Part 11
“Iemand anders, Louise?” zeide hij, zonder op te zien, en terwijl hij de bladen omsloeg.—“Jufvrouw Wickam natuurlijk. Die is volkomen voldoende, zou ik denken,” antwoordde zijne zuster. “Daar Paul in zulke handen komt, als die van jufvrouw Pipchin, kunt gij bezwaarlijk iemand zenden, die haar eenigszins de wet zou stellen. Gij zoudt zelf ten minste eens in de week daarheen gaan, natuurlijk.”—“Natuurlijk,” zeide Dombey, en zat daarna een uur lang op een blad te kijken, zonder een woord te lezen.
Deze vermaarde mevrouw Pipchin was eene verbazend leelijke oude vrouw, met een krommen rug, een geplekt gezicht, gelijk slecht marmer, een haviksneus, en harde grijze oogen, die er uitzagen alsof zij op een aanbeeld konden gehamerd worden zonder eenige schade te lijden. Veertig jaren, ten minste, waren verloopen, sedert de mijnen van Peru den heer Pipchin den dood hadden berokkend; maar zijne weduwe droeg nog zwart merinos, van zulk eene doffe, doodsche tint, dat des avonds het gas zelfs haar niet kon verlichten. Men zeide algemeen dat zij bijzonder goed met kinderen wist om te gaan; en het geheim harer behandeling was, hun alles te geven dat hun niet beviel en niets dat hun wel beviel—hetgeen bevonden werd dat hen veel zoeter maakte. Zij was zoo bitter, boos en hatelijk, dat men in verzoeking kwam om te gelooven, dat de machinerie der Peruaansche pompen eigenlijk verkeerd had gewerkt, en alle menschelijkheid en vroolijkheid uit haar gemoed had gepompt, in plaats van het water uit de mijnen.
Het Kasteel van deze wildevrouw en kinderentemster stond in eene steile achterstraat van Brighton; waar de grond meer dan gewoonlijk kalkachtig, steenachtig en dor was, en de huizen meer dan gewoonlijk dun en wrak gebouwd waren; waar de tuintjes daar voor de onverklaarbare eigenschap hadden om niets anders dan paardenbloemen voort te brengen, wat er ook in mocht gezaaid worden, en waar men gedurig slakken aan de straatdeuren zag kleven. In den winter kon men de lucht niet uit het Kasteel krijgen, en in den zomer er niet in. Er was zulk een gedurig gesuis van den wind in, dat het eveneens klonk als een groote zeehoorn, en de bewoners nacht en dag de ooren moesten dicht houden. Van zelf had het huis geen frisschen reuk, en voor het venster der voorkamer, dat nooit werd opengezet, hield mevrouw Pipchin eene verzameling van planten in potten, waardoor het etablissement eene eigenaardige lucht kreeg. Deze planten, hoe keurig ook in hare soort, waren bijzonder uitgekozen om eene vrouw als mevrouw Pipchin tot verlustiging te strekken. Een half dozijn daarvan waren cactussen, die zich als harige slangen om een stokje kronkelden; eene andere soort schoot klauwen uit, gelijk eene groene kreeft; verscheidene kruipende planten, die kleverige bladeren hadden, welke zich aan alles vastplakten; en één hatelijke bloempot, die aan den zolder hing en scheen over te koken om de menschen daaronder met de lange groene einden te kriewelen, welke hen aan spinnekoppen deden denken—waarvan de woning van mevrouw Pipchin ongemeen rijkelijk voorzien was, hoewel zij zich misschien, in het rechte seizoen, nog meer op een buitengewonen overvloed van oorwormen kon beroemen.
Daar mevrouw Pipchin echter een hoog kostgeld eischte, en de gelijkmatige zuurheid van haar humeur zeer zelden voor iemand verzachtte, werd zij voor eene oude dame van een bijzonder vast karakter gehouden, die eene wetenschappelijke kennis van het gestel en den aard van kinderen bezat. Deze naam en het hartzeer waaraan mijnheer Pipchin gestorven was, hadden haar geholpen sedert den dood van haar man, het eene jaar door het ander gerekend, een vrij ruim bestaan te verkrijgen. Binnen de drie dagen nadat mevrouw Chick voor het eerst van haar had gesproken, had deze brave oude vrouw het genoegen om eene aanmerkelijke vermeerdering harer loopende ontvangsten uit den zak van Dombey te gemoet te zien, en Florence en haar broertje Paul als bewoners van haar kasteel te ontvangen.
Mevrouw Chick en jufvrouw Tox, welke de kinderen den vorigen avond hadden gebracht (des nachts hadden zij in een logement geslapen) waren juist van de deur gereden, en mevrouw Pipchin stond, met den rug naar het vuur, gelijk een oud officier de recruten te inspecteeren. Mevrouw Pipchin’s nicht, eene juffer van middelbare jaren, hare welwillende en getrouwe slavin, maar stroef en strak van uitzicht en zeer geplaagd met zwellingen van den neus, ontdeed den jongen heer Bitherstone van den schoonen kraag, dien hij op de parade had gedragen. Jonge jufvrouw Pankey, op het oogenblik het eenige andere logeetje, was juist naar den kerker gebracht (eene ledige kamer achter in huis, eene plaats van tuchtiging en boete) omdat zij in het bijzijn der vreemde dames driemaal gesnuffeld had.
“Wel, jonge heer,” zeide mevrouw Pipchin tot Paul, “hoe denkt ge dat ik u bevallen zal?”—“Ik denk, dat ge mij geheel niet zult bevallen,” antwoordde Paul. “Ik wil weg. Dit is mijn huis niet.”—“Neen. Het is mijn huis,” zeide mevrouw Pipchin hierop.—“Een heel leelijk huis,” antwoordde Paul.—“Maar er is toch eene kamer nog leelijker dan deze,” zeide mevrouw Pipchin. “waar wij stoute jongens opsluiten.”—“Is hij daar wel geweest?” vroeg Paul, naar den kleinen Bitherstone wijzende.
Mevrouw Pipchin knikte toestemmend; en Paul had het overige van den dag genoeg te doen om den kleinen Bitherstone van het hoofd tot de voeten te bekijken en op al de veranderingen van zijn gezicht te letten, met de belangstelling welke een kleine jongen moest opwekken, die ondervinding van schrikkelijke en geheimzinnige dingen had.
Tegen één ure ging men aan den maaltijd, die voornamelijk uit meelkost en groenten bestond, als wanneer jonge jufvrouw Pankey (een nietig klein meisje, met blauwe oogen, dat elken morgen “geshampood” werd en gevaar scheen te loopen om geheel te worden weggewreven) door de wildevrouw zelve uit hare gevangenis gehaald en onderricht werd dat kinderen, die snuffelden als er menschen waren, nooit in den hemel kwamen. Toen deze groote waarheid haar wel was ingeprent, werd zij op rijst vergast, en daarna moest zij een dankgebedje opzeggen, dat in het Kasteel was voorgeschreven en waarin bijzondere melding werd gemaakt van dankbaarheid aan mevrouw Pipchin voor den goeden maaltijd. Mevrouw Pipchin’s nicht, Berinthia, at koud spek. Mevrouw Pipchin zelve, wier gestel warm voedsel vereischte, had voor zich alleen lamskarbonaden, die snikheet tusschen twee borden werden binnengebracht en zeer lekker roken.
Daar het na den eten regende en zij niet op het strand konden gaan wandelen, en mevrouw Pipchin’s gestel na de lamskarbonaden rust vereischte, gingen zij met Berry (anders gezegd Berinthia) naar den kerker, eene ledige kamer, die op een blinden muur en eene waterton uitzag, en iets spookachtig akeligs had door een schoorsteen zonder haard er in. Door gezelschap verlevendigd, was deze kamer toch de pleizierigste; want Berry speelde hier met de kinderen en scheen met evenveel lust te stoeien als zij, totdat mevrouw Pipchin gramstorig tegen den muur klopte; toen hielden zij op en vertelde Berry hun sprookjes tot het begon te schemeren.
Bij de thee had men overvloed van water en melk en brood met boter, benevens een zwart trekpotje voor mevrouw Pipchin en Berry, en geboterden toast voor mevrouw Pipchin alleen, wie deze versnapering, evenals de karbonaden, snikheet werd gebracht. Hoewel mevrouw Pipchin onder het gebruik dier lekkernij van buiten zeer vettig werd, scheen zij haar van binnen geheel niet te smeren, want zij bleef even stroef, en de harde grijze oogen bleven even droog.
Na de thee kreeg Berry een naaikistje, met het koninklijke paviljoen op het deksel, en ging ijverig aan het naaien; terwijl mevrouw Pipchin, na haar bril opgezet en een groot boek, met groene stof bekleed, opgeslagen te hebben, begon te knikken. En wanneer mevrouw Pipchin bijna voorover in het vuur viel en met een schrik wakker werd, gaf zij den kleinen Bitherstone een knip op den neus omdat hij ook knikte.
Eindelijk was het voor de kinderen tijd om naar bed te gaan, en na gebeden te hebben, werden zij weggebracht. Daar de jonge jufvrouw Pankey bang was om alleen in den donker te slapen, maakte mevrouw Pipchin er eene wet van om haar zelve als een schaap naar boven te drijven; en het was vervroolijkend te hooren hoe het meisje, nog lang naderhand, in de naargeestigste kamer van het huis lag te huilen, en mevrouw Pipchin nu en dan daarheen ging om haar te stompen. Tegen half tien kwam de geur van warm krentenbrood (mevrouw Pipchin’s gestel kon zonder dat niet in slaap komen) eene afwisseling brengen in den heerschenden reuk van het huis, dien jufvrouw Wickam zeide dat een “bouwlucht” was, en kort daarop lag het geheele kasteel in slaap gedompeld.
Het ontbijt van den volgenden morgen geleek naar de thee van den vorigen avond, behalve dat mevrouw Pipchin een geraspt broodje, in plaats van toast gebruikte, en daarna nog wat neteliger scheen dan anders. De kleine Bitherstone las hardop een geslachtregister uit Genesis (met oordeel door mevrouw Pipchin uitgekozen) en werkte zich door de namen heen met de vlugheid en het gemak van iemand, die tegen een tredmolen opstrompelt. Dit gedaan zijnde, werd jonge jufvrouw Pankey weggebracht om “geshampood” te worden, en de kleine Bitherstone om zich iets anders met zeewater te laten doen, waarvan hij altijd zeer blauw en neerslachtig terug kwam. Paul en Florence gingen intusschen met jufvrouw Wickam (die gedurig in tranen was) op het strand wandelen; en tegen den middag liet mevrouw Pipchin de kinderen bij zich lezen. Daar het tot haar stelsel behoorde den geest van een kind niet aan te moedigen om zich te ontwikkelen en te ontsluiten als eene jonge bloem, maar om dien veeleer als een oester met geweld open te breken, was de moraal van die leeslessen doorgaans van zeer forschen aard; daar de held—een stoute jongen—zelden (ook als het nog genadig met hem afliep) door iets geringers dan een leeuw of beer om hals werd geholpen.
Dit was het leven bij mevrouw Pipchin. Des zaterdags kwam Dombey over en gingen Florence en Paul naar zijn logement op de thee. Zij sleten den geheelen zondag met hem, en gingen gewoonlijk voor den maaltijd uit rijden, en onder zulk een toertje scheen hij nog veel stijver en stroever te zijn dan anders. De zondagavond was de akeligste avond van de week, want mevrouw Pipchin scheen er eene wet van gemaakt te hebben om dan altijd bijzonder knorrig te zijn. De jonge jufvrouw Pankey werd doorgaans diep bedroefd van eene tante te Rottendean teruggebracht; en de kleine Bitherstone, wiens bloedverwanten allen in Indië waren, en die tusschen de kerktijden stijf rechtop met zijn hoofd tegen den muur in de voorkamer moest zitten, zonder hand of voet te bewegen, vond dit zoo onuitstaanbaar, dat hij Florence op een zondagavond eens vroeg, of zij hem niet den weg kon wijzen om weer naar Bengalen te komen.
Men zeide echter algemeen, dat mevrouw Pipchin wel met kinderen te recht wist te komen, en dit was in zekeren zin ook waar. De wildste kinderen gingen, nadat zij eenige maanden onder haar gastvrij dak hadden vertoefd, mak genoeg naar huis. Men zeide ook algemeen dat het mevrouw Pipchin zeer tot eer strekte, dat zij zich aan deze levenswijs had gewijd, en haar gevoel zoo had weten te overwinnen en hare rampen zoo standvastig onder de oogen had gezien, toen haar man van hartzeer over de mijnen van Peru was gestorven.
Naar deze voorbeeldige oude dame kon Paul in zijn leuningstoeltje bij het vuur blijven zitten staren, hoelang het ook duurde. Terwijl hij mevrouw Pipchin zoo strak aankeek, scheen hij niet te weten wat verveling was. Hij hield niet van haar; hij was niet bang voor haar; maar als hij in zulk eene stemming was, scheen zij eene groteske aantrekkingskracht voor hem te hebben. Daar zat hij dan haar aan te kijken, tot hij mevrouw Pipchin, wildevrouw als zij was, somtijds verlegen maakte. Eens vroeg zij hem, toen zij alleen waren, waar hij over dacht.
“Over u,” zeide Paul, zonder de minste achterhoudendheid.—“En wat denkt gij over mij?” vroeg zij.—“Ik denk hoe oud gij moet wezen,” zeide Paul.—“Gij moet zulke dingen niet zeggen, jonge heer,” liet zij hierop volgen. “Dat behoort niet.”—“Waarom niet?” vroeg Paul.—“Omdat het niet beleefd is,” antwoordde mevrouw Pipchin snibbig.—“Niet beleefd?” zeide Paul.—“Neen.”—“Het is niet beleefd,” zeide Paul, geheel argeloos, “al de lamskarbonaden en toast op te eten, zegt jufvrouw Wickam.”—“Jufvrouw Wickam,” viel mevrouw Pipchin uit, eene kleur krijgende, “is eene onbeschaamde prij.”—“Wat is dat?” vroeg Paul alweer.—“Dat is buiten u, jonge heer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Denk maar aan de historie van den kleinen jongen die door een dollen stier werd dood gestooten omdat hij te veel vroeg.”—“Als de stier dol was,” zeide Paul, “hoe wist hij dan dat de jongen te veel gevraagd had? Niemand kan een dollen stier geheimen gaan influisteren. Ik geloof niet aan die historie.”—“Gelooft gij er niet aan?” riep mevrouw Pipchin met verbazing uit.—“Neen,” zeide Paul.—“Ook niet, als het nu eens een makke stier was geweest?” zeide mevrouw Pipchin.
Daar Paul de zaak nog niet uit dit oogpunt had bezien, en zijne besluiten op de beweerde dolheid van den stier had gebouwd, liet hij zich daarmede vooreerst tot zwijgen brengen. Maar hij bleef er over zitten peinzen, met zulk een blijkbaar voornemen om mevrouw Pipchin zoo met een vast te zetten, dat zelfs deze geharde oude dame het voorzichtig achtte heen te gaan tot hij het geval vergeten had.
Van dien tijd af scheen kleine Paul dezelfde zonderlinge aantrekkingskracht op mevrouw Pipchin uit te oefenen, als zij op hem deed. Zij liet hem zijn stoeltje aan denzelfden kant van het vuur zetten, in plaats van tegen haar over, en daar zat hij dan, in een hoekje tusschen mevrouw Pipchin en den haard, elke rimpel van haar gezicht te bestudeeren en in hare harde grijze oogen te turen, tot zij die somtijds liever maar dicht deed, en zich hield alsof zij was ingedut. Mevrouw Pipchin had eene oude zwarte kat, welke doorgaans voor den haard ineengerold, egoïstisch lag te spinnen, en naar het vuur te knipoogen, tot hare versmalde oogappels naar twee uitroepteekenen geleken. De goede vrouw had—het zij zonder oneerbiedigheid gezegd—wel eene heks kunnen zijn, en Paul en de kat hare twee gedienstige geesten, gelijk zij daar te zamen bij het vuur zaten. Het zou volmaakt met het voorkomen van dit gezelschapje gestrookt hebben, als zij allen eens op een avond bij een harden wind den schoorsteen waren ingevlogen, en men nooit weder iets van hen gehoord had.
Dit gebeurde echter niet. De kat, Paul en mevrouw Pipchin waren na den donker bestendig op hunne gewone plaatsen te vinden; en Paul, het kameraadschap van den kleinen Bitherstone schuwende, bleef avond aan avond mevrouw Pipchin, de kat en het vuur bestudeeren, alsof zij een tooverboek in drie deelen waren.
Jufvrouw Wickam verklaarde Paul’s zonderlingheden op hare eigene manier; en in hare zwaarmoedigheid bevestigd door het uitzicht op eenige zwarte schoorsteenen, het aanhoudende geloei van den wind, in de kamer waar zij gewoonlijk zat, en de eentonigheid (narigheid was hare krachtige uitdrukking) van haar tegenwoordig leven, leidde zij uit de vermelde gegevens de akeligste gevolgen af. Mevrouw Pipchin was er zeer op uit om allen vertrouwelijken omgang tusschen hare meid en jufvrouw Wickam af te snijden, en besteedde dientengevolge veel tijd om achter eene deur verborgen op de wacht te staan, en dan eensklaps uit te schieten, als die ongelukkige meid zich naar jufvrouw Wickam’s kamer wilde begeven. Berry daarentegen mocht daar zoo dikwijls komen en zoolang blijven, als dit door de menigvuldige plichten, waaraan zij zich van den ochtend tot den avond afsloofde, werd veroorloofd, en het was voor Berry dat jufvrouw Wickam haar gemoed ontlastte.
“Welk een aardig jongetje is hij als hij slaapt!” zeide Berry, en bleef staan om naar Paul in bed te kijken, toen zij jufvrouw Wickam eens haar avondeten bracht.—“Och ja,” zuchtte jufvrouw Wickam. “En dat mag hij ook wel!”—“Wel, als hij wakker is, is hij toch ook niet leelijk,” merkte Berry aan.—“Neen, jufvrouw. O neen. En mijn ooms Betsey Jane ook niet,” zeide jufvrouw Wickam.
Berry keek alsof zij naar het verband tusschen Paul Dombey en jufvrouw Wickam’s ooms Betsey Jane zocht.
“Mijn ooms vrouw,” vervolgde jufvrouw Wickam, “stierf evenzoo als zijne mama. En met zijn dochtertje ging het eveneens als met jongen heer Paul. Dat kind deed iemand somtijds het bloed stollen, dat deed zij!”—“Hoe zoo?” vroeg Berry.—“Ik had ’s nachts niet alleen bij Betsey Jane willen opblijven,” zeide jufvrouw Wickam, “al hadt gij Wickam den anderen ochtend zelf in eene zaak willen zetten. Ik had het niet kunnen doen, jufvrouw Berry.”
Berry vroeg natuurlijk, waarom niet; maar jufvrouw Wickam praatte, volgens het gebruik van sommige dames van haar stand, op hare eigene manier voort.
“Betsey Jane,” vervolgde zij, “was zulk een lief kind als iemand kon verlangen. Ik denk nooit liever kind te zullen zien. Door alle ziekten, die een kind krijgen kan, was zij allerliefst heen gekomen. Maar Betsey Jane,” vervolgde zij, hare stem latende dalen en naar Paul in zijn bedje omkijkende, “was in haar wiegje door hare doode moeder bewaakt. Ik zou niet kunnen zeggen hoe, of wanneer, en zou ook niet kunnen zeggen of het lieve kind het wist of niet, maar Betsey Jane was door hare moeder bewaakt, jufvrouw Berry! Gij moogt zeggen dat dit gekheid is, en ik zal het u niet kwalijk nemen, jufvrouw. Ik hoop zelfs dat gij het met uw geweten overeen kunt brengen om te denken, dat het maar gekheid is; gij zult er des te vroolijker door blijven; neem mij niet kwalijk dat ik zoo vrij ben—in dit akelige, grafachtige huis, dat mij den dood zal doen. Paul is wat onrustig in zijn slaap. Klop hem eens op den rug, als het u belieft.”—“Gij denkt natuurlijk,” zeide Berry, zachtjes doende wat haar gevraagd was, “dat hij ook door zijne moeder bewaakt is?”—“Met Betsey Jane,” zeide jufvrouw Wickam op haar allerplechtigsten toon, “is het eveneens gegaan als het met dat kind gegaan is. Zij is eveneens veranderd als dat kind veranderd is. Ik heb haar dikwijls en dikwijls zoo zien zitten denken—denken—denken, evenals hij. Ik heb haar dikwijls even zoo oudachtig zien kijken als hij. Ik heb haar dikwijls eveneens hooren praten als hij doet. Ik houd het er voor dat het met dat kind en Betsey Jane volmaakt eveneens is, jufvrouw Berry.”—“Is dat kind van uw oom nog in leven?” vroeg Berry.—“Ja, jufvrouw Berry, nog in leven,” antwoordde jufvrouw Wickam, met iets zegevierends in haar toon, want blijkbaar had Berry het tegendeel verwacht, “en zij is met een zilversmid getrouwd. O ja, jufvrouw, zij is nog in leven,” zeide jufvrouw Wickam, met bijzonderen nadruk op het voornaamwoord.
Daar het duidelijk genoeg was dat iemand anders dood moest wezen, vroeg mevrouw Pipchin’s nicht wie dat was.
“Ik zou u niet gaarne ongerust willen maken,” antwoordde jufvrouw Wickam, aan haar avondeten beginnende. “Vraag het mij maar niet.”
Dit was het zekerste middel om nog meer gevraagd te worden. Berry deed dit dus ook, en na nog wat tegensporrelen legde jufvrouw Wickam haar mes neer, en naar Paul in zijn bedje omziende, antwoordde zij:
“Zij hechtte zich bijzonder aan sommige menschen. Somtijds was het onverklaarbaar waarom; somtijds was het eene gehechtheid, die men natuurlijk had kunnen verwachten, maar sterker dan gewoonlijk. Al die menschen stierven.”
Dit was zoo onverwacht en ontzettend, dat Berry stijf op den harden rand van het ledikant bleef zitten en, kort ademhalende, hare berichtgeefster met on verholen angst aanstaarde.
Jufvrouw Wickam wees tersluiks met haar voorvinger naar het bedje, waar Florence lag te slapen en toen even nadrukkelijk naar den grond. Vlak daaronder was de kamer waar mevrouw Pipchin gewoonlijk haar souper gebruikte.
“Onthoud wat ik zeg, jufvrouw Berry,” zeide jufvrouw Wickam, “en wees dankbaar dat jonge heer Paul niet van u houdt. Ik ben het, dat hij niet van mij houdt, dat verzeker ik u; al hebt ge niet veel om voor te leven—neem mij niet kwalijk, dat ik zoo vrij ben—in zulk eene gevangenis van een huis.”
Misschien deed Berry’s ontroering haar Paul wat al te hard op den rug kloppen, of wel geheel daarmede ophouden, maar hij keerde zich nu in het bed om, werd daarop wakker, kwam overeind, ontsteld door een benauwden droom, en vroeg naar Florence.
Op het eerste geluid van zijne stem, was zij uit haar bed; en terstond over zijne peluw buigende, zong zij hem weder in slaap. Jufvrouw Wickam schudde haar hoofd, en liet eenige tranen vallen, terwijl zij deze groep aan Berry wees.
“Goeden nacht, jufvrouw, goeden nacht,” zeide jufvrouw Wickam zacht. “Uwe tante is eene oude vrouw, en het is dus iets dat ge toch al dikwijls moet verwacht hebben.”
Jufvrouw Wickam vergezelde dit troostende vaarwel met een blik van diepe zielesmart, en toen zij met de twee kinderen alleen was gebleven, gaf zij zich aan hare zwaarmoedigheid over, tot zij ook door den slaap werd overweldigd.
Hoewel de nicht van mevrouw Pipchin deze voorbeeldige vrouw juist niet dood op het haardkleedje dacht te vinden, toen zij naar beneden ging, was het toch eene verademing voor haar toen zij haar buitengemeen knorrig en lastig vond, en zij alle blijken gaf dat zij voornemens was om nog lang, tot vreugde van allen die haar kenden, te blijven leven. Ook in de volgende week vertoonden zich nog geene verschijnselen van tering, maar verdwenen de voedingsmiddelen, die haar gestel vereischte, even geregeld als gewoonlijk, hoewel kleine Paul haar zoo onvermoeid als ooit bestudeerde, en op zijne gewone plaats tusschen haar zwarten rok en den haard bleef zitten.
Maar dewijl Paul na verloop van dien tijd niet sterker was dan bij zijne komst, hoewel zijn gezichtje er veel gezonder uitzag, werd er een wagentje voor hem gekocht, waarin hij op zijn gemak kon liggen, met een A B boek en eenige prentenboekjes bij zich, en zich naar den zeekant laten rijden. Overeenkomstig met zijn zonderlingen smaak, wilde het kind niets weten van een frisschen blozenden knaap, die voorgesteld werd om zijn wagentje te trekken, en koos, in zijne plaats, zijn grootvader, een oud, afgeleefd man, met een allerzuurst gezicht en een pak van oud wasdoek, dat een reuk verspreidde gelijk een met wier overdekt strand.
Met dezen fraaien bediende om hem voort te trekken, en Florence altijd naast hem, terwijl de neerslachtige jufvrouw Wickam achteraankwam, werd hij dagelijks naar het strand gereden, en zat of lag hij daar uren achtereen in zijn wagentje, terwijl niets hem zoo onaangenaam was als het gezelschap van kinderen—Florence alleen altijd uitgenomen.
“Ga maar heen, als het u belieft,” zeide hij gewoonlijk tot een kind, dat hem gezelschap wilde komen houden. “Ik dank u wel, maar ik heb u niet noodig.”
Een kinderstemmetje aan zijn oor vroeg hem wel eens hoe het hem ging.
“Ik ben heel wel—dank u,” antwoordde hij dan; “maar gij moest liever maar gaan spelen, als het u belieft.”
Dan keerde hij zijn hoofd om, wachtte tot het kind weg was, en zeide tot Florence: “Wij hebben niemand anders noodig, niet waar? Geef mij maar een kus, Flore.”
Hij had op zulk een tijd zelfs een hekel aan het gezelschap van jufvrouw Wickam, en was weltevreden als zij opkuierde, gelijk zij meestal deed, om schelpen en kennissen te zoeken. Zijn geliefkoosd plekje was eene eenzame plaats ver van de gewone wandeling; en als Florence daar bij hem zat te werken, of hem voorlas, of met hem praatte, en de wind hem langs het voorhoofd blies, en het water tot aan de wielen van zijn wagentje opkwam, verlangde hij niets meer.