Part 84
Dan staat er den geheelen dag lang een trein van bemodderde sjeezen en wagentjes in de straat; en troepen smerige heerschappen, joden en christenen, loopen het geheele huis door, tikken met hunne knokkels tegen de spiegels, slaan wanluidende accoorden op de piano’s aan, vegen met natte vingers over de schilderijen, ademen op de lemmeten der beste tafelmessen, beuken de kussens van stoelen en sofa’s met hunne vuile vuisten, betasten de bedden, schuiven al de laden uit en in, laten zilveren lepels en vorken balanceeren, bekijken zelfs de draden van het linnengoed, en vinden alles ver beneden hunne verwachting. Het geheele huis heeft geene geheime plaats meer. Vreemde snoeshanen gluren even nieuwsgierig tusschen het keukengereedschap als in de kleerkas op zolder. Grove kerels, met kaal gesleten hoeden, kijken uit de vensters der slaapkamers en maken grappen met vrienden op straat. Stille narekenaars gaan met catalogussen in de kleedkamers, en maken daar met stompjes potlood aanteekeningen op den kant. Twee uitdragers klimmen zelfs een zolderluik uit en genieten op het dak een panoramisch overzicht van de andere huizen. Dat zwermen en gonzen, op- en neerloopen en begluren, duurt dagen lang. Dombey’s inboedel is publiek te zien.
Dan wordt er in het beste salon eene verschansing van tafels gemaakt, en op de groote mahoniehouten eettafel met gedraaide pooten wordt de lessenaar van den vendumeester gezet, en de troepen van smerige heerschappen, joden en christenen, de vreemde snoeshanen en de grove kerels met kaal gesleten hoeden, verzamelen zich daaromheen, en zetten zich op alles in hun bereik, de schoorsteenmantels ingesloten, en gaan aan het bieden. Heet, stofferig en gonzend zijn de kamers den geheelen dag, en hoog boven de hitte, het stof en het gegons, is de vendumeester aanhoudend met hoofd en schouders, stem en hamer aan het werk. De mannen met petten worden rood en ongeduldig van het dragen met nommers, en nog worden er nommers aangedragen en weggedragen. Somtijds worden er grappen gemaakt en ontstaat er een algemeen geschater. Dit duurt den geheelen dag en nog drie volgende dagen. Dombey’s inboedel wordt publiek verkocht.
Dan komen de bemodderde sjeezen en wagentjes terug, te gelijk met een trein van vrachtwagens en karren en een heirleger van sjouwerlieden. Den geheelen dag zijn de mannen met petten aan het werk met schroevendraaiers en nijptangen, of waggelen zij op de trap bij dozijnen te gelijk onder zware vrachten, of tillen zij de geheele rotsen van mahoniehout, rozenhout of spiegelglas in sjeezen, wagentjes, vrachtwagens en karren. Allerlei soorten van voertuigen worden gebezigd, van mestwagens af tot kruiwagens toe. Het ledikantje van den armen Paul wordt op een ezelkarretje weggevoerd. Bijna eene week lang wordt Dombey’s inboedel weggehaald.
Eindelijk is alles weg. Men heeft niets in huis gelaten dan verstrooide bladen van catalogussen, hoopjes hooi en stroo, en eene batterij van tinnen kannen achter de voordeur. De mannen met petten verzamelen hun gereedschap in zakken, nemen die op schouder en stappen heen. Een van de heeren met pen en inkt gaat, als eene laatste oplettendheid, het geheele huis nog eens door, zet biljetten voor de vensters, waarbij wordt aangekondigd dat het te huur is, en sluit de luiken. Ten laatste volgt hij de mannen met petten. Niemand van de indringers blijft er. Het huis is eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.
Mevrouw Pipchin’s apartement, benevens die geslotene kamers beneden, waar de gordijnen altijd dichtgeschoven blijven, zijn bij de algemeene verwoesting gespaard. Mevrouw Pipchin is onder het gewoel stug en steenig in hare kamer blijven zitten, of is onder de verkooping eens even komen kijken, om te zien wat het goed opbracht, of om op zekeren leuningstoel te bieden. Mevrouw Pipchin heeft het hoogste bod op dien leuningstoel gedaan, en zit op haar eigendom, wanneer mevrouw Chick haar komt opzoeken.
“Hoe gaat het met mijn broeder, mevrouw Pipchin?” zegt mevrouw Chick.—“Daar weet ik niet meer van dan de drommel,” zegt mevrouw Pipchin. “Hij bewijst mij nooit de eer om met mij te spreken. Hij laat zijn eten en drinken in de kamer naast zijne kamer zetten; en wat hij gebruikt komt hij daar gebruiken als er niemand is. Het kan niet helpen of ge mij al vraagt. Ik weet er niet meer van dan de man in het zuiden, die zijn mond brandde bij het eten van koude pap.”
Dit zegt de stekelige mevrouw Pipchin met eene heftige beweging.
“Maar mijn goede hemel!” roept mevrouw Chick zeer zoetsappig uit. “Hoelang moet dat dan duren! Als mijn broeder zich geene inspanning wil vergen, mevrouw Pipchin, wat zal er dan van hem worden? Ik heb waarlijk gedacht, dat hij genoeg gezien had, wat er van komt als men zich geene inspanning wil vergen, om zich voor zulk eene noodlottige dwaling te laten waarschuwen.”—“Wel heere mijn tijd!” zegt mevrouw Pipchin, haar neus wrijvende. “Mij dunkt, er wordt machtig veel gedoente over gemaakt. Het is zulk een vreemd geval niet. Er zijn wel meer menschen, die tegenspoed hebben gehad, en hun boel hebben moeten verkoopen. Dat heb ik ook moeten doen.”—“Mijn broeder,” vervolgt mevrouw Chick diepzinnig, “is zulk een singulier man. Hij is de singulierste man dien ik ooit gezien heb. Zou men gelooven, dat, toen hij de tijding kreeg van het huwelijk en de emigratie van dat onnatuurlijke kind—het is nu een troost voor mij, te bedenken dat ik altijd gezegd heb, dat dat meisje iets buitengewoons over zich had; maar niemand let op mij—zou iemand gelooven, zeg ik, dat hij zich toen naar mij omkeerde en zeide, dat hij gemeend had aan mij te zien, dat zij bij mij in huis was gekomen? Wel mijn hemeltje! En zou iemand gelooven, dat, toen ik alleen maar tegen hem zeide: “Paul, ik mag heel onnoozel wezen, en dat geloof ik ook zelf wel, maar ik kan niet begrijpen hoe uwe zaken in dien staat zijn geraakt,” hij toen tegen mij uitviel, en verzocht dat ik niet meer bij hem zou komen eer hij naar mij vroeg? Wel, groote goedheid!”—“Ja,” zegt mevrouw Pipchin. “Het is jammer dat hij niet wat meer met mijnen te doen heeft gehad. Zij zouden zijn humeur wel hebben klein gekregen.”—“En waar moet het op uitloopen?” hervat mevrouw Chick, zonder op de aanmerkingen van mevrouw Pipchin te letten. “Dat zou ik wel willen weten. Wat denkt mijn broeder te doen? Hij moet toch iets doen. Het baat niet of hij al in zijne kamers zit opgesloten. De zaken zullen niet naar hem toe komen. Neen, hij moet er zelf naar toe gaan. Waarom gaat hij dan niet? Hij weet wel waar hij naar toe moest gaan, zou ik denken; daar hij al zijn leven zaken heeft gedaan. Waarom gaat hij dan niet daarheen?”
Nadat mevrouw Chick deze hechte keten van redeneeringen had gesmeed, zweeg zij eene poos, om die zelve te bewonderen.
“Buitendien,” vervolgde zij toen, op denzelfden redeneertrant, “wie heeft ooit van zulk eene stijfhoofdigheid gehoord, als dat hij door al die akeligheden heen hier opgesloten blijft? Het is alsof hij nergens anders had kunnen heengaan. Hij had immers bij ons aan huis kunnen komen. Hij weet toch dat hij daar thuis is, zou ik denken? Mijnheer Chick heeft hem dat tot vervelens toe gezegd, en ik heb hem met mijn eigen mond gezegd: “Beste Paul, gij verbeeldt u toch zeker niet, omdat uwe zaken in dien staat zijn geraakt, dat ge daarom minder thuis zijt bij zulke nauwe betrekkingen als wij? Gij verbeeldt u toch niet, dat wij naar de rest van de wereld gelijken?” Maar neen, hier blijft hij door dat alles heen, en hier zit hij nu nog. Wel, mijn hemel! als het huis eens verhuurd werd—wat zou hij dan doen? Dan kon hij toch niet hier blijven. Als hij dat probeerde, zou hem eene actie worden aangedaan en dat alles, en dan moest hij toch heengaan. Waarom gaat hij dan niet dadelijk, in plaats van op het laatst? En dat brengt mij weder op hetgeen ik daar zoo even gezegd heb, en doet mij natuurlijk vragen, wat er het eind van moet zijn?”—“Ik weet wel wat er het eind van zal zijn, voor zooveel mij aangaat,” antwoordt mevrouw Pipchin, “en dat is mij genoeg. Ik ga nu oppakken in een snap.”—“In een wat, mevrouw Pipchin?” vraagt mevrouw Chick.—“In een snap,” antwoordt mevrouw Pipchin scherp.—“Wel zoo! Ik kan u waarlijk niet laken, mevrouw Pipchin,” zegt mevrouw Chick met rondborstigheid.—“Het zou mij zoo tamelijk hetzelfde zijn, al kondt ge dat,” antwoordt de stekelige mevrouw Pipchin. “In allen gevalle, ik ga heen. Ik kan hier niet blijven. Ik zou binnen de week dood zijn. Ik heb gisteren mijn eigen varkenskarbonaadje moeten braden, en daar ben ik niet aan gewoon. Mijn gestel zou er onder bezwijken. Buitendien, ik had, eer ik hier kwam, eene goede klandizie te Brighton—het kleine goed van Pankey alleen bracht mij tachtig pond ’s jaars op—en die kan ik niet weggooien. Ik heb aan mijne nicht geschreven, en zij verwacht mij nu thuis.”—“Hebt gij met mijn broeder gesproken?” vraagt mevrouw Chick.—“Wel ja, het is heel gemakkelijk hem te spreken te krijgen,” antwoordt mevrouw Pipchin. “Ik heb hem gisteren toegeroepen, dat ik hier tot niets meer diende, en dat het beter zou zijn als hij mij om jufvrouw Richards liet zenden. Hij bromde zoo iets dat ja meende, en toen heb ik om haar gezonden. Brommen, nog al! Als hij mijnheer Pipchin geweest was, zou hij nog reden gehad hebben om te brommen. Ba! Ik kan het niet uitstaan.”
Hier rijst de voordeelige dame, die zooveel standvastigheid en deugd uit de mijnen van Peru heeft opgepompt, van haar gekussend eigendom op, om mevrouw Chick de deur uit te laten. Mevrouw Chick, tot het laatste toe het singuliere karakter van haar broeder beklagende, gaat stil weder heen, zeer ingenomen met hare eigene schranderheid en helderheid van hoofd.
In den schemeravond komt Toodle, die geen dienst heeft, met Polly en een koffer, en laat ze, met een klinkenden kus, in het ledige voorhuis, waarvan de stilte een sterken indruk op zijn gemoed maakt.
“Ik zal u eens wat zeggen, Polly, mijn lief,” zegt Toodle. “Nu ik machinist ben en het zoo goed in de wereld heb, zou ik u niet hier laten komen, om u te verkniezen, als het niet om vroegere gunsten was. Maar vroegere gunsten, Polly, moet men nooit vergeten. Buitendien, voor iemand, die in tegenspoed is, is uw gezicht eene hartsterking. Laat ik het dus nog een zoen geven, lief! Gij wenscht niet beter dan wel te doen, dat weet ik; en ik denk dat dit wel gedaan en een plicht is. Goeden nacht, Polly.”
Nu komt mevrouw Pipchin aan, geheel in het zwart; zij heeft haar goed opgepakt, en haar stoel (voorheen een lievelingsstoel van Dombey en voor een prijsje door haar gekocht) dicht bij de deur gereed staan, en wacht maar op een goederenwagon, dien zij gehuurd heeft om haar en haar eigendom naar Brighton te brengen.
Weldra komt deze. Nadat de garderobe is opgeladen, wordt de stoel in een geschikt hoekje geplaatst en met hooi vastgestopt, daar mevrouw Pipchin voornemens is op reis in dien stoel te blijven zitten. Daarna wordt zij zelve in het rijtuig geholpen en zet zij zich met een strak gezicht op haar zetel. Hare grijze oogen hebben een slangachtigen glans, als verheugde zij zich in het vooruitzicht op haar geboterden toast, op hare karbonaadjes, op het kwellen en sarren van kleine kinderen, op het afsnauwen van de arme Berry en de andere vermaken van haar menschenvreetsterskasteel. Zij lacht bijna terwijl de wagen voortrijdt en zij hare zwarte bombazijnen rokken gladstrijkt.
Het huis is zulk eene ruïne, dat de ratten gevlucht zijn en er geen enkele meer van over is.
Maar Polly, schoon alleen in het verlatene huis—want in de geslotene kamers, waar de vroegere meester zijn hoofd verbergt, vindt zij geene gezelligheid—is niet lang alleen. Het is avond, en zij zit in de huishoudsterskamer te werken, en poogt te vergeten welk een eenzaam huis het is, en wat er in is omgegaan, toen aan de voordeur wordt geklopt, en het geluid door de ledige ruimte galmt. Nadat zij de deur heeft geopend, komt zij door het galmende voorhuis terug, vergezeld door eene vrouwelijke gedaante met een dichtsluitend zwart hoedje. Het is jufvrouw Tox, en jufvrouw Tox heeft roode oogen.
“O Polly,” zeide jufvrouw Tox, “toen ik daar straks bij u aan huis kwam om de kinderen nog een lesje te geven, kreeg ik de boodschap die gij voor mij gelaten hadt; en zoodra ik wat tot mij zelve kwam ben ik u nagekomen. Is hier niemand behalve gij?”—“Geene levende ziel,” antwoordt Polly.—“Hebt gij hem gezien?” fluistert jufvrouw Tox.—“O heere neen,” antwoordt Polly. “Hij heeft zich in geene dagen laten zien. Zij zeggen mij, dat hij nooit buiten zijne kamer komt.”—“Zegt men ook dat hij ziek is?” vraagt jufvrouw Tox.—“Neen, jufvrouw, niet dat ik weet,” antwoordt Polly. “Maar zijne ziel is ziek. In dat opzicht moet het heel slecht met hem gesteld zijn!”
Het medelijden van jufvrouw Tox is zoo groot dat zij nauwelijks kan spreken. Zij is geen kuikentje meer, maar zij is toch van ouderdom niet taai geworden. Haar hart is nog teer, haar medelijden en hare hulde zijn van echte soort. Onder het medaillon met het vischachtige oog draagt jufvrouw Tox betere eigenschappen dan menigeen met eene minder belachelijke buitenzijde, eigenschappen, die de fraaiste uitwendige hoedanigheden vele jaren kunnen overleven.
Het duurt lang eer jufvrouw Tox heengaat, en eer Polly, terwijl hare kaars op de holle trap staat, haar de straat af nakijkt, om nog zoolang gezelschap aan haar te hebben, en ongezind is, om het akelige huis weder binnen te gaan, en de ledigheid daarvan met de zware grendels te laten weergalmen, en naar bed te sluipen. Dat alles doet Polly evenwel; en des morgens zet zij in eene van die kamers de dingen, die men haar gezegd heeft gereed te maken, en gaat dan heen, en komt er niet weder binnen voor den volgenden morgen op hetzelfde uur. Er hangen daar schellen, maar er wordt nooit aan getrokken; en hoewel zij somtijds een voetstap kan hooren heen en weer gaan, komt die nooit naar buiten.
Jufvrouw Tox komt dien dag vroeg terug. Het begint nu hare bezigheid te worden, kleine lekkernijen gereed te maken—of wat voor haar lekkernijen zijn—om den volgenden morgen in die kamer te zetten. Deze bezigheid geeft haar zooveel genoegen, dat zij ze van dien tijd af geregeld aanhoudt, en dagelijks iets in haar mandje medebrengt om in die kamer te zetten. Evenzoo brengt zij, in papier gewikkeld, een stukje koud vleesch, eene schapentong, of eene halve kip mede, om zelve te eten, en deze collations met Polly deelende, slijt zij het grootste gedeelte van haar tijd in het bouwvallige huis, dat de ratten ontvlucht zijn; zich met schrik verschuilende op het minste geluid, in- en uitsluipende alsof zij kwaad deed, niets verlangende dan trouw te zijn aan het gevallen voorwerp harer bewondering, zonder dat hij het weet, zonder dat iemand in de wereld het weet, dan eene eenvoudige arme vrouw.
De majoor weet het ook; maar niemand verneemt het van hem, schoon hij zelf er veel vroolijker door wordt. In eene vlaag van nieuwsgierigheid heeft de majoor den inboorling last gegeven om nu en dan naar het huis te gaan kijken en er naar te vernemen waar Dombey blijft. De inboorling heeft hem de trouw van jufvrouw Tox gerapporteerd, en de majoor is bijna gestikt van het lachen. Van dat uur af is hij op den duur nog blauwer, en mompelt hij telkens, met uit het hoofd puilende oogen, bij zich zelven: “Verduiveld, mijnheer, dat wijf is stapelzot.”
En de geruïneerde koopman. Hoe slijt hij zijne uren, alleen?
“Laat hij zich dat in die kamer herinneren, over jaren!” Hij herinnerde het zich. Het drukte hem zwaar op het gemoed, zwaarder dan al het andere.
“Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis heen zucht, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!”
Hij herinnerde het zich. In den ellendigen nacht dacht hij er aan, op den akeligen dag, bij den rampzaligen dageraad, in de spookachtige schemering. Hij dacht er aan. In knagende zielesmart, met wroeging en wanhoop. “Papa, papa! Spreek toch tegen mij, lieve papa!” Hij hoorde de woorden weder, en zag het gezichtje. Hij zag het op de bevende handjes zinken, en hoorde den zachten, langgerekten kreet hemelwaarts stijgen.
Hij was gevallen; om nooit weder opgericht te worden. Voor den nacht van zijn ondergang als koopman was geene morgenzon; voor de vlek zijner huiselijke schande was geen reinigingsmiddel; niets, Goddank, kon zijn dood kind in het leven terugroepen. Maar datgene, wat hij in het geheele verleden zoo geheel anders had kunnen maken—datgene, wat het verleden zelf zoo geheel anders had kunnen maken, schoon hij daaraan nu bijna niet dacht—datgene wat zijn eigen werk was, wat hij zich zoo gemakkelijk tot een vloek had gemaakt—dat was de kwelling zijner ziel.
O, hij dacht er wel aan! De regen, die op het dak kletterde, de wind, die om het huis heen zuchtte, in dien nacht, hadden iets voorspellends gehad in hun treurig geluid. Hij wist nu wat hij gedaan had. Hij wist nu, dat hij datgene op zijn hoofd had geroepen, dat het lager deed bukken dan de zwaarste slag der fortuin. Hij wist nu wat het was, verworpen en verlaten te zijn, nu elke bloesem van liefde, die hij in het schuldelooze hart zijner dochter had doen verwelken, in asch veranderd op hem neersneeuwde.
Hij dacht aan haar, gelijk zij was op dien avond toen hij en zijne bruid naar huis kwamen. Hij dacht aan haar gelijk zij was onder al de huiselijke gebeurtenissen van het nu verwoeste huis. Hij dacht nu, dat, van alles om hem heen, zij alleen nooit veranderd was. Zijn zoon was tot stof vergaan, zijne trotsche vrouw was tot eene schandvlek harer sekse geworden, zijn vleier en vriend was in een schurkachtigen booswicht veranderd, zijne schatten waren weggesmolten, zelfs de muren, die hem schuilplaats gaven, zagen een vreemdeling in hem; zij alleen had hem altijd hetzelfde lieve, zachtaardige gezichtje getoond. Ja, tot het laatste toe. Zij was nooit voor hem veranderd—hij was ook nooit voor haar veranderd—en zij was verloren.
Toen zij een voor een voor zijne gedachten wegzonken—zijn hoopvolle zoon, zijne vrouw, zijn vriend, zijn vermogen—o, hoe helderde toen de nevel op, waardoor hij haar gezien had, en hoe vertoonde zich toen hare ware gedaante! O, hoeveel beter dan dit, dat hij haar had liefgehad gelijk hij zijn zoon had gedaan, en haar verloren had gelijk zijn zoon, en hen te zamen in een vroegtijdig graf had gelegd!
In zijn trots—want hij was nog trotsch—liet hij de wereld zich vrij van hem verwijderen. Toen zij van hem afviel, schudde hij haar af. Hetzij hij zich verbeeldde dat haar gelaat medelijden of onverschilligheid uitdrukte, hij schuwde het evenzeer. Hij kon niet denken aan eenig gezelschap in zijne ellende, dan die eene, die hij van zich had gedreven. Wat hij tot haar zou gezegd hebben, of welken troost hij haar zou hebben toegelaten hem te geven, stelde hij zich nooit duidelijk voor. Maar hij wist altijd, dat zij hem trouw zou zijn geweest, als hij haar dat maar had toegelaten. Hij wist altijd, dat zij hem nu nog meer zou hebben liefgehad dan anders; hij was zoo zeker, dat dit in haar karakter lag, als dat er een hemel boven hem was; en zoo zat hij, in zijne eenzaamheid, van uur tot uur te denken. Dag aan dag verhaalde hem dit; nacht op nacht leerde hem die wetenschap.
Die wetenschap begon, buiten allen twijfel (hoe langzaam zij een tijd lang ook vorderde) met de ontvangst van den brief van haar jeugdigen echtgenoot, en de zekerheid dat zij weg was. En toch—zoo trotsch was hij in zijn val, of zoozeer dacht hij aan haar alleen als aan iets, dat het zijne had kunnen wezen maar dat hij onherroepelijk verloren had—dat hij, als hij hare stem in de naaste kamer had kunnen hooren, niet naar haar toe zou zijn gegaan. Als hij haar op straat had kunnen zien, en zij niet meer had gedaan dan hem aanzien, gelijk zij placht te doen, zou hij haar met een strak, onverzoenlijk gezicht zijn voorbijgegaan, en haar niet aangesproken of zijn blik verzacht hebben, al had zijn hart ook kort daarop moeten breken. Hoe woest zijne gedachten, of hoe heftig zijne gramschap ook geweest waren, toen hij pas van haar huwelijk hoorde, dat was nu alles voorbij. Hij dacht voornamelijk aan hetgeen had kunnen zijn, en zoo niet was. Wat was, lag alles daarin opgesloten, dat zij verloren was en hij van smart en berouw verging.
En nu gevoelde hij, dat hem twee kinderen in dat huis geboren waren, en dat er tusschen hem en de kale, ledige muren een band bestond, droevig, maar moeielijk los te rukken, daar hij aan eene dubbele kindsheid en een dubbel verlies was vastgeknoopt. Hij had gedacht het huis te verlaten—wetende dat hij gaan moest, hoewel niet wetende waarheen—op den avond van den dag, toen dit gevoel voor het eerst bij hem wortel vatte; maar hij besloot nog een nacht te blijven en in dien nacht nog eens al de kamers door te gaan.
In het holst van den nacht kwam hij uit zijne eenzaamheid, en met eene kaars in de hand ging hij de trap op. Van al de voetstappen daar, die de trap zoo gemeen maakten als de publieke straat, was er niet een, dacht hij, of hij had dien op zijn hoofd zelf voelen zetten, in dien tijd toen hij verborgen luisterde. Hij zag naar hun aantal, hunne haast en hunne verwarring—de eene voetstap den ander uitdelgende, en de op- en neergaande sporen elkander verdringende—en dacht, met schrik en verbazing over zich zelven, hoeveel hij in dien tijd moest geleden hebben, en hoeveel reden hij had om een veranderd mensch te zijn. Hij dacht bovendien—o, was er ergens in de wereld een voetstap, die in een oogenblik de helft van die sporen had kunnen uitwisschen!—en hij boog zijn hoofd en schreide, terwijl hij naar boven ging.
Hij zag bijna dien voetstap voor hem uitgaan. Hij bleef stilstaan, keek op naar de lantaren; en eene gedaante, zelve nog kinderlijk, maar een kind dragende, en al klimmend zingende, scheen zich daar weder te vertoonen. Wederom was het dezelfde gedaante, alleen, voor een oogenblik met ingehouden adem stilstaande, terwijl de glanzige lokken los om het betraande gezichtje krulden, en naar hem terugziende.
Hij ging de kamers door, nog kort geleden zoo vol weelde, nu zoo kaal en akelig, en naar het scheen zelfs van grootte en vorm veranderd. Het gedrang van voetstappen was hier even dicht; en dezelfde gedachte aan het lijden, dat hij verduurd had, verschrikte en verbijsterde hem. Hij begon te vreezen, dat al dat gewoel in zijne hersenen hem van zijn verstand zou brengen, en dat zijne gedachten reeds hare duidelijkheid verloren en onnaspoorlijk door elkander dwarrelden, evenals die voetstappen.
Hij wist niet eens welke van die kamers zij bewoond had toen zij alleen was. Hij verliet ze gaarne om hoogerop te gaan. Daar waren herinneringen in menigte, die met zijne valsche vrouw, zijn valschen vriend en dienaar, de valsche gronden voor zijn hoogmoed in verband stonden; maar hij schoof ze nu allen terzijde, om alleen met weemoed en jammer aan zijne twee kinderen te denken.
Overal die voetstappen! Zij hadden zelfs geen eerbied gehad voor de oude kamer omhoog, waar het ledikantje gestaan had; hij kon daar nauwelijks eene schoone plek vinden, om zich bij den muur op den grond te werpen, arme verslagene man, en zijne tranen onbedwongen te laten vloeien. Hij had hier lang geleden zoovele tranen gestort, dat hij zich in deze kamer minder over zijne zwakheid schaamde dan ergens anders—misschien had hij wel met die bewustheid naar voorwendselen gezocht om hier te komen. Hier was hij met gebogen rug en op de borst gezonken hoofd binnengetreden. Hier, op de bloote planken neergeworpen, had hij in het holste van den nacht geschreid, alleen—zelfs toen nog een trotsch man, die, als eene vriendelijke hand hem had kunnen aanraken, of een vriendelijk gezicht had kunnen binnenkijken, zou zijn opgestaan en met een afgewend gelaat weder naar zijne cel zou zijn gegaan.