Part 70
Zij dacht niet anders aan hem dan als een broeder, een broeder uit het graf gered, een broeder in eene schipbreuk bewaard gebleven, voor dood gehouden en weder bij haar gekomen, en vloog in zijne armen. In de geheele wereld scheen hij hare hoop, haar troost, hare toevlucht, haar natuurlijke beschermer te zijn. “Draag zorg voor Walter. Ik heb veel van Walter gehouden!” De dierbare herinnering der klagende stem, die dit gezegd had, streelde hare ziel gelijk muziek in den nacht. “O, welkom thuis, lieve Walter! Welkom aan deze gewonde borst!” Zij gevoelde deze woorden, hoewel zij ze niet kon uiten, en hield hem in hare reine omhelzing gesloten.
Kapitein Cuttle beproefde in eene vlaag van ijlhoofdigheid zijn hoofd af te vegen met het zwart gebrande brood aan zijn haak, en toen hij het daarvoor ondienstig vond, stopte hij het in zijn blinkenden hoed, zette toen dien hoed met eenige moeite op, beproefde het begin van Mooie Peggy te zingen, bleef bij het eerste woord steken, en nam de wijk naar den winkel, waaruit hij weldra haastig terugkwam, met een zeer rood en begroezeld gezicht, en al de stijfsel uit zijne boordjes weggeweekt, om de woorden te zeggen:
“Walter, mijn jongen, hier is een klein kapitaaltje, dat ik u zou wenschen over te maken, gansch en gaar.”
Snel haalde hij het groote horloge, de theelepeltjes, de suikertang en het blikken busje voor den dag, legde alles bij elkander op de tafel en streek het met zijne groote hand in Walter’s hoed; maar toen hij deze zonderlinge cassette aan Walter wilde toereiken, werd hij wederom zoodanig door zijne ontroering overmeesterd, dat hij nogmaals naar den winkel moest vluchten en ditmaal langer wegbleef dan de vorige maal.
Maar Walter ging hem opzoeken en bracht hem terug, en toen was des kapiteins grootste vrees, dat Florence nadeel zou hebben van dezen nieuwen schok. Hij was zoo ernstig beducht daarvoor, dat hij op eens bedaard en verstandig werd, en alle verdere toespeling op Walter’s avonturen voor eenige dagen verbood. Hij ontlastte zich nu ook van het stuk gebraden brood in zijn hoed, en zette zich op zijn gemak aan de tafel; maar toen Walter aan den eenen kant zijne hand op zijn schouder legde, en Florence hem aan den anderen hare weemoedige betuigingen van blijdschap in het oor fluisterde, nam de goede kapitein plotseling nogmaals de wijk, en bleef toen eene goede tien minuten weg.
Maar nooit in geheel zijn leven had des kapiteins gezicht zulk een glans gehad, als toen hij eindelijk voor vast aan de theetafel zat, en van Walter naar Florence en van Florence naar Walter keek; en deze glans was geenszins voortgebracht door het geweldig wrijven met zijne mouw, dat zijn gezicht in het laatste half uur had moeten verduren, maar geheel en al een gevolg van zijne innerlijke gemoedsbewegingen. In zijn binnenste heerschten eene opgetogenheid en blijdschap, die zich over geheel zijn gezicht verspreidden en daar als het ware eene illuminatie aanstaken.
De trotschheid, waarmede de kapitein de gebruinde wangen en moedige oogen van zijn wedergevonden Walter beschouwde, waarmede hij het edele vuur zijner jeugd en al zijne innemende en veelbelovende eigenschappen weder zag schitteren in zijne rondborstige manieren en op zijn mannelijk gezicht, moest op zijn eigen gezicht iets van dat licht ontsteken. De bewondering en teederheid, waarmede hij zijne oogen op Florence vestigde, wier schoonheid, bevalligheid en onschuld geen trouwer en ijveriger kampvechter hadden kunnen verwerven dan hem, moesten denzelfden invloed op hem uitoefenen. Maar de volheid van den gloed, dien hij om zich heen verspreidde, kon alleen worden voortgebracht door zijne beschouwing van die twee bij elkander, en door al de gedachten welke die vereeniging moest opwekken, en die hem als een huppelende dans van vroolijke beelden door het hoofd vlogen.
Hoe zij over oom Sam praatten, en zij uitweidden over al de omstandigheden van zijn verdwijnen; hoe hunne vreugde door de afwezigheid des ouden mans en de rampen van Florence werd getemperd; hoe zij Diogenes verlosten, dien de kapitein eenigen tijd vooraf naar boven had gelokt, opdat hij niet weder zou blaffen, begreep de kapitein zeer wel, ofschoon hij op den duur nog eenigszins ontroerd bleef, en meermalen nog eens voor eene korte poos naar den winkel ging. Maar hij droomde evenmin dat Walter Florence thans op eene geheele andere plaats dan voorheen en ver van zich verwijderd zag, en dat, terwijl zijne oogen dikwijls haar bekoorlijk gezichtje zochten, zij toch zelden haar openhartigen blik van zusterlijke genegenheid beantwoordden, maar zich dan van de hare afwendden, als hij geloofde dat het Walter’s geest was, die daar naast hem zat. Hij zag hen daar bij elkander in hunne jeugd en schoonheid, en hij kende de geschiedenis hunner kindsche dagen, en hij had onder zijn groot blauw vest geen duim breedte plaats voor iets anders dan bewondering voor zulk een paar en dankbaarheid dat het weder vereenigd was.
Zoo zaten zij tot het laat werd. De kapitein had wel eene week lang zoo willen blijven zitten. Maar Walter stond eindelijk op om afscheid te nemen.
“Gaat gij heen, Walter?” zeide Florence. “Waar naar toe?”—“Hij heeft vooreerst een logies om den hoek bij Brogley, mijn dametje,” zeide de kapitein. “Hij is binnen beroep, mijn hartediefje.”—“Ik ben de oorzaak, dat gij heengaat, Walter,” zeide Florence. “Er is eene zuster, die geen ander thuis heeft, in uwe plaats gekomen.”—“Lieve jufvrouw Dombey,” antwoordde Walter haperend—“als het niet te vermetel is u zoo te noemen—”—“Walter!” riep zij verwonderd uit.—“Als iets voor mij het geluk kon vergrooten van u te mogen zien en spreken, zou het dan niet de ontdekking zijn, dat ik eenig middel had, om u een oogenblik dienst te bewijzen? Waar zou ik niet naar toe gaan, wat zou ik niet doen, om uwentwil?”
Zij glimlachte en noemde hem broeder.
“Gij zijt zoo veranderd,” zeide Walter.—“Ik veranderd!” viel zij er op in.—“Voor mij,” zeide Walter zacht, alsof hij overluid dacht, “voor mij veranderd. Ik heb u zulk een kind gelaten, en vind u—o, iets geheel anders.”—“Maar toch uwe zuster. Gij hebt immers niet vergeten, wat wij elkander beloofden, toen wij scheidden?”—“Vergeten?” Maar hij zeide niets meer.—“En al hadt gij dat gedaan—al hadden leed en gevaren het u uit de gedachten verdreven—dat zoo niet is—dan zoudt gij het u nu wel herinneren, Walter, nu gij mij arm en verlaten vindt, zonder ergens een thuis te hebben behalve hier, en zonder vrienden behalve de twee, die mij nu hooren spreken.”—“Dat zou ik! De hemel weet, dat zou ik!” zeide Walter.—“O Walter, lieve broeder,” riep Florence door hare snikken en tranen uit. “Wijs mij toch een weg om door de wereld te komen—een nederig pad, waar ik alleen kan wandelen en werkzaam zijn, en somtijds aan u denken als aan iemand, die mij als eene zuster beschermen en liefhebben zal. O, help mij toch, Walter, want ik heb zooveel hulp noodig!”—“Jufvrouw Dombey! Florence! Ik zou willen sterven om u te helpen. Maar uwe betrekkingen zijn grootsch en rijk. Uw vader—”—“Neen, neen, Walter!” gilde zij en stak hare handen op met een schrik, die hem deed verstommen. “Zeg dat woord niet!”
Nooit vergat hij de stem en den blik, waarmede zij hem bij dat woord stuitte. Hij gevoelde, dat hij ze nooit zou kunnen vergeten, al werd hij honderd jaren oud.
Ergens heen—waar dan ook—maar nooit weder naar huis! Alles voorbij, alles weg, alles verloren, alles verwoest! De geheele geschiedenis van het leed en de verwaarloozing, die zij altijd had verzwegen, lag in dien kreet en dien blik; hij gevoelde, dat hij ze nooit kon vergeten, en deed dit ook nooit.
Zij liet haar lief gezichtje op des kapiteins schouder zinken, en verhaalde hoe en waarom zij gevlucht was. Als elke traan, dien zij onder dat verhaal schreide, een vloek geweest was op het hoofd van hem, dien zij nooit noemde of laakte, zou het beter voor hem zijn geweest, dacht Walter met ontzetting, dan uit zulk eene kracht en macht van liefde verstooten te worden.
“Daar nu, mijn juweeltje!” zeide de kapitein, toen zij ophield; en met diepe aandacht had hij naar haar geluisterd, met zijn hoed geheel op zijde en zijn mond wijd open. “Sta vast, sta vast, mijne oogen! Walter, beste jongen, pak u nu voor van avond weg, en laat het liefje maar aan mij over.”
Walter vatte hare hand en bracht ze aan zijne lippen. Hij wist nu, dat zij waarlijk eene zwervende vluchtelinge was; maar voor hem rijker zóó, dan in den glans en de weelde van haar rechtmatigen staat, scheen zij nog verder van hem af te zijn, dan zelfs op de hoogte, die hem in zijne jeugdige droomen had doen duizelen.
Kapitein Cuttle, door geene zoodanige bedenkingen verontrust, bracht Florence naar hare kamer, en kwam van tijd tot tijd de wacht houden op den betooverden grond voor hare deur—want voor hem was die grond waarlijk betooverd—tot hij zich gerust genoeg over haar gevoelde, om onder de toonbank te gaan slapen. Toen hij daartoe zijn post verliet, kon hij niet nalaten nog eens—maar nu met verrukking—door het sleutelgat te roepen; “Verdronken! Niet waar, liefje?” en onder aan de trap nog eens het lied van Mooie Peggy te beproeven. Dit bleef hem, hoe dan ook, weder in de keel steken. Hij ging dus naar bed en droomde dat de oude Sam Gills met jufvrouw MacStinger was getrouwd, en door die dame in eene geheime kamer op kort rantsoen gevangen werd gehouden.
L.
WALTER EN TOOTS.
Er was in het huis, dat den houten adelborst herbergde, een ledig kamertje, dat in vroeger tijd Walter’s slaapkamer was geweest. Walter, die den kapitein des morgens vroeg kwam oproepen, stelde voor, dat zij de beste meubelen uit het achterkamertje daarheen zouden brengen, zoodat Florence, zoodra zij opstond, dit vertrekje in bezit kon nemen. Daar niets kapitein Cuttle aangenamer kon zijn, dan zich voor zoo iets buiten adem te werken, ging hij (gelijk hij zelf zeide) met lust aan den gang, en in een paar uren was dit hokje in eene soort van landkajuit herschapen, versierd met de beste meubelen uit de achterkamer, daaronder zelfs het fregat de Tartaar begrepen, hetwelk de kapitein boven den schoorsteenmantel hing en zoozeer bewonderde, dat hij een half uur lang niets anders doen kon dan het al achteruitstappende te bekijken.
Door geene overreding van Walter liet de kapitein zich bewegen om het groote horloge op te winden of het blikken busje terug te nemen, of de suikertang of de theelepeltjes aan te raken. “Neen, neen, mijn jongen,” was zijn onveranderlijk antwoord op zulk een aanzoek; “ik heb u dat kapitaaltje overgemaakt, gansch en gaar.” Deze woorden sprak hij met groote deftigheid uit, blijkbaar geloovende, dat zij de kracht eener parlementsakte hadden, en dat, als hij zich maar niet compromitteerde door eene nieuwe bekentenis van eigenaarschap, zulk een vorm van overdracht onherroepelijk was.
Het was een voordeel der nieuwe schikking, dat behalve dat Florence meer vrijheid en stilte kreeg, de houten adelborst nu weder op zijn gewonen observatiepost kon geplaatst en de luiken van den winkel afgenomen konden worden; want op den vorigen dag had het gesloten blijven zulk eene bevreemding in de buurt veroorzaakt, dat het huis des instrumentmakers door het publiek met eene buitengemeene mate van aandacht was verwaardigd, en den geheelen dag lang troepen van nieuwsgierige kijkers aan den overkant der straat waren blijven staan. Vooral hadden de straatjongens belang gesteld in het lot des kapiteins, en hadden zij gedurig in den modder liggen kruipen om door de keldertraliën onder het winkelvenster te kijken, hunne verbeelding streelende met den waan, dat zij een stukje van zijne jas konden zien, gelijk hij zich in een hoek had opgehangen; hoewel deze soort van uiteinde door eene andere partij ten sterkste werd tegengesproken, die van gevoelen was, dat hij vermoord (met een hamer doodgeslagen) op de trap lag. Het was dus niet zonder eenig ongenoegen, dat men hem, die het onderwerp dezer geruchten was, des morgens vroeg weder aan zijne deur zag staan, even gezond en frisch alsof er niets gebeurd was; en de Beadle van de wijk, een man van een eerzuchtig karakter, die gedacht had de onderscheiding te zullen hebben om bij het openbreken van de deur te assisteeren, en in volle uniform getuigenis voor den coroner te geven, ging zelfs zoo ver, dat hij tot een overbuurman zeide, dat die kerel met zijn blinkenden hoed het maar niet moest probeeren—zonder nader aan te duiden wat—en verder dat hij, de Beadle, hem in het oog zou houden.
“Kapitein Cuttle,” zeide Walter peinzende, toen zij aan de winkeldeur van hun arbeid stonden uit te rusten, en hij de nog welbekende straat opkeek, “geheel niets van oom Sam in al dien tijd?”—“Niets, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende.—“Mij te gaan opzoeken, die lieve, goede, oude man,” zeide Walter, “en u toch nooit te schrijven! Maar waarom niet? Hij zegt wel in den brief, dien gij mij gegeven hebt,” het pakje uit zijne borst halende, dat in tegenwoordigheid van den helderdenkenden Bunsby was geopend, “dat als gij niet van hem hoort, eer gij dien opent, gij hem voor dood kunt houden. Dat verhoede God! Maar gij zoudt toch van hem gehoord hebben, al was hij dood. De een of ander zou u toch op zijn verlangen geschreven hebben, als hij dat niet kon doen; en gezegd hebben: “dan en dan overleed ten mijnen huize, of onder mijne zorg, mijnheer Samuel Gills, van Londen, die dit laatste verzoek voor u heeft nagelaten.””
De kapitein, die nog nooit op zulk eene heldere hoogte van waarschijnlijkheid was geklommen, was verwonderd over het ruime uitzicht, dat zich daar opende, en antwoordde, nadenkend zijn hoofd schuddende: “Wel gezegd, mijn jongen. Heel wel gezegd.”
“Ik heb daarover gedacht, of ten minste,” zeide Walter blozende, “ik heb over allerlei dingen gedacht, terwijl ik van nacht niet slapen kon, en ik kan niet anders denken, kapitein Cuttle, of mijn oom Sam (God zegen hem!) is nog in leven en zal wel terugkomen. Het verwondert mij niet zoozeer, dat hij is heengegaan, omdat, zonder nog te spreken van die zucht voor het avontuurlijke, waarvan hij altijd iets in zijn karakter had, en van zijne gehechtheid aan mij, waarvoor alle andere dingen bij hem achterstonden, gelijk niemand zoo goed weet als ik, die den besten van alle vaders aan hem had—” Walter’s stem werd hier schor, en hij keek naar den anderen kant de straat op—“zonder daarvan te spreken, zeg ik, heb ik dikwijls gehoord en gelezen van menschen, die, als een dierbaar bloedverwant van hen voor op zee verongelukt werd gehouden, ergens aan de kust gingen wonen, waar men tijding van het vermiste schip kon verwachten, al was het maar een paar uren vroeger dan ergens anders, of er zelfs naar gingen zoeken, op de plaats waarheen het bestemd was, alsof hunne reis iets kon toebrengen om bericht te verschaffen. Ik denk dat ik zelf wel in staat zou zijn om zoo iets te doen. Maar waarom mijn oom u niet schreef, daar hij dit toch zoo duidelijk voornemens was, of dat hij buitenslands zou kunnen sterven, zonder dat gij het door iemand anders te weten zoudt komen, dat is iets dat ik niet begrijp.”
Kapitein Cuttle merkte aan, dat Jack Bunsby zelf het niet begrepen had, en dat hij toch een man was, die degelijk zijn gevoelen wist te zeggen.
“Als mijn oom een loszinnig jongmensch was geweest, die licht door vroolijk gezelschap naar een of ander huis kon gelokt worden, waar men hem om het geld, dat hij bij zich had, van kant wilde helpen,” zeide Walter, “of een woeste matroos, die met twee of drie maanden gage in zijn zak aan land ging, kon ik het begrijpen, dat hij verdween zonder spoor na te laten. Maar van zoo iemand als hij was—en is, hoop ik—kan ik dat niet gelooven.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, hem bekommerd aanziende, “wat denkt gij er dan van?”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, “ik weet niet wat ik er van denken moet,—als het zoo is, dat hij nooit heeft geschreven. Daar is immers geen twijfel aan?”—“Als Sam Gills heeft geschreven, mijn jongen,” zeide de kapitein redeneerend, “waar is dan de brief?”—“Hij kan wel aan iemand zijn medegegeven,” zeide Walter, “en vergeten, of achteloos weggegooid, of verloren zijn. Zelfs dat komt mij waarschijnlijker voor dan de andere mogelijkheid. Kortom, ik kan en wil niet aan die andere mogelijkheid denken, kapitein Cuttle.”—“Hoop, ziet ge wel, Walter,” merkte de kapitein diepzinnig aan. “Hoop. Dat is het wat u doet leven. Hoop is een anker, dat kunt gij in het groote liederboek nazien, mijn jongen. Maar wat baat het mij of ik een anker heb, als ik geen grond kan vinden om het in te laten zakken.”
Kapitein Cuttle zeide dit veeleer in zijn karakter van gezeten burger en voorzichtig winkelier, verplicht om een onervaren jonkman een kruimpje uit zijn schat van wijsheid mede te deelen, dan in zijn eigen persoon. Uit zijne oogen straalde te gelijk de nieuwe hoop, die hij van Walter had opgevangen; en hij besloot zeer gepast met hem op den rug te kloppen en in vervoering uit te roepen: “Hoera, mijn jongen. Ik ben het met u eens.”
Walter beantwoordde dit compliment met een vroolijken lach, en zeide:
“Nu nog maar één woord over mijn oom vooreerst, kapitein Cuttle. Het zal wel voor onmogelijk moeten gehouden worden, dat hij op de gewone manier kan geschreven hebben—met postpakket of schip, verstaat ge—”—“Ja, ja, mijn jongen,” zeide de kapitein goedkeurend.—“En dat die brief niet bij u te recht gekomen is?”—“Wel, Walter,” zeide de kapitein, hem aanziende met eene flauwe poging om barsch te kijken; “ben ik niet dag en nacht op den uitkijk geweest naar dien man van wetenschap, Sam Gills, uw oom, zoolang als ik hem verloren heb? Is mijn hart niet altijd zwaar geweest over hem en u? Ben ik niet slapend en wakend op mijn post gebleven, en zou ik mij niet geschaamd hebben om er van af te loopen zoolang deze adelborst boven water bleef?”—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, hem bij de hand vattende, “dat weet ik wel, en ik weet wel hoe trouw en ernstig alles is, dat gij zegt en doet. Daar ben ik zeker van. Gij twijfelt niet, of ik ben daar zoo zeker van, als dat ik mijn voet weder op dezen drempel heb, of dat ik deze trouwe hand weder vasthoud. Daar twijfelt gij immers niet aan?”—“Neen, neen, Walter,” zeide de kapitein met een geheel opgehelderd gezicht.—“Ik zal geene gissingen meer wagen,” hervatte Walter, de harde hand des kapiteins schuddende. “Al wat ik er nog wil bijvoegen is, de hemel verhoede, dat ik het eigendom van mijn oom zou aanraken, kapitein Cuttle. Al wat hij hier gelaten heeft, zal hier blijven in bewaring van den trouwsten rentmeester en den braafsten man—en als zijn naam niet Cuttle is, heeft hij geen naam. En nu, beste vriend, over—jufvrouw Dombey.”
Er was eene verandering in Walter’s uitzicht en toon, toen hij aan deze twee woorden kwam; en toen hij ze had uitgesproken, schenen alle zelfvertrouwen en blijmoedigheid hem verlaten te hebben.
“Ik dacht eerst,” zeide Walter, “dat wij maar één harden plicht konden hebben, namelijk, haar te overreden, om hare betrekkingen kennis te geven waar zij was, en weder naar huis te gaan.”
De kapitein mompelde een flauw “sta vast!” of “hou vast!” of iets dat evenzeer te pas kwam; maar door de verslagenheid, waarmede dit bericht hem vervulde, klonk het zoo flauw, dat men er naar moest raden wat hij zeide.
“Maar,” zeide Walter, “dat is afgedaan. Ik denk nu zoo niet meer. Ik zou liever weder op dat stuk hout gezet worden, waarop ik na mijne redding zoo dikwijls in mijne droomen heb gedreven, en daarmee blijven rondzwalken tot ik stierf.”—“Hoera! mijn jongen,” riep de kapitein, met eene uitbarsting van onbedwingbare blijdschap. “Hoera! Hoera! Hoera!”—“Te denken dat zij, zoo jong, zoo goed, zoo schoon,” zeide Walter, “zoo teeder opgebracht en tot zulk een geheel ander lot geboren, met de ruwe wereld zou moeten worstelen! Maar wij hebben den afgrond gezien, die haar van alles afsnijdt wat achter haar is, schoon niemand dan zij zelve alleen kan weten hoe diep die is; en zij kan niet terug.”
Kapitein Cuttle, zonder dit geheel te begrijpen, keurde het toch ten hoogste goed, en merkte met nadruk aan, dat de wind vlak van achteren was.
“Maar zij behoort hier niet alleen te blijven; moet zij wel, kapitein Cuttle?” zeide Walter bekommerd.—“Wel, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, na zich eens te hebben bedacht, “dat weet ik niet. Daar gij hier zijt om haar gezelschap te houden, en gij te zamen—”—“Beste kapitein Cuttle,” bracht Walter hiertegen in, “juist omdat ik hier ben. Jufvrouw Dombey houdt mij in haar onschuldig hart voor haar aangenomen broeder; maar hoe listig en slecht zou mijn hart wezen, als ik veinsde te gelooven eenig recht te hebben om onder dien naam gemeenzaam met haar om te gaan—als ik veinsde te vergeten, dat ik als man van eer verplicht ben dat niet te doen.”—“Walter, mijn jongen,” begon de kapitein, eenigszins van zijne verslagenheid bekomende, “is er dan geen andere naam, waar—”—“O!” viel Walter er op in, “zoudt gij mij hare achting willen doen verbeuren en mij voor altijd uit hare oogen verbannen, door eene poging om er voordeel uit te trekken, dat zij hier zoo vertrouwelijk eene schuilplaats heeft gezocht, eene poging om misbruik van hare omstandigheden te maken, en van een broeder een minnaar te worden! Wat zeg ik? Er is niemand in de wereld, die mij dit eerder zou willen beletten dan gij, als ik tot zoo iets in staat was.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, wederom in zijne neerslachtigheid verzinkende, “als er wettige redenen van verhindering zijn waarom twee personen niet zouden worden samengevoegd in de banden van den echtelijken staat, zooals gij dat kunt nalezen en aanteekenen, dan hoop ik, dat ik er rond voor uit zou komen, zooals in de geboden wordt beloofd en gezworen. Dus is er geen andere naam, mijn jongen?”
Walter wuifde ontkennend met zijne hand.
“Wel, mijn jongen,” bromde de kapitein zeer langzaam, “ik wil niet ontkennen of dat valt mij geweldig tegen, en ik weet er niets meer op. Maar wat ons dametje betreft, Walter, moet gij wel weten, zooveel achting en eerbied als iemand haar verplicht is, reken ik mij ook aan haar verplicht, en daarom zal ik denzelfden koers houden als gij, en twijfel ik niet of gij doet er wel aan. En er is dus geen andere naam?” zeide de kapitein, met een zeer betrokken gezicht over de ruïne van zijn ingestort luchtkasteel mijmerend.—“Neen, kapitein Cuttle,” zeide Walter; met een vroolijker gezicht tot een ander onderwerp overgaande, om den kapitein op te beuren, hetgeen hem echter toch niet gelukte, “mij dunkt, wij moesten moeite doen om iemand te vinden, die jufvrouw Dombey gezelschap kan houden en bedienen zoolang zij hier blijft, en die wij kunnen vertrouwen. Dat kunnen wij niemand van hare familie. Het is duidelijk dat jufvrouw Dombey gelooft, dat zij allen haar vader naar de oogen zien. Waar is Suze gebleven?”—“Dat meisje?” antwoordde de kapitein. “Ik geloof dat zij zeer tegen den zin van hartediefje is weggestuurd. Ik heb eens naar haar gevischt toen ons dametje pas hier kwam, en zij prees haar tot aan de wolken en zeide dat zij al langen tijd van haar af was.”—“Vraag jufvrouw Dombey dan waar zij naar toe is,” zeide Walter, “en wij zullen ons best doen om haar te vinden. Het wordt al wat laat, en jufvrouw Dombey zal welhaast opstaan. Gij zijt haar beste vriend. Wacht boven naar haar, en laat mij voor alles beneden zorgen.”
De kapitein herhaalde den zucht, waarmede Walter dit zeide, en gehoorzaamde. Florence was verheugd over hare nieuwe kamer, verlangend om Walter te zien, en opgetogen over het vooruitzicht om hare oude vriendin Suze weder bij zich te krijgen. Maar zij kon niet zeggen waar Suze naar toe was gegaan, behalve dat het ergens in Essex moest wezen, en dat niemand het zeggen kon, of het moest, bedacht zij zich, mijnheer Toots wezen.