Part 4
Toen de kleine Florence schroomvallig aankwam, bleef Dombey stilstaan, om naar haar te zien. Indien hij met meer belangstelling en het oog van een vader had gezien, had hij in haar scherpen blik het verlangen en de vrees kunnen lezen, die haar deden aarzelen; het hartstochtelijke verlangen om naar hem toe te loopen, zich aan hem vast te klemmen, en uit te roepen: “O vader! tracht mij toch lief te hebben; er is niemand anders!” de vrees om teruggestooten te worden, de vrees om te stout te wezen en hem te verstoren; hare medelijdenswaardige behoefte aan eenige geruststelling en aanmoediging, en hoe haar overkropt jeugdig hart rondzocht om eene natuurlijke rustplaats te vinden voor zijne smart en liefde.
Maar hij zag niets hiervan. Hij zag haar besluiteloos aan de deur blijven staan en naar hem kijken, en anders zag hij niets.
“Kom binnen,” zeide hij, “kom binnen. Waar is het kind bang voor?”
Zij kwam binnen, en nadat zij eene poos met onzekerheid had rondgezien, bleef zij bij de deur staan, hare handjes stijf tegen elkander drukkende.
“Kom hier, Florence!” zeide haar vader koel. “Weet ge wie ik ben?”—“Ja, papa!”—“Hebt gij niets tegen mij te zeggen?”
De tranen, die haar in de oogen stonden, toen zij die naar zijn gelaat opsloeg, werden bevrozen door de uitdrukking, die zich daarop vertoonde. Zij sloeg ze weer neder, en sloeg hare bevende hand uit.
Dombey nam die losjes in de zijne en bleef een oogenblik op haar nederzien, als wist hij even weinig als het kind wat hij zeggen of doen zou.
“Kom, wees een zoet meisje,” zeide hij, terwijl hij haar op het hoofd klopte en haar, als het ware steelsgewijze, met een onrustigen, twijfelenden blik aanzag. “Ga nu maar naar Richards.”
Zijn dochtertje aarzelde nog een oogenblik, als wilde zij nog bij hem blijven, of als had zij eene flauwe hoop, dat hij haar in zijne armen zou opnemen en een kus geven. Zij zag nog eens naar hem op. Hij dacht, hoezeer de uitdrukking van haar blik geleek naar dien, waarmede zij op dien avond naar den dokter had omgezien, liet onwillekeurig hare hand los, en keerde zich om.
Het was niet moeielijk op te merken, dat Florence zich in haar vaders bijzijn in een zeer ongunstig licht vertoonde. Zijne tegenwoordigheid was niet slechts een bedwang voor het gemoed van het meisje, maar zelfs voor de natuurlijke bevalligheid en vrijheid van hare bewegingen. Evenwel bleef Polly des te sterker bij haar voornemen, toen zij dit zag, en daar zij over Dombey naar zich zelve oordeelde, stelde zij veel vertrouwen in de stilzwijgende voorspraak van het rouwkleed der arme Florence. “Het zou wel ongelukkig wezen,” dacht zij, “dat hij maar met één moederloos kind veel zou ophebben, terwijl hij er nog een, en dat wel een meisje, voor zijne oogen heeft.”
Derhalve hield Polly haar voor zijne oogen, zoolang als zij kon, en wist met den kleinen Paul zoo om te springen, dat hij door het gezelschap van zijn zusje blijkbaar veel levendiger werd. Toen het tijd was om weder naar boven te gaan, had zij Florence wel naar de andere kamer willen zenden, om haar vader goedennacht te zeggen, maar het meisje was beschroomd en schoof achteruit; en toen zij haar nogmaals aanzette, hield zij hare handen voor hare oogen, als ware het om hare eigene onwaardigheid te verbergen, en zeide: “O neen, neen! Hij wil mij niet hebben. Hij wil mij niet hebben.”
Het kleine geschil tusschen de twee had Dombey’s aandacht getrokken, en hij vroeg van de tafel, waar hij bij zijn wijn zat, wat er te doen was.
“Jonge juffer Florence was bang dat zij u storen zou, mijnheer, als zij binnenkwam, om u goeden nacht te wenschen,” zeide Richards.—“Dat komt er niet op aan,” antwoordde Dombey. “Gij kunt haar laten komen en gaan, zonder op mij te letten.”
Het meisje huiverde, terwijl zij luisterde, en was weg eer hare nederige vriendin weder omzag.
Polly verheugde zich echter niet weinig over het gelukken harer welgemeende list, en over de behendigheid, waarmede zij die had uitgevoerd. Zij deelde alles aan Susanna mede, toen zij weder veilig boven verschanst zat. Deze nam echter dit bewijs van vertrouwen, alsmede het bericht van haar toekomstigen vrijen omgang, tamelijk koel op, en was lang niet uitgelaten in hare vreugdeblijken.
“Ik dacht, dat gij er mede in uw schik zoudt zijn geweest,” zeide Polly.—“O ja, jufvrouw Richards, ik ben ook in mijn schik, wel verplicht,” antwoordde Susanna, die zich eensklaps zoo stijf recht hield, dat zij eene balein meer in haar korset scheen gestoken te hebben.—“Gij toont het toch niet,” zeide Polly.—“O!” hervatte Susanna, “daar ik eene vaste plaats heb, kan men niet verwachten, dat ik het zoo toonen zal als iemand, die maar voor behulp is. Noodhulpen hebben hier alles voor, naar ik zie; maar hoewel er een goede muur tusschen dit huis is en dat naast aan, is het toch wel mogelijk, dat ik er niet graag naar toe wil gaan, jufvrouw Richards!”
IV.
WAARIN NOG EENIGEN OP HET TOONEEL VAN DIT VERHAAL DEBUTEEREN.
Hoewel het kantoor van Dombey en Zoon binnen het rechtsgebied van Londen stond, zelfs binnen het gehoor der Bow klokken, als hare luide stemmen niet door het straatrumoer verdoofd werden, kon men echter in sommige nabijzijnde voorwerpen sporen van romaneske en avontuurlijke dingen opmerken. Gog en Magog hielden hun hof op tien minuten gaans afstand; de beurs was dichtbij; de bank van Engeland met hare gewelven vol goud en zilver, “onder den grond, tusschen de dooden,” was een trotsche nabuur. Even om den hoek stond het rijke Oost-Indische Huis, dat aan kostbare stoffen en steenen, aan tijgers, olifanten, howda’s, hoeka’s, zonneschermen en palankijns deed denken, en aan statige bruine prinsen op tapijten zittende, met muilen met omgekrulde teenen aan de voeten. Overal in den naasten omtrek zag men afbeeldingen van schepen, die met volle zeilen naar alle werelddeelen heenspoedden; magazijnen van uitrusting, gereed om iemand binnen een half uur, van alles voorzien, weg te zenden, waarheen het ook wezen mocht, en kleine houten adelborsten met ouderwetsche uniformen, die zich buiten de deuren der zeevaartkundige instrumentmakers eeuwiglijk bezig hielden met het doen van waarnemingen op voorbijrijdende huurkoetsen.
Eenig heer en eigenaar van een dezer beelden—van dat, hetwelk men wel het houtigste van allen had kunnen noemen—dat met de meest onuitstaanbare vriendelijkheid met het rechterbeen vooruit naar de straat scheen te komen, het ongerijmdste vest met panden en de onredelijkste schoengespen droeg en den onevenredigsten octant voor zijn rechteroog hield—eenig heer eigenaar van dien adelborst, en trotsch op hem ook, had een bejaard man, met een gepoeierde pruik, reeds meer jaren lang huishuur en belastingen voor zijn winkel betaald dan menig volwassen adelborst van vleesch en bloed er in zijn leven geteld heeft; en aan adelborsten die al op jaren beginnen te komen heeft men op de Engelsche vloot geen gebrek.
De winkelvoorraad van dezen ouden heer bestond uit chronometers, barometers, verrekijkers, kompassen, kaarten, octanten, quadranten, en allerlei soorten van instrumenten, die gebezigd worden tot het besturen en berekenen van den koers van een schip. Dingen van koper en glas lagen op zijne planken en in zijne laden, waaraan niemand, behalve een ingewijde, kon ontdekken wat onder of boven was, of kon raden waartoe ze dienen moesten, of ze, na ze bekeken te hebben, zonder hulp weder in hunne mahoniehouten kistjes pakken. Alles was in de nauwste doosjes gepast en ingeklemd, achter en tusschen stijve kussentjes, en in scherpe hoeken geschroefd, om te verhinderen dat de mathematische rust door het woelen der zee verstoord werd. Zooveel vernuft was er toe gebezigd om ruimte te winnen en te sparen, en zooveel practicale zeevaartkunde was in elk kistje opgeschroefd en ingepast, dat de winkel zelf, als ware het door iets aanstekends, een schipachtig voorkomen had aangenomen, en slechts naar een gunstigen wind scheen te wachten, om naar een of ander onbewoond eiland te varen.
Vele geringe bijzonderheden in het huiselijk leven van den scheepsinstrumentmaker, die trotsch op zijn adelborstje was, konden deze inbeelding versterken. Daar zijne meeste kennissen proviandmeesters enz. waren, had hij altijd een overvloed van echte scheepsbeschuit op zijne tafel, waarop ook naar teer ruikend gedroogd vleesch en tong een gewoon verschijnsel was. Augurkjes werden in groote steenen potten, met het adres van een handelaar in victualiën voorzien, opgezet—brandewijn in vierkante kelderflesschen zonder hals. Oude prenten van schepen, met alphabetische verklaringen van al hunne geheimen, hingen in lijsten aan de muren; het fregat de Tartaar, onder zeil, stond op de borden; buitenlandsche horens, schelpen en zeegewassen, versierden den schoorsteenmantel, en het met eikenhout beschoten achterkamertje kreeg licht door eene lantaarn, evenals eene kajuit.
Hier woonde hij ook met schipperachtige deftigheid, en geheel alleen met zijn neef Walter, een knaap van veertien jaren, die in zijn voorkomen genoeg van een adelborst had, om den algemeenen zweem van het geheel nog te versterken. Maar verder ging die zweem ook niet, want Samuel Gills zelf—doorgaans werd hij oude Sam genoemd—was ver van het voorkomen van een zeeman te hebben. Om niet te spreken van zijne gepoeierde pruik, zulk eene stijve pruik als iemand ooit droeg, en waarmede hij er nooit zeemanachtig uitzag, was hij een langzaam, zacht sprekend, nadenkend oud man, met oogen zoo rood, als waren het kleine zonnen, die u door een mist tegenblonken, en hij keek zoo nuchter, als had hij eenige dagen achtereen door al de optische instrumenten van zijn winkel getuurd, en als was hij zoo pas naar de wereld teruggekomen, om zich te verwonderen, dat ze groen was. De eenige verandering, die men ooit in zijn uitwendigen mensch had opgemerkt, was van een compleet koffiebruin pak met sterk glimmende knoopen, tot hetzelfde pak, met uitzondering van de broek, die toen bleek nankin was geworden. Hij droeg eene zeer net geplooide jabot, en een uitmuntenden bril op zijn voorhoofd. In zijn horlogezakje had hij een ontzaglijken chronometer, en liever dan aan dat kostbaar instrument te twijfelen, zou hij geloofd hebben, dat al de klokken en horloges in de stad, ja de zon zelve, er tegen hadden saamgezworen. Zooals hij nu was, had men hem jaren achtereen in den winkel en het achterkamertje achter den houten adelborst gezien; elken avond geregeld naar bed gaande op een tochtigen zolder, ver van al de andere bewoners van het huis, waar het, wanneer zij, die lager woonden, weinig of geheel niet dachten wat voor weder het buiten was, dikwijls waaide om er bang van te worden.
Het is half zes op een namiddag in den herfst, dat de lezer en Samuel Gills kennis maken. Hij ziet juist op zijn onfeilbaren chronometer hoe laat het is. Reeds voor een uur of langer is in de City de gewone verhuizing begonnen, en de menschenstroom golft nog steeds westwaarts heen. “De straten zijn al zeer gedund,” zooals Gills het uitdrukt. Het dreigt een regenachtige avond te worden. Al de weerglazen in den winkel zijn gezakt, en de regen blinkt reeds op het steekje van den houten adelborst.
“Het verwondert mij waar Walter blijft!” zeide Gills, nadat hij den chronometer zorgvuldig weder opgestoken had. “Het eten heeft al een half uur klaargestaan, en nog geen Walter.”
Zich omdraaiende op zijn stoeltje achter de toonbank, keek hij uit tusschen de instrumenten voor het venster, om te zien of zijn neef ook aankwam. Neen: hij was niet tusschen de wiegende parapluen te ontdekken, en zeker was hij ook de courantenjongen niet, die bezig was met op het koperen plaatje aan de deur zijn eigen naam met zijn voorvinger over dien van den heer Gills te schrijven.
“Als ik niet wist, dat hij te veel van mij houdt om weg te loopen, en tegen mijn zin aan boord van een schip te gaan, zou ik ongerust beginnen te worden,” zeide Gills, met zijne knokkels tegen een paar weerglazen tikkende. “Dat zou ik inderdaad. He, wat regent het! Nu, het is wel noodig.—Ik geloof,” vervolgde hij, terwijl hij het stof van een kompas afblies, “dat gij niet rechter en trouwer naar de achterkamer wijst, dan de lust van den jongen naar de zee. En de achterkamer kan ook niet vlakker liggen. Vlak noord, geen twintigste van een streek op zijde.”—“Holla, oom Sam!”—“Holla, mijn jongen!” riep de instrumentmaker, zich driftig omkeerende. “Zoo, zijt ge daar?”
Een vroolijke, gezonde knaap, met een blank gezicht, heldere oogen en krullende haren, opgefrischt van door den regen naar huis te loopen, stond voor hem.
“Wel oom, hoe hebt ge het den geheelen dag zonder mij gesteld? Is het eten klaar? Ik heb zoo’n honger!”—“Wat stellen betreft,” antwoordde Gills schertsend, “het zou vreemd wezen als ik het niet veel beter kon stellen zonder een jongen rekel zooals gij, dan ik het met hem kan. Wat het eten betreft, dat staat al een half uur naar u te wachten. Wat honger aangaat, ik heb ook honger.”—“Kom dan voort, oom!” riep de knaap. “Hoezee voor den admiraal!”—“Wat admiraal?” zeide Gills hierop. “Gij meent den Lord Mayor.”—“Neen, dien meen ik niet!” riep de knaap. “Hoezee voor den admiraal! Voorwaarts!”
Op dit commando werden pruik en pruikdrager, zonder tegenstand te bieden, naar het achterkamertje geduwd, als aan het hoofd van een entertroep van vijf honderd man, en oom Sam en zijn neef zaten spoedig aan gebakken tongen, met het vooruitzicht op beefsteak daarna.
“De Lord Mayor, Walter,” zeide Gills. “Geen admiralen meer. De Lord Mayor is uw admiraal. Maar, luister eens, Walter, kijk eens naar den schoorsteenmantel.”—“Heer, wie heeft mijn zilveren kroes daar aan een spijker opgehangen?” riep de knaap uit.—“Ik,” antwoordde zijn oom. “Geen kroezen nu meer. Vandaag moeten wij uit glazen beginnen te drinken, Walter. Wij zijn mannen van zaken. Wij behooren tot den koopmansstand. Van morgen hebben wij onze intrede gedaan.”—“Wel oom,” zeide de knaap. “Ik wil alles uitdrinken wat ge verkiest, zoolang ik u kan toedrinken. Dit is op uwe gezondheid, oom, en hoezee voor...”—“Den Lord Mayor!” viel de oude man er op in.—“Voor den Lord Mayor, de Sheriffs en al de anderen!” zeide de knaap. “Lang mogen zij leven!”
Oom knikte weltevreden en zeide: “Laat ons nu iets van het kantoor hooren.”—“O, van het kantoor is niet veel te vertellen,” antwoordde de knaap, druk bezig met mes en vork. “Het is eene rij donkere kamers, en in de kamer waar ik zit, is een hoog vuurscherm, en eene ijzeren kist, en eenige biljetten van schepen, die uitzeilen, en een almanak en eenige lessenaren en kantoorstoelen, en eene inktflesch, en eenige boeken en doozen, en een heele boel spinnewebben, en in een daarvan, vlak boven mijn hoofd, eene verschrompelde blauwe vlieg, die er uitziet, alsof zij daar wie weet hoelang gehangen had.”—“Anders niet?” vroeg de oom.—“Neen, anders niet, behalve een vogelkooitje,—het verwondert mij, hoe dat daar ooit gekomen is,—een kolenemmer.”—“Geen boeken, papieren, wissels, of andere teekenen van schatten, die dagelijks worden omgezet?” vroeg zijn oom met een vriendelijken nadruk op ieder woord.—“O ja, daarvan zal wel overvloed wezen, denk ik,” antwoordde de neef onverschillig, “maar al die soort van dingen zijn in mijnheer Carker’s kamer, of in mijnheer Morfin’s kamer, of in mijnheer Dombey’s kamer.”—“Is mijnheer Dombey er vandaag geweest?”—“O ja, hij loopt den geheelen dag in en uit.”—“Hij zal zich niet met u bemoeid hebben, denk ik?”—“Ja wel; hij kwam achter mijn stoel—ik wou wel dat hij niet zoo statig en stijf was, oom!—en zeide: “Zoo, zijt gij de zoon van Gills den instrumentmaker?”—“Neef, mijnheer!” zeide ik. “Ik heb ook neef gezegd, jongen!” zeide hij. Maar ik kan er op zweren, oom, dat hij zoon zeide.”—“Gij zult u vergist hebben, maar dat doet er niet toe.”—“Neen, het doet er niet toe; maar hij behoeft toch zoo scherp niet te wezen, dacht ik. Er stak geen kwaad in, al had hij zoon gezegd. Toen zeide hij mij, dat gij met hem over mij hadt gesproken, en hij mij daarom werk op zijn kantoor had gegeven, en dat ik zeer oplettend en stipt moest zijn, en toen ging hij heen. Ik dacht dat hij niet veel zin in mij had.”—“Gij meent, denk ik,” zeide de instrumentmaker, “dat gij niet veel zin in hem hadt?”—“Wel mogelijk oom!” antwoordde de knaap lachende; “maar daaraan heb ik niet gedacht.”
Gills’ gezicht stond wat ernstiger, terwijl hij een eind maakte aan zijn maaltijd, en van tijd tot tijd een blik wierp op het heldere gezicht van den knaap. Toen de tafel was afgenomen—het maal was van een naburigen gaarkok gehaald—stak hij eene kaars aan, en ging beneden in een keldertje, terwijl zijn neef, op de vochtig uitslaande trap staande, hem gedienstig lichtte. Na eene poos rondgetast te hebben, kwam hij terug met eene flesch, die er zeer goed uitzag en met eene laag van stof en vuil was bedekt.
“Wel, oom, wat gaat ge doen?” zeide de knaap. “Dat is die wonderbare Madera. Er is nog maar ééne flesch meer van.”
Oom knikte, ten teeken dat hij zeer wel wist wat hij deed; en nadat hij in plechtige stilte de kurk had afgetrokken, schonk hij twee glazen in, en zette de flesch en nog een schoon glas op de tafel.
“De andere flesch zult gij drinken, Walter,” zeide hij, “als gij tot fortuin zijt gekomen; als gij een geacht, welvarend en gelukkig man zijt; als de intrede, die gij vandaag hebt gedaan, u, zooals ik hoop en bid, zal gebracht hebben op een effen gedeelte van den weg, dien gij te bewandelen hebt. Op uw welzijn!” Zijne stem was eenigszins heesch, en zijne hand beefde, toen hij met zijn neef de glazen liet klinken. Maar toen hij eens den wijn had geproefd, dronk hij zijn glas ledig als een man, en smakte daarna smakelijk met zijne lippen.—“Beste oom,” zeide de knaap, zich houdende alsof hij er licht over dacht, hoewel de tranen hem in de oogen stonden, “voor de bewezene eer, en al wat er dan volgt! Nu verzoek ik u te mogen instellen, Mijnheer Samuel Gills! En gij zult bedanken, oom, als wij de laatste flesch te zamen drinken, niet waar?”
Zij klonken nog eens met hunne glazen, en Walter, die zuinig was op zijn wijn, nam er een teugje van, en hield toen zijn glas voor zijn oog, waarbij hij het gezicht van een kenner trachtte te zetten.
Zijn oom zat hem eene poos stilzwijgend aan te zien. Toen hunne oogen elkander eindelijk ontmoetten, vervolgde hij overluid zijne gedachten over het onderwerp, dat hem bezig hield, alsof hij er al dien tijd over had gesproken.
“Gij weet wel, Walter,” zeide hij, “dat deze winkel eigenlijk maar eene gewoonte van mij is. Ik ben er zoo aan gewend, dat ik niet zou kunnen leven, als ik er van afstapte; maar er is niets in te doen, niets in te doen. Toen die uniform gedragen werd,” naar den houten adelborst wijzende, “toen was er nog fortuin te maken, en werd er ook fortuin gemaakt. Maar concurrentie, nieuwe uitvindingen—de wereld is mij voorbijgeloopen. Ik weet nauwelijks waar ik zelf ben, veel minder waar mijne klanten zijn.”—“Laat hen maar loopen, oom!”—“Sedert gij van de school te Peckham thuis zijt gekomen, bij voorbeeld, en dat is tien dagen geleden, herinner ik mij niet dat er meer dan één mensch in den winkel is gekomen.”—“Twee, oom, weet ge niet meer? Die man, die een souverein wilde wisselen....”—“Dat is die eene.”—“Wel oom, en telt gij dan die vrouw niet, die den weg vroeg naar Mile-End Turnpike?”—“O, dat is waar, die had ik vergeten. Twee menschen.”—“Zij kochten wel niets,” zeide de knaap.—“Neen, zij kochten niets,” herhaalde Gills zonder ontevredenheid.—“En zij hadden ook niets noodig.”—“Neen, als zij iets noodig gehad hadden, zouden zij naar een anderen winkel zijn gegaan,” zeide Gills, even bedaard.—“Maar er waren er toch twee, oom,” riep de knaap, als ware dit eene groote reden tot blijdschap; “en gij hebt er maar één gezegd.”—“Nu, Walter,” hervatte Gills na eene korte poos van stilte, “daar wij niet gelijken naar de wilden, die op Robinson’s eiland kwamen, kunnen wij niet leven van een man, die een souverein wil wisselen, en eene vrouw, die naar den weg vraagt. Gelijk ik zoo even zeide, de wereld is mij voorbijgeloopen. Ik ben er niet ontevreden op, maar ik begrijp haar niet meer. Werkbazen zijn dezelfde niet meer als voorheen, leerjongens ook niet, zeelieden ook niet, en wat zij noodig hebben ook niet. Zeven achtste van mijn voorraad is ouderwetsch; ik ben een ouderwetsch man, in een ouderwetschen winkel; in eene straat, die niet meer zoo is als ik haar mij herinner. Ik ben ten achter geraakt bij mijn tijd, en ben te oud om hem in te halen. Zelfs het gerucht dat hij maakt, ver vooruit, verbijstert mij.”
Walter wilde spreken, maar zijn oom hief zijne hand op.
“Daarom, Walter,” vervolgde hij, “daarom ben ik zoo verlangend, dat gij vroeg de wereld intreedt en de wereld op het spoor komt. Ik ben nog maar eene schim van mijn beroep—de zelfstandigheid is lang verdwenen, en als ik sterf, verdwijnt de schim ook. Daar mijn winkel dus eigenlijk geene erfenis voor u is, heb ik het best geacht tot uw voordeel gebruik te maken van het bijna eenige overschot van mijne oude klanten, dat uit lange gewoonte nog bij mij blijft. Sommige menschen denken, dat ik rijk ben. Ik wenschte om uwentwil, dat zij gelijk hadden. Maar wat ik ook na te laten heb, of wat ik u geven kan, in zulk een huis als bij Dombey zijt gij op weg om het goed te leeren gebruiken. Wees vlijtig, doe uw best om er lust in te krijgen, goede jongen, werk om een onafhankelijk bestaan te bekomen, en wees gelukkig.”—“Ik wil alles doen, wat ik kan, om uwe genegenheid te verdienen, oom! Dat wil ik waarlijk,” zeide de knaap met ernst.—“Dat weet ik,” hervatte Gills. “Daarvan ben ik zeker.” En nu dronk hij met smaak een tweede glas oude madera. “Wat de zee betreft,” vervolgde hij, “dat is mooi genoeg in verbeelding, Walter, maar in de werkelijkheid gaat het niet aan. Het is natuurlijk, dat gij er om denkt, uit gewoonte aan de dingen die gij hier ziet; maar het gaat niet aan, het gaat niet aan.”
De oude man wreef echter met heimelijk genoegen in zijne handen, terwijl hij van de zee sprak, en overzag met genot de voorwerpen om hem heen, die met de zeevaart in betrekking stonden.