Dombey en Zoon

Part 85

Chapter 854,052 wordsPublic domain

Toen de dag aanbrak, was hij weder in zijne kamers opgesloten. Hij had vandaag willen heengaan, maar hij klemde zich vast aan dien band in het huis, als het laatste en eenige dat hem overschoot. Hij wilde morgen gaan. Morgen kwam. Wederom wilde hij morgen gaan. Elken nacht kwam hij, zonder dat iemand het wist, zijne kamer uit en dwaalde als een spook door het geplunderde huis. Menigen ochtend zat hij achter de dichtgeschovene gordijnen van zijn venster, waar het licht nog maar flauw doorheen scheen, over het verlies van zijne twee kinderen te mijmeren. Het was nu niet één kind meer. Hij hereenigde hen in zijne gedachten, en zij waren nooit gescheiden. O, dat hij hen had kunnen vereenigen in zijne vroegere liefde en in den dood, en dat het eene niet zooveel erger dan de dood was geweest!

Sterke gemoedsbewegingen waren hem niet vreemd, zelfs voor zijne laatste rampen. Dat zijn zij nooit voor stroeve, onverzettelijke karakters, want het kost hun een harden kamp om stroef en onverzettelijk te zijn. Een lang ondermijnde grond zinkt dikwijls in een oogenblik in; wat hier op zoovele wijzen ondermijnd was, kruimelde langzamerhand al meer en meer weg, naarmate de trage uren verliepen.

Eindelijk begon hij te denken, dat hij geheel niet behoefde heen te gaan. Hij kon nog opgeven wat zijne crediteuren hem gelaten hadden (dat zij hem niet meer hadden gelaten was zijn eigen bedrijf) en den band tusschen hem en het verwoeste huis slechts te verscheuren, door dien anderen band te verscheuren, die—

Het was toen dat zijn voetstap hoorbaar werd, terwijl hij in de gewezene huishoudsterskamer op en neer ging; maar niet hoorbaar in zijne ware beteekenis, of het geluid zou schrikverwekkend zijn geweest.

De wereld was nog rusteloos met hem bezig. Dit kwam hem wederom te binnen. Zij was aan het fluisteren en babbelen. Zij was nooit stil. Dit en de ingewikkelde verwarring der voetstappen martelde hem dood. Alles begon voor zijne oogen eene roodachtige kleur aan te nemen. Dombey en Zoon was niet meer—zijne kinderen waren niet meer. Hij moest daarover denken—morgen.

Toen het morgen was geworden dacht hij er over; en terwijl hij zat te denken zag hij nu en dan in den spiegel—zijn beeld.

Een spookachtig vermagerd en vervallen afbeeldsel van zich zelven zat bij den ledigen haard te peinzen. Nu tilde dat afbeeldsel zijn hoofd op, en bezag de rimpels en holten van zijn eigen gezicht; dan liet het zijn hoofd weder hangen en peinsde weder. Nu stond het op en wandelde rond; nu ging het naar de naaste kamer en kwam terug met iets van het toilettafeltje in zijne borst. Nu keek het naar den onderkant der deur en dacht—stil! Wat dacht het?

Het dacht dat, als er bloed naar dien kant sijpelde en in het voorhuis doorlekte, het lang zou moeten duren eer het zoover kwam. Het zou zoo langzaam voortkruipen, met hier een stilstaand plasje, en dan een loopend sprankje, en weder een stilstaand plasje, dat een doodelijk gekwetste wel dood zou zijn eer hij op die manier werd ontdekt. Toen het een langen tijd daarover had gedacht, stond het weder op en stapte heen en weder met de hand in de borst. Hij zag tusschenbeide naar dat afbeeldsel, lette nieuwsgierig op de beweging daarvan, en merkte op hoe moorddadig die hand er uitzag.

Nu dacht het weder. Wat dacht het?

Of zij in het bloed zouden trappen, als het zoover gekropen was, en het door het huis dragen tusschen al die voetstappen, en zelfs naar buiten op straat.

Het zette zich neder, met de oogen op den ledigen haard, en terwijl het in gedachten verzonk kwam er een lichtglans in de kamer—een zonnestraal. Maar het bespeurde niets daarvan en bleef zitten denken. Plotseling stond het op, met een allerakeligst gezicht, en die moorddadige hand greep naar wat het in de borst had.

Toen werd de hand gestuit door een kreet van schrik, liefde en verrukking—en hij zag in den spiegel niets anders meer dan zich zelven, en aan zijne voeten, zijne dochter!

Ja! Zijne dochter! Zie hier! Op den grond, zich aan hem vastklemmende, hem roepende, biddend hare handen vouwende.

“Papa! Lieve papa! Vergeef mij, vergeef mij! Ik ben teruggekomen om op mijne knieën uwe vergiffenis te vragen. Ik kan zonder vergiffenis nooit meer gelukkig zijn.”

Nog onveranderd. Van de geheele wereld zij alleen onveranderd. Nog hetzelfde gezichtje naar hem opheffende als in dien rampzaligen nacht. En zij vraagt zijne vergiffenis!

“Lieve papa, o, zie mij zoo vreemd niet aan! Ik was nooit voornemens u te verlaten, ik had er te voren nooit aan gedacht. Ik was buiten mij zelve toen ik heenging, en kon niet nadenken. Lieve papa, ik ben veranderd. Ik heb berouw. Ik erken mijne schuld. Ik ken mijn plicht nu beter. Papa, stoot mij niet van u af, of ik zal het besterven!”

Hij waggelde naar zijn stoel. Hij voelde haar zijne armen om haar hals trekken; hij voelde haar de hare om zijn hals slaan; hij voelde hare kussen op zijn gezicht; hij voelde hare vochtige wang tegen de zijne leggen; hij voelde—o, hoe diep!—al wat hij gedaan had.

Tegen de borst die hij gekneusd had, tegen het hart dat hij bijna gebroken had, legde zij zijn gezicht, nu met zijne handen bedekt, en zeide snikkende:

“Lieve papa, ik ben moeder. Ik heb een kind, dat Walter spoedig bij den naam zal noemen, waarbij ik u noem. Toen het geboren was, en ik gevoelde hoe lief ik het had, gevoelde ik ook wat ik gedaan had toen ik u verliet. Vergeef mij, lieve papa. O, zeg dat God mij en mijn kindje zegene!”

Hij zou het gezegd hebben, als hij kon. Hij zou zijne handen hebben opgeheven en haar om vergiffenis gesmeekt, maar zij vatte ze in de hare en trok ze snel naar omlaag.

“Mijn kindje werd op zee geboren, papa. Ik bad God (en dat deed Walter ook) om mij te sparen, dat ik thuis mocht komen. Zoodra ik aan land kon gezet worden, kwam ik naar u toe. Laten wij nu nooit meer gescheiden worden, lieve papa, nooit meer gescheiden worden!”

Zijn hoofd, nu grijs, werd door haar arm omvangen; en hij slaakte een kermenden zucht bij de gedachte, dat hij nog nooit zoo gerust had.

“Gij zult toch met mij naar huis komen, papa, en mijn kindje zien. Een jongen, papa. Hij heet Paul. Ik denk—ik hoop—hij gelijkt—”

Hare tranen stuitten haar.

“Lieve papa, om mijn kind, om den naam, dien wij het gegeven hebben, om mijnentwil, vergeef Walter. Hij is zoo goed en teer voor mij. Ik ben zoo gelukkig met hem. Het was zijne schuld niet, dat wij getrouwd werden. Het was de mijne. Ik had hem zoo lief.”

Zij omhelsde hem nog vaster en teerder.

“Hij is de lieveling van mijn hart, papa. Ik zou voor hem sterven. Hij zal u liefhebben en eeren evenals ik zal doen. Wij zullen ons kindje leeren om u lief te hebben en te eeren; wij zullen hem zeggen, als hij het verstaan kan, dat gij eens een zoon van dien naam hebt gehad, en dat hij stierf, en dat gij zeer bedroefd waart; maar dat hij in den hemel is, waar wij allen hem hopen te zien, als onze tijd van rusten komt. Geef mij een kus, papa, als belofte, dat gij u met Walter zult verzoenen—met mijn beminden man—met den vader van het kind, dat mij geleerd heeft terug te komen.”

Toen zij, opnieuw in tranen uitbarstende, hem nog vaster omhelsde, gaf hij haar een kus en zijne oogen opslaande, zeide hij: “O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!”

Toen liet hij zijn hoofd weder zinken, en beklaagde haar en liefkoosde haar, en lang, zeer lang was er geen geluid in huis, en bleven zij in elkanders armen gesloten; in dien heerlijken zonneschijn, die met Florence was binnengeslopen.

Hij kleedde zich om uit te gaan, zich gedwee onderwerpende aan hare bede; en met zwakke schreden, bevend omziende naar de kamer, waarin hij zoolang was opgesloten, en waar hij zijn beeld in den spiegel had gezien, ging hij met haar het voorhuis in. Florence, nauwelijks rondkijkende, opdat zij hem niet opnieuw aan hunne laatste scheiding zou herinneren—want hunne voeten waren op dezelfde steenen, waar hij in zijne blinde razernij naar haar had geslagen—en dicht bij hem blijvende, met hare oogen naar de zijne en zijn arm om haar heen, bracht hem naar eene koets, die voor de deur stond te wachten, en nam hem mede.

Toen kwamen jufvrouw Tox en Polly uit haar schuilhoek, en juichten met tranen. En toen pakten zij zijne kleederen en boeken zeer zorgvuldig in, en gaven ze des avonds aan de lieden, die Florence zond om ze te halen. En toen dronken zij een laatst kopje thee in het eenzame huis.

“En zoo heeft Dombey en Zoon, gelijk ik bij zekere gelegenheid aanmerkte,” zeide jufvrouw Tox, aan het eind van een geheelen sleep van herinneringen, “toch eene dochter moeten wezen, Polly.”—“En wat eene goede dochter!” riep Polly uit.—“Daar hebt gij gelijk in,” zeide jufvrouw Tox; “en het strekt u tot eer, Polly, dat gij altijd hare vriendin zijt geweest, toen zij nog een klein kind was. Gij zijt hare vriendin geweest, lang voor dat ik het was, Polly,” zeide jufvrouw Tox, “en ge zijt een goed schepsel.—Robin!”

Jufvrouw Tox richtte dit woord tot een jong mensch, met een rond hoofd, dat niet in de beste omstandigheden en zeer neerslachtig van geest scheen te zijn, en in een afgelegen hoek zat. Opstaande, vertoonde hij de trekken en gestalte van den Slijper.

“Robin,” zeide jufvrouw Tox, “ik heb zoo even tegen uwe moeder aangemerkt, gelijk gij wel zult gehoord hebben, dat zij een goed schepsel is.”—“En dat is zij ook, jufvrouw,” zeide de Slijper, niet zonder gevoel.—“Heel goed, Robin,” hervatte jufvrouw Tox, “het verheugt mij u dat te hooren zeggen. Nu, Robin, daar ik u, op uw dringend verzoek, als mijn bediende op de proef zal nemen, om u weder tot een fatsoenlijken jongen te maken, wil ik deze treffende gelegenheid waarnemen om aan te merken, dat ik hoop dat gij nooit zult vergeten, dat gij eene goede moeder hebt, en gij pogen zult u zoo te gedragen dat gij haar tot een troost zijt.”—“Bij mijne ziel, dat wil ik, jufvrouw,” antwoordde de Slijper. “Ik heb veel uitgestaan en mijne voornemens zijn nu zoo goed, als een arme drommel—”—“Gij moest u dat woord afwennen, Robin, als het u belieft,” viel jufvrouw Tox er zeer beleefd op in.—“Als het u belieft, jufvrouw, als een arme stakker dan—”—“Verplicht, Robin,” antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik zou liever zeggen als een redelijk wezen.”—“Als een redelijk wezen,” zeide de Slijper.—“Veel beter,” zeide jufvrouw Tox vergenoegd.—“Dat drukt veel meer uit.”—“Ze maar hebben kan,” vervolgde Rob. “Als men geen Slijper van mij gemaakt had, jufvrouw en moeder, dat een allerongelukkigst ding was voor zulk een armen drom—voor een redelijk wezen.”—“Heel goed,” merkte jufvrouw Tox tevreden aan.—“En als ik niet door de vogels op een slechten weg was gebracht en toen in een slechten dienst was gekomen,” zeide de Slijper, “hoop ik dat ik het beter zou hebben gemaakt. Maar het is nooit te laat voor een—”—“Redelijk,” blies jufvrouw Tox hem in.—“Wezen,” zeide de Slijper, “om zich te beteren; en ik hoop mij te beteren, jufvrouw, als ge mij op de proef wilt nemen; en ik verzoek moeder, om vader en mijne broertjes en zusjes van mij te groeten, en het hun te zeggen.”—“Het verheugt mij buitengemeen dit van u te hooren,” zeide jufvrouw Tox. “Wilt gij eene boterham gebruiken en een kopje thee, Robin, eer wij gaan?”

De Slijper weigerde niet, en at alsof hij langen tijd op kort rantsoen had gestaan.

Toen jufvrouw Tox en Polly zich met hoeden en doeken hadden gereedgemaakt om te vertrekken, gaf Rob zijne moeder een kus en volgde hij zijne nieuwe meesteres; terwijl Polly hem hopend nazag, met iets in hare oogen, dat lichtende kringen om de gaslantarens veroorzaakte. Toen sloot Polly de straatdeur, bracht den sleutel bij iemand in de buurt, en liep zoo hard zij kon naar huis, zich vooraf verheugende in de schelklinkende blijdschap, welke hare onverwachte komst zou veroorzaken. Het groote huis, stom voor alles wat er in geleden was en al de veranderingen die het had gezien, bleef somber de straat aanstaren, en wees alle nadere vragen af met het bericht, dat het te huur was.

LX.

VOORNAMELIJK OVER HUWELIJKSZAKEN.

Het groote halfjaarlijksche feest, dat door doctor Blimber gegeven werd, en waarop al de jonge heeren werden genoodigd, was naar behooren gevierd; en de jonge heeren hadden zich, zonder onvoegzame betooning van lichtzinnige blijdschap en verzadigd van geleerdheid, naar huis begeven. Skettles ging het land uit, om zijn vader Sir Barnet Skettles te gaan opzoeken, wiens innemende manieren hem eene diplomatische betrekking hadden verschaft, waarvan de honneurs door hem en Lady Skettles tot algemeen genoegen—zelfs van hunne eigene landgenooten—werden waargenomen; iets, dat bijna voor een mirakel werd gehouden. Tozer, thans een rijzig jonkman, was zoo vol oudheidkunde, dat hij in zijne kennis van het Engelsch bijna met een echten ouden Romein gelijkstond: een roem, die zijne goede ouders met de teederste aandoeningen vervulde, en den vader en moeder van Briggs (wiens geleerdheid, gelijk slecht gepakte bagage, zoo in de war lag, dat hij nooit kon vinden wat hij noodig had) met schaamte het hoofd deed verbergen. De vruchten, welke de laatste jonge heer met veel moeite van den boom der kennis had geplukt, waren zoodanig gebroeid, dat zij, gelijk heel ontijdig fruit, niets van den waren smaak hadden behouden. Jonge heer Bitherstone, bij wien het forceerstelsel het minder ongelukkige en niet ongewone gevolg had van niet den minsten duurzamen indruk na te laten, was veel beter op zijn gemak, en zich thans aan boord van een naar Bengalen bestemd schip bevindende, was hij met zulk een bewonderenswaardigen spoed aan het vergeten, dat het twijfelachtig was of zelfs zijne declinatiën van substantieven tot aan het eind van de reis zouden duren.

Toen doctor Blimber, op den ochtend van het feest, volgens zijne vaste gewoonte had moeten zeggen: “Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten,” was hij van zijne vaste gewoonte afgeweken en had gezegd: “Jonge heeren, toen onze vriend Cincinnatus zich naar zijne hoeve terug begaf, leest men niet, dat hij den senaat een Romein voorstelde, dien hij tot zijn opvolger zocht te benoemen. Doch er is hier een Romein,” zeide doctor Blimber, en legde zijne hand op Feeder’s schouder, “adolescens imprimis gravis et doctus, jonge heeren, wien ik, een tweede Cincinnatus, aan mijn kleinen senaat, als hun toekomstigen dictator wensch voor te stellen. Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten, onder de auspiciën van mijnheer Feeder.” Op dit bericht (hetwelk doctor Blimber de ouders vooraf beleefdelijk had medegedeeld) lieten de jonge heeren een eerekreet hooren; en Tozer bood den doctor, in aller naam, een inktkoker aan, met eene redevoering, die zeer weinig van de moedertaal, maar vijftien aanhalingen uit het Latijn en zeven uit het Grieksch bevatte, hetgeen de jongsten der jonge heeren met ongenoegen en wangunst vervulde, en hen deed zeggen: “Wel ja, het was heel mooi voor dien langen Tozer, maar zij hadden hun geld niet gegeven om er langen Tozer mee te laten pronken; hadden zij wel? Wat had lange Tozer er meer part aan dan de anderen? Het was zijn inktkoker immers niet? Waarom kon hij niet van het goed van anderen afblijven?” met andere uitdrukkingen van ontevredenheid, waaraan zij niet beter lucht schenen te kunnen geven dan door hem langen Tozer te noemen.

Geen woord was den jongen heeren gezegd, geen wenk was hun gegeven van een aanstaand huwelijk tusschen mijnheer Feeder en de schoone Cornelia Blimber. Doctor Blimber vooral scheen moeite te doen om een gezicht te zetten alsof niets hem meer zou verrassen; maar de jonge heeren wisten het toch zeer wel, en toen zij vertrokken om het gezelschap hunner betrekkingen en vrienden te gaan opzoeken, was het met eerbiedig ontzag, dat zij van mijnheer Feeder afscheid namen.

Feeder’s romaneske droomen waren vervuld. De doctor had besloten het huis van buiten te laten schilderen en geheel te repareeren, en zijne zaak en Cornelia aan hem over te doen. Het schilderen en repareeren begon daags nadat de jonge heeren vertrokken, en ziet! nu was de bruiloftsochtend gekomen, en Cornelia, met een nieuwen bril, stond gereed om zich naar het huwelijksaltaar te laten leiden.

De doctor met zijne geleerde beenen, en mevrouw Blimber met een lila hoed, en mijnheer Feeder, met zijne knokkige vingers en borstelig hoofd, en mijnheer Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, die de plechtigheid zou verrichten, waren allen in het salon bijeen, en Cornelia, met hare oranjebloesems en bruidsjuffertjes, was juist naar beneden gekomen en zag er, gelijk van ouds, wat ingeknepen maar allerbekoorlijkst uit, toen de deur geopend werd, en de jonkman met slechte oogen, met luider stem, de volgende proclamatie deed:

“Mijnheer en mevrouw Toots!”

En daarop trad Toots binnen, zeer zwaarlijvig geworden en met eene dame aan den arm, die zeer fraai en met smaak gekleed was, en zeer heldere zwarte oogen had.

“Mevrouw Blimber,” zeide Toots, “laat ik u mijne vrouw mogen presenteeren.”

Mevrouw Blimber was verrukt haar te mogen recipieeren. Mevrouw Blimber was wel wat uit de hoogte, maar toch zeer vriendelijk.

“En daar ge mij lang gekend hebt, weet ge,” zeide Toots, “laat ik u mogen verzekeren, dat zij een van de buitengemeenste vrouwen is, die er ooit geleefd hebben.”—“Maar lieve!” zeide mevrouw Toots.—“Op mijn woord van eer, dat is zij,” zeide Toots, “Ik—ik verzeker u, mevrouw Blimber, zij is eene zeer buitengemeene vrouw.”

Mevrouw Toots lachte vroolijk, en mevrouw Blimber bracht haar naar Cornelia. Toen Toots deze insgelijks zijn compliment had gemaakt, en zijn ouden leermeester begroet, die, met toespeling op den huwelijken staat, zeide: “Wel zoo, Toots. Dus zijt ge nu in ons gild gekomen, Toots!” ging hij met Feeder ter zijde naar een venster.

Mijnheer Feeder, die zeer vroolijk was, plaatste zich in de houding van een bokser, en gaf Toots kunstmatig een stootje op het borstbeen.

“Wel, oude jongen!” zeide Feeder lachende. “Daar zijn wij er. Allebei gevangen. He?”—“Feeder,” antwoordde Toots, “ik feliciteer u. Als gij zoo—zoo—zoo volmaakt gelukkig zijt in den echten staat, als ik ben, zult gij niets meer te verlangen hebben.”—“Ik vergeet mijne oude vrienden niet, ziet ge,” zeide Feeder. “Ik vraag ze op mijne bruiloft.”—“Feeder,” antwoordde Toots met ernst, “de zaak is, dat er verscheidene omstandigheden bestonden, die mij verhinderden om u iets mede te deelen voordat mijn huwelijk voltrokken was. Vooreerst had ik mij, wat jufvrouw Dombey betreft, als een redeloos dier bij u aangesteld; en ik gevoelde wel, als ik u op eene bruiloft vroeg, dat ge natuurlijk zoudt denken dat het met jufvrouw Dombey was, waardoor ophelderingen te pas zouden zijn gekomen, die mij, op mijn woord van eer, in die crisis, geheel overstelpt zouden hebben. Ten tweede, werd ons huwelijk zeer stil gehouden; want er was niemand bij dan een vriend van mij en mijne vrouw, die kapitein is bij—ik weet eigenlijk niet recht waarbij,” zeide Toots, “maar dat is van geen beduiden. Ik hoop, Feeder, dat ik, door u een bericht van het voorgevallene te schrijven, eer mevrouw Toots en ik op reis gingen, aan al de verplichtingen der vriendschap heb voldaan.”—“Toots, mijn jongen,” zeide Feeder, hem de hand gevende, “ik stak er den gek maar mee.”—“En nu, Feeder,” zeide Toots, “zou ik gaarne willen weten, wat gij van mijn huwelijk denkt.”—“Ik vind het heerlijk,” antwoordde Feeder.—“Zoo, vindt gij het heerlijk, Feeder?” zeide Toots met grooten ernst. “Hoe heerlijk moet ik het dan niet vinden! Want gij kunt nooit weten welk eene buitengemeene vrouw zij is.”

Feeder wilde dit gaarne op goed geloof aannemen maar Toots schudde zijn hoofd en wilde er niet van hooren dat dit mogelijk zou zijn.

“Gij ziet wel,” zeide Toots, “wat ik met eene vrouw noodig had, was—kortom, was verstand. Geld, Feeder, had ik wel. Verstand had ik—had ik niet veel.”

Feeder prevelde: “O ja wel, Toots, dat hadt ge wel!” Maar Toots zeide:

“Neen, Feeder, dat had ik niet. Waarom zou ik het verbloemen? Dat had ik niet. Ik wist dat daar verstand was,” zeide Toots, naar zijne vrouw wijzende, “bij hoopen. Ik had geene betrekkingen, die zich over rang of stand konden ergeren of boos maken, want ik had geheel geene betrekkingen. Ik heb nooit iemand gehad, die mij toekwam, behalve mijn voogd; en hem, Feeder, heb ik altijd voor een struikroover gehouden. Dus was het niet te denken, weet ge,” zeide Toots, “dat ik naar zijne meening zou vragen.”—“Neen,” zeide Feeder.—“Derhalve ging ik naar mijne eigene meening te werk,” hervatte Toots, “en het was een gelukkige dag toen ik dat deed, Feeder. Niemand dan ik alleen kan zeggen hoeveel verstand die vrouw heeft. Als de rechten der vrouwen en al die soort van dingen ooit goed te recht gebracht worden, zal haar krachtig verstand het moeten doen.—Suze, melieve,” zeide Toots, plotseling om het gordijn van het venster kijkende, “maak het u toch niet te druk!”—“Ik praat maar, beste,” zeide mevrouw Toots.—“Maar, liefje,” hervatte Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Gij moet waarlijk voorzichtig zijn. Maak het u toch niet te druk, lieve Suze; zij raakt zoo licht opgewonden,” zeide Toots, ter zijde tot mevrouw Blimber, “en dan vergeet zij den dokter heel en al.”

Mevrouw Blimber hield mevrouw Toots de noodzakelijkheid voor om voorzichtig te zijn, toen Feeder haar zijn arm bood om haar naar een van de koetsen te brengen, waarmede men naar de kerk zou rijden. Doctor Blimber geleidde mevrouw Toots, en Toots de schoone bruid, om welker stralenden bril twee gazige bruidsjuffertjes als vlindertjes fladderden. Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, was reeds vooruitgegaan.

De plechtigheid werd met alle staatsie verricht. Cornelia, met hare gekroesde krulletjes, hield zich zeer bedaard; en doctor Blimber gaf haar weg als een man, die daartoe ten volle besloten was. De gazige bruidsjuffertjes schenen het meest ontroerd. Mevrouw Blimber was aangedaan, maar met mate, en zeide den eerwaarden heer Alfred Feeder onderweg naar huis, dat zij, als zij Cicero maar in zijne afzondering te Tusculum gezien had, nu geen wensch meer onvoldaan zou hebben.

Er volgde een ontbijt, dat tot hetzelfde kleine gezelschap beperkt bleef, en waarbij Feeder geducht vroolijk was en zijne vroolijkheid zoodanig aan mevrouw Toots mededeelde, dat men Toots verscheidene malen over de tafel heen hoorde zeggen: “Lieve Suze, maak het u toch niet te druk!” Het fraaiste van alles was, dat Toots zich verplicht achtte om eene aanspraak te houden en, in weerwil van alle telegrafische teekenen zijner vrouw om het hem te ontraden, dit werkelijk voor het eerst van zijn leven deed.

“Ik kan waarlijk, in dit huis,” zeide Toots, “waar ik—wat er ook somtijds met—met mijne hersenen mocht gedaan zijn—dat van geen beduiden is en ik ook niemand verwijt—altijd als een lid van doctor Blimber’s familie ben behandeld, en lang zelfs een eigen lessenaar heb gehad—mijn vriend Feeder niet zien—”—“Trouwen,” blies mevrouw Toots hem in.—“Het zal bij deze gelegenheid niet ongepast en niet geheel onbelangrijk wezen,” zeide Toots met een vergenoegd gezicht, “hier aan te merken, dat mijne vrouw eene zeer buitengemeene vrouw is, en dit veel beter zou doen dan ik zelf—mijn vriend Feeder niet zien trouwen—inzonderheid met—”—“Met jufvrouw Blimber,” fluisterde mevrouw Toots hem toe.—“Met mevrouw Feeder, lieve,” zeide Toots, op den zachten toon eener afzonderlijke redewisseling. “Wat God vereenigd heeft, zal niemand—weet ge wel? Ik kan mijn vriend Feeder niet zien trouwen, inzonderheid met mevrouw Feeder—zonder hunne—hunne toasten in te stellen; en moge,” zeide Toots, zijne oogen op zijne vrouw vestigende, als om zich daardoor tot eene hooge vlucht te inspireeren, “de toorts van Hymen een vreugdevuur voor hen wezen, en mogen de bloemen, die wij heden op hun pad hebben gestrooid, alle—alle somberheid verbannen.”