Part 83
Jufvrouw Wickam, ging, met opgetrokkene wenkbrauwen, het hoofd op zijde en het licht in de hand, vooruit naar boven naar eene nette, zindelijke kamer, waaraan eene andere flauw verlichte kamer grensde, waarin een bed stond. In de eerste kamer zat eene oude vrouw voor het opene venster werktuiglijk in de duisternis te staren. In de tweede lag, op het bed uitgestrekt, de schim van eene gedaante, die eens op een winteravond den stormwind en den regen tartte, nu nauwelijks te herkennen, behalve aan het lange zwarte haar, dat zoo bijzonder zwart scheen bij het bleeke gezicht en al het witte in het rond.
O, die sterke oogen en dat zwakke lichaam! Die oogen, die zich snel en helder naar de deur keerden toen Harriët binnenkwam, en dat zwakke hoofd, dat zich niet kon opbeuren en zich zoo langzaam op het kussen omdraaide!
“Alice!” zeide Harriët vriendelijk. “Kom ik niet laat van avond?”—“Het schijnt altijd laat, maar gij komt toch altijd vroeg.”
Harriët had zich nu bij het bed neergezet, en legde hare hand op de uitgeteerde hand, die op het dek lag.
“Ge zijt wat beter?”
Jufvrouw Wickam, die als een naargeestig spook aan het einde van het bed stond, schudde zeer krachtig haar hoofd om dit vermoeden tegen te spreken.
“Het komt er weinig op aan,” zeide Alice met een flauwen glimlach. “Beter of erger vandaag, maakt maar een dag verschil—misschien zooveel niet eens.”
De ernstig denkende jufvrouw Wickam gaf door een zwaren zucht hare goedkeuring te kennen; en nadat zij het dek aan het voeteneinde had betast, als dacht zij de koude voeten van de lijderes daardoor heen te voelen, ging zij wat met de medicijnfleschjes op de tafel rinkelen, als wilde zij zeggen: “zoolang er leven is, moet men toch innemen.”
“Neen,” fluisterde Alice, “slecht gedrag en wroeging, vermoeienis, gebrek, weer en wind, storm van buiten en storm van binnen, hebben mijn leven versleten. Het zal niet lang meer duren.”
Zij trok, zoo sprekende, de hand hooger op en legde haar gezicht daartegen.
“Ik lig hier somtijds te denken, dat ik gaarne zou willen leven tot ik tijd had gehad, om u te toonen hoe dankbaar ik zou kunnen zijn. Maar dat is eene zwakheid en gaat gauw voorbij. Het is beter zóó voor u. Beter voor mij.”
Hoe geheel anders vatte zij de hand, dan zij eens bij dien haard op dien barren winteravond had gedaan. Haat, woede, roekeloosheid, halsstarrigheid—zie hier wat er van komt. Dit is het einde.
Nadat jufvrouw Wickam genoeg met de fleschjes had gerinkeld, kwam zij nu met het drankje aan. Zij keek de lijderes scherp aan terwijl zij dronk, kneep haar mond daarbij dicht en schudde haar hoofd, om aan te duiden, dat geene martelingen haar konden doen zeggen, dat het een hopeloos geval was. Daarna ging zij heen om zich beneden met wat gebak te versterken.
“Hoelang is het geleden,” zeide Alice, “dat ik bij u kwam en u zeide wat ik gedaan had, en gij onderricht werdt, dat het te laat was om iemand na te zenden?”—“Over het jaar,” antwoordde Harriët.—“Over het jaar,” zeide Alice, haar peinzend aanziende. “Maanden aan maanden sedert gij mij hier gebracht hebt!”
Harriët antwoordde: “Ja!”
“Mij hier gebracht hebt met geweld van goedheid en zachtheid! Mij!” zeide Alice, haar gezicht achter de hand verbergende. “En mij tot een mensch hebt gemaakt door de oogen en woorden van eene vrouw en de daden van een engel!”
Harriët, over haar heengebogen, poogde haar te bedaren en te troosten. Weldra vroeg Alice, nog zoo liggende, met die hand tegen haar gezicht, om hare moeder te roepen.
Harriët riep haar meer dan eens, maar de oude vrouw was zoo verdiept in haar turen in de duisternis, dat zij niet hoorde. Eerst toen Harriët naar haar toe ging en haar aanraakte, stond zij op en kwam.
“Moeder!” zeide Alice, die hand weder vattende, en hare glansrijke oogen liefdevol op hare weldoenster vestigende; “zeg haar wat gij weet.”—“Van avond, liefje?”—“Ja, moeder,” antwoordde Alice, zacht en plechtig. “Vanavond.”
De oude vrouw, wier verstand door angst of wroeging gekrenkt scheen te zijn, kwam naar het bed gekropen, aan den kant tegenover dien, waar Harriët zat; en daar neerknielende, zoodat zij haar gerimpeld gezicht op gelijke hoogte met het dek bracht, en hare hand uitstekende, zoodat zij Alice’s arm aanraakte, begon zij:
“Mijne mooie dochter—”
Hemel, welk een kreet was dat, waarmede zij zich stuitte, toen zij de gedaante in dat bed aanzag!
“Al lang geleden veranderd, moeder,” zeide Alice zonder haar aan te zien. “Maak u daarom nu niet meer bedroefd.”—“Mijne dochter,” zeide de oude vrouw haperend, “die gauw weer beter zal worden, en ze dan allen beschaamd zal maken met haar mooi.”
Alice zag Harriët met een treurigen glimlach aan, en streelde die hand, maar zeide niets.
“Die gauw weer beter zal worden, zeg ik,” herhaalde de oude vrouw, dreigende hare dorre vuist schuddende, “en ze dan allemaal beschaamd maken met haar mooi—dat zal zij. Ik zeg dat zij zal—dat moet zij,” als sprak zij met hartstochtelijke drift tegen een onzichtbaar persoon bij het bed, die haar tegensprak. “Mijne dochter is verzaakt en verbannen, maar zij kon op hare bloedverwantschap op groote lieden roemen, als zij wilde. Ja, op groote trotsche lieden! Er bestaat ook bloedverwantschap zonder uwe geestelijken en trouwringen—zij maken ze, maar zij kunnen ze niet breken—en mijne dochter is van goede familie. Wijs mij mevrouw Dombey, en gij wijst mij Alice’s volle nicht.”
Harriët zag van de oude vrouw naar de glanzige oogen, die haar aanstaarden, en las daarin eene bevestiging.
“Wat!” riep de oude vrouw, met akelige ijdelheid haar hoofd oprichtende. “Al ben ik nu oud en leelijk—maar toch veel ouder door mijne manier van leven dan door mijne jaren—ik ben eens zoo jong geweest als iemand. Ja, en zoo mooi ook als velen! Ik was een frisch boerenmeisje in mijn tijd, liefje,” haar arm over het bed naar Harriët uitstrekkende, “en zag er goed uit. Waar ik woonde waren mevrouw Dombey’s vader en zijn broeder de vroolijkste heeren, die daar van Londen kwamen logeeren—maar zij zijn al lang dood! och Heere! al heel lang. De broeder, die mijn Ally’s vader was, al het langst van de twee.”
Zij lichtte haar hoofd op en zag hare dochter turend aan, als bracht de herinnering harer eigene jeugd haar op die van haar kind. Toen viel zij eensklaps met haar gezicht op het bed, en klemde haar hoofd tusschen hare handen.
“Zij geleken zoo sterk op elkander,” zeide de oude vrouw, zonder op te zien, “als twee broeders maar konden doen, zoo gelijk van jaren—zij scheelden niet veel meer dan een jaar, herinner ik mij—en als gij mijne dochter hadt kunnen zien, zooals ik haar eens gezien heb, vlak naast de dochter van dien anderen, zoudt gij, met al het verschil van kleeding en manieren, gezien hebben, dat zij op elkander geleken. O, de gelijkenis is weg—en het is mijne dochter—mijne dochter alleen—die zoo moest veranderen!”—“Wij zullen allen veranderen, moeder, op onze beurt,” zeide Alice.—“Beurt!” riep de oude vrouw. “Maar waarom niet hare beurt even gauw als mijn dochters beurt! De moeder moet veranderd zijn—zij zag er even oud en gerimpeld uit als ik, door haar blanketsel heen—maar zij was mooi gebleven. Wat heb ik gedaan, wat heb ik erger gedaan dan die andere, dat mijne dochter alleen daar moet liggen verkwijnen!”
Met een woesten gil liep zij naar de kamer, waaruit zij gekomen was; maar terstond weder in eene andere stemming komende, keerde zij weerom, kroop naar Harriët toe en zeide:
“Dat is het wat Alice wilde, dat ik zou zeggen, liefje. Dat is alles. Ik ontdekte het eens op een zomer in Warwickshire, toen ik haar zag en vroeg wie zij was. Zulke bloedverwanten konden mij toen niet baten. Zij zouden mij niet erkend hebben en hadden mij niets te geven. Ik zou ze misschien naderhand toch om een beetje geld hebben gevraagd, als het niet om Alice was geweest; zij zou mij vermoord hebben, geloof ik, als ik het gedaan had. Zij was zoo trotsch als die andere op hare manier,” zeide de oude vrouw, vreesachtig het gezicht harer dochter aanrakende en daarop hare hand terugtrekkende, “al houdt zij zich nu zoo bedaard; maar zij zal ze toch nog beschaamd maken met haar mooi. Ha, ha! zij zal ze beschaamd maken—mijne mooie dochter!”
De lach, waarmede zij heenging, was akeliger dan haar gillen; akeliger dan het kinderachtig gejammer, dat daarop volgde; akeliger dan de sufheid, waarmede zij zich weder op haar stoel zette en in de duisternis staarde.
De oogen van Alice waren al dien tijd op Harriët gevestigd gebleven, welker hand zij niet had losgelaten. Nu zeide zij:
“Terwijl ik hier lag, dacht ik dikwijls dat ik u dit gaarne wilde doen weten. Het kon, dacht ik, iets verklaren, dat er toe bijdroeg om mij te verharden. Ik had, onder mijn kwaad doen, zooveel van mijne verwaarloosde plichten gehoord, dat ik begon te gelooven dat anderen integendeel hun plicht jegens mij hadden verzuimd, en dat er van het zaad, dat zij gezaaid hadden, geen andere oogst kon groeien. Ik meende te zien dat, wanneer dames eene slechte moeder en een onaangenaam leven hadden, zij op hare manier ook den slechten weg opgingen, maar dat hare manier niet zoo schandelijk was als de mijne, en dat zij daarvoor God mochten danken. Dat is alles voorbij. Het is nu als een droom, dien ik mij niet goed meer kan herinneren. Het heeft meer en meer naar een droom gaan gelijken, sedert den dag toen gij begonnen zijt hier bij mij te zitten en voor mij te lezen. Ik zeg het u maar, zooveel ik mij herinner. Wilt ge nog wat voor mij lezen?”
Harriët trok hare hand terug om het boek open te slaan, toen Alice die nog even vasthield.
“Gij zult mijne moeder niet vergeten? Ik vergeef haar, als ik reden daartoe heb. Ik weet dat zij mij vergeeft, en dat zij in haar hart bedroefd is. Gij zult haar niet vergeten?”—“Nooit, Alice!”—“Een oogenblik nog. Leg mijn hoofd zoo, lieve, dat ik, als gij leest, de woorden op uw vriendelijk gezicht kan zien.”
Harriët voldeed aan dit verlangen en las—las uit het eeuwige boek voor alle vermoeiden en zwaar beladenen, voor al de rampzaligen, gevallenen en verwaarloosden dezer aarde—las de gezegende geschiedenis, waarin de blinde, de lamme, de kreupele bedelaar, de misdadiger, de vrouw met schande bevlekt, zij, die door hen, welke zich beter achten, worden vermeden, allen hun deel hebben, dat door geene menschelijke trotschheid of onverschilligheid, door al de eeuwen, die deze wereld duren zal, heen, kan worden weggenomen of niet het duizendste deel van een grein verminderd—las de woorden en daden van Hem, die medelijden had met alle smarten en angsten van het menschelijk leven.
“Ik zal morgenochtend heel vroeg terugkomen,” zeide Harriët toen zij het boek sloot.
De glanzige oogen, nog op haar gelaat gevestigd, sloten zich voor een oogenblik en openden zich weder, en Alice kuste en zegende haar.
Dezelfde oogen volgden haar naar de deur, en toen deze gesloten werd, kwam er een glimlach op het kalme bleeke gelaat.
Die oogen wendden zich niet weder af. Zij legde hare hand op hare borst, prevelde den heiligen naam, die voor haar gelezen was, en het leven verdween uit hare trekken, gelijk een licht dat men wegneemt.
Niets lag daar meer dan de ruïne van het sterfelijke huis, dat de storm had geteisterd, en het zwarte haar, dat in den winterwind had gefladderd.
LIX.
VERGELDING.
Wederom zijn er veranderingen gekomen over het groote huis in de lange stille straat, eens het tooneel van Florence’s kindsheid en eenzaamheid. Het is nog een groot huis, bestand tegen wind en weder, zonder reten in het dak, zonder gebroken ruiten of vervallene muren; maar het is niettemin eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.
Towlinson en zijn gezelschap willen in het eerst geen geloof slaan aan de loopende geruchten, die zij hooren. De keukenmeid zegt dat ons crediet, Goddank, niet zoo gemakkelijk te schokken is; en Towlinson verwacht nu ook te zullen hooren, dat de Bank van Engeland zal springen, of de juweelen uit de Tower verkocht zullen worden. Maar dan komen de Gazette en Perch; en Perch brengt jufvrouw Perch mede, om er in de keuken over te praten en een genoeglijken avond te slijten.
Zoodra er geen twijfel meer aan is, wordt het Towlinson’s grootste bekommering, dat het een bankroet van belang zal zijn—dat het om niet minder dan honderd duizend pond zal te doen zijn. Perch denkt dat honderd duizend pond nog lang niet genoeg zal zijn om het tekort te dekken. De vrouwen, met jufvrouw Perch en de keukenmeid aan het hoofd, herhalen dikwijls “honderd duizend pond,” met zeker eerbiedig genoegen, alsof het uitspreken van die woorden met het betasten van het geld gelijkstond; en de werkmeid, die een oogje op Towlinson heeft, wenscht dat zij maar het honderdste gedeelte van die som had, om aan den man harer keus te schenken. Towlinson, nog aan zijne oude grieven gedachtig, is van oordeel dat een buitenlander kwalijk zou weten wat met zooveel geld te doen, of hij moest het aan zijne bakkebaarden te koste leggen, welke bittere schimpschoot de werkmeid met tranen in de oogen doet heengaan.
Maar niet om lang weg te blijven, want de keukenmeid, die den naam heeft van zeer goedhartig te zijn, zegt dat zij, wat zij ook doen, elkander nu moeten bijstaan, Towlinson, want dat het niet te zeggen is hoe gauw zij verdeeld zullen raken. Zij hebben in dat huis (zegt de keukenmeid) eene begrafenis, eene bruiloft en een wegloopen beleefd, en laat het niet gezegd worden, dat zij op zulk een tijd als dezen niet eensgezind konden blijven. Jufvrouw Perch wordt door deze roerende toespraak diep getroffen, en merkt openlijk aan dat de keukenmeid een engel is. Towlinson antwoordt de keukenmeid, ver mag het van hem zijn om die eensgezindheid, waarnaar hij ook verlangt, in den weg te staan. Hij gaat de werkmeid opzoeken, en met die jonge juffer aan den arm terugkomende, onderricht hij de keuken, dat hij met buitenlanders den gek steekt, en dat hij en Anne nu besloten hebben om elkander maar te nemen, en zich in Oxford Market in de groentenering en wat daarbij behoort te vestigen, waarvoor hij de gunst en recommandatie verzoekt. Dit bericht wordt met toejuiching ontvangen; en jufvrouw Perch, in de toekomst vooruitziende, fluistert de keukenmeid plechtig het woord “meisjes” in het oor.
Ongeluk in de familie zonder smullen in het onderhuis is eene onmogelijkheid. De keukenmeid maakt dus wat warms klaar voor het avondmaal, waarbij Towlinson een kreeftenslaadje bezorgt. Zelfs mevrouw Pipchin, door het gebeurde ontroerd, schelt en laat verzoeken dat het overgeblevene stukje koek voor haar gewarmd zal worden, en als het haar gebracht wordt er een glas geheeten sherry bij gedaan zal worden, dewijl zij gevoelt dat zij van haar streek is.
Er wordt weinig over mijnheer Dombey gesproken, zeer weinig. Voornamelijk poogt men te raden, hoelang hij wel zou geweten hebben dat dit gebeuren zou. De schrandere keukenmeid zegt: “O, al heel lang. Daar moogt ge wel op zweren.” En wanneer men Perch er naar vraagt, bevestigt hij hare meening. Iemand verwondert zich wat hij nu doen zal, en of hij nu naar eene betrekking zal zoeken. Towlinson denkt van neen, en geeft een wenk van een van die fatsoenlijke armhuizen. “Waar hij een tuintje kan hebben,” zegt de keukenmeid beklaaglijk, “en in den zomer zijne erwtjes kan planten, niet waar?”—“Juist,” antwoordt Towlinson, “en broeder van het een of ander worden.”—“Wij zijn allemaal broeders,” merkte jufvrouw Perch aan, daartoe ophoudende met drinken.—“Behalve de zusters,” zegt haar man.—“Hoe zijn de machtigen gevallen,” merkte de keukenmeid aan.—“Hoogmoed gaat voor den val; dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven,” laat de werkmeid hierop volgen.
Het is verwonderlijk hoe deugdzaam zij zich gevoelen, bij het maken dezer bespiegelingen, en van welk eene christelijke eensgezindheid zij zich bewust zijn, om de algemeene ramp met gelatenheid te dragen. Slechts eenmaal wordt deze loffelijke gemoedsgesteldheid verstoord: en dit geschiedt door eene jonge keukenmeid van lager rang, die, nadat zij lang met een open mond heeft zitten luisteren, onverwacht de volgende woorden uitstoot: “Als het loon eens niet betaald wierd!” Het gezelschap blijft een oogenblik sprakeloos; maar de keukenmeid, zich het eerst herstellende, keert zich naar de onvoorzichtige spreekster en verzoekt te mogen weten, hoe zij de familie, wier brood zij eet, durft beleedigen met zoo iets te zeggen, en of zij denkt dat iemand, die nog een aasje eerlijkheid heeft, arme dienstboden hun loon zou onthouden? “Want als dat uw godsdienst is, Mary Daws,” zegt de keukenmeid met warmte, “dan weet ik niet waar gij eens naar toe denkt te gaan.”
Towlinson weet het ook niet; niemand weet het; en de jonge keukenmeid, die het zelve niet recht schijnt te weten, en algemeen wordt uitgejouwd, wordt doodelijk beschaamd en verlegen.
Na eenige dagen beginnen er vreemde lieden in huis te komen, en elkander in de eetzaal te bestellen, alsof zij daar woonden. Vooral is er een heer, met een Mozaïsch Arabischen gelaatsvorm, en een zeer zwaren horlogeketting, die in hun salon loopt te fluiten, en terwijl hij naar een ander heer wacht, die altijd pen en inkt in zijn zak heeft, Towlinson (wien hij vrijpostig jongetje noemt) vraagt, of hij ook toevallig weet hoeveel dat behangsel, rood met goud, nieuw gekost heeft. De bezoekers van de eetzaal worden met elken dag talrijker, en ieder heer schijnt een inktkoker in zijn zak te hebben, en dien ook te gebruiken. Eindelijk zegt men dat er verkooping zal plaats hebben; en dan komen er nog meer lieden met pen en inkt in den zak, die een detachement van lieden met petten kommandeeren, en de tapijten laten opnemen en de meubelen overhoop laten halen en duizenden merken van hunne schoenzolen in het voorhuis en op de trap afdrukken.
De dienstbodenraad beneden blijft al dien tijd zitting houden, en daar men niets anders te doen heeft, verricht men wonderen van eetkunst. Eindelijk worden allen eens in mevrouw Pipchin’s kamer geroepen en door deze dame op vinnigen toon aldus aangesproken:
“Uw meester is in ongelegenheden. Dat zult ge wel weten, denk ik?”
Towlinson, als spreker, erkent eene algemeene kennis van dit feit.
“En gij zijt allen al op den uitkijk voor u zelven, daar durf ik voor instaan,” zegt mevrouw Pipchin, dreigend haar hoofd schuddende.
Eene schelle stem uit de achterhoede roept: “Niet meer dan gij.”—“Denkt gij zoo, onbeschaamde prij?” zegt de gramstorige dame, met een vurig oog over de andere hoofden heenkijkende.—“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”—“Dat gij heen kunt gaan zoo gauw als ge maar wilt,” zegt mevrouw Pipchin. “Hoe eer hoe beter, en ik hoop dat ik nooit weer uw gezicht zal zien.”
Daarmede haalt zij een linnen zakje uit, en telt de keukenmeid haar loon voor tot op dien dag en nog eene maand bovendien, maar houdt het geld vast, tot eene quitantie daarvoor behoorlijk is geteekend, tot aan den laatsten ophaal toe; waarna zij het met zichtbaren weerzin loslaat. Deze ceremonie herhaalt mevrouw Pipchin met ieder lid van het huishouden, totdat allen betaald zijn.
“Nu kunnen zij, die willen, zich dadelijk voortmaken,” zegt mevrouw Pipchin, “en zij, die willen, kunnen nog eene week of zoo hier blijven, om te helpen. Behalve,” zegt de gramstorige dame, “die slet van eene keukenmeid, die dadelijk heen zal.”—“Dat zal zij zekerlijk,” antwoordt de keukenmeid. “Ik wensch u goedendag, mevrouw Pipchin, en wensch van harte dat ik u een compliment kon maken over de vriendelijkheid van uw gezicht.”—“Maak dat gij wegkomt,” zegt mevrouw Pipchin, met haar voet stampende.
De keukenmeid gaat heen met eene vriendelijke deftigheid, die mevrouw Pipchin nog meer kwaad maakt, en weldra voegen de anderen zich beneden bij haar.
Dan zegt Towlinson dat hij vooreerst wilde voorstellen eene kleine versnapering te gebruiken, en dat hij onder het gebruik daarvan eene opmerking wilde maken, die hij denkt dat in de positie, waarin zij zich bevinden, wel zal te pas komen. Terwijl men de versnapering met smaak gebruikt, deelt Towlinson zijne opmerking mede, die daarop neerkomt, dat de keukenmeid heengaat, en dat, als wij ons zelven niet trouw zijn, niemand ons meer trouw zal zijn. Dat zij in dit huis lang te zamen hebben gewoond, en hun best hebben gedaan om gezellig te zijn. (Daarop zegt de keukenmeid met aandoening: “Luister! Luister!” en jufvrouw Perch, die wederom daar en tot aan de keel toe vol is, stort tranen). En dat hij meent, dat men tegenwoordig moet begrijpen: “Een weg, allemaal weg!” De werkmeid wordt door deze edelmoedige ontboezeming zeer geroerd, en geeft ze met warmte haar bijval. De keukenmeid zegt te gevoelen dat het zoo behoort, en hoopt maar dat het niet als een compliment voor haar, maar uit gevoel van plicht wordt gedaan. Towlinson antwoordt—uit gevoel van plicht; en dat, nu hij genoodzaakt is voor zijn gevoelen uit te komen, hij openlijk wil zeggen, dat hij het niet voor heel fatsoenlijk houdt in een huis te blijven waar verkoopingen en zulke dingen aan de hand zijn. De werkmeid is daarvan overtuigd en verhaalt tot bevestiging, dat een vreemd man met eene pet haar dien morgen op de trap heeft willen kussen. Dit doet Towlinson van zijn stoel opspringen om den booswicht te gaan opzoeken en hem een pak slaag te geven; maar de dames houden hem vast, en smeeken hem om te bedaren, en te bedenken dat het gemakkelijker en wijzer is, het tooneel van zulke onwelvoeglijkheden terstond te verlaten. Jufvrouw Perch, de zaak in een nieuw licht plaatsende, toont aan, dat zelfs de kieschheid voor mijnheer Dombey, die zich in zijne kamers opsluit, een overhaasten aftocht voorschrijft. “Want wat,” zegt de goede vrouw, “zou hij moeten gevoelen, als hij een van de arme dienstboden ontmoette, die hij eens bedrieglijk heeft doen denken dat hij onmetelijk rijk was.” De keukenmeid wordt door deze zedekundige bespiegelingen zoodanig getroffen, dat jufvrouw Perch er nog verscheidene vrome bedenkingen bijvoegt. Het wordt iedereen duidelijk dat zij allen moeten vertrekken. Koffers worden gepakt, vigilantes gehaald en met schemeravond is er niemand van den troep meer over.
Het huis staat nog, groot en tegen weer en wind bestand, in de lange, stille straat; maar is toch eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.
De mannen met petten blijven de meubelen overhoophalen; en de heeren met pen en inkt maken inventarissen daarvan, en zitten op stukken huisraad, nooit gemaakt om op te zitten, en eten brood en kaas uit de herberg van andere stukken huisraad, nooit gemaakt om van te eten, en schijnen er vermaak in te scheppen om de kostbaarste voorwerpen tot het vreemdste gebruik te bezigen. Er hebben ook chaotische combinatiën van dingen plaats. In de eetzaal ziet men matrassen en bedden; het glas en porselein raakt naar de oranjerie; het groot tafelservies wordt op de lange divan in het groote salon op stapeltjes gezet; en de traproedjes, aan bossen gebonden, staan op marmeren schoorsteenmantels te pronk. Eindelijk wordt een haardkleedje met een gedrukt biljet daarop van het balkon uitgehangen, en dergelijke sieraden prijken aan beide zijden van de straatdeur.