Part 80
De kerk, die Walter tot dat einde had gekozen, was een oud vervallen kerkje, door een doolhof van achterstraten en stegen ingesloten, met eene kleine begraafplaats er om heen, en zelve begraven in een soort van kelder, door de naburige huizen gevormd. Van binnen was zij donker en leelijk, met hooge eikenhouten banken, waarin omtrent twintig menschen elken zondag verzonken, terwijl de slaperige stem van een hulpprediker door de ledige ruimte galmde. Evenwel kwijnde deze kerk niet uit gebrek aan gezelschap van andere kerken, want de torens verhieven zich in het rond, zoo dicht als de scheepsmasten op de rivier. Het zou zelfs moeielijk zijn geweest ze van den toren dezer kerk te tellen, zooveel waren er. Op bijna ieder ledig plekje in het rond stond eene kerk. Het verwarde gebengel der klokken, op den zondagochtend toen Suze en Toots zich daarheen begaven, was verdoovend. Er waren twintig kerken dicht bijeen, die allen de menschen riepen om er in te komen.
De twee verdwaalde schapen werden door een kerkeknecht in eene ruime bank gekooid, en daar het nog vroeg was, zaten zij eene poos de vergadering te tellen, naar de teleurgestelde klok omhoog in den toren te luisteren, of naar een armoedig oud manneke in het portaal te kijken, die de klok luidde, waartoe hij zijn voet in een soort van stijgbeugel had gestoken. Nadat Toots lang naar de groote boeken op den voorlezerslessenaar had getuurd, fluisterde hij Suze toe dat hij zich verwonderde waar de geboden bewaard werden, maar de jonge dame schudde slechts met een donker gezicht haar hoofd en wilde nu van geen aardsche zaken weten.
Toots kon evenwel zijne gedachten niet van de geboden aftrekken, en zat blijkbaar onder den geheelen dienst daarnaar te wachten. Toen de tijd, om ze te lezen, naderde, legde de arme jongen eene groote onrust aan den dag, die niet verminderde door de onverwachte verschijning van kapitein Cuttle vooraan op de galerij. Toen de voorlezer de lijst aan den predikant gaf, hield Toots, hoewel hij zat, zich aan de bank vast; maar toen de namen van Walter Gay en Florence Dombey voor de derde en laatste maal werden opgelezen, werd hij zoodanig door zijn gevoel overweldigd, dat hij zonder hoed de kerk uitstoof, gevolgd door den kerkeknecht, den banksluiter en twee heeren van het medische vak, die toevallig daar waren. De eerstgenoemde kwam weldra terug om den hoed te halen en jufvrouw Nipper fluisterend te onderrichten, dat zij zich niet ongerust over mijnheer behoefde te maken, daar mijnheer zeide dat zijne ongesteldheid van geen belang was.
Jufvrouw Nipper, die gevoelde dat de oogen van dat gedeelte van Europa, dat wekelijks in de hooge banken verzonk, op haar gevestigd waren, zou door dit voorval reeds verlegen genoeg zijn geworden, al ware het daarbij gebleven; te meer daar de kapitein vooraan op de galerij zich bewust was, dat hij in een geheimzinnig verband er mede stond, en niet nalaten kon dit besef aan de vergadering te doen opmerken. Maar de buitengemeene onrustigheid van Toots maakte haar toestand weldra nog veel neteliger. Deze jonge heer, buiten staat om alleen op het kerkhof eene prooi zijner eenzame gepeinzen te blijven, en ook buiten twijfel verlangend om zijn eerbied te toonen voor eene plechtigheid, die hij eenigermate gestoord had, kwam eensklaps terug—niet naar zijne bank, maar zette zich op eene vrije bank in den zijgang, tusschen twee oude vrouwen, die gewoon waren wekelijks eene portie brood te komen ontvangen, welke op eene plank in het portaal voor haar gereed lag. Zoo bleef Toots zitten, tot groote stoornis der vergadering, die niet laten kon naar hem te kijken, tot zijn gevoel hem weder overweldigde en hij nogmaals onverwacht vertrok. Nu niet weder in de kerk durvende komen en toch wenschende in zekere gemeenschap te blijven met hetgeen er in omging, zag men Toots daarna, met een bedrukt gezicht door een of ander venster binnenkijken; en daar hij verscheidene vensters van buiten bereiken kon, en zijne onrust zeer groot was, werd het niet alleen moeielijk te gissen voor welk venster hij zich de volgende maal zou vertoonen, maar was ook de geheele gemeente, terwijl zij naar de preek luisterde, als het ware gedwongen, over die kansen der verschillende vensters te denken. Toots’ bewegingen op het kerkhof waren echter zoo ongeregeld, dat hij doorgaans alle berekening te leur stelde, en evenals het popje of balletje van een goochelaar, daar verscheen waar men hem allerminst verwachtte; en deze verschijningen maakten te meer indruk omdat het voor hem moeielijk was om naar binnen, en voor de anderen gemakkelijk om naar buiten te zien, hetgeen ten gevolge had dat hij telkens, veel langer dan men zou verwacht hebben, met zijn gezicht dicht voor het glas bleef staan, tot hij eensklaps bespeurde dat aller oogen op hem gevestigd waren, en dan verdween.
Dit gedrag van Toots en de medeplichtigheid, waarvan de kapitein zich bewust toonde, maakte Suze’s positie zoo netelig, dat het einde der godsdienstoefening haar een groote verademing gaf, en zij niet zoo vriendelijk als gewoonlijk voor Toots was, toen deze haar en den kapitein op den terugweg onderrichtte, dat hij nu, zeker wetende dat hij geene hoop meer had, zich tevredener gevoelde—of eigenlijk niet tevredener, maar tevredener en diep rampzalig.
Nu verliep de tijd inderdaad snel tot aan den avond voor den dag, waarop het huwelijk was bepaald. Allen waren op de bovenkamer van den Adelborst bijeen en vreesden voor geene stoornis; want er waren nu geene huurders meer in huis; de adelborst had het geheel alleen. Zij waren ernstig en stil, in het vooruitzicht op den volgenden morgen, maar toch matig vroolijk. Florence, naast Walter gezeten, maakte een handwerkje af, dat tot een afscheidsgeschenk voor den kapitein bestemd was. De kapitein speelde cribbage met Toots; Toots liet zich door Suze raadgeven. Suze gaf haar raad met alle heimelijkheid en omzichtigheid. Diogenes lag te luisteren, en liet nu en dan een half gesmoorden blaf hooren, waarover hij zich dan weder scheen te schamen, alsof hij twijfelde, of hij er wel reden voor had.
“Stil, stil!” zeide de kapitein tot Diogenes; “wat scheelt u? Ge schijnt niet op uw gemak van avond, mijn jongen.”
Diogenes kwispelstaartte, maar stak terstond daarna zijne ooren op en liet weder een blaf hooren, waarover hij den kapitein verschooning verzocht door nog eens te kwispelstaarten.
“Ik ben van gedachten, Di,” zeide de kapitein, in zijne kaart kijkende en peinzend zijne kin met zijn haak wrijvende, “dat gij aan jufvrouw Richards twijfelt; maar als gij zulk een hond zijt als ik u voor houd, zult gij u daarop beter bedenken, want zij ziet er veel te goed uit om niet te deugen. Kom aan, broeder,” tot Toots; “als ge klaar zijt, speel dan op.”
De kapitein sprak met bedaardheid en had al zijne aandacht op het spel, maar eensklaps liet hij zijne kaarten uit de hand vallen, sperde hij mond en oogen wijd open, trok hij zijne beenen onder zijn stoel op, en bleef hij met stomme verbazing naar de deur zitten staren. Toen in het gezelschap rondkijkende en ziende dat niemand de reden zijner verwondering opmerkte, herstelde hij zich met een snik, gaf een geduchten slag op de tafel, riep met eene daverende stem: “Sam Gills, a-hoy!” en tuimelde in de armen van eene oude duffelschen jas, die met Polly de kamer was ingekomen.
Een oogenblik later viel Walter in de armen van de duffelschen jas. Een oogenblik later deed Florence hetzelfde. Een oogenblik later had kapitein Cuttle jufvrouw Richards en Suze om den hals gepakt, en schudde hij de hand van Toots, roepende, terwijl hij zijn haak boven zijn hoofd wuifde: “Hoera, mijn jongen, hoera!” Waarop Toots, geheel buiten staat om zich dit gedrag te verklaren, zeer beleefd antwoordde: “Zekerlijk, kapitein Cuttle, wat u maar belieft.”
De duffelschen jas, en de ruige muts en bouffante, die daarbij behoorden, keerden zich van den kapitein en Florence weder naar Walter, en klanken kwamen daaruit, alsof een oud man daarbinnen snikte, terwijl de ruige armen Walter vast omklemden. Ondertusschen heerschte er eene algemeene stilte, en bruineerde de kapitein met grooten ijver zijn neus. Maar toen de duffelschen jas Walter weder losliet, kwam Florence naderbij, en toen zij met hun beiden jas, muts en bouffante wegnamen, onthulden zij den ouden instrumentmaker; wat magerder en meer vervallen dan voorheen, met zijne oude ronde pruik, zijn oud koffiebruin pak en zijn ouden onfeilbaren chronometer tikkende in zijn zak.
“Zoo propvol wetenschap als hij ooit geweest is,” zeide de verheugde kapitein. “Sam Gills, Sam Gills, waar zijt ge toch zoolang gebleven, oude jongen?”—“Ik ben half blind, Ned,” zeide de oude man, “en bijna doofstom van blijdschap.”—“Nog zijne eigene stem,” zeide de kapitein, met opgetogenheid rondziende, “nog zijne eigene stem, zoo propvol wetenschap als zij ooit geweest is! Sam Gills, mijn jongen, kom nu voor anker, onder uw eigen wijnstok en vijgeboom, als een oud patriarch als ge zijt, en doe eens rapport van uwe avonturen, met uwe eigene stem, die ons nog zoo goed heugt. Het is de stem,” zeide de kapitein, met nadruk, en door middel van zijn haak beduidende dat hij eene aanhaling deed, “van den luiaard; ik hoorde hem klagen, gij hebt mij te vroeg gewekt, ik moet nog slapen. Verstrooi zijne vijanden en doe ze vallen.”
De kapitein zette zich neer als iemand, die het gevoel van alle aanwezigen zeer gelukkig had uitgedrukt, en stond dadelijk weder op om Toots te presenteeren, die zeer verbaasd was over de komst van iemand, die aanspraak scheen te maken op den naam van Gills.
“Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer,” stotterde Toots, “eer gij—eer gij—”—“Waart verdwenen voor het oog, maar trouw in het hart,” blies de kapitein hem zachtjes in.—“Juist zoo, kapitein Gills,” zeide Toots. “Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer—mijnheer Sams,” zeide hij, door een gelukkigen inval op dien naam komende, “eer dat plaats had, doet het mij toch het grootste genoegen, verzeker ik u, u—u te leeren kennen. Ik hoop,” zeide Toots, “dat gij naar omstandigheden wel vaart.”
Met deze beleefde woorden ging Toots blozend en grinnikend zitten.
De oude instrumentmaker, in een hoekje tusschen Walter en Florence gezeten, antwoordde den kapitein aldus:
“Ned Cuttle, beste jongen, al heb ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord, van mijne vroolijke vriendin daar,” daarbij knikte hij tegen jufvrouw Richards, wier gezicht geheel glimlach was,—“welk een pleizierig gezicht heeft zij om een zwerveling welkom thuis te heeten!” zeide de oude man afbrekende en op zijne oude droomerige manier zijne handen wrijvende.—“Luister!” riep de kapitein ernstig. “Het is de vrouw, die het geheele menschdom verleidt. Daarover,” ter zijde tot Toots, “kunt gij uw Adam en Eva op nazien, broeder.”—“Dat zal ik niet verzuimen, kapitein Gills,” antwoordde Toots.—“Schoon ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord heb,” hervatte de oude instrumentmaker, zijn ouden bril uit zijn zak halende en dien op de oude manier op zijn voorhoofd zettende, “zij zijn zoo groot en onverwacht, en ik ben zoo overweldigd door het gezicht van mijn lieven jongen, en door de”—hier zag hij naar de neergeslagene oogen van Florence en sprak niet voort—“dat ik—dat ik van avond niet veel kan zeggen. Maar, mijn beste Ned Cuttle, waarom hebt gij niet geschreven?”
De verbazing, die zich op des kapiteins trekken vertoonde, deed Toots zoodanig schrikken, dat zijne oogen stijf bleven staan, zoodat hij ze niet van des kapiteins gezicht kon afwenden.
“Geschreven!” herhaalde de kapitein. “Geschreven, Sam Gills!”—“Ja,” zeide de oude man, “hetzij naar Barbados, of naar Jamaica, of naar Demerary. Zoo had ik u gevraagd.”—“Gevraagd, Sam Gills!” herhaalde de kapitein wederom.—“Ja,” zeide de oude man. “Weet gij het niet meer, Ned? Dat hebt ge toch zeker niet vergeten? Telkens als ik u schreef.”
De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, zette dien op zijn haak, en bleef, terwijl hij zijn haar van achteren met zijne hand gladstreek, in het rond zitten kijken, als een beeld van berustende verwondering.
“Gij schijnt mij niet te begrijpen, Ned,” merkte de oude man aan.—“Sam Gills,” antwoordde de kapitein, na hem en de anderen nog eene poos zonder spreken te hebben aangestaard. “Ik ben heelemaal van mijn koers. Laat eens een paar woorden glippen van die avonturen, wilt ge. Ik kan er maar geen hoogte van krijgen,” zeide de kapitein, peinzend in het rond kijkende.—“Gij weet wel, Ned,” zeide de oude man, “waarom ik hier vandaan ben gegaan? Gij hebt mijn pakje toch opengedaan?”—“Wel ja, wel ja,” zeide de kapitein. “Ik heb het pakje opengedaan.”—“En gelezen ook?” zeide de oude man.—“En gelezen ook,” antwoordde de kapitein, hem oplettend aanziende, en begon toen uit zijn geheugen op te zeggen: “Mijn beste Ned Cuttle, toen ik naar de West-Indiën vertrok om tijding te gaan zoeken van mijn lieven—Daar zit hij! Daar is Walter!” zeide de kapitein, als ware het eene verademing voor hem iets te kunnen aangrijpen, dat ontwijfelbaar en onbetwistbaar was. “Wel, Ned, let nu eens even op,” zeide de oude man. “Toen ik de eerste maal schreef—dat was van Barbados—zeide ik dat, hoewel ge dien brief zoudt ontvangen lang voor dat het jaar om was, ik toch gaarne had, dat ge het pakje opendeedt, daar dat de reden zou verklaren waarom ik was heengegaan. Goed! Toen ik de tweede, en de derde, misschien de vierde maal schreef—dat was van Jamaica—zeide ik, dat ik nog in denzelfden staat was, en geene rust had, en niet uit dat werelddeel kon terugkomen, eer ik wist of mijn jongen verongelukt of gered was. Toen ik de volgende maal schreef—dat was, denk ik, uit Demerary, niet waar?”—“Dat was, denkt hij, uit Demerary!” zeide de kapitein, hopeloos rondziende.—“Zeide ik,” vervolgde de oude man, “dat er nog geen zeker bericht was gekomen. Dat ik in dat werelddeel vele kapiteins en anderen had gevonden, die mij sedert jaren hadden gekend, en die mij hielpen om hier en daar heen te komen, en voor wie ik tot dank daarvoor nu en dan eene kleinigheid in mijn oud beroep kon doen. Dat iedereen met mij begaan was, en zeker belang in mijn zwerven scheen te stellen; en dat ik begon te denken, dat het mijn lot zou zijn om zoo zoekende naar tijding van mijn jongen, tot aan mijn dood toe heen en weder te kruisen.”—“Begon te denken, dat hij een geleerde Vliegende Hollander was!” zeide de kapitein, evenals te voren, met den grootsten ernst.—“Maar toen eens op een dag de tijding kwam, Ned—dat was op Barbados, toen ik daar weer terug was—dat een Chinavaarder op de thuisreis gepraaid was, die mijn jongen aan boord had, toen, Ned, nam ik de eerste scheepsgelegenheid waar om weer naar huis te gaan; en zoo kwam ik van avond hier, om te vinden dat het waar is, Goddank!” zeide de oude man met vromen ernst.
Nadat de kapitein eerbiedig zijn hoofd had gebogen keek hij starend den geheelen kring in het rond, met Toots beginnende en met den instrumentmaker besluitende, en zeide toen ernstig:
“Sam Gills. Wat ik nu zal zeggen, zal u geheel overstaagsmijten. Geen een van die brieven is ooit aan Edward Cuttle behandigd. Geen een van die brieven,” herhaalde de kapitein, om zijne verklaring des te plechtiger te maken, “is ooit aan Edward Cuttle behandigd.”—“Ik heb ze toch eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd, Brig Place, nommer negen,” riep de oude man uit.
Alle kleur verdween van des kapiteins gezicht en kwam terstond daarop gloeiend terug.
“Wat meent ge, Sam Gills, mijn vriend, met Brig Place, nommer negen?” zeide de kapitein.—“Meenen? Het huis waar gij woont, Ned,” antwoordde de oude man, “bij jufvrouw—hoe heet zij ook weer? Ik zal mijn eigen naam nog vergeten, maar ik ben bij mijn tijd ten achter—dat was ik altijd, weet ge wel—en suf van hoofd, jufvrouw—”—“Sam Gills,” zeide de kapitein, alsof hij het onwaarschijnlijkste geval van de wereld onderstelde, “het is toch de naam van MacStinger niet, dien gij u wilt te binnen brengen?”—“Wel natuurlijk is het die,” riep de instrumentmaker uit. “Wel zeker Ned, jufvrouw MacStinger!”
Kapitein Cuttle wiens oogen nu zoo wijd openstonden als zij maar konden, liet een allerschelst gefluit hooren, en stond toen sprakeloos te kijken.
“Zeg mij dat nog eens, als ge zoo goed wilt zijn, Sam Gills,” zeide hij eindelijk.—“Al die brieven,” antwoordde oom Sam, met zijn rechter voorvinger in de palm zijner linkerhand tikkende, met eene duidelijkheid en regelmatigheid, die zelfs zijn onfeilbare chronometer tot eer zou hebben gestrekt, “heb ik eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd, aan kapitein Cuttle, ten huize van jufvrouw MacStinger, Brig Place, nommer negen.”
De kapitein nam zijn blinkenden hoed van den haak, keek er eens in, zette hem op zijn hoofd en ging weder zitten.
“Wel, vrienden allemaal,” zeide de kapitein, vol verslagenheid rondkijkende, “daar was ik vandaan geloopen.”—“En niemand wist waar gij naar toe waart, kapitein Cuttle” riep Walter haastig uit.—“Zegen ons, Walter,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende, “zij zou mij nooit hebben laten gaan om hier op het goed te passen. Ik kon niet anders doen dan wegloopen. Och Heere, Walter!” zeide de kapitein. “Gij hebt haar nog maar bij stil weer gezien. Maar gij moest haar eens zien als het stormt!”—“Ik zou haar wel klein krijgen,” zeide Suze zachtjes.—“Zoudt ge—denkt gij dat, liefje?” antwoordde de kapitein met flauwe bewondering. “Wel, kindlief, dat strekt u tot eer. Maar wat mij betreft, er is geen wild dier, dat ik niet liever zou staan. Ik heb mijne kist alleen weggekregen door middel van een vriend, waar niemand tegen op kan. Het kon niet baten of men daar al brieven zond. Zij zou ze toch niet aannemen. Wel waarlijk,” zeide de kapitein, “het was haast een waagstuk ze te gaan bestellen!”—“Dus is het vrij duidelijk, kapitein Cuttle,” zeide Walter, “dat wij allen, maar gij en oom Sam vooral, niet weinig angst en zorg aan die jufvrouw MacStinger te danken hebben.”
De algemeene verplichting aan die manhaftige weduwe was zoo duidelijk, dat de kapitein deze stelling niet tegensprak; maar daar hij zich eenigszins over zijne positie schaamde—hoewel niemand verder van de zaak sprak, en Walter, zich het laatste gesprek daarover herinnerende, dit vooral vermeed—bleef zijn gezicht vijf minuten lang—een buitengewone tijd voor hem—betrokken. Toen helderde het weder op, en kreeg hij lust om iedereen nogmaals en nogmaals over de hand te geven.
Vroeg, maar niet voordat oom Sam en Walter elkander eenigszins uitvoerig van hunne avonturen en gevaren hadden verteld, namen allen, behalve Walter, afscheid van Florence, en gingen beneden naar het achterkamertje. Hier kwam Walter spoedig bij hen en zeide dat Florence eenigszins droefgeestig en zwaarmoedig was, en naar bed zou gaan. Hoewel zij haar daar beneden niet hadden kunnen storen, spraken zij na dien tijd toch fluisterend, en ieder toonde op zijne verschillende manier zijne teerhartigheid voor Walter’s jeugdige bruid. Oom Sam ontving eene uitvoerige mededeeling van alles wat haar aanging, en Toots was zeer gevoelig voor de kieschheid, waarmede Walter het gewicht zijner diensten en het noodzakelijke zijner tegenwoordigheid bij deze kleine raadsvergadering deed uitkomen.
“Mijnheer Toots,” zeide Walter, toen hij hem aan de deur verliet. “Wij zullen elkander morgenochtend toch zien?”—“Luitenant Walters,” antwoordde Toots, hem vurig de hand drukkende. “Ik zal zeker tegenwoordig zijn.”—“Dit is de laatste avond, dat wij elkander in langen tijd zullen zien—misschien de laatste avond dat wij elkander ooit zullen zien,” zeide Walter. “Zulk een edel hart als het uwe moet het wel gevoelen, denk ik, wanneer een ander hart daaraan verbonden is. Gij weet wel, hoop ik, hoe dankbaar ik u ben.”—“Walters,” antwoordde Toots, met aandoening, “het zou mij verheugen als ik gevoelde, dat gij daartoe reden hadt.”—“Florence,” hervatte Walter, “heeft mij, op den laatsten avond dat zij haar eigen naam draagt, doen beloven—pas zoo even, toen gij ons bij elkander liet,—dat ik u zou zeggen, met verzekering van hare hartelijke genegenheid—”
Toots sloeg zijne hand aan den deurpost en drukte zijne oogen op zijne hand.
“Van hare hartelijke genegenheid,” herhaalde Walter, “dat zij nooit een vriend kan hebben, dien zij boven u zal schatten. Dat zij uwe trouwe welwillendheid voor haar nooit zal vergeten. Dat zij van avond in haar gebed aan u gedachtig is, en hoopt dat gij nog aan haar denken zult als zij ver weg is. Zal ik haar van u iets zeggen?”—“Zeg, Walters,” antwoordde Toots onduidelijk, “dat ik alle dagen aan haar zal denken, maar nooit zonder mij gelukkig te gevoelen omdat ik weet, dat zij getrouwd is met den man dien zij liefheeft, en die haar liefheeft. Zeg haar, als het u belieft, dat ik zeker ben, dat haar man haar—zelfs haar—waardig is—en dat ik mij verheug over hare keus.”
Toen Toots aan deze woorden kwam werd hij duidelijker, en zijne oogen van den deurpost opslaande, zeide hij ze stoutweg. Toen drukte hij Walter nog eens de hand, met eene hartelijkheid, die Walter niet miste te beantwoorden, en ging heen.
Met hem ging de Kemphaan, dien hij sedert eenigen tijd elken avond medegebracht en in den winkel gelaten had, met het denkbeeld, dat er onverwachte omstandigheden konden ontstaan, waarin de dapperheid van dien uitstekenden persoon den adelborst van dienst zou kunnen zijn. De gaslantarens gaven een valsch licht, of hij kneep op eene afschuwelijke manier zijn oog dicht, en haalde daarbij even leelijk zijn neus op, toen Toots, de straat overstappende, omkeek naar de kamer waar Florence sliep. Onderweg naar huis liet hij meer vijandige neigingen tegen andere voetgangers blijken, dan een beoefenaar der vreedzame kunst van zelfverdediging wel paste. Thuis gekomen, bleef hij, in plaats van Toots in zijne apartementen alleen te laten, voor dezen staan, zijn witten hoed met beide handen op den rand wiegelende, en zijn neus (die meermalen beschadigd en niet te best gelapt was) ophalende op eene manier, die alles behalve eerbiedig kon heeten.
Daar zijn patroon druk met zijne eigene gedachten bezig was, merkte hij dit niet op, voordat de Kemphaan, die niet onopgemerkt wilde blijven, met zijne tong zekere klinkende geluiden maakte.
“Nu, baas,” zeide de Kemphaan zeer stroef, toen hij eindelijk de oogen van Toots had getrokken, “wou ik maar eens weten of het met die malligheid moet afloopen, of dat gij er ernst van zult maken?”—“Kemphaan,” antwoordde Toots. “Verklaar u wat duidelijker.”—“Wel dan, kort en goed, baas,” zeide de Kemphaan. “Ik ben geen man om een woord weg te gooien. Zoo is het. Zal er een geboft worden?”
Toen hij deze vraag deed, liet de Kemphaan zijn hoed vallen, maakte daarop eene parade met de linkerhand, viel met de rechtervuist uit om zijn vermeenden vijand een geweldigen stomp te geven, schudde vinnig zijn hoofd en stelde zich weder in postuur.