Dombey en Zoon

Part 10

Chapter 103,962 wordsPublic domain

Na de ongenade en verbanning van Richards, werd de kinderkamer om zoo te zeggen aan eene commissie opgedragen gelijk een ministerie somtijds gedaan wordt, als men geen Atlas kan vinden die in staat is om het alleen te torschen. De commissarissen waren natuurlijk mevrouw Chick en jufvrouw Tox, die zich met zulk een verbazenden ijver aan hare plichten toewijdden, dat majoor Bagstock dagelijks eene nieuwe herinnering aan zijne verlatenheid kreeg, terwijl mijnheer Chick, van alle huiselijk opzicht ontslagen, zich in de vermaken der wereld stortte, in clubs en koffiehuizen dineerde, bij drie verschillende gelegenheden naar tabak rook, alleen naar de komedie ging, kortom (gelijk mevrouw Chick hem eens zeide) zich van alle maatschappelijke en zedelijke verplichtingen losmaakte.

Evenwel konden, in weerwil van hetgeen hij vroeger had beloofd, al deze waakzaamheid en zorg den kleinen Paul niet tot een voorspoedig kind maken. Misschien reeds zwak van gestel, begon hij, nadat zijne min was weggezonden, te kwijnen en te vermageren, en scheen hij lang slechts eene gelegenheid af te wachten om door de handen te glippen en zijne verlorene moeder te gaan opzoeken. Hij kwam wel op zijn steeple-chase naar den mannelijken leeftijd over dezen gevaarlijken grond heen, maar vond den rit toch nog moeielijk genoeg, en leed veel aanstoot van al de hindernissen in zijn ren. Elke tand was eene schutting waarover hij bijna den hals brak, ieder puistje, toen hij de mazelen kreeg, was een steenen muur voor hem. Bij elke vlaag van den kinkhoest stortte hij neer, en dan werd hij door een geheelen jachttroep van kleine ziekten overreden en vertrapt, die elkander op de hielen volgden om hem te beletten weder op te staan.

De koude bij zijn doop was bij hem misschien op een gevoelig deel van zijn gestel gevallen, dat zich in de even koude schaduw van zijn vader niet weder kon herstellen; maar hij was van dien dag af een ongelukkig kind. Jufvrouw Wickam zeide dikwijls dat zij nog nooit een kind zoo sukkelig had gezien.

Jufvrouw Wickam was de vrouw van een logementknecht—hetgeen met een ander mans weduwe zou schijnen gelijk te staan—welker aanzoek om bij Dombey in dienst te komen gunstig was opgenomen, daar het bijna onmogelijk scheen te zijn, dat zij iemand zou hebben, die haar naliep, of iemand om na te loopen; en die, een paar dagen nadat Paul zoo streng was gespeend, was aangesteld om hem op te passen. Jufvrouw Wickam was eene zachtzinnige vrouw, met eene blanke kleur, altijd eenigszins opgetrokken wenkbrauwen en een neerhangend hoofd, altijd gereed om zich zelve te beklagen of te laten beklagen, en anderen te beklagen; en die eene verwonderlijke natuurlijke gaaf had om alle dingen in een jammerlijk licht te beschouwen, en schrikkelijke voorbeelden daarvan aan te halen, en in de uitoefening van dit talent den grootsten troost scheen te vinden.

Het is bijna niet noodig aan te merken, dat geen zweem van deze eigenschap ooit de kennis van den statigen Dombey bereikte. Het zou wel opmerkelijk zijn geweest, als dit gebeurd was, terwijl niemand in huis—zelfs mevrouw Chick en jufvrouw Tox niet—hem had durven toefluisteren dat er ooit de minste reden was geweest om zich over den kleinen Paul ongerust te maken. Hij was het met zich zelven eens, dat het kind noodzakelijk zekere reeks van geringe ziekten moest doorloopen, en dat wel hoe eer hoe beter. Als hij hem had kunnen vrijkoopen, of een plaatsvervanger stellen, gelijk bij het trekken van een ongelukkig nommer voor de militie, zou hij dit gaarne gedaan hebben, zonder op geld te zien. Maar dewijl dit niet doenlijk was, verwonderde hij zich slechts nu en dan, op zijne hooghartige manier, wat de natuur toch daarmede wilde, en troostte hij zich met de gedachte dat men daarmede wederom een mijlsteen van den weg voorbij was, en het groote doel der reis zooveel nader was gekomen. Want het gevoel dat thans bij hem de overhand had en, naarmate Paul ouder werd, meer en meer toenam, was ongeduld. Ongeduld naar dien tijd in het verschiet, wanneer de droomgezichten hunner vereenigde grootheid zegevierend verwezenlijkt zouden worden.

Sommige wijsgeeren zeggen ons dat zelfzucht de wortel van al onze aandoeningen, zelfs van de edelste liefde is. Dombey’s jongste kind was hem, van den eersten af, zoo duidelijk om die reden gewichtig, dewijl het een deel van zijne eigene grootheid, of (hetgeen hetzelfde is) van de grootheid van Dombey en Zoon was, dat het niet te betwijfelen is of men had voor zijne vaderlijke genegenheid, gelijk voor menig fraai gebouw van weidschen naam, een zeer lagen grondslag kunnen opsporen. Maar hij had zijn zoon toch lief met al de liefde die hij had. Indien er in zijn bevroren hart een warm plekje was, had zijn zoon het in bezit; indien de harde oppervlakte van dat hart den indruk van eenig beeld kon ontvangen, stond daar het beeld van zijn zoon; hoewel niet zoozeer als kind, of knaap, maar als volwassen man—als de “Zoon” der firma. Daarom was hij ongeduldig om de toekomst te bereiken en over de tusschenkomende toevalligheden heen te snellen. Daarom was hij, in weerwil van zijne liefde, daarover weinig of niet ongerust; want het was hem alsof het kind een betooverd leven had en de man moest worden, met wien hij in zijne gedachten reeds gestadig omging, en voor wien hij dagelijks plannen en ontwerpen maakte, alsof hij reeds werkelijk bestond.

Zoo werd Paul bijna vijf jaren oud. Hij was een aardig knaapje, hoewel zijn smal gezichtje iets schraals en scherps had, dat jufvrouw Wickam dikwijls veelbeteekenend het hoofd deed schudden. Zijn humeur gaf overvloedige beloften dat het op later leeftijd heerschzuchtig zou zijn; en hij had zulk een duidelijk begrip van zijn eigen gewicht en van het rechtmatige, dat alle andere dingen en personen hem dienstbaar en onderworpen moesten zijn, als eenig hart kon verlangen. Hij was somtijds kinderlijk en speelziek genoeg, en niet stug van aard; maar somtijds had hij ook eene vreemde, oudmannetjesachtige manier om in zijn leuningstoeltje te zitten peinzen, en dan zag hij er uit (en zoo praatte hij ook) als een van die schrikkelijke wezentjes in de tooversprookjes, die, al zijn zij honderd vijftig of tweehonderd jaren oud, nog het fantastische beeld vertoonen van de kinderen waarvoor zij verruild zijn. Dikwijls kreeg hij zulk eene vlaag boven op de kinderkamer; en somtijds kwam hij er plotseling toe, met den uitroep dat hij moe was, zelfs terwijl hij met Florence speelde of met jufvrouw Tox paardje reed. Maar nooit kwam hij er zoo zeker toe, als wanneer hij, met zijn stoeltje naar zijn vaders kamer gebracht, daar met dezen na den maaltijd bij het vuur zat. Zij waren op zulk een tijd het zonderlingste paar, dat ooit door een vuur is beschenen. Dombey, zoo statig rechtop naar de vlam starende; zijn klein afbeeldsel, met een oud, oud gezichtje en met de strakke aandacht van een peinzend wijsgeer in den rooden gloed turende. Dombey hield zich met ingewikkelde wereldsche plannen en berekeningen bezig,—zijn klein afbeeldsel met, de hemel weet welke, grillige verbeeldingen, halfgevormde gedachten en ongeregelde bespiegelingen. Dombey stijf van stijfsel en eigenwaan, zijn klein afbeeldsel even stijf bij erfenis en door onwillekeurige nabootsing. Die twee zoozeer aan elkander gelijk, en toch zulk een verbazend contrast.

Bij een dezer gelegenheden, toen zij beiden langen tijd hadden stilgezwegen, en Dombey alleen wist dat het kind wakker was door het nu en dan naar de oogen te kijken, waarin het heldere vuur flonkerde als een juweel, verbrak kleine Paul aldus de stilte:

“Papa, wat is geld?”

Deze onverwachte vraag stond in zulke onmiddellijke betrekking met Dombey’s eigene gedachten, dat hij er geheel door van zijn stuk raakte.

“Wat geld is, Paul?” antwoordde hij. “Geld?”—“Ja,” zeide het kind, zijne handjes op de armleuningen van zijn stoeltje leggende en met zijn oud gezichtje naar Dombey opziende; “wat is geld?”

Dombey bevond zich in verlegenheid. Hij had hem gaarne eene opheldering willen geven, waarin van de verschillende ruilmiddelen, edele metalen, munt, papier, wisselkoers, en zoo voort, melding moest gemaakt worden; maar naar het stoeltje kijkend, en ziende hoever omlaag dat nog was, antwoordde hij: “Goud zilver en koper. Guinjes, schellingen en stuivers. Gij weet immers wel wat die zijn!”—“O ja, ik weet wel wat die zijn,” zeide Paul; “maar dat meen ik niet papa. Ik meen, wat is eigenlijk geld?”

Hemel en aarde, hoe oud was het gezichtje, waarmede hij weder naar zijn vader opzag!

“Wat eigenlijk geld is?” zeide Dombey, zijn stoel wat achteruitschuivende, om vol verbazing het verwatene wezentje, dat zulk eene vraag deed, te beter aan te zien.—“Ik meen, papa, wat kan het doen?” hervatte Paul, zijne armpjes over elkander slaande (die nauwelijks lang genoeg waren om over elkander te slaan), terwijl hij eerst naar het vuur en toen naar hem, en weder naar het vuur en weder naar hem opkeek.

Dombey schoof zijn stoel weder bij en klopte hem op het hoofd. “Dat zult ge door den tijd wel beter leeren, manneke,” zeide hij. “Geld, Paul, kan alles doen.” Hij vatte het lichte handje en tikte er zacht mede op zijne eigene hand terwijl hij dit zeide.

Maar Paul trok zoo gauw hij kon zijne hand los, en die op de armleuning van zijn stoeltje wrijvende, alsof zijn verstand in de palm zat en hij het wilde slijpen, en wederom naar het vuur kijkende, alsof het vuur de raadsman was die hem zijne vragen influisterde, zeide hij, na een poosje bedenkens:

“Alles, papa?”—“Ja—nagenoeg,” zeide Dombey.—“Alles,” herhaalde de kleine nog eens bij zich zelven. Het beperkende bijvoegsel had hij niet opgemerkt, of misschien niet begrepen, en vervolgde toen hardop. “Waarom heeft het geld dan mijne mama niet gered? Het is immers niet boosaardig, niet waar?”—“Boosaardig!” zeide Dombey, zijne das verschuivende, en eenigszins verstoord, naar het scheen, over zulk een denkbeeld. “Neen. Iets goeds kan niet boosaardig wezen.”—“Als het iets goeds is en alles kan doen,” zeide de kleine peinzend en weder naar het vuur kijkende, “dan verwondert het mij, dat het mijne mama niet heeft gered.”

Ditmaal was dit geene vraag, die hij tot zijn vader richtte. Misschien had hij, met de schranderheid van een kind, gezien dat hij dezen reeds verdrietig had gemaakt. Maar hij herhaalde de gedachte overluid, alsof zij iets zeer ouds voor hem was en hem reeds dikwijls had lastig gevallen; en bleef met de kin in de hand zitten kijken en peinzen, alsof hij in het vuur eene opheldering zocht.

Toen Dombey zich van zijne verrassing, om niet te zeggen van zijn schrik had hersteld (want het was de eerste maal dat het kind van zijne moeder tot hem sprak, schoon hij het avond aan avond evenzoo naast hem had zien zitten) verklaarde hij Paul hoe het geld, schoon een machtige geest, en waarvan men vooral geen kwaad moest spreken, geene menschen in leven kon houden, voor wie de tijd gekomen was om te sterven; en hoe wij allen moeten sterven, ongelukkig zelfs in de City, hoe rijk wij ook zijn. Maar hoe het geld ons geëerd, gevreesd, geacht, gediend en gevierd deed worden, en ons in de oogen van alle menschen machtig en aanzienlijk maakte, en hoe het zelfs dikwijls den dood zeer lang kon weghouden. Hoe het, bij voorbeeld, zijne mama de diensten van mijnheer Pilkins had verschaft, waarvan Paul zelf ook dikwijls nut had gehad; zoo mede van den grooten dokter Parker Peps, dien hij nooit gekend had. Hoe het alles kon doen wat maar te doen was. Dit alles, en nog meer van dien aard, prentte Dombey zijn zoon in den geest, die aandachtig luisterde en het meeste van hetgeen hem gezegd werd zeer wel scheen te verstaan.

“Het kan mij ook niet sterk en heelemaal gezond maken, niet waar papa; kan het wel?” zeide Paul na eene korte poos van stilte, zijne magere handjes wrijvende.—“Wel, gij zijt immers sterk en geheel gezond,” antwoordde Dombey. “Zijt ge niet?”

O, hoe oud was het gezichtje dat naar hem opzag, en met eene uitdrukking half van treurigheid, half van slimheid daarin!

“Ge zijt immers zoo sterk en gezond als zulke kleine jongens gewoonlijk zijn? He?” zeide Dombey.—“Florence is ouder dan ik, maar ik ben niet zoo gezond en sterk als Florence, dat weet ik wel,” antwoordde het kind; “en ik geloof, dat, toen Florence zoo klein was als ik, zij veel langer achtereen kon spelen zonder moe te worden. Ik ben somtijds zoo moe,” zeide kleine Paul, zijne handjes warmende, en tusschen de traliën van den haard kijkende, alsof daar een spookachtig poppenspel werd vertoond, “en mijn gebeente doet dan zoo zeer (jufvrouw Wickam zegt, dat het mijn gebeente is) dat ik niet weet wat ik doen zal.”—“Ja, maar dat is ’s avonds,” zeide Dombey, zijn stoel dichter bij dien van zijn zoon schuivende, en hem de hand zacht op den rug leggende, “kleine jongens moeten ’s avonds moe zijn, want dan slapen zij goed.”—“O, het is niet ’s avonds, papa,” antwoordde het kind; “het is overdag; en dan ga ik op Florence’s schoot liggen, en dan zingt zij voor mij. En des nachts droom ik van zulke won-der-lijke dingen.”

En hij bleef zijne handjes zitten warmen en peinzen, gelijk een oud manneke of een jong kaboutertje.

Dombey was zoo verbaasd, en zoo slecht op zijn gemak, en zoo verlegen hoe hij het gesprek zou voortzetten, dat hij niets kon doen dan zijn zoon in het schijnsel van het vuur te blijven aanzien, met de hand nog op zijn rug, alsof die daar door eene magnetische aantrekking werd vastgehouden. Eens stak hij zijne andere hand uit en lichtte hij even het peinzende gezichtje naar het zijne op. Maar zoodra hij het losliet, zocht het wederom het vuur; en zoo bleef Paul zitten, naar de flikkerende vlam gekeerd, tot zijne oppasster kwam om hem naar bed te halen.

“Ik wil dat Florence mij komt halen,” zeide Paul.—“Wilt ge dan niet met uwe goede jufvrouw Wickam meegaan, jonge heer Paul?” zeide deze jufvrouw zeer aandoenlijk,—“Neen, ik wil niet,” antwoordde Paul, en zette zich weder te recht op zijn stoeltje, alsof hij in huis heer en meester was.

Met eene zegenspraak over zijne onnoozelheid, ging jufvrouw Wickam heen, en kort daarop verscheen Florence. Paul sprong terstond vlug en gewillig overeind, en hief, om zijn vader goedennacht te zeggen, een gezichtje op, zooveel helderder, zooveel jonger, over het geheel zooveel kinderlijker, dat Dombey door die verandering in groote mate gerustgesteld, er tevens zeer verbaasd over was.

Toen zij te zamen de kamer uit waren, meende hij eene zachte stem te hooren zingen: en zich herinnerende hoe Paul gezegd had dat zijne zuster voor hem zong, had hij de nieuwsgierigheid om de deur te openen, hen na te zien en te luisteren. Zij zwoegde de breede holle trap op, met Paul in hare armen; zijn hoofdje lag op haar schouder, en een van zijne armpjes was om haar hals geslagen. Zoo tobden zij voort, zij den geheelen weg over zingende, en Paul somtijds flauw neuriënde om met haar mee te doen. Dombey zag hen na tot zij boven aan de trap waren gekomen—niet zonder onderweg eens te staan rusten—en uit zijne oogen verdwenen. Toen bleef hij nog naar boven staan kijken, tot de bleeke stralen der maan, die met eene treurige schemering door de traplantaarn vielen, hem weder naar zijne kamer deden gaan.

Mevrouw Chick en jufvrouw Tox werden des anderen daags tot eene raadsvergadering aan het diner geroepen; en toen de tafel was afgenomen, opende Dombey de handelingen door te verzoeken, dat men hem zonder eenige terughouding of bewimpeling zou onderrichten, of Paul iets scheelde en wat mijnheer Pilkins van hem zeide.

“Want het kind is wel niet zoo stevig,” zeide Dombey, “als ik kon wenschen.”—“Met uwe gewone scherpzinnigheid, mijn beste Paul,” antwoordde mevrouw Chick, “hebt gij het in eens juist getroffen. Onze lieveling is niet geheel zoo stevig als wij konden wenschen. De zaak is dat zijn geest hem te sterk is. Zijne ziel is veel te groot voor zijn lichaam. Inderdaad, de manier waarop dat lieve kind praat,” vervolgde zij, haar hoofd schuddende, “zou niemand gelooven. Zijne uitdrukkingen, Lucretia, gisteren nog, over begrafenissen!—”—“Ik vrees,” viel Dombey haar netelig in de rede, “dat sommige van die lieden boven het kind op ongepaste onderwerpen brengen. Hij sprak mij gisteravond van—van zijn gebeente,” zeide Dombey, een gramstorigen nadruk op dat woord leggende. “Wat op de wereld heeft iemand te maken met—met het gebeente van mijn zoon? Hij is toch geen levend geraamte, zou ik denken.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick, met onbeschrijfelijke kracht.—“Dat hoop ik ook,” hervatte haar broeder. “Dan weer—begrafenissen. Wie praat het kind van begrafenissen? Wij zijn toch geen aansprekers of doodgravers naar mij dunkt.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick op denzelfden toon als te voren.—“Wie brengt hem dan toch zulke dingen in het hoofd?” zeide Dombey. “Ik was er gisteravond waarlijk van ontzet. Wie brengt hem toch zulke dingen in het hoofd, Louise?”—“Mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, na een oogenblik van stilte, “dat behoeft eigenlijk niet gevraagd te worden. Ik denk niet, dat moet ik u oprecht zeggen, dat jufvrouw Wickam een heel opgeruimd mensch is, niet wat men zoo zou noemen...”—“Eene dochter van Momus,” gaf jufvrouw Tox haar zachtjes in bedenking.—“Juist zoo,” zeide mevrouw Chick. “Maar zij is heel oplettend en gewillig, en geheel niet eigenwijs; ik heb waarlijk nooit gezeggelijker mensch gezien. Als het lieve kind,” vervolgde mevrouw Chick, op een toon alsof zij de slotsom opmaakte uit iets waarover men het te voren geheel eens was geworden, in plaats van het alles voor de eerste maal te zeggen, “door dien laatsten stoot wat verzwakt is, en geene zoo krachtige gezondheid heeft als wij wel konden wenschen; en als zijn gestel tegenwoordig wat zwak is, alsof hij nu en dan eene zekere lamheid schijnt te hebben in zijne....”

Mevrouw Chick was bang om beentjes te zeggen, daar Dombey pas getoond had zooveel tegen gebeente te hebben, en wachtte dus naar eene influistering van jufvrouw Tox, die, getrouw aan haar post, het woord “leedjes” waagde.

“Leedjes?” herhaalde Dombey.—“Mij dunkt dat de dokter van morgen zijne beentjes noemde, deed hij niet, Louise?” zeide jufvrouw Tox.—“Wel zeker deed hij dat, lieve,” antwoordde mevrouw Chick, met zacht verwijt. “Hoe kunt ge mij dat vragen? Gij hebt het immers gehoord. Ik zeg, als onze lieve Paul nu en dan eene lamheid in zijne beentjes schijnt te hebben, dan zijn dat kleinigheden die vele kinderen op zijn ouderdom krijgen, en door geene zorg of voorzichtigheid zijn voor te komen. Hoe eer gij dat begrijpt en toestemt, beste Paul, des te beter.”—“Gij moet toch wel weten,” merkte Dombey aan, “dat ik uwe natuurlijke gehechtheid voor het toekomstig hoofd van mijn huis volstrekt niet betwijfel. Mijnheer Pilkins heeft Paul van morgen nog gezien, naar ik meen?”—“Ja,” antwoordde zijne zuster, “en jufvrouw Tox en ik zijn er bij geweest. Jufvrouw Tox en ik zijn er altijd bij. Wij maken daar eene wet van. Mijnheer Pilkins heeft hem al eene poos iederen dag gezien, en ik houd hem voor een heel knap man. Hij zegt dat het niets van beduiden is; en dat ik ook bevestigen kan, als dat eene gerustheid is; maar vandaag heeft hij de zeelucht aangeraden. Zeer verstandig, Paul, daarvan ben ik overtuigd.”—“De zeelucht,” herhaalde Dombey, zijne zuster aanziende.—“Daar is niets in om u ongerust te maken,” zeide mevrouw Chick. “Voor mijn George en Frederik is ook de zeelucht aangeraden toen zij zoo oud waren; en mij zelve is zij heel dikwijls aangeraden. Ik geef u volkomen toe, Paul, dat er boven misschien onvoorzichtig voor hem gesproken wordt van dingen, waarmede zijn kleine geest zich liever niet moest bezig houden; maar ik zie waarlijk niet hoe dat bij een kind van zijne schranderheid te verhelpen is. Als hij een gewoon kind was, zou er niets in steken. Ik moet zeggen, ik denk, met jufvrouw Tox, dat eene korte afwezigheid van huis, de lucht van Brighton, en het lichamelijk en geestelijk toezicht van zulk een zoo ervaren mensch als mevrouw Pipchin bij voorbeeld....”—“Wie is mevrouw Pipchin, Louise?” vroeg Dombey, versteld over deze gemeenzame vermelding van een naam, dien hij nog nooit gehoord had.—“Mevrouw Pipchin, mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “is eene bejaarde dame—jufvrouw Tox kent hare geheele geschiedenis—die een tijd lang al de vermogens van haar geest, met het beste gevolg, aan de studie en de behandeling der kindsheid heeft gewijd, en zeer aanzienlijke relatiën heeft gehad. Haar man stierf van hartzeer over—waardoor hebt ge ook gezegd dat haar man van hartzeer gestorven is, lieve? De juiste omstandigheden zijn mij ontschoten.”—“Door het waterpompen uit de mijnen van Peru,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Niet dat hij zelf pomper is geweest, natuurlijk,” zeide mevrouw Chick, zich weder naar haar broeder keerende; en waarlijk scheen deze opheldering niet overbodig, want jufvrouw Tox sprak alsof hij met de hand aan den pompslinger was gestorven, “maar omdat hij geld in die speculatie had gestoken, die geheel en al mislukte. Ik geloof dat mevrouw Pipchin met kinderen verbazende dingen weet te doen. Ik heb haar hooren prijzen—Heere, hoe hoog!” Hare oogen zwierven naar de buste van Pitt op de boekenkast, die omtrent tien voet van den grond was.—“Misschien moet ik van mevrouw Pipchin zeggen, mijnheer,” liet jufvrouw Tox, met een zedig blosje, hierop volgen, “daar men zich zoo uitdrukkelijk op mij heeft beroepen, dat de lof, dien uwe lieve zuster haar gegeven heeft, welverdiend is. Vele heeren en dames, die nu tot interessante leden der maatschappij zijn opgegroeid, hebben veel aan hare zorgen te danken gehad. De nederige persoon, die nu met u spreekt, was eens onder hare hoede. Ik geloof zelfs dat de jeugdige adel haar etablissement niet vreemd is.”—“Moet ik dan begrijpen dat die achtenswaardige dame een etablissement houdt, jufvrouw Tox?” vroeg Dombey goedgunstig.—“Wel, ik weet waarlijk niet of ik het wel zoo behoor te noemen,” antwoordde de dame. “Het is geene bewaarschool—geheel niet. Ik zou mijne meening best uitdrukken,” zeide jufvrouw Tox, met bijzondere lieftalligheid, “als ik het een boarding-house voor kinderen noemde, van zeer uitgelezene soort.”—“Voor een zeer beperkten kring en op een kostbaren voet ingericht,” zeide mevrouw Chick, met een blik naar haar broeder.—“O ja, zeer exclusief,” zeide jufvrouw Tox.

Dit was iets van belang. Dat mevrouw Pipchin’s echtgenoot van hartzeer over de mijnen van Peru was gestorven was goed. Het had een rijken klank. Bovendien ijsde Dombey van de gedachte om Paul nog een uur lang te laten blijven waar hij was, nadat een geneeskundig persoon had aanbevolen hem te doen verhuizen. Dit was een stilstaan en dralen op den weg, dien het kind nog moest afleggen eer het doel bereikt werd, dat toch nog ver genoeg af was. Dat de twee dames mevrouw Pipchin zoo roemden, rekende hij van veel gewicht; want hij wist dat zij ijverzuchtig waren op elke vreemde bemoeiing met het kind, en hij dacht er niet aan, dat zij misschien verlangend waren om eene verantwoordelijkheid waaromtrent hij zijne eigene vaste begrippen had, met iemand anders te deelen. “Van hartzeer over de mijnen van Peru gestorven,” peinsde Dombey. “Wel! eene zeer fatsoenlijke manier van sterven.”

“Als wij nu, na morgen navraag te hebben gedaan, besloten om Paul naar Brighton bij die dame te zenden, wie zou dan met hem meegaan?” vroeg Dombey na eenig bedenken.—“Ik geloof niet dat gij het kind tegenwoordig ergens heen zoudt kunnen zenden zonder Florence, mijn beste Paul,” zeide zijne zuster aarzelend. “Hij is geheel verzot op haar. Hij is nog heel jong, weet ge, en heeft zijne kuurtjes.”

Dombey keerde zijn hoofd om, ging langzaam naar de boekenkast, opende die en haalde een boek om te lezen.