereenigd met de gelegenheid (die het wenschelijk maakte om Walter een lesje te geven) om zijne tong zoo los te maken, dat hij zulk eene verbazend lange redevoering uitsprak. Hij scheen zelf verwonderd dat hij de bron had ontdekt van het stille genot, waarmede hij tien jaren lang alle zondagen in dat achterkamertje was komen eten, en zweeg peinzend stil.

“Kom!” zeide Gills, uit den winkel terugkomende, “eer gij uw glas grog neemt, Edward, moeten wij de flesch leegmaken.”—“Sta bij,” zeide Edward, inschenkende. “Schenk den jongen ook nog eens in.”—“Niet meer, oom! dankje.”—“Ja, ja,” zeide Gills, “nog een beetje. Wij zullen de flesch uitdrinken op het kantoor. Walter’s kantoor! Het kan toch wel eens gedeeltelijk zijn kantoor worden; wie weet het! Richard Whittington trouwde zijn meesters dochter, hoewel mijnheer Dombey geene dochter heeft...”—“Ja, ja, hij heeft er eene, oom!” zeide de knaap blozende en lachende.—“Heeft hij?” riep de oude man uit. “Ja, nu geloof ik het ook.”—“Ik weet het zeker,” zeide Walter. “Eenigen van hen spraken er vandaag over in het kantoor. En zij zeggen, oom en kapitein Cuttle!” hier liet hij zijne stem dalen, “dat hij een hekel aan haar heeft, en dat zij onder de boden blijft, zonder dat hij acht op haar geeft, en dat zijn geest er zoo vol van is, dat zijn zoon in het kantoor zal komen, hoewel die zoon nog een bakerkindje is, dat hij meermalen dan te voren eene balans laat opmaken, en de boeken stipter naziet, en dat men zelfs gezien heeft, toen hij dacht dat men het niet zag, dat hij naar de dokken ging en zijne schepen en goederen bezichtigde, alsof hij zich er mede streelde, dat hij en zijn zoon die nu te zamen zullen bezitten. Zoo zeggen zij. Ik weet het natuurlijk niet.”—“Gij ziet, dat hij reeds alles van haar weet,” zeide de instrumentmaker.—“Gekheid, oom!” zeide de knaap, nog jongensachtig blozende en lachende. “Hoe kan ik helpen, dat ik hoor wat zij mij vertellen.”—“De zoon is ons nu een beetje in den weg, naar ik vrees, Edward!” zeide de oude man schertsende.—“Erg,” antwoordde de kapitein.—“Evenwel, wij zullen zijne gezondheid drinken,” hervatte Gills. “Dat is op Dombey en Zoon!”—“Goed, oom!” riep de knaap vroolijk. “Maar nu gij van haar gesproken hebt, en er bijgevoegd, dat ik alles van haar wist, zal ik zoo vrij zijn om den toast te verbeteren. Daarom op Dombey—en zoon—en dochter!”

V.

PAUL GROEIT VOORSPOEDIG EN WORDT GEDOOPT.

Kleine Paul, die uit het bloed der Toodle’s geene smetstof opnam, werd van dag tot dag grooter en sterker. Van dag tot dag werd hij ook vuriger door jufvrouw Tox geliefkoosd, wier hartelijkheid in zooverre door Dombey werd gewaardeerd, dat hij haar voor eene zeer verstandige vrouw begon te houden, wier gevoel haar tot eer strekte en aanmoediging verdiende. Hij was zoo mild met zijne nederbuigende goedheid, dat hij niet alleen bij verschillende gelegenheden in het bijzonder voor haar boog, maar ook zijne zuster nu en dan een statig compliment voor haar opdroeg, zooals: “Zeg uwe vriendin, Louise, dat zij zeer goed is,” of “zeg jufvrouw Tox, Louise, dat ik haar verplicht ben;” onderscheidingen, welke op de aldus vereerde dame een diepen indruk maakten.

Jufvrouw Tox was gewoon mevrouw Chick dikwijls te verzekeren, dat niets hare belangstelling kon te boven gaan in alles wat maar met de ontwikkeling van dat lieve kind in betrekking stond; en iemand die haar gedrag waarnam had dit ook zonder zulk eene verklaring wel kunnen begrijpen. Zij woonde de onschuldige maaltijden van den jeugdigen erfgenaam met onuitsprekelijk genoegen bij, bijna met een gezicht alsof zij evenveel deel had aan het onthaal als Richards. Bij de kleine ceremoniën van het bad en toilet was zij met geestdrift behulpzaam. Het toedienen van kinderlijke medicijnen deed al de levendige sympathie van haar gemoed ontwaken; en toen zij bij zekere gelegenheid in eene kast was verscholen (waarin zij uit zedigheid de vlucht had genomen) toen Dombey door zijne zuster in de kinderkamer werd gebracht, om zijn zoon, die naar bed geholpen werd, in een kort en luchtig linnen japonnetje, eene kleine wandeling, tegen den heuvel van Richard’s japon op, te zien doen, was jufvrouw Tox zoo verrukt dat zij niet nalaten kon uit te roepen: “Is hij niet lekker, mijnheer Dombey! Is hij geen Cupidootje, mijnheer!” en toen bijna achter de kastdeur neerzonk van verlegenheid en schaamte.

“Louise,” zeide Dombey eens tot zijne zuster, “ik denk waarlijk, dat ik uwe vriendin eene kleine gedachtenis moet vereeren bij gelegenheid als Paul gedoopt wordt. Zij heeft van den eersten af zooveel hartelijkheid voor het kind getoond, en schijnt hare positie zoo wel te begrijpen (eene zeer zeldzame verdienste in deze wereld, moet ik met leedwezen zeggen) dat het mij waarlijk aangenaam zou zijn haar een blijk van onderscheiding te geven.”

Laat het de verdiensten van jufvrouw Tox niet verkleinen, als hier wordt aangestipt, dat in de oogen van Dombey, gelijk in sommige anderen die wel eens het licht zien, diegenen alleen zulk een toppunt van kennis bereikt hadden, dat zij hunne eigene positie begrepen, die een gepasten eerbied voor de zijne toonden. Hunne verdienste was niet zoozeer daarin gelegen, dat zij zich zelven kenden, als dat zij hem kenden en laag voor hem bogen.

“Mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “gij laat jufvrouw Tox niet meer dan recht wedervaren, gelijk ik wel wist dat een man van uw doorzicht doen zou. Ik geloof, als er drie woorden in de taal zijn, waarvoor zij eene achting heeft, die bijna tot eerbied gaat, het de woorden zijn: Dombey en Zoon.”—“Wel,” zeide Dombey, “ik wil het gelooven. Het strekt jufvrouw Tox tot eer.”—“En wat een gedachtenisje betreft, beste Paul,” vervolgde zijne zuster, “kan ik niets anders zeggen, dan dat alles wat ge jufvrouw Tox maar geven kunt, als eene reliquie bewaard en vereerd zal worden. Maar er is een middel, mijn beste Paul, om uw gevoel voor de vriendelijkheid van jufvrouw Tox op eene nog vleiender manier te toonen, als ge daartoe genegen mocht zijn.”—“Hoe zoo?” vroeg Dombey.—“Het is natuurlijk een punt van belang, wat connectie en invloed betreft, welke peten een kind krijgt,” hervatte mevrouw Chick.—“Ik weet niet waarom zij dat voor mijn zoon zouden wezen,” zeide Dombey koel.—“Heel waar, beste Paul,” hervatte mevrouw Chick, met eene buitengewone vertooning van levendigheid, “en heel juist uitgedrukt. Ik had niet anders van u kunnen verwachten. Ik had wel kunnen weten dat dit uw gevoelen zou zijn. Misschien,” hier haperde mevrouw Chick weder, als niet gerust of zij wel op den rechten weg was, “misschien is dat wel eene reden waarom gij er minder bezwaar in zoudt hebben om jufvrouw Tox tot meter van den lieven kleine te nemen, al was het maar als plaatsvervangster van iemand anders. Dat dit als eene groote eer en onderscheiding zou worden opgenomen, Paul, behoef ik niet te zeggen.”—“Louise,” zeide Dombey na eene korte poos van stilte, “het is niet te vooronderstellen...”—“Zeker niet,” riep mevrouw Chick, zich haastende om eene weigering vooruit te loopen; “ik heb het ook nooit gedacht.”

Dombey zag haar ongeduldig aan.

“Laat mij niet schrikken, lieve Paul,” zeide zijne zuster, “want daar kan ik niet tegen. Ik ben lang niet sterk. Ik ben, sedert die arme lieve Fanny stierf, nog niet recht op mijn verhaal gekomen.”

Dombey keek eens naar den zakdoek, dien zijne zuster voor hare oogen hield, en hervatte:

“Het is niet te vooronderstellen, zeg ik...”—“En ik zeg,” prevelde mevrouw Chick, “dat ik het ook nooit gedacht heb.”—“Goede hemel, Louise!” zeide Dombey.—“Neen; mijn lieve Paul,” bracht zij met tranen en deftigheid hiertegen in, “ik moet waarlijk mogen spreken. Ik ben niet zoo knap, of zoo beredeneerd, of zoo welsprekend, of zoo iets anders als gij zijt. Dat weet ik heel wel. Zooveel te erger voor mij. Maar al waren het de laatste woorden die ik spreken moest—en laatste woorden moeten voor u en mij iets heel ernstigs wezen, Paul, na die arme lieve Fanny—dan zou ik nog zeggen, dat ik het nooit gedacht had. En wat meer is,” voegde mevrouw Chick er met nog grootere deftigheid bij, alsof zij haar verpletterend argument tot nog toe had teruggehouden, “ik heb het ook nooit gedacht.”

Dombey ging eens naar het venster en kwam weder terug.

“Het is niet te vooronderstellen, Louise,” zeide hij (mevrouw Chick had hare vlag aan den mast gespijkerd, en herhaalde “dat weet ik wel,” maar hij lette er niet op) “of er zijn velen die, vooronderstellende dat ik in zulk een geval eenige aanspraken erkende, hoogere aanspraken op mij zouden hebben dan jufvrouw Tox. Maar dat doe ik niet. Ik erken zoo iets niet. Paul en ik zullen in staat zijn, als die tijd komt, om pal te staan—het kantoor, met andere woorden, zal in staat wezen om pal te staan, en zich te handhaven, en zich voort te planten, alleen en van zelf, zonder zulke alledaagsche hulpmiddelen. De soort van vreemde hulp welke de menschen gewoonlijk voor hunne kinderen zoeken, ben ik in staat te verachten, ben ik boven verheven, hoop ik. Als Paul’s kindsheid maar gelukkig verloopt, en ik hem zonder tijdverzuim geschikt zie worden voor de loopbaan, waarvoor hij bestemd is, ben ik tevreden. Hij zal zich vermogende vrienden maken zooveel hij wil, in later tijd, als hij werkzaam is om het aanzien en crediet der firma te handhaven,—en uit te breiden, als dat mogelijk is—tot zoolang ben ik genoeg voor hem, misschien, en alles in alles. Ik wil veel liever mijne gevoeligheid toonen voor de verplichtende handelwijs van een verdienstelijk persoon gelijk uwe vriendin. Laat het dus zoo zijn; en uw man en ik zullen kunnen volstaan voor de andere getuigen, durf ik zeggen.”

Door deze gezegden, met groote statigheid uitgesproken, had Dombey waarlijk de geheime gewaarwordingen van zijn hart geopenbaard. Een onbeschrijfelijk wantrouwen dat zich iemand tusschen hem en zijn zoon zou plaatsen; eene trotsche vrees dat hij in den eerbied en de onderdanigheid van den knaap een mededinger of deelgenoot zou krijgen; een pijnlijke twijfel, pas bij hem opgekomen, dat hij niet onfeilbaar was in zijne macht om den wil van andere menschen te buigen en te dwingen; eene even pijnlijke benauwdheid voor eene tweede teleurstelling of belemmering; dit waren toen de heerschende aandoeningen zijner ziel. In al zijn leven had hij nooit een vriend gehad. Zijn koud en stug gemoed had er evenmin een gezocht als gevonden. En thans, nu dat gemoed zijne geheele kracht verzamelde om ze op een partijdig plan van vaderlijke baatzucht en eerzucht te richten, was het alsof de bevrozen stroom, in plaats van door dien invloed vrij te worden en helder voort te vloeien, slechts voor een oogenblik was ontdooid om zijn last op te nemen, en toen daarmede tot een enkel onbewegelijk blok was bevrozen.

Aldus om hare onbeduidendheid tot het meterschap van den kleinen Paul verheven, was jufvrouw Tox van dat uur af tot dien post gekozen en benoemd; en Dombey gaf verder zijn welbehagen te kennen dat de plechtigheid, reeds lang vertraagd, zonder verder uitstel zou plaats hebben. Zijne zuster, die zulk een uitstekend gelukkigen afloop niet had durven verwachten, verwijderde zich zoodra zij maar kon, om dien aan hare beste vriendin mede te deelen, en Dombey bleef alleen in zijne bibliotheek.

In de kinderkamer heerschte alles behalve eenzaamheid; want daar genoten mevrouw Chick en jufvrouw Tox een gezelligen avond, tot zoo groot misnoegen van Susanna Nipper, dat die jonge jufvrouw elke gelegenheid waarnam om achter de deur leelijke gezichten te trekken. Haar gevoel was bij deze gelegenheid zoodanig opgewonden, dat zij het onmisbaar vond zich deze verlichting te geven, zonder zelfs het genoegen van toeschouwers of deelneming te hebben. Gelijk de dolende ridders van den ouden tijd hun gemoed verlichtten door de namen hunner meesteressen in woestijnen en andere eenzame plaatsen te snijden of te graveeren, waar geene waarschijnlijkheid was dat ooit iemand zou komen om ze te lezen, zoo trok Susanna Nipper haar mopneusje schimpend in latafels en kleerkassen op, zoo schoot zij blikken van minachting in een buffet, en spottend schele lonken in eene steenen kan: zoo zond zij tegenspraak en scheldwoorden buiten de deur den gang in.

De twee indringsters, die in eene zalige onbewustheid van de gevoelens der jonge juffer verkeerden, bleven echter gerust zitten terwijl kleine Paul werd uitgekleed, zijne luchtige wandeling deed, nog eens de borst nam en naar bed werd geholpen, en zetten zich toen bij het vuur om thee te drinken. De twee kinderen sliepen nu, door de goede diensten van Polly, in deze kamer; en het was niet voordat de dames aan hare theetafel waren gevestigd, dat zij toevallig naar de bedjes ziende, om Florence dachten.

“Wat slaapt zij gerust,” zeide jufvrouw Tox. “Wel, ge weet, melieve, zij heeft tegenwoordig veel beweging over dag,” antwoordde mevrouw Chick, “nu zij zoo druk met kleinen Paul speelt.”—“Zij is een wonderlijk kind,” zeide jufvrouw Tox.—“Melieve,” antwoordde mevrouw Chick zeer zacht. “Hare mama, heel en al.”—“Waarlijk!” zeide jufvrouw Tox. “Och Heere!”

Jufvrouw Tox zeide dit op een toon van het diepste medelijden, schoon zij niet wist waarom, behalve dat dit van haar verwacht werd.

“Florence zal nooit, nooit, nooit een Dombey worden,” zeide mevrouw Chick, “niet al wordt zij duizend jaar oud.”

Jufvrouw Tox trok hare wenkbrauwen op en was wederom vol medelijden.

“Ik kwel en pijnig mij zelve over haar,” zeide mevrouw Chick, met een zuchtje van bescheidene verdienste. “Ik weet waarlijk niet wat er van haar worden moet als zij ouder wordt, of wat hare positie zal moeten zijn. Zij neemt haar papa in het minste niet voor zich in. Hoe kan men ook denken dat zij dat zou doen, daar zij zoo weinig naar een Dombey gelijkt?”

Mevrouw Tox keek alsof zij tegen zulk eene bondige redeneering niets zag in te brengen.

“En het kind, ziet ge,” zeide mevrouw Chick in diep vertrouwen, “heeft heel en al het karakter van die arme lieve Fanny. Zij zal zich in later tijd nooit eene inspanning vergen, durf ik wel zeggen. Nooit! Zij zal zich nooit om haar vaders hart slingeren en winden gelijk...”—“Gelijk het klimop?” gaf jufvrouw Tox in bedenking.—“Gelijk het klimop,” stemde mevrouw Chick toe... “Nooit! Nooit zal zij zich in haar papa’s boezem verschuilen, en in zijne genegenheid sluipen gelijk—de...”—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Tox.—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Chick. “Nooit! Arme Fanny! En hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”—“Gij moet u maar niet bedroeven, lieve vriendin,” zeide jufvrouw Tox met eene troostende stem. “Kom, kom, waarlijk niet! Gij hebt al te veel gevoel.”—“Wij hebben allen onze gebreken,” zeide mevrouw Chick schreiende en haar hoofd schuddende. “Dat durf ik wel zeggen. Ik ben nooit blind voor de hare geweest. Dat heb ik nooit gezegd. Verre van daar. Maar hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”

Welk eene voldoening was het voor mevrouw Chick—eene tamelijk alledaagsche zottin, bij welke vergeleken, hare schoonzuster een engel van vrouwelijk verstand en zachtaardigheid was geweest—de nagedachtenis dier dame met zulke verschoonende zachtheid te behandelen—evenals zij haar zelve in haar leven had gedaan—en zoo geheel in zich zelve te gelooven, zich zelve te foppen, en zich zoo ongemeen te streelen met de kracht harer verdraagzaamheid! Welk eene aangename deugd moet de verdraagzaamheid wezen als wij gelijk hebben, wanneer zij reeds zoo aangenaam is als wij ongelijk hebben en geheel buiten staat zijn om aan te toonen hoe wij met het voorrecht bekleed komen om haar te mogen uitoefenen!

Mevrouw Chick zat nog hare oogen af te drogen en haar hoofd te schudden, toen Richards de vrijheid nam om haar te waarschuwen dat jonge jufvrouw Florence wakker was en overeind zat. Zij was overeind gekomen, gelijk de min zeide, en hare oogleden waren nat van tranen. Maar niemand zag ze glinsteren behalve Polly. Niemand anders boog zich over haar heen en fluisterde haar troostende woorden toe, of was dichtbij genoeg om het onstuimig kloppen van haar hartje te hooren.

“O lieve min,” zeide het kind, haar ernstig aanziende. “Laat ik bij mijn broertje liggen.”—“Waarom, liefje?” zeide Richards.—“Och, ik denk dat hij mij wel liefheeft,” riep het kind verwilderd uit. “Laat ik bij hem liggen. Och toe!”

Mevrouw Chick kwam nu met eenige moederlijke woorden tusschen beiden om haar te beduiden dat zij als een zoet kind moest gaan slapen, maar Florence herhaalde haar smeekend verzoek met een angstig gezichtje en eene door snikken afgebroken stem.