Part 82
Nu werd Perch, den kantoorlooper, door het spel der omstandigheden eene nieuwe verzoeking tot losbandigheid aangeboden. Het scheen zijn lot te zijn, telkens wakker te moeten worden om zich beroemd te vinden. Pas gisteren, mocht men zeggen, was hij weder in het bijzondere leven afgedaald, na zijne vermaardheid door die vlucht en de daaropvolgende gebeurtenissen; en nu werd hij weder door dat bankroet tot een gewichtiger persoon dan ooit gemaakt. Van zijn bankje in het groote kantoor opstaande, waar hij nu naar de vreemde gezichten zat te kijken, die spoedig bijna al de oude klerken vervingen, behoefde Perch zich maar op straat of voor de toonbank van het Koninklijke Wapen te vertoonen, om eene menigte vragen te hooren, waaronder bijna zeker de belangrijke vraag voorkwam, wat hij te drinken wilde hebben. Dan weidde Perch uit over de uren van hooggaanden angst, die hij en zijne vrouw te Ball’s Pond hadden doorgestaan, toen zij pas begonnen te vermoeden, dat “de zaak niet goed ging.” Dan vertelde Perch de hem aangapende luisteraars, met eene zachte stem, alsof het lijk van het overledene kantoor nog onbegraven in de naaste kamer lag, hoe jufvrouw Perch het eerst was begonnen te vermoeden, dat de zaak niet goed ging, door dat zij hem (Perch) in zijn slaap had hooren kermen: “Zestig percent! Zestig percent!” Welk onrustig droomen en slaapspreken hij vermoedde dat ontstaan moest wezen uit den indruk, dien de verandering in mijnheer Dombey’s gezicht op hem maakte. Dan onderrichtte hij hun hoe hij eens gezegd had: “Mag ik zoo vrij zijn om te vragen, mijnheer, is uw gemoed niet gerust?” en hoe mijnheer Dombey had geantwoord: “Mijn trouwe Perch—maar neen, het kan niet zijn!” en zich toen met de hand voor het voorhoofd had geslagen en gezegd: “Verlaat mij, Perch!” Dan, kortom, vertelde Perch, als slachtoffer van zijne positie, eene menigte van allerhande logens, zich zelven tot tranen roerende door diegene, die van een aandoenlijken aard waren, en werkelijk geloovende, dat de verzinsels van gisteren, door de herhaling, vandaag eene soort van waarheid kregen.
Perch besloot deze mededeelingen altijd door weemoedig aan te merken, dat, natuurlijk, wat hij ook mocht vermoed hebben (alsof hij ooit iets vermoed had) het hem niet voegde het vertrouwen van zijn patroon te verraden—deed het wel? Welk gezegde (daar er crediteuren bij waren) altijd gehouden werd zijn gevoel tot eer te strekken. Zoo ging hij doorgaans met een gebalsemd geweten heen en liet hij een aangenamen indruk achter, als hij weder naar zijn bankje terugkeerde, om daar naar de vreemdelingen te zitten kijken, die zoo vrij met die groote geheimen, de boeken, omgingen, of nu en dan op de teenen naar Dombey’s ledige kamer te sluipen en het vuur op te poken, of aan de deur een luchtje te scheppen en nog een treurig praatje met een bekenden voorbijganger te houden, of zich door kleine beleefdheden den voornaamsten der vreemde indringers te vriend te maken, van wien hij een postje bij eene assurantiemaatschappij verwachtte, als de zaken van het kantoor geliquideerd waren.
Voor majoor Bagstock was het bankroet wezenlijk eene ramp. De majoor had niet veel gevoel voor anderen—al zijne aandacht was op J. B. gevestigd en hij was ook aan niet veel gemoedsbewegingen onderhevig, of men moest hoesten en hijgen gemoedsbewegingen kunnen noemen. Maar hij had in zijne club zoodanig met zijn vriend Dombey gepronkt, en de leden in het algemeen zoo dikwijls zijn rijkdom naar het hoofd gegooid, dat de club, die toch maar menschelijk was, er in juichte dit den majoor nu betaald te kunnen zetten, door hem met eene vertooning van groote meewarigheid te vragen, of hij dien geweldigen tuimel ook eenigszins verwacht had, en hoe zijn vriend Dombey zich daaronder hield. Op al zulke vragen antwoordde de majoor, purperrood wordende, dat het eene booze wereld was, mijnheer; dat Joey anders zijn weetje wel wist, maar zich had laten foppen als een kind; dat, als gij J. Bagstock dit voorspeld hadt, toen hij met Dombey op reis ging en dien vagebond door geheel Frankrijk najoeg, J. Bagstock u zou hebben uitgelachen—uitgelachen, mijnheer. Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was; zoo zelfs, dat als Joe’s vader morgen uit zijn graf opstond, hij den ouden heer voor geen stuiver zou vertrouwen, maar hem zou zeggen dat zijn zoon Josh een te oud soldaat was om zich nog eens te laten beetnemen, mijnheer. Dat hij een achterdochtige, knorrige, versletene, ongeloovige ijzervreter was, mijnheer; en dat, als het met het fatsoen van een ruwen en taaien majoor van de oude school strookte, die de eer had gehad persoonlijk bekend te zijn en geprezen te worden met en door Hunne Koninklijke Hoogheden de Hertogen van York en Kent, om in eene ton te kruipen en daarin te blijven wonen, hij waarachtig, mijnheer, morgen eene ton in Pall Mall zou laten zetten, om zijne verachting voor het menschdom te toonen.
Dit alles, en nog vele variatiën van hetzelfde deuntje, ontboezemde de majoor met zulke beroerteachtige verschijnselen, zulk een rollen van zijn hoofd, en zulk een gebrom van verontwaardiging en kwaadheid, dat de jongste leden der club zich verbeeldden, dat hij geld in het kantoor van zijn vriend Dombey gezet en dit verloren had; maar de oudere en slimmere leden, die Joe beter kenden, wilden daarvan niet hooren. De ongelukkige inboorling, die geen gevoelen daaromtrent uitte, had schrikkelijk veel te lijden, niet alleen in zijn zedelijk gevoel, dat op ieder uur van den dag door den majoor gemarteld werd, maar ook in zijne lichamelijke gevoeligheid voor stompen en builen, waarvoor hij gedurig blootstond. Zes geheele weken lang na het bankroet leefde de ongelukkige buitenlander in een regentijd van laarzentrekkers en borstels.
Mevrouw Chick had ten aanzien van dit schrikkelijk onheil drie denkbeelden. Het eerste was, dat zij het niet begrijpen kon. Het tweede, dat haar broeder zich niet ingespannen had. Het derde, dat het nooit gebeurd zou zijn, als zij op den dag dier eerste partij op het diner was gevraagd, en dat zij dit toen gezegd had.
Niemands gevoelen weerde het ongeluk af, verlichtte of verzwaarde het. Men vernam dat de zaken van het kantoor zoo goed het gaan wilde geliquideerd zouden worden; dat mijnheer Dombey vrijwillig al wat hij bezat had afgestaan en van niemand eenige gunst wilde hebben. Dat er aan geen weder opvatten van de zaken te denken was, daar hij van geene schikking tot dat einde wilde hooren; dat hij alle posten van eer en vertrouwen, die hij, als een man van aanzien onder de kooplieden, bekleedde, had neergelegd; dat hij doodziek was, volgens sommigen; dat hij tot eene zwaarmoedige waanzinnigheid was vervallen, volgens anderen; dat hij geheel geruïneerd was, volgens allen.
De klerken verstrooiden zich, nadat zij onder elkander een condoleantie-dineetje hadden gegeven, waarbij comische liedjes werden gezongen, en waarbij men zich uitmuntend vermaakte. Sommige kregen eene andere betrekking buitensland, sommige op een ander kantoor thuis; sommige gingen familiebetrekkingen opzoeken, voor welke zij zich eensklaps herinnerden eene bijzondere genegenheid te hebben; en sommige adverteerden in de couranten om eene plaats. Perch bleef van het geheele personeel alleen over, en zat op zijn bankje naar de vreemde indringers te kijken, of sloofde zich uit om den voornaamsten daarvan, die hem aan een postje bij de assurantiemaatschappij zou helpen, te believen. Spoedig begon het kantoor er smerig en verwaarloosd uit te zien. De koopman in pantoffels en halsbanden, op den hoek, zou getwijfeld hebben of het hem wel voegde om nu nog naar den rand van zijn hoed te wijzen, als Dombey zich daar weder had vertoond; de kruier, met zijne handen onder zijn wit sloofje, hield zedekundige bespiegelingen over den hoogmoed, waarvan het spreekwoord, naar zijne gedachten, niet te vergeefs zeide dat hij voor den val komt.
Morfin, de oude vrijer met grijzende haren en bakkebaarden, was misschien de eenige van het kantoor—het hoofd daarvan natuurlijk uitgezonderd—die waarlijk diep getroffen was door de ramp, welke het overkomen was. Hij had Dombey vele jaren lang met genoegzamen eerbied behandeld, maar nooit zijn natuurlijk karakter ontveinsd, of tot eigen voordeel laaggeestig zijn heerschenden hartstocht gevleid. Hij had derhalve geene zelfverachting te wreken, geene lang knellende banden los te rukken. Hij werkte vroeg en laat om alles te verduidelijken wat in de boeken duister en ingewikkeld was; hield zich altijd gereed om op te helderen wat opheldering noodig had; zat dikwijls des avonds laat nog in zijne oude kamer op moeielijkheden te studeeren, door welker oplossing hij Dombey de onaangenaamheid kon besparen van persoonlijk ondervraagd te worden; en ging dan naar zijne woning te Islington om, eer hij naar bed ging, zijn gemoed tot kalmte te brengen door de treurigste en weemoedigste klanken uit zijne violoncel te halen.
Hij zat zich eens op een avond, toen het verloop van den dag hem bijzonder ontmoedigd had, met het welluidend gebrom der zwaarste tonen te troosten, toen zijne huiswaardin (die gelukkig doof was, en geene andere bewustheid had van zijne muziek dan door het gevoel van een dreunen door haar gebeente) hem kwam zeggen, dat er eene dame was om hem te spreken.
“In den rouw,” zeide zij.
De violoncel zweeg onmiddellijk, en nadat de speler dit instrument zeer behoedzaam op de sofa had gelegd, gaf hij een teeken, dat de dame mocht binnenkomen. Hij ging zelf terstond naar buiten en ontmoette Harriët Carker op het portaal.
“Alleen!” zeide hij. “En John van morgen nog hier? Is er iets gebeurd, lieve? Maar neen,” voegde hij er bij, “uw gezichtje zegt heel wat anders.”—“Ik vrees dan dat het iets zeer eigenlievends verraadt,” antwoordde zij.—“Het staat heel vergenoegd,” zeide hij, “en als het eigenliefde verraadt, is dat, als wat nieuws, wel de moeite waard om bij u te zien. Maar ik geloof dat niet.”
Hij had nu een stoel voor haar gezet, en plaatste zich tegenover haar, terwijl de violoncel op de sofa tusschen hen in lag.
“Het zal u niet verwonderen dat ik alleen kom, of dat John u niet gezegd heeft dat ik zou komen,” zeide Harriët, “en zult gij dat wel gelooven, als ik u zeg waarom ik kom. Mag ik dat nu doen?”—“Gij kunt niet beter.”—“Waart ge niet bezig?”
Hij wees naar de violoncel en zeide: “Dat ben ik den geheelen dag geweest. Hier is mijn getuige. Ik heb hem al mijne zorgen toevertrouwd. Ik wenschte dat ik er geen had dan voor mij zelven.”—“Is het geheel ten einde met het kantoor?”—“Geheel ten einde.”—“Zal het nooit weer worden hervat?”—“Nooit.”
De heldere uitdrukking van haar gezichtje werd niet verduisterd, toen hare lippen dit woord herhaalden. Hij scheen dit met eenige verwondering onwillekeurig op te merken en zeide nog eens:
“Nooit. Gij herinnert u wel wat ik gezegd heb. Het is sedert lang onmogelijk geweest hem van iets te overtuigen, onmogelijk met hem te redeneeren; somtijds onmogelijk hem te naderen. Het ergste is gebeurd. Het huis is gevallen om nooit weer opgebouwd te worden.”—“En is mijnheer Dombey zelf geruïneerd?”—“Geruïneerd.”—“Heeft hij geen bijzonder vermogen over? Niets?”
Zekere drift in haar toon en iets dat bijna blijdschap was in haar blik, scheen hem meer en meer te verwonderen, en hem tevens te leur te stellen en wanluidend met zijn eigen gevoel te strijden. Hij trommelde met zijne vingers op de tafel, zag haar oplettend aan, schudde zijn hoofd en zeide, na eene poos:
“De middelen van mijnheer Dombey zijn mij niet nauwkeurig bekend; maar hoewel zij ontwijfelbaar zeer groot zijn, zijn daarentegen zijne verplichtingen ontzettend. Hij is een man van eer en strenge rechtschapenheid. Een ander in zijne positie had zich kunnen redden, en menigeen zou dat gedaan hebben, door een accoord te maken, dat het verlies van hen, die zaken met hem hadden gedaan, maar zeer weinig, bijna onmerkbaar, zou vergroot hebben, en waardoor hij iets zou hebben overgehouden om van te leven. Maar hij heeft besloten den laatsten penning te betalen, die zijne middelen kunnen opbrengen. Zijne eigene woorden zijn, dat hij alle schulden van het kantoor geheel of bijna geheel zal afdoen, en dat niemand veel kan verliezen. O, jufvrouw Harriët, het zou ons geen kwaad doen, als wij meer bedachten, dan wij dit wel doen, dat ondeugden somtijds maar tot een uiterste gedrevene deugden zijn! Nu vertoont zijn trots zich van den goeden kant.”
Zij hoorde hem aan met geen of weinig verandering in hare trekken, en met eene verdeelde aandacht, die bewees, dat zij aan iets anders dacht. Toen hij zweeg, vroeg zij hem haastig:
“Hebt gij hem binnen kort gezien?”—“Niemand ziet hem. Als deze crisis van zijne zaken hem noodzaakt om zijn huis te verlaten, gaat hij om die reden uit, en dan weder naar huis, en sluit zich op, en wil niemand zien. Hij heeft mij een brief geschreven, waarin hij van onze vroegere betrekking spreekt, met meer eer voor mij dan ik verdiende, en afscheid van mij neemt. Ik ben huiverig, om mij nu aan hem op te dringen, daar ik in betere tijden nooit veel omgang met hem gehad heb; maar ik heb toch beproefd dat te doen. Ik heb geschreven, ben daar naar toe gegaan, heb gebeden. Geheel vruchteloos.”
Hij sloeg haar gade, als hoopte hij dat zij meer meewarigheid aan den dag zou leggen, dan zij nog gedaan had, en sprak met ernst en gevoel, als om meer indruk op haar te maken; maar hare trekken veranderden niet.
“Wel, jufvrouw Harriët,” zeide hij met een gezicht vol teleurstelling, “dat doet er niet toe. Gij zijt hier gekomen om dit te hooren. Gij hebt iets anders en aangenamers in uwe gedachten. Laat het ook in de mijne komen, dan zullen wij meer op gelijken voet met elkander praten. Kom aan.”—“Neen, wij hebben hetzelfde in onze gedachten,” antwoordde Harriët met onbewimpelde verrassing. “Is dat niet waarschijnlijk? Is het niet natuurlijk, dat John en ik veel denken en spreken over die groote veranderingen? Mijnheer Dombey, dien hij zoovele jaren gediend heeft—gij weet op welken voet—zoo arm geworden als gij zegt, en wij rijk!”
Welk een goed en oprecht gezichtje zij ook had, beviel het den ouden vrijer met grijzend haar thans, nu deze straal van blijdschap het verhelderde, toch minder dan het hem ooit had bevallen.
“Ik behoef u niet te herinneren,” vervolgde Harriët, hare oogen neerslaande naar haar zwart kleed, “waardoor onze omstandigheden zoo veranderd zijn. Gij hebt niet vergeten, dat onze broeder James, op dien schrikkelijken dag, geen testament naliet en geene bloedverwanten behalve ons?”
Het gezichtje was hem nu aangenamer, schoon het bleek en treurig werd, dan een oogenblik geleden. Hij scheen vrijer adem te halen.
“Gij kent onze geschiedenis,” zeide zij, “de geschiedenis van mijne beide broeders, in betrekking tot dien ongelukkigen man, van wien gij zoo naar waarheid hebt gesproken. Gij weet, hoe weinig behoeften wij hebben—John en ik—en hoe weinig het geld ons kan baten, na het leven, dat wij zoovele jaren te zamen hebben geleid; vooral nu hij, door uwe goedheid, een inkomen heeft, dat ruim genoeg voor ons is. Gij zijt dus niet onvoorbereid om te hooren, welke gunst ik van u kom vragen?”—“Dat weet ik haast niet. Een oogenblik geleden was ik het wel. Nu geloof ik van neen.”—“Van mijn dooden broeder zeg ik niets. Als de dooden weten wat wij doen—maar gij verstaat mij. Van mijn levenden broeder zou ik veel kunnen zeggen, maar wat behoef ik meer te zeggen, dan dat die plichtvervulling, waartoe ik uwe onmisbare hulp kom vragen, geheel zijne gedachte is, en hij niet kan rusten voordat hij ze volbracht heeft.”
Zij sloeg hare oogen neder, en de blijdschap, die haar gezicht verhelderde, begon nu voor de oplettende oogen, die haar gadesloegen, iets schoons te krijgen.
“Het moet zeer stil en geheim gedaan worden,” vervolgde zij. “Uwe kunde en ondervinding zullen u wel een weg aanwijzen om het te doen. Mijnheer Dombey zal misschien in de meening kunnen gebracht worden, dat er onverwacht nog iets uit de schipbreuk van zijn vermogen is gered; of dat het eene vrijwillige hulde aan zijn eervol karakter is van sommigen, met wie hij groote zaken heeft gedaan; of dat het de betaling van eene lang uitgeschrapte schuld is. Er moeten vele manieren zijn om het te doen. Gij zult de beste wel weten te kiezen. De gunst, die ik van u kom vragen, is dat gij dit voor ons op uwe eigene vriendelijke, edele, bedachtzame manier wilt doen. Dat gij er nooit van tegen John wilt spreken, wiens grootste genoegen in deze daad van vergoeding is, ze onbekend en ongeprezen te verrichten; dat maar een zeer klein gedeelte der erfenis voor ons bewaard zal worden, totdat mijnheer Dombey zijn leven lang de interest van het overige zal genoten hebben; dat gij ons geheim getrouw zult bewaren—maar daarvan ben ik zeker; en dat er van dezen tijd af tusschen u en mij maar zelden van gefluisterd mag worden, maar het alleen in mijne gedachten mag leven, als eene nieuwe reden tot dankbaarheid aan den hemel, en tot blijde trotschheid op mijn broeder.”
Zulk eene blijdschap kon van het gelaat van een engel stralen, wanneer één boetvaardig zondaar den hemel binnentreedt, onder negen en negentig rechtvaardigen. Zij werd niet beneveld door de tranen, die hare oogen vulden, maar blonk daardoor nog te helderder uit.
“Mijne lieve Harriët,” zeide Morfin, na eene poos van stilte, “daarop was ik geheel niet verdacht. Moet ik verstaan, dat gij uw eigen aandeel in de erfenis aan uw goed oogmerk dienstbaar wilt maken, evenals dat van John?”—“O ja,” antwoordde zij. “Nu wij zoolang alles te zamen hebben gedeeld, en geene zorg of hoop of doel van elkander afgescheiden hebben gehad, zou ik het nu kunnen dragen, dat ik van mijn deel hierin werd uitgesloten? Mag ik niet vorderen, tot het laatste toe mijn broeders deel- en lotgenoote te zijn?”—“De hemel verhoede, dat ik dat zou betwisten,” antwoordde hij.—“Wij mogen ons dus op uwe vriendschappelijke hulp verlaten?” zeide zij, “Dat wist ik ook wel.”—“Ik zou een slechter mensch wezen—dan ik hoop te zijn, of mij zelve gaarne voor zou houden, als ik u dat niet met hart en ziel kon verzekeren. Dat moogt gij, zonder bedenken. Op mijne eer, ik zal uw geheim bewaren. En als het blijken mocht, dat mijnheer Dombey zoo arm is, als ik vrees dat blijken zal, wanneer hij bij een voornemen blijft, waarvan niemand hem schijnt te kunnen afbrengen, zal ik u helpen om het plan uit te voeren, waartoe gij en John gemeenschappelijk besloten hebt.”
Zij gaf hem hare hand en dankte hem met hartelijke blijdschap.
“Harriët,” zeide hij, hare hand vasthoudende, “u een woord te zeggen van de waarde van eenige opoffering, die gij nu doen kunt—vooral van eene opoffering van enkel geld—zou nutteloos en aanmatigend zijn. U te vermanen om u nog eens op uw voornemen te bedenken, of het binnen engere grenzen te beperken, zou, dat gevoel ik, dit evenzeer wezen. Het voegt mij niet, het groote slot eener groote geschiedenis te bederven door iemand mijn eigen zwak begrip te willen opdringen. Het voegt mij alleen, mijn hoofd te buigen voor wat gij mij toevertrouwt, overtuigd, dat het u door iets hoogers wordt ingegeven, dan mijne ellendige wereldkennis. Ik wil dit alleen zeggen; ik ben uw getrouwe rentmeester; en ik wil dat, en uw uitverkoren vriend, liever zijn, dan ik iets anders in de wereld zou kunnen wezen, of ik moest u zelve kunnen zijn.”
Zij dankte hem nog eens hartelijk en wenschte hem goedennacht.
“Gaat gij naar huis?” zeide hij. “Laat mij met u meegaan.”—“Van avond niet. Ik ga nu niet naar huis. Ik moet nog alleen een bezoek brengen. Zult gij morgen komen?”—“Goed, goed,” zeide hij. “Ik zal morgen komen. Ondertusschen zal ik eens daarover denken. Misschien zult gij er ook over denken, lieve Harriët—en—en een weinigje aan mij denken in verband daarmede.”
Hij hielp haar in eene koets, die haar voor de deur stond te wachten; en als zijne huiswaardin niet doof was geweest, had zij hem, terwijl hij weder naar boven ging, hooren mompelen, dat wij slaven der gewoonte zijn, en dat het eene treurige gewoonte is een oud vrijer te zijn.
Daar de violoncel nog tusschen de twee stoelen op de sofa lag, nam hij dat instrument op, zonder den ledigen stoel weg te zetten, en zat, zijn hoofd schuddende tegen den ledigen stoel, nog lang, zeer lang te zagen. De uitdrukking, die hij in het eerst aan zijn instrument mededeelde, schoon weemoedig en aandoenlijk, was nog niets bij de uitdrukking, die hij aan zijn eigen gezicht gaf, en die zoo sterk was, dat hij meer dan eens kapitein Cuttle’s hulpmiddel moest te baat nemen en zijn gezicht met zijne mouw afvegen. Langzamerhand evenwel ging de violoncel, in overeenstemming met zijn eigen gemoed, tot de vroolijke tonen van den Zangerigen Hoefsmid over, welke melodie hij nogmaals en nogmaals overspeelde, tot zijn eigen verhelderd gezicht blonk gelijk het metaal op het aanbeeld van een echten hoefsmid. Kortom, de violoncel en de ledige stoel hielden den ouden vrijer gezelschap tot dicht bij middernacht; en toen hij zijn avondmaal gebruikte, scheen de violoncel, in den hoek der sofa overeindgezet, uit zijne kromme oogholten tegen den ledigen stoel te lonken, alsof beide meer wisten dan zij konden zeggen.
Toen Harriët het huis verliet, reed de voerman der huurkoets, een weg inslaande die hem blijkbaar niet nieuw was, verscheidene straten in die voorstad door, tot hij aan eene opene plek kwam, waar, tusschen tuinen, eenige nederige oude huisjes stonden. Aan het tuinhek van een dier huisjes hield hij op en stapte Harriët af.
Toen zij zacht aanschelde, werd haar opengedaan door eene vrouw met een beklaaglijk, bijna kleurloos gezicht, opgetrokkene wenkbrauwen en het hoofd op zijde hangende, die diep voor haar neeg en haar door den tuin naar het huis bracht.
“Hoe is het met de zieke van avond?” zeide Harriët.—“Heel min, vrees ik, jufvrouw. O, hoe dikwijls doet zij mij aan mijn ooms Betsey Jane denken!” antwoordde de vrouw met zekere treurige verrukking.—“In welk opzicht?” vroeg Harriët.—“In alle opzichten, jufvrouw,” was het antwoord, “behalve dat zij volwassen is, en Betsey Jane, toen zij op den oever van den dood lag, nog maar een kind was.”—“Maar gij hebt mij verteld dat zij beter werd,” merkte Harriët aan, “en dus is er des te meer reden om te hopen, jufvrouw Wickam.”—“Och, jufvrouw, hoop is iets heel goeds voor menschen, die ze verdragen kunnen,” zeide jufvrouw Wickam, haar hoofd schuddende. “Ik ben er niet toe in staat, maar ik mag het toch wel lijden. Ik benijd zelfs de menschen, die zoo gelukkig zijn.”—“Gij moest wat vroolijker wezen,” merkte Harriët aan.—“Wel bedankt, jufvrouw, inderdaad,” antwoordde jufvrouw Wickam zeer stroef. “Al wilde ik dat, dan zou de eenzaamheid van mijn post hier—gij zult mij niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij spreek—mij dat toch binnen vier en twintig uren onmogelijk maken. Maar dat is nog niet alles. Ik wilde liever niet. Van het weinigje moed, dat ik er ooit toe had, ben ik eenige jaren geleden te Brighton beroofd, en ik geloof dat het zoo beter voor mij is.”
Het was dezelfde jufvrouw Wickam, die jufvrouw Richards als verzorgster van den kleinen Paul had vervangen, en die nu meende, dat zij door het bedoelde verlies, onder het dak der beminnelijke mevrouw Pipchin, inderdaad gewonnen had. De uitmuntende, door lange gewoonte geheiligde, methode, volgens welke doorgaans de akeligste en onaangenaamste menschen, die men met mogelijkheid vinden kan, tot ziekenoppassters en dergelijke betrekkingen worden verkozen, had jufvrouw Wickam eene zeer goede klandizie in dat vak bezorgd, en deed hare ernstige denkwijs als eene aanbeveling te meer beschouwen.