Dombey en Zoon

Part 78

Chapter 783,929 wordsPublic domain

Het was een visioen van lange wegen, welke zich tot den gezichteinder uitstrekten, die steeds terugweek en nooit bereikt werd; van slecht bestrate steden, niet op- en neerloopende straten, waar gezichten voor de donkere deuren en doffe vensters kwamen, waar rijen van bemodderde koeien en ossen, in lange straten te koop vastgebonden, stonden te loeien en te stooten, en op hunne botte koppen slagen met knuppels kregen, hard genoeg om ze de hersenen in te slaan; van bruggen, kruisen, kerken, posthuizen, nieuwe paarden tegen wil en dank voorgespannen, en paarden van het laatste station, dampende en hijgende, hunne koppen zwaarmoedig bij eene staldeur bij elkander stekende; van kleine kerkhoven met zwarte kruisen, schuins bij graven gezet, en verwelkte kransen daaraan hangende; en wederom van lange, lange wegen, die zich, heuvel op en heuvel af, naar den verraderlijken gezichteinder voortsleepten.

Van morgen, middag, avond en nacht en het opkomen der maan. Van lange wegen voor eene poos achtergelaten en het ratelen over eene ongelijke straat, en het opkijken tusschen de huizen naar een grooten kerktoren; van uitstappen en haastig eten, en glazen wijn drinken, die geen vervroolijkenden invloed hadden; van te voet buiten te komen, tusschen een zwerm van bedelaars—blindemannen met trillende oogleden, geleid door oude vrouwen, die hen kaarsen voor het gezicht hielden, onwijze kinderen, lammen en kreupelen—van door het rumoer heen te gaan en van zijne plaats naar de omhooggekeerde gezichten en uitgestokene handen te kijken, met een haastig opkomenden angst van een vervolger te herkennen—van weder voort te rennen langs den langen, langen weg, dof en versuft in zijn hoek gedoken, of op te staan om te zien waar mijlen ver op een plekje van denzelfden eindeloozen weg de maan scheen, of om te kijken om te zien wie er volgde.

Van nooit te slapen, maar somtijds met ongeslotene oogen te dutten, en met een schrik op te springen en overluid te antwoorden op eene denkbeeldige stem. Van zich zelven te vervloeken, dat hij daar was, dat hij gevlucht was, dat hij haar had laten gaan, dat hij hem niet had afgewacht en uitgetart. Van een doodelijken wrok tegen de geheele wereld, maar vooral tegen zich zelven. Van alles wel te willen verdelgen terwijl hij voorbijreed.

Het was een koortsig visioen van verledene en tegenwoordige dingen allen ondereen geward, van zijn leven en zijne reis te zamen gesmolten. Van in dolle vaart ergens heengevoerd te worden, waar hij heen moest. Van oude tooneelen, oprijzende tusschen de nieuwe, waardoor hij heenreed. Van te peinzen en te mijmeren over hetgeen lang geleden en veraf was, en niet te letten op de voorwerpen, die hij wezenlijk zag, maar toch met eene vermoeiende bewustheid dat zij hem verbijsterden, en als zij verdwenen hunne beelden in zijn gloeiend brein achterlieten.

Een visioen van veranderingen op veranderingen, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van stad en land, pesthuizen, paarden, postiljons, heuvel en dal, droog weder en regen, wegen en straten, licht en duisternis, hoogten en laagten, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Een visioen van eindelijk de hoofdstad te naderen, langs drukke wegen, en voorbij oude domkerken te rijden, en door kleine steden en dorpen te vliegen, minder dun dan te voren langs den weg gesprenkeld, en in zijn hoek gedoken te zitten, met zijn mantel half voor zijn gezicht, als voorbijgangers hem aankeken.

Van voort en voort te rennen, altijd het denken uitstellende, en altijd gemarteld door zijne woelige gedachten; van buiten staat te zijn om te berekenen hoelang hij onderweg was geweest, of te begrijpen hoe de plaatsen elkander op zijne reis hadden gevolgd. Van dorstig, duizelig en half krankzinnig te zijn. Van ondanks dat alles toch voort te jagen, alsof hij niet kon ophouden, en Parijs binnen te rijden, waar de troebele rivier ongestoord haar snellen loop vervolgde, tusschen twee bruisende stroomen van leven en beweging.

Dan een verward visioen van bruggen, kaden, eindelooze straten; van wijnhuizen, waterdragers, gedrang van menschen, soldaten, koetsen, trommels en gaanderijen. Van een algemeen gewoel en gerucht, dat de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven eindelijk verzwolg. Van het langzaam verminderen van dat gerucht, toen hij met een ander rijtuig eene andere barrière uitreed. Van het terugkomen, terwijl hij zeewaarts reed, van de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust.

Van avond en nacht wederom. Van lange wegen wederom, en duisternis, en flauwe lichtjes voor de vensters langs den weg; en steeds de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van het aankomen van den dag en het opgaan der zon. Van langzaam tegen een heuvel op te kruien en op den top de frissche zeelucht te gevoelen, en het morgenlicht op de kammen der golven in de verte te zien spelen. Van naar de reede te komen, met hoog water, en de visschersscheepjes aan land te zien komen, en blijde vrouwen en kinderen daarnaar te zien wachten. Van netten en visscherskleeren, op het strand te drogen gespreid; van druk bezige matrozen, en hunne stemmen omhoog tusschen masten en touwen; van de dartelheid en helderheid van het water, en het schitteren overal.

Van de kust te verlaten en daarnaar terug te zien van het dek, terwijl er een nevel op het water hing, met eene kleine opening hier en daar, waardoor men het land zag, helder door de zon beschenen. Van het deinen en murmelen der kalme zee. Van eene andere grauwe streep op het water, voor den boeg van het schip, die met spoed duidelijker en hooger werd. Van klippen en gebouwen, en een windmolen en eene kerk, die daar al duidelijker en duidelijker zichtbaar werden. Van eindelijk in effen water te komen, en aan te leggen bij een hoofd, van waar groepen menschen naar beneden keken en hunne vrienden aan boord begroetten. Van snel tusschen hen door te gaan, iedereen vermijdende, en eindelijk weder in Engeland te zijn.

Hij had in zijn droom gedacht van naar een afgelegen landstadje te gaan dat hij kende, en zich daar stil te houden, terwijl hij heimelijk vernam naar wat er was voorgevallen, en overlegde hoe hij handelen moest. Nog in denzelfden versuften toestand, herinnerde hij zich zeker station aan den spoorweg, waar hij een zijtak naar de plaats zijner bestemming zou moeten inslaan, en waar eene stille herberg was. Daar nam hij zich voor eene poos uit te rusten.

Met dit voornemen sloop hij terstond in een spoorrijtuig, en daar in zijn mantel gewikkeld liggende, alsof hij sliep, werd hij spoedig ver van de zee en diep in het groene binnenland gevoerd. Op de bedoelde plaats gekomen keek hij voorzichtig rond. Zijne herinnering had hem niet misleid. Het was eene stille, afgelegene plek, aan den zoom van een boschje. Slechts een huis, pas gebouwd of tot het tegenwoordige doel ingericht, stond daar, door een netten tuin omgeven; de naastbijzijnde kleine stad was toch eenige mijlen ver. Hier stapte hij dus af, en naar de herberg gaande, zonder dat iemand hem opmerkte, verzekerde hij zich van twee bovenkamers, die in elkander uitkwamen, en die hij afgelegen genoeg vond.

Zijn doel was uit te rusten, en zelfbeheersching en bedaardheid terug te krijgen. Doffe verslagenheid en woede—zoodat hij, terwijl hij op zijne kamer heen en weder ging, op zijne tanden knarste—hadden hem geheel overmeesterd. Zijne gedachten, die zich niet lieten stuiten of besturen, zwierven nog waarheen zij wilden en sleepten hem mede. Hij was versuft en dood moede.

Maar, alsof er een vloek op hem lag dat hij nooit zou rusten, wilden zijne slaperige zinnen hunne bewustheid maar niet verliezen. Hij had in dit opzicht niet meer heerschappij over hen, dan alsof zij een ander hadden toebehoord. Het was niet dat zij hem dwongen om op tegenwoordige klanken en voorwerpen te letten, maar zij wilden zich niet laten afbrengen van eene woelige herhaling zijner geheele reis. Deze werd hem gedurig en op eens weder voorgehouden. Zij stond daar weder, met hare donkere oogen vol verachting op hem gevestigd; en hij reed niettemin voort, door stad en land, door licht en duisternis, door regen en zonneschijn, over puinwegen en straatsteenen, heuvelen en dalen, hoogten en laagten, gemarteld en versuft door de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en zonder rust.

“Wat is het voor een dag?” vroeg hij aan den knecht, die zijne tafel kwam dekken.—“Dag, mijnheer?”—“Is het woensdag?”—“Woensdag, mijnheer? Neen, mijnheer. Donderdag, mijnheer.”—“Het was mij ontschoten. Hoe laat is het? Mijn horloge is niet opgewonden.”—“Het is op slag van vijven, mijnheer. Lang op reis geweest, misschien, mijnheer?”—“Ja.”—“Heel vermoeiend voor het hoofd, mijnheer. Zelf niet veel gewoon met spoor te reizen, mijnheer; maar de heeren zeggen dat dikwijls.”—“Komen hier veel heeren?”—“Nog al, mijnheer. Tegenwoordig niemand hier. Nu juist een beetje slap. Alles gaat slap, mijnheer.”

Hij gaf geen antwoord, maar was op de sofa, waarop hij gelegen had, in eene zittende houding overeindgekomen, en staarde nu, voorovergeleund, met de armen op de knieën, naar den grond. Hij kon zijne oplettendheid geene minuut lang meester blijven. Zij vloog heen waar zij wilde, maar verloor zich nooit een oogenblik in den slaap.

Hij dronk na den maaltijd vrij veel wijn, maar vruchteloos. Geen zoodanig kunstmiddel wilde hem slaap in de oogen brengen. Zijne gedachten, nog minder geregeld, sleepten hem ongenadig mede—als werd een rampzalige, tot zulk eene straf veroordeeld, achter de hoeven van wilde paarden medegesleept. Geene vergetelheid, en geene rust.

Hoelang hij daar zat te drinken en te mijmeren, en in verbeelding herwaarts en derwaarts gesleept werd, had niemand minder nauwkeurig kunnen zeggen dan hij zelf. Maar hij wist dat hij langen tijd bij kaarslicht had gezeten, toen hij met plotselingen schrik overeindsprong.

Want nu was het inderdaad geene verbeelding. De grond dreunde, het huis trilde, en het wilde, jagende gedruis was in de lucht! Hij voelde het aankomen en voorbijvliegen; en zelfs toen hij naar het venster was gesneld en zag wat het was, stond hij er nog voor te huiveren, en deinsde hij terug alsof het niet veilig was uit te zien.

Een vloek op den vuurduivel, die zoo onverwacht kwam aandonderen, nu door de afgelegene vallei na te sporen was door een lichtglans en eene rookwolk, en toen verdwenen was! Het was hem te moede alsof hij uit de baan van dat monster was gerukt en daardoor alleen bewaard van aan stukken gescheurd te worden. Het deed hem zelfs nu nog huiveren en beven, nu het flauwste geluid niet meer te hooren was, en de sporen van den ijzeren weg, die hij in den maneschijn kon volgen tot zij in één punt samenliepen, zoo ledig en stil waren als eene woestijn.

Buiten staat om te rusten, en onweerstaanbaar—of hij dacht zoo—naar dezen weg getrokken, ging hij naar buiten en kuierde langs den rand, en lette op het pad, dat de trein bereden had, aan de nog rookende sintels te onderscheiden. Na eene wandeling van omtrent een half uur, in de richting waarin de trein was verdwenen, keerde hij om en stapte den anderen kant op—altijd langs den kant van den weg blijvende—den tuin der herberg weder voorbij, en nog een heel eind verder, en keek nieuwsgierig naar bruggen, seinpalen en lampen, en verwonderde zich wanneer er een andere vuurduivel zou voorbijkomen.

Een dreunen van den grond en eene snelle trilling in zijne ooren; een gil in de verte; een dof licht, dat snel naderde en in twee roode oogen en een schitterend vuur veranderde, waaruit gloeiende kolen op den grond vielen; een brullend, zich reusachtig uitzettend gevaarte, dat met onweerstaanbare vaart aankwam, een snuivende wind en een geratel—nog een vuurduivel was voorbijgevlogen, en hij hield zich aan een hek vast, als om zich te redden.

Hij wachtte naar nog een, en naar nog een. Hij wandelde terug naar het eerste punt, en weder terug naar dit, en keek nog steeds, door het vermoeiende visioen zijner reis heen, naar die naderende monsters uit. Hij bleef bij het station dralen, om te wachten tot er daar een zou ophouden, en toen dit er een deed, en losgerukt werd om water in te nemen, en hij vlak er bij stond en hij de zware wielen en het koperen voorhoofd van het monster zag, dacht hij welk eene gruwelijke kracht het had. IJselijk! De groote wielen langzaam te zien ronddraaien, en te denken, dat men er door overreden en verpletterd kon worden.

Ongesteld door den wijn en het gebrek aan rust—een gebrek dat niets, al was hij nog zoo moede, wilde vervullen—oefenden deze voorwerpen en gedachten een koortsachtigen invloed op hem uit. Toen hij weder naar zijne kamer ging, hetgeen hij eerst tegen middernacht deed, vervolgden zij hem nog, en bleef hij nog naar de komst van een ander monster zitten luisteren.

Zoo was het ook in zijn bed, waarheen hij zich begaf zonder hoop om te slapen. Hij bleef nog liggen luisteren; en als hij het dreunen en trillen voelde, stond hij op en ging naar het venster, om, gelijk hij daar kon, het doffe licht in twee ronde oogen te zien veranderen, en de gloeiende kolen uit het schitterende vuur te zien vallen, en de snuivende vaart van het monster waar te nemen, en zijn spoor van licht en rook door de vallei te volgen. Dan keek hij uit in de richting, waarin hij met den dageraad wilde vertrekken, daar hij hier toch niet rusten kon, en ging weder liggen, en werd wederom geplaagd door het visioen zijner reis, en de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, tot er weder een ander monster kwam. Dit duurde den geheelen nacht. Wel verre van de heerschappij over zich zelven te herkrijgen, scheen hij die zoo mogelijk meer en meer te verliezen. Toen de dageraad aanbrak, werd hij nog gemarteld door zijn denken, en wilde hij nog het nadenken uitstellen tot hij daartoe beter in staat was; het verledene, het tegenwoordige, de toekomst, alles dwarrelde voor hem dooreen, en hij had alle vermogen verloren om iets met vastheid in het oog te houden.

“Hoe laat ga ik hier vandaan, hebt gij gezegd?” vroeg hij den knecht, die hem des nachts bediend had en nu met eene kaars binnenkwam.—“Tegen kwartier over vieren, mijnheer. Om vier uur komt de expres-trein—maar die houdt hier niet op.”

Hij streek met zijne hand over zijn kloppend hoofd en keek op zijn horloge. Bij half vier.

“Denkelijk zal er niemand met u meegaan, mijnheer,” merkte de knecht aan. “Nog twee heeren hier, mijnheer, maar die wachten op den trein naar Londen.”—“Ik dacht, dat gij gezegd hadt, dat er niemand hier was,” zeide Carker, zich naar hem omkeerende met een flauwen zweem van zijn ouden glimlach, als hij kwaad of achterdochtig was.—“Toen niet, mijnheer. Twee heeren zijn van nacht gekomen, met den korten trein die hier blijft, mijnheer. Warm water, mijnheer?”—“Neen. En neem de kaars maar weg. Er is daglicht genoeg.”

Daar hij zich half gekleed in het bed had geworpen, stond hij al weder voor het venster toen de knecht uitging. Het koude licht van den dageraad had den nacht vervangen, en reeds zag men den rooden gloed der naderende zon in de lucht. Hij poogde zijn hoofd en gezicht met water te verfrisschen—maar het had voor hem geene verkoelende kracht—trok haastig zijne kleeren aan, betaalde wat hij schuldig was en ging naar buiten.

Hij vond de lucht, die hem aanwoei, onaangenaam kil. Het had zwaar gedauwd, en verhit als hij was, deed de koelte hem huiveren. Na even te hebben omgekeken naar den kant waar hij des nachts had gewandeld, en naar de seinlichten, thans door het daglicht verdoofd en van geen nut meer, keerde hij zich naar den kant der zon, en zag deze in al hare heerlijkheid opgaan.

Zoo plechtig en schoon, zoo goddelijk prachtig. Terwijl hij zijne flauwe oogen op haar vestigde, waar zij oprees stil en statig, onbeneveld door al de goddeloosheid, die hare stralen sedert het begin der wereld hadden beschenen, wie zal zeggen of toen eene flauwe bewustheid van het bestaan der deugd op aarde en hare belooning in den hemel, zich niet zelfs aan hem openbaarde? Als hij ooit met een zweem van teederheid en wroeging aan zijn broeder en zijne zuster dacht, wie zal zeggen dat het toen niet was?

Wel mocht dat toen zijn. De dood was hem nabij. Hij was afgezonderd van de levende wereld, en had den voet in het graf.

Hij betaalde zijn geld voor de reis naar het landstadje, waaraan hij gedacht had; en wandelde alleen heen en weder, en keek de ijzeren sporen langs, door de vallei in de eene richting, en naar eene donkere brug in de andere; toen hij, zijne wandeling stakende en omkeerende aan het einde eener houten gaanderij, waarop hij heen en weder stapte, den man, voor wien hij de vlucht had genomen, de deur zag uitkomen, door welke hij zelf daar gekomen was. Zij herkenden elkander terstond.

In de duizeling der verrassing wankelde hij en tuimelde van de planken af op den lager weg naast hem. Maar zich terstond weder herstellende, deed hij een paar schreden achterwaarts op dien weg, om den afstand tusschen hen te vergrooten, en zag, kort en snel ademhalende, zijn vervolger aan.

Hij hoorde roepen—nog eens—zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan—voelde den grond dreunen—wist in een oogenblik dat het monster aankwam—gaf een gil—keek om—zag de roode oogen, schemerachtig flauw in het daglicht, dicht achter hem—werd neergesmeten, opgepakt en rondgeslingerd door een getand raderwerk, dat hem om en om liet draaien, hem van lid tot lid verscheurde, zijn bloed met een vuurgloed oplekte, en de verminkte stukken zijner leden in de lucht wierp.

Toen de reiziger, die herkend was, uit zijne bezwijming bijkwam, zag hij op een afstand vier mannen, die op eene plank tusschen hen iets wegdroegen, dat overdekt was en doodstil lag, terwijl anderen eenige honden wegjoegen, die langs den weg liepen te snuffelen en de sporen van zijn bloed met asch bestrooiden.

LVI.

VERSCHEIDENE MENSCHEN VERHEUGD EN DE KEMPHAAN VERONTWAARDIGD.

De adelborst was in volle levendigheid. Toots en Suze waren eindelijk gekomen. Suze was naar boven gevlogen als een meisje dat van hare zinnen was, en Toots en de Kemphaan waren naar het achterkamertje gegaan.

“O, mijne allerliefste jufvrouw Flore!” riep Suze, Florence’s kamer binnenstuivende, “als ik denk dat het zoover komen moest, en ik u hier moet vinden, mijn lief duifje, met geen mensch om u te bedienen, en geen huis waar gij thuis zijt; maar nu zal ik nooit weer heengaan, jufvrouw Flore, want al mag ik geen mos verzamelen, ik ben toch geen rollende steen, en mijn hart is ook geen steen, of anders zou het niet barsten zooals het nu barst, och Heere, och Heere!”

Deze woorden in één adem uitstortende, sloot Suze hare meesteres, bij welke zij op hare knieën lag, vast in hare armen.

“O, liefje,” riep Suze uit, “ik weet al wat er gebeurd is, ik weet het alles, mijn hart, en ik stik er van; geef mij toch lucht!”—“Suze, lieve goede Suze!” zeide Florence.—“O zegen haar! Ik, die nog zulk eene kleine meid was, toen zij een klein kind was! en zal zij nu waarlijk en wezenlijk gaan trouwen!” riep Suze, met eene uitbarsting van blijdschap en smart, van trotschheid en verdriet, en de hemel weet hoeveel meer strijdige aandoeningen.—“Wie heeft u dat gezegd?” zeide Florence.—“Och lieve tijd! Die onnoozele Toots,” antwoordde Suze, zenuwachtig lachende. “Ik wist wel dat het waar moest wezen, liefje, omdat hij zich zoo aanstelde. Hij is een allerbeste, onnoozelste jongen. En zal mijn schat,” vervolgde Suze, hare meesteres omhelzende, en in tranen uitbarstende, “dan waarlijk gaan trouwen!”

De mengeling van medelijden, blijdschap, teederheid, bezorgdheid en spijt, waarmede Suze telkens op dit onderwerp terugkwam, en dan telkens haar hoofd ophief, om het jeugdige gezichtje aan te zien en te kussen, en dan haar hoofd weder op den schouder harer meesteres liet zinken, en haar liefkoosde, was iets zoo hartelijks en aardigs als men ooit in de wereld iets gezien heeft.

“Kom, kom!” zeide de troostende stem van Florence weldra. “Nu zijt ge immers weer bedaard, Suze?”

Zij zat op den grond, aan de voeten harer meesteres, te lachen en te snikken, en hield met de eene hand haar zakdoek voor hare oogen, terwijl zij met de andere Diogenes streelde, die haar gezicht likte. In die houding verklaarde zij dat zij weer bedaard was, en lachte en schreide nog wat meer, ten bewijze daarvan.

“Ik—ik—ik heb nooit zulk een schepsel gezien als die Toots,” zeide Suze, “in al mijn leven niet!”—“Zoo goedaardig,” zeide Florence.—“En zoo comisch!” snikte Suze. “De manier zooals hij zich in de koets bij mij aanstelde, met dien schandaligen Kemphaan op den bok.”—“Wat zeide hij dan, Suze?” vroeg Florence beschroomd.—“Och, hij had het over luitenant Walters en kapitein Gills, en over u, jufvrouw Flore, en het stille graf,” zeide Suze.—“Het stille graf?” herhaalde Florence.—“Hij zegt,” zeide Suze, in een zenuwachtig geschater uitbarstende, “dat hij nu dadelijk daarin zal dalen, heel weltevreden; maar wees gerust, lieve jufvrouw Flore, dat zal hij toch niet, hij is daartoe veel te gelukkig als hij andere menschen gelukkig ziet; hij mag geen Salomon wezen,” vervolgde zij met hare gewone radheid van tong, “en ik zeg ook niet dat hij er een is, maar dat zeg ik, dat er nooit iemand geweest is, die minder eigenlievend was dan hij!”

Daar Suze nog zenuwachtig was, begon zij na het afleggen dezer nadrukkelijke verklaring onmatig te lachen en onderrichtte Florence daarna dat hij beneden wachtte om haar te zien, hetgeen eene rijke belooning voor hem wezen zou voor de moeite, die zijne laatste onderneming hem gekost had.

Florence belastte Suze om Toots als eene gunst te gaan verzoeken, dat zij het genoegen mocht hebben om hem voor zijne goedheid te danken, en weinige oogenblikken later liet Suze den jongen heer binnen, nog zeer slordig in zijn voorkomen en buitengemeen stotterende.

“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots. “Nog eens vergunning te verwerven om—om—om te staren—ten minste, niet te staren maar—ik weet niet recht wat ik wilde zeggen, maar het is van geen beduiden.”—“Ik moet u zoo dikwijls danken,” zeide Florence, hem beide hare handen gevende, terwijl al hare onschuldige dankbaarheid haar uit de oogen straalde, “dat ik geene woorden meer heb, en niet weet hoe ik het doen zal.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, met eene akelig holle stem, “als het mogelijk was dat gij, met uw engelachtig karakter, mij kondt vloeken, zoudt ge mij—als ik het zoo mag uitdrukken—oneindig minder overhoopsmijten, dan door deze onverdiende uitdrukkingen van vriendelijkheid. De werking daarvan op mij—is—maar,” zeide Toots, kort afbrekende, “dat is iets dat nu niet te pas komt, en van geheel geen beduiden.”

Daar het niet mogelijk scheen hierop anders te antwoorden, dan door hem nog eens te bedanken, deed Florence dit nog eens.

“Ik wenschte deze gelegenheid waar te nemen, als ik mocht, jufvrouw Dombey,” zeide Toots, “om een woordje van opheldering te spreken. Ik zou het genoegen gehad hebben om—om al vroeger met Suze terug te komen; maar vooreerst wisten wij niet hoe de bloedverwant heette, bij wien zij in huis was gegaan, en ten tweede was zij al weder van dien bloedverwant vandaan en naar een ander gegaan, die veel verder woonde, zoodat ik haast niet geloof dat het van den Kemphaan, met al zijne schranderheid, te vergen was haar heel gauw te vinden.”

Florence was daarvan overtuigd.