Part 79
“Maar dat is eigenlijk de zaak niet,” hervatte Toots. “Het gezelschap van Suze, verzeker ik u, jufvrouw Dombey, is in mijn gemoedstoestand een troost en een genoegen geweest, die men zich gemakkelijker kan verbeelden dan beschrijven. De reis heeft hare eigene belooning medegebracht. Maar dat is eigenlijk ook de zaak niet. Jufvrouw Dombey, ik heb al vroeger eens gezegd, dat ik wel weet dat ik niet ben wat men heel schrander noemt. Ik ben mij daarvan volkomen bewust. Ik weet niet, dat iemand beter bekend kan zijn—als de uitdrukking niet wat al te sterk was, zou ik zeggen met de botheid van zijn eigen kop—dan ik het ben. Maar jufvrouw Dombey, in weerwil daarvan begrijp ik toch wel den—den staat van zaken—met luitenant Walters. Welke zielesmart mij die staat van zaken ook veroorzaakt mag hebben (dat van geheel geen belang is), ik ben verplicht te zeggen, dat luitenant Walters een persoon is, die mij voorkomt den zegen waardig te zijn die hem ten deel is gevallen. Mag hij dien lang genieten, en zoo hoog waardeeren als een geheel ander en zeer onwaardig persoon, dien ik niet behoef te noemen, zou gedaan hebben! Dat is evenwel de zaak niet. Jufvrouw Dombey, kapitein Gills is een vriend van mij, en gedurende den tusschentijd, die nu verloopt, geloof ik dat het kapitein Gills genoegen zou verschaffen als ik nu en dan hier kwam. Het zou mij ook genoegen verschaffen zoo nu en dan te komen. Maar ik kan niet vergeten hoe ongelukkig ik mij eens op den hoek van het plein te Brighton heb gecompromitteerd; en als mijne tegenwoordigheid hier in den allergeringsten graad onaangenaam mocht wezen, verzoek ik u maar om het mij te zeggen, en ik verzeker u dat ik u volkomen zal begrijpen. Ik zal het volstrekt niet voor onvriendelijk houden, en zal mij maar al te zeer verheugen aldus met uw vertrouwen te worden vereerd.”—“Mijnheer Toots,” antwoordde Florence, “als gij, die zulk een oud en trouw vriend van mij zijt, nu niet meer hier aan huis wildet komen, zoudt ge mij een groot verdriet veroorzaken. Het kan nooit, nooit anders dan een genoegen voor mij wezen u te zien.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, zijn zakdoek uithalende, “als ik een traan stort, is het een traan van vreugde. Het is van geen beduiden, en ik ben u zeer verplicht. Ik zal wel mogen aanmerken, na hetgeen gij daar zoo even gezegd hebt, dat het mijn voornemen niet is mijn eigen persoon nog langer te verwaarloozen.”
Florence ontving deze aankondiging met een allerliefst verwonderd gezichtje, als begreep zij niet wat Toots daarmede bedoelde.
“Ik meen,” zeide Toots, “dat ik het voor mijn plicht jegens mijne medemenschen zal houden, om mij, tot het stille graf mij roept, zoo goed mogelijk voor te doen, en om—om mijne laarzen zoo blinkend te laten poetsen, als—als omstandigheden veroorloven. Dit is de laatste maal, jufvrouw Dombey, dat ik u met eene aanmerking van bijzonderen en persoonlijken aard lastig val. Ik ben u waarlijk zeer dankbaar. Ik ben over het geheel niet zoo vlug van begrip als mijne vrienden wel konden wenschen, of als ik zelf wel zou wenschen, maar op mijn woord van eer, ik begrijp toch bijzonder wel en ben zeer gevoelig voor al wat goedhartig en vriendelijk is. Ik weet,” vervolgde hij vol vuur, “dat ik mijn gevoel nu bijzonder krachtig zou kunnen uitdrukken, als—als ik maar een begin kon vinden.”
Daar hij, na eene poos gewacht te hebben, het begin niet scheen te kunnen vinden, nam Toots haastig afscheid en ging weder naar beneden om den kapitein op te zoeken, dien hij in den winkel vond.
“Kapitein Gills,” zeide Toots, “wat er nu tusschen ons zal plaats hebben, blijft onder het heiligste zegel van vertrouwen. Het is een gevolg, kapitein Gills, van wat er boven tusschen mij en jufvrouw Dombey heeft plaats gehad.”—“Boven in den mast en tusschendeks, mijn jongen?” mompelde de kapitein.—“Juist, kapitein Gills,” antwoordde Toots, wiens toestemming te hartelijker was, omdat hij geheel niet wist, wat de kapitein meende. “Jufvrouw Dombey, geloof ik, kapitein Gills, zal binnen kort met luitenant Walters vereenigd worden?”—“Wel ja, mijn jongen. Wij zijn hier allemaal scheepskameraads. Walter en zijn liefje zullen samen worden gepaard in den echtelijken staat, zoodra de verboden gedaan zijn,” fluisterde kapitein Cuttle hem in het oor.—“De verboden, kapitein Gills?” herhaalde Toots.—“In de kerk, daar ginder,” antwoordde de kapitein, met zijn duim over zijn schouder wijzende.—“O ja,” zeide Toots.—“En dan,” zeide de kapitein met zijn schor gefluister, Toots een stootje op de borst gevende en toen een stap achteruit doende met een blik vol bewonderende opgetogenheid. “Wat dan? Dan gaat dat lieve schepseltje, zoo teertjes opgebracht als een Oost-Indisch vogeltje, met Walter over de bulderende zee op reis naar China.”—“Goede hemel, kapitein Gills!” riep Toots uit.—“Ja,” zeide de kapitein met een knikje. “Het schip, dat hem opnam, toen hij in dien orkaan schipbreuk had geleden, was een Chinavaarder en Walter deed de reis mee, en bracht zich in gunst—als een knappe, brave jongen—en toen dus de opperkoopman te Canton stierf, kwam hij in zijne plaats—hij was te voren al in zijne plaats geweest—en nu is hij opperkoopman aan boord van een ander schip van dezelfde reeders. En zoo ziet ge,” herhaalde de kapitein nadenkend, “gaat dat lieve schepseltje met Walter mee over de woeste zee op reis naar China.”
Toots en kapitein Cuttle slaakten te gelijk een zucht.
“Waarom niet?” zeide de kapitein. “Zij is hem trouw, en hij is haar trouw. Zij, die haar liefgehad en bewaard moesten hebben, hebben haar slecht behandeld. Toen zij, uit haar huis gejaagd, hier bij mij kwam en daar op die planken neerviel, was haar hartje gebroken. Dat zag ik wel. Dat weet ik wel. Er is niets dan trouwe liefde, dat het ooit weer kan lappen. Als ik dat niet wist, en niet wist, dat Walter haar trouw liefheeft, broeder, zou ik deze blauwe armen en beenen laten afhakken, eer ik haar liet gaan. Maar dat weet ik, en wat nu? Nu zeg ik, de hemel zij met hen allebei, en dat zal hij ook! Amen!”—“Kapitein Gills,” zeide Toots hierop, “laat ik het genoegen hebben van u de hand te geven. Gij hebt eene manier om zoo iets te zeggen, waarvan ik eene pleizierige warmte langs mijn ganschen rug krijg. Ik zeg ook amen. Gij weet wel, kapitein Gills, dat ik jufvrouw Dombey insgelijks heb aangebeden.”—“Vroolijk maar, mijn jongen!” zeide de kapitein, zijne hand op Toots’ schouder leggende. “Sta vast!”—“Het is mijn voornemen, kapitein Gills,” antwoordde de dappere Toots, “om zoo vroolijk te zijn en zoo vast te staan als ik maar kan. Als het stille graf zich opent, kapitein Gills, zal ik klaar zijn om mij te laten begraven, maar niet eer. Daar ik niet heel zeker ben van mijn vermogen over mij zelven, wenschte ik evenwel u iets te zeggen, wat ik u als eene bijzondere gunst verzoek om aan luitenant Walters over te brengen, namelijk als volgt.”—“Namelijk als volgt,” herhaalde de kapitein. “Sta vast!”—“Daar jufvrouw Dombey zoo onuitsprekelijk goed is,” vervolgde Toots met waterige oogen, “om te zeggen, dat mijne tegenwoordigheid haar het tegendeel van onaangenaam is, en gij en iedereen hier niet minder inschikkelijk en verdraagzaam zijt voor iemand,” zeide Toots met oogenblikkelijke neerslachtigheid, “die eigenlijk voor niets in de wereld schijnt te deugen, zal ik des avonds hier zoo af en aan blijven komen, gedurende den korten tijd, dien wij allen nog bij elkaar kunnen zijn. Maar wat ik vraag is dit. Als ik somtijds ondervind, dat ik het gezicht van luitenant Walters’ zaligheid niet kan verdragen en dan naar buiten stuif, hoop ik, kapitein Gills, dat gij en hij dat voor een ongeluk, en niet voor mijne schuld of gebrek aan zelfstrijd zult houden. Dat gij u overtuigd zult houden, dat ik geen levend wezen—en allerminst luitenant Walters eenigen haat toedraag; en dat gij ter loops zult aanmerken, dat ik eene wandeling ga doen, of waarschijnlijk op de klok van de Koninklijke Beurs wil gaan kijken hoe laat het is. Als gij deze schikking kondt aannemen, kapitein Gills, en voor luitenant Walters instaan, zou dat eene verlichting voor mijn gevoel zijn, waarvoor ik gaarne een gedeelte van mijn aanzienlijk vermogen zou willen opofferen.”—“Zeg maar niet meer, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Gij kunt geene vlag hijschen, of Walter en ik zullen ze respecteeren.”—“Kapitein Gills,” zeide Toots, “nu ben ik gerust. Ik wensch de goede meening van iedereen hier te behouden. Ik—ik meen het goed, op mijn woord van eer, hoe slecht ik mij ook mag voordoen. Gij begrijpt wel,” zeide Toots, “het is net alsof Burgess en Comp. iemand eene allerbuitengemeenste pantalon wilden maken, en het fatsoen, dat zij voor den geest hadden, maar niet konden treffen.”
Met deze gelukkige opheldering, waarop hij wel eenigszins trotsch scheen, gaf Toots den kapitein een zegenwensch tot afscheid en vertrok.
De brave kapitein was, met zijn hartediefje in huis en Suze om haar te bedienen, een hoogst gelukkig man. Met elken dag begon zijn gezicht meer te blinken. Na eenige onderhandelingen met Suze (voor welker wijsheid de kapitein den diepsten eerbied koesterde) stelde hij Florence voor, dat de dochter der bejaarde dame, die gewoonlijk op de Leadenhallmarkt onder eene blauwe paraplu zat, om redenen van voorzichtigheid, in de tijdelijke waarneming der huiselijke bezigheden zou vervangen worden door iemand, die hun niet onbekend was en op welke zij zich veilig konden verlaten. Suze, die erbij was, noemde toen, volgens vroegere afspraak met den kapitein, jufvrouw Richards. Deze naam alleen deed Florence reeds ophelderen. En toen Suze zich dien namiddag naar de woning der Toodle’s begeven had, om jufvrouw Richards eens te polsen, kwam zij nog denzelfden avond in zegepraal terug, vergezeld door Polly, nog met hetzelfde ronde gezicht en dezelfde roode wangen, wier blijdschap, toen zij Florence wederzag, nauwelijks minder hartelijk was, dan die van Suze.
Toen deze fijne streek gelukt was—waarover de kapitein zich ongemeen verheugde, gelijk hij, trouwens, over alles deed wat er gebeurde—moest Florence Suze op de naderende scheiding voorbereiden. Dit was veel moeielijker taak, daar Suze zich vast in het hoofd gezet had, dat zij teruggekomen was om hare oude meesteres nooit weer te verlaten.
“Wat loon betreft, lieve jufvrouw Flore,” zeide zij, “gij zoudt toch niet zoo gering van mij denken om daarvan te spreken, want ik heb geld overgelegd, en ik zou mijne liefde en dienst toch op zulk een tijd niet willen verkoopen, al had ik nooit van de spaarbank geweten of al waren alle spaarbanken bankroet; maar ge zijt nooit zonder mij geweest, lieveling, van den tijd af toen uwe goede mama werd weggenomen, en al heb ik niets om op te roemen, ge zijt toch aan mij gewend, en o mijne lieve meesteres van zoovele jaren, denk er toch niet aan om zonder mij heen te gaan, want dat mag en dat kan niet!”—“Maar, lieve Suze, ik ga eene lange, heel lange reis doen.”—“Wel, jufvrouw Flore, en wat zou dat? Zooveel te meer zult ge mij noodig hebben. Ik ben niet bang voor eene lange reis, Goddank!” zeide de onverzettelijke Suze.—“Maar Suze, ik ga met Walter, en met Walter zou ik overal heen gaan. Walter is arm en ik ben doodarm, en ik moet nu mij zelve leeren helpen en hem leeren helpen.”—“Lieve jufvrouw Flore,” riep Suze, heftig haar hoofd schuddende, “het is niets nieuws voor u, u zelve te helpen en anderen ook, en zoo geduldig en trouw te zijn als het edelste hart wezen kan, maar laat ik met mijnheer Walter Gay spreken en het met hem afmaken, want u zoo alleen door de wereld te laten zwalken, dat kan ik niet en wil ik niet.”—“Alleen, Suze?” antwoordde Florence. “Alleen? en Walter neemt mij mee!” O welk een helder lachje vertoonden hare trekken! Dat had hij moeten zien. “Ik ben overtuigd, dat ge niet met Walter zult spreken, als ik u vraag om dat niet te doen,” voegde zij er vriendelijk bij; “en ik bid u, doe dat niet, lieve!”—“Waarom niet, jufvrouw Flore?” snikte Suze.—“Omdat ik,” zeide Florence, “zijne vrouw zal worden, om hem geheel mijn hart te geven, en met hem te leven en te sterven. Hij kon denken, als hij u hoorde zeggen wat ge mij gezegd hebt, dat ik bang ben voor wat ik voor mij heb, of dat gij reden hebt om bang voor mij te zijn. En Suze, ik heb hem lief!”
Suze was zoo geroerd door den zachten ernst dezer woorden, waarbij het gezichtje der spreekster nog schooner en reiner werd dan ooit, dat zij niets anders kon doen dan haar nog eens om den hals vallen en uitroepen, of haar lief meesteresje dan waarlijk, waarlijk zou gaan trouwen, en haar nogmaals en nogmaals bejammeren en liefkoozen.
Maar Suze, hoewel onderhevig aan vrouwelijke zwakheden, was ook wel in staat om zich te bedwingen, en van dien tijd af sprak zij nooit weder van de zaak, en was zij altijd vroolijk, werkzaam, vol moed en hoop. Zij onderrichtte, wel is waar, Toots in het geheim, dat zij zich maar zoolang zoo hield, en dat zij, als jufvrouw Dombey eens weg was, een jammerlijk schouwspel zou worden; en Toots gaf haar te kennen, dat dit ook zijn geval was, en dat zij hunne tranen te zamen zouden vermengen; maar in tegenwoordigheid van Florence gaf zij nooit lucht aan haar gevoel.
Zoo beperkt en eenvoudig als Florence’s garderobe was—welk een contrast bij die, welke voor het laatste huwelijk, dat zij had bijgewoond, was aangeschaft—was er veel te doen om die gereed te krijgen, en Suze Nipper zat den geheelen dag bij haar te werken met den vereenigden ijver van vijftig naaisters. De verwonderlijke bijdragen tot deze uitrusting, die kapitein Cuttle zou hebben geleverd, als men hem had laten begaan—gelijk rozeroode parasols, gekleurde zijden kousen, blauwe schoenen en andere aan boord niet minder noodzakelijke voorwerpen—zouden, als men ze wilde optellen, vrij wat ruimte beslaan. Hij liet zich echter, door verschillende valsche voorstellingen, overhalen om zijne giften tot een werkdoosje en een toiletkistje te bepalen, van welke beide hij de grootste soort aanschafte, die voor geld te krijgen was. Nog tien of veertien dagen naderhand zat hij doorgaans het grootste gedeelte van den dag deze kistjes aan te staren; verdeeld tusschen bewondering en een angstigen twijfel, dat zij niet prachtig genoeg waren, en dikwijls de straat opstuivende om het een of ander ongerijmds te koopen, hetwelk hij dacht, dat nog ontbrak om de benoodigdheden te completeeren. Maar zijn meesterstuk was, dat hij ze beide eens op een morgen wegbracht, om de woorden “Florence Gay” te laten graveeren op de koperen hartjes, die in de deksels waren ingelegd. Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken.
Walter had het druk en was den geheelen dag weg, maar kwam elken ochtend vroeg naar Florence zien en sleet elken avond bij haar. Florence verliet hare hooge kamers nooit dan om beneden naar hem te wachten als het zijn tijd was om te komen, of hem, door zijn arm omstrengeld, weder naar de deur te brengen en somtijds even de straat op te kijken. In de schemering waren zij altijd bij elkander. O zalige tijd! O rust voor het zwervende hart! O diepe bron van liefde, waarin zooveel verzonken lag!
Zij had dat wreede teeken nog op hare borst. Dat rees tegen haar vader op met den adem dien zij haalde, dat lag tusschen haar en haar minnaar als hij haar aan zijn hart drukte. Maar zij vergat het. Bij het kloppen van zijn hart voor haar en het hare voor hem, werden alle stugge, ongevoelige harten vergeten. Broos en teer was zij, maar zij had eene macht van liefde in haar binnenste, die haar uit zijn beeld alleen eene wereld deed scheppen waar zij toevlucht en rust vond.
Hoe dikwijls rezen het groote huis en de oude dagen voor haar op in het schemeruur, wanneer die arm, zoo trotsch en zoo teeder, haar omgaf, en zij, bij die herinnering, zich dicht aan hem vastklemde! Hoe dikwijls sloeg zij, bij de gedachte aan dien nacht, toen zij naar die kamer ging en dien onvergetelijken blik ontmoette, hare oogen op naar die, welke haar met zooveel ernst en liefde bewaakten, en schreide zij van blijdschap over zulk eene wijkplaats! Hoe veiliger zij zich daar gevoelde, des te meer had zij het lieve doode kind in hare gedachten; maar alsof zij haar vader toen voor de laatste maal had gezien, toen hij lag te slapen en zij hem een kus op de wang drukte, liet zij hem altijd zoo blijven en kwam zij in hare verbeelding nooit dat uur voorbij.
“Lieve Walter,” zeide Florence eens op een avond, toen het bijna donker was, “weet ge wel wat ik vandaag gedacht heb?”—“Gedacht hoe de tijd voorbijvliegt, en hoe spoedig wij op zee zullen zijn, lieve Florence?”—“Dat meen ik niet, Walter, schoon ik daar ook wel aan denk. Ik heb gedacht welk een last ik toch voor u ben.”—“Een dierbare, heilige last, hartjelief! Wel, daaraan denk ik somtijds ook.”—“Gij lacht, Walter. Ik weet wel dat gij veel meer daaraan denkt dan ik. Maar ik meen kosten.”—“Kosten, Florence?”—“Aan geld, lieve. Al die toebereidselen, waarmee Suze het zoo druk heeft—ik heb zelve heel weinig kunnen koopen. Gij waart toch al arm. Maar hoeveel armer zal ik u maken, Walter!”—“En hoeveel rijker, Florence!”
Florence lachte en schudde haar hoofdje.
“Buitendien,” zeide Walter, “lang geleden—eer ik naar zee ging—werd mij eens een beursje gegeven, liefste, met geld er in.”—“Och!” antwoordde Florence, met een treurig lachje. “Heel weinig, heel weinig, Walter. Maar gij moet niet denken,” en zij legde haar handje op zijn schouder, “dat het mij spijt dat ik zulk een last voor u ben. Neen, lieve, ik ben er blij om. Ik stel er mijn geluk in. Ik zou het voor de geheele wereld niet anders willen hebben.”—“Ik waarlijk ook niet, lieve Florence.”—“Ja, maar, Walter, gij kunt het nooit zoo gevoelen als ik. Ik ben zoo trotsch op u! het doet mijn hart zoo van verrukking zwellen, dat zij, die van u spreken, moeten zeggen, dat gij een arm, verstooten meisje hebt getrouwd, dat hier schuilplaats had gezocht; dat geen ander thuis, geene andere vrienden had; dat niets—niets had! O Walter, als ik u millioenen had kunnen aanbrengen, zou ik om uwentwil nooit zoo vergenoegd kunnen zijn, als ik nu ben.”—“En gij, lieve Florence, zijt gij niets?” antwoordde hij.—“Neen, niets, Walter. Niets dan uwe vrouw.” Het handje gleed om zijn hals, en de stem kwam al nader en nader bij. “Ik ben niets meer dat niet één met u is. Ik heb geen hoop op aarde meer, die niet van u komt. Ik heb niets dat mij dierbaar is, of gij zijt het.”
O, wel mocht Toots het kleine gezelschap dien avond verlaten en tweemaal heengaan om zijn horloge naar de klok op de Beurs gelijk te zetten, en nog eens om eene afspraak met zijn bankier, die hij zich eensklaps herinnerde, en nog eens om een wandelingetje naar de pomp van Aldgate en terug te doen.
Maar eer hij op deze tochten uitging, of eigenlijk eer hij nog kwam en voordat er licht werd gebracht, zeide Walter:
“Florence, lieve, de lading van ons schip is haast afgeloopen, en waarschijnlijk zal het juist op den dag van ons trouwen de rivier afzakken. Zullen wij dan dien dag vertrekken en in Kent blijven tot wij te Gravesend aan boord gaan?”—“Als het u zoo belieft, Walter. Ik zal overal gelukkig zijn. Maar—”—“Wel, mijn liefje?”—“Gij weet,” zeide Florence, “dat wij geene partij zullen geven, en dat niemand ons aan onze kleeren van andere menschen zal onderscheiden. Daar wij nu denzelfden dag vertrekken, wilt gij—wilt ge mij dan dien morgen ergens brengen, Walter—vroeg—eer wij naar de kerk gaan?”
Walter scheen haar te verstaan, gelijk zulk een waarlijk verliefd minnaar behoort te doen, en bevestigde zijne bereidvaardige belofte met een kus, met meer dan een misschien; en dien geheelen ernstigen, kalmen, vreedzamen avond was Florence zeer vergenoegd.
Toen kwamen Suze en de kaarsen de stille kamer in, en kort daarop de thee, de kapitein en Toots, die, gelijk zoo even gezegd is, verscheidene malen weder wegliep en een onrustigen avond had. Dit was echter iets buitengewoons; doorgaans kon hij rustig blijven zitten, terwijl hij met den kapitein, met raad en toezicht van jufvrouw Nipper, cribbage speelde, en zich in de berekeningen van dat spel verdiepte, hetgeen hij een zeer goed middel vond om zich geheel en al suf te maken.
Des kapiteins gezicht bood bij zulke gelegenheden een der fraaiste voorbeelden van menigvuldigheid en afwisseling van uitdrukkingen aan. Zijne instinctmatige kieschheid en ridderlijke galanterie voor Florence leerden hem dan wel, dat het geen tijd was voor luidruchtige vroolijkheid of heftige uitbarstingen van blijdschap. Maar aan den anderen kant zochten opkomende herinneringen van Mooie Peggy nu en dan naar een uitweg, en dreven den kapitein om zich onherstelbaar te compromitteeren. Dan weder werd zijne bewondering voor Florence en Walter—een welpassend paar inderdaad en wel waardig om de oogen te trekken, door jeugd, liefde en schoonheid—zoo machtig, dat hij zijne kaarten neerlegde en hen met stralende oogen aanzag, terwijl hij zijn gezicht met zijn zakdoek wreef, tot hij, misschien, door het plotseling heenstuiven van Toots werd gewaarschuwd, dat hij onbewust het werktuig was geweest om dien jonkman rampzalig te maken. Deze bemerking deed den kapitein dan treurig worden, totdat Toots terugkwam, wanneer hij zijne kaarten weder opvatte, en Suze ter zijde een aantal oogjes en knikjes gaf, om aan te duiden dat hij zoo iets niet weer zou doen. De toestand, waarin hij dan geraakte, was misschien de merkwaardigste; want terwijl hij zijn best deed om alle uitdrukking van zijn gelaat te verbannen, zat hij in het rond te staren met een gezicht, waarop al die uitdrukkingen te gelijk met elkander worstelden. Ingenomene bewondering van Florence en Walter overwon echter altijd de andere en bleef dan alleen heerschen, of het moest gebeuren dat Toots wederom heenstoof, en dan bleef de kapitein als een boetvaardig zondaar zitten, tot deze terugkwam, zich nu en dan met eene stem vol zelfverwijt zachtjes vermanende om “vast te staan,” of knorrig op “Edward Cuttle” brommende, over het gebrek aan omzichtigheid dat zijn gedrag deed blijken.
Een der zwaarste beproevingen van Toots werd echter door hem zelven opgezocht. Toen de zondag naderde, waarop het laatste dier kerkelijke “verboden” zou plaats hebben, waarvan de kapitein gesproken had, gaf Toots aldus den staat van zijn gevoel aan Suze Nipper te kennen.
“Suze,” zeide hij, “ik word naar het gebouw toegetrokken. De woorden, die mij voor altijd van jufvrouw Dombey afsnijden, zullen mij als eene doodklok in de ooren klinken, dat weet ge wel, maar op mijn woord van eer, ik gevoel dat ik ze moet hooren. Wilt ge daarom morgen met mij meegaan naar de kerk?”
Jufvrouw Nipper verklaarde zich bereid om dit te doen, indien dit mijnheer Toots eenig genoegen gaf, maar bad hem om van dat denkbeeld af te zien.
“Suze,” antwoordde Toots, met plechtigen ernst, “eer iemand nog mijn baard begon op te merken behalve ik zelf, aanbad ik jufvrouw Dombey al. Terwijl ik nog een slachtoffer der slavernij van Blimber was, aanbad ik jufvrouw Dombey. Toen mijn eigendom mij niet wettig meer kon onthouden worden en—en ik het dus kreeg—aanbad ik jufvrouw Dombey. De geboden, die haar aan luitenant Walters toewijzen, en mij tot—duisternis veroordeelen,” zeide Toots, nadat hij even naar eene krachtige uitdrukking had gezocht—“mogen schrikkelijk zijn, zullen schrikkelijk zijn; maar ik gevoel dat ik wenschen zou ze te hooren uitspreken. Ik gevoel dat ik wenschen zou zeker te weten, dat de grond onder mij is weggemaaid, dat ik geen hoop meer kan koesteren, kortom, dat ik omverlig.”
Suze Nipper kon niet anders dan Toots’ ongelukkigen toestand beklagen, en onder deze omstandigheden bewilligen om met hem mede te gaan, hetgeen zij den volgenden morgen deed.