Dombey en Zoon

Part 69

Chapter 693,992 wordsPublic domain

Het herhalen van deze vraag was wel eene zonderlinge bron van troost, maar scheen dit toch werkelijk voor den kapitein te zijn, want hij kwam er telkens op terug. Florence schoof eindelijk haar bijna ongeproefden maaltijd van zich af, liet zich op de sofa neerzinken, en reikte hem haar handje toe, met spijt gevoelende, dat zij hem had te leur gesteld, hoewel zij hem gaarne voor al zijne moeite eenig genoegen had willen geven; hij hield echter dat handje vast, zonder, naar het scheen, om den maaltijd of haar gebrek aan eetlust te denken, en bleef maar bij tusschenpoozen, op een peinzend medelijdenden toon, brommen: “Arme Walter. Ja, ja, verdronken. Niet waar?” En telkens wachtte hij op haar antwoord, waarom het hem bij deze zonderlinge bespiegelingen vooral scheen te doen te zijn.

Het hoentje en de saucijzen waren koud geworden, en de saus was gestold, eer de kapitein zich herinnerde, dat alles nog op tafel stond; maar toen viel hij er ook met behulp van Diogenes op aan, en hunne vereenigde pogingen deden den voorraad spoedig verdwijnen. Des kapiteins verwondering en genoegen over Florence’s stille handigheid, toen zij hem hielp om de tafel af te nemen, het kamertje op te ruimen, en den haard aan te vegen—alleen geëvenredigd door het ijverige van zijn protest toen zij hem begon te helpen—werden eindelijk zoo groot, dat hij zelf niets meer kon doen, maar naar haar bleef staan kijken, alsof zij eene Fee was, die met bovennatuurlijke vlugheid deze diensten voor hem verrichtte; de roode streep op zijn voorhoofd gloeide van opgetogenheid.

Maar toen Florence zijne pijp van den schoorsteenmantel nam en hem toereikte, met dringend verzoek om te gaan rooken, werd de goede kapitein zoo verlegen met hare beleefdheid, dat hij met zijne pijp bleef staan, alsof hij nog nooit in zijn leven eene pijp in de hand had gehad. Toen Florence in de kast ging zoeken, de flesch er uitnam, ongevraagd een onverbeterlijk glas grog voor hem gereedmaakte en dit voor hem zette, werd zijn roode neus bleek, zoo gestreeld en vereerd gevoelde hij zich. Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan—daar de kapitein haar dit niet kon of wilde beletten—en toen hare plaats op de oude sofa hernemende, bleef zij hem zitten aanzien met een lachje zoo dankbaar en liefdevol, een lachje, dat zoo duidelijk toonde hoe haar eenzaam hart zich aan hem hechtte, dat de kapitein den rook van zijne pijp in de keel en in de oogen kreeg, zoodat hij moest hoesten en de tranen hem over de wangen rolden.

De manier, waarop de kapitein het wilde doen voorkomen alsof de oorzaak dier verschijnselen in de pijp zelve verborgen lag, en in den kop daarnaar keek, en toen hij ze daar niet vond, ze uit den steel wilde blazen, was alleraardigst. Daar de pijp spoedig in beteren staat kwam, nam de kapitein weldra weder de rustige kalmte aan die den goeden rooker past; maar hij bleef toch strak naar Florence zitten staren, en blies nu en dan, met eene innige vergenoegdheid, waarvan geene woorden een denkbeeld kunnen geven, eene rookwolk uit, alsof het een uit zijn mond komend lint was, waarop de woorden te lezen waren: “Arme Walter. Ja, ja. Verdronken. Niet waar?”

Hoeveel zij ook naar het uitwendige van elkander verschilden—en er kon bijna geen grooter contrast bestaan, dan tusschen Florence, in hare teedere jeugd en schoonheid, en kapitein Cuttle, met zijn knobbelig gezicht, zijne forsche gestalte en zijne grove stem—in eenvoudigheid, onschuld en onkunde van de wereld met hare behoeften en gevaren, stonden zij bijna met elkander gelijk. Geen kind had kapitein Cuttle kunnen overtreffen in onervarenheid in alles behalve wind en weder, in eenvoudigheid, lichtgeloovigheid en edelmoedig vertrouwen. Geloof, hoop en liefde vervulden geheel zijn gemoed. Eene zonderlinge neiging tot het romaneske, waarbij hij zijne verbeelding geheel vrij spel liet, en aan geene werkelijkheid of mogelijkheid dacht, was het eenig nog bijkomend inmengsel van zijn karakter. Terwijl hij daar zat te rooken en Florence aan te staren, mag de hemel weten welke onmogelijke tafereelen, waarin zij de hoofdpersoon was, hem voor den geest kwamen. Even nevelachtig en onbestemd, hoewel niet zoo vol hoop, waren hare eigene gedachten van het leven, dat voor haar lag; en evenals hare tranen prismatische kleuren veroorzaakten in het licht waarnaar zij tuurde, zoo zag zij door haar nieuw en drukkend leed reeds een flauwen regenboog veraf in de lucht pralen. Eene verdwaalde prinses en een goedaardig monster in een sprookje hadden eveneens bij den haard kunnen zitten, en evenzoo denken en spreken als kapitein Cuttle en de arme Florence deden.

De kapitein werd niet ontrust door het flauwste denkbeeld van eenig bezwaar om Florence bij zich te houden, of van eenige verantwoordelijkheid, die hij daardoor op zich laadde. Toen hij de luiken voorgezet en de deur gesloten had, was hij in dit opzicht volkomen gerust. Al was zij eene pupil van de Kanselarij geweest, dit zou voor kapitein Cuttle geheel geen verschil gemaakt hebben. Hij was de allerlaatste mensch op de wereld om zich door zulke bezwaren te laten kwellen.

Zoo bleef de kapitein gerust zijne pijp zitten rooken, en mijmerden Florence en hij op hunne eigene manier voort. Toen de pijp uit was, werd er thee gedronken, en daarna verzocht Florence hem om haar naar een winkel in de buurt te brengen, waar zij eenige dingen kon koopen, die zij terstond noodig had. Daar het geheel donker was, bewilligde de kapitein hierin; maar hij keek toch eerst voorzichtig uit, gelijk hij gewoon was te doen in den tijd toen hij zich voor jufvrouw MacStinger schuilhield, en wapende zich met zijn dikken stok, voor het geval, dat onverwachte omstandigheden een beroep op de wapenen noodzakelijk maakten.

De hoogmoed dien kapitein Cuttle gevoelde, toen hij Florence zijn arm gaf en haar twee- of driehonderd voetstappen ver geleidde, waarbij hij door zijne groote waakzaamheid en voorzichtigheid de aandacht van alle voorbijgangers trok, was buitengemeen. Aan den winkel gekomen, begreep de kapitein, dat de kieschheid hem gebood zich te verwijderen, terwijl het benoodigde gekocht werd, dewijl dit uit voorwerpen van kleeding bestond; maar vooraf zette hij zijn blikken busje op de toonbank, en het winkeljuffertje onderricht hebbende, dat het veertien pond en twee schellingen bevatte, verzocht hij haar om, in geval die som niet toereikend genoeg was om de uitrusting van zijn nichtje te bestrijden—bij het woord “nichtje” wierp hij Florence een veelbeteekenenden blik toe, vergezeld met eene pantomime, die schranderheid en stilzwijgendheid moest uitdrukken,—dan maar zoo goed te zijn om hem te praaien, en hij zou het tekort uit zijn zak er bij leggen. Terloops zijn reusachtig horloge raadplegende, als een middel om groote gedachten van zijn vermogen te doen opvatten, groette de kapitein zijn nichtje door zijn haak te kussen, en ging buiten de deur, waar het aardig was zijn breed gezicht nu en dan door het venster tusschen de uitgestalde zijden en linten te zien binnenkijken, blijkbaar angstig, dat Florence door eene achterdeur was ontvoerd.

“Lieve kapitein Cuttle,” zeide Florence, toen zij naar buiten kwam met een pakje, waarvan de grootte den kapitein zeer te leur stelde, daar hij verwacht had haar door een kruier met eene geheele baal goederen te zien volgen, “ik heb dit geld waarlijk niet noodig. Ik heb er niets van uitgegeven. Ik heb zelf geld.”

“Mijn dametje,” antwoordde de teleurgestelde kapitein, recht voor zich de straat opkijkende. “Bewaar het dan voor mij, als ge zoo goed wilt zijn, tot ik er u naar vraag.”—“Mag ik het weer op zijne gewone plaats bergen,” zeide Florence, “en het daar bewaren?”

De kapitein was lang niet blijde met dit voorstel, maar hij antwoordde toch: “Ja, ja, plaats het waar gij wilt, mijn dametje, als gij maar weet waar gij het kunt vinden. Voor mij is het van geen nut,” zeide de kapitein. “Ik ben verwonderd, dat ik het al niet lang heb weggegooid.”

De kapitein was voor een oogenblik geheel verslagen, maar de eerste aanraking van Florence’s arm deed hem weder herleven, en zij keerden terug met dezelfde voorzorgen waarmede zij gekomen waren. Op de stoep gekomen, deed de kapitein de deur open en schoot er toen binnen, met eene vaart en behendigheid, die alleen groote oefening hem kon geleerd hebben. Terwijl Florence des morgens lag te sluimeren, had hij de dochter van eene oude vrouw, die gewoonlijk op de Leadenhall-Markt onder eene blauwe paraplu met gevogelte te koop zat, aangenomen om hare kamer te komen in orde brengen en haar de noodige kleine diensten te bewijzen; en daar dit meisje nu verscheen, vond Florence alles om haar heen even goed in orde en geriefelijk, schoon niet zoo prachtig, als in het akelige spookkasteel, waar zij eens thuis heette te zijn.

Toen zij weder alleen waren, drong de kapitein haar om een sneedje brood te eten en een glaasje kruidenwijn te drinken (dien hij heerlijk wist gereed te maken); en haar vervolgens bemoedigende met alle vriendelijke woorden en wonderlijke aanhalingen, die hij maar bedenken kon, bracht hij haar naar boven. Maar hij had toen nog iets op het gemoed en was blijkbaar niet rustig.

“Goeden nacht, lief hartje,” zeide kapitein Cuttle aan hare kamerdeur.

Florence hief haar hoofdje op en gaf hem een kus.

Op een anderen tijd zou de kapitein door zulk een blijk van hare genegenheid en dankbaarheid geheel over staag zijn gesmeten; maar nu, hoewel hij zeer gevoelig er voor was, zag hij haar aan met zelfs nog meer onrust dan hij te voren had laten blijken, en scheen ongezind om haar te verlaten.

“Arme Walter!” zeide de kapitein.—“Arme, arme Walter!” zuchtte Florence.—“Verdronken, niet waar?” zeide de kapitein.

Florence schudde haar hoofd en zuchtte.

“Goeden nacht, mijn dametje,” zeide de kapitein, zijne hand toestekende.—“God zegen u, goede, lieve vriend!”

Maar de kapitein bleef nog dralen.

“Scheelt er iets aan, beste kapitein Cuttle?” zeide Florence, die zich licht ongerust maakte. “Hebt gij mij iets te zeggen?”—“U iets te zeggen, mijn dametje!” antwoordde de kapitein, haar zeer verlegen in de oogen ziende. “Neen, wat zou ik u te zeggen hebben, liefje? Gij denkt toch niet, dat ik iets goeds te zeggen heb, niet waar?”—“Neen,” zeide Florence en schudde haar hoofd.—“Arme Walter!” zeide de kapitein. “Mijn Walter, zooals ik hem placht te noemen! Oude Sam zijn neef! welkom voor ieder, die u kende, gelijk de bloemen in Mei! Waar zijt ge nu, brave jongen? Verdronken, niet waar?”

Zijne alleenspraak met deze plotselinge vraag aan Florence besluitende, wenschte de kapitein haar goedennacht en ging de trap af, terwijl zij met de kaars bovenaan bleef staan om hem te lichten. Hij verdween in de duisternis, en naar het geluid zijner voetstappen te rekenen zou hij juist het achterkamertje binnengaan, toen zijn hoofd en schouders eensklaps weder zichtbaar werden, alsof zij uit de diepte opdoken, maar het scheen met geen ander doel dan om nog eens te herhalen: “Verdronken, niet waar, liefje?” Want toen hij dit op een toon van teeder medelijden gezegd had, verdween hij voor goed.

Het speet Florence zeer, dat zij onwillekeurig, hoewel natuurlijk, deze herinnering bij haar beschermer had doen ontwaken; en zich bij het tafeltje zettende, waarop de kapitein den verrekijker, het liederboekje en die andere rariteiten had neergelegd, bleef zij aan Walter en alles wat er met hem in verband stond denken, tot zij bijna had kunnen wenschen zich maar te bed te leggen om te kunnen sterven. Maar onder haar eenzaam smachten naar de dooden, die zij had liefgehad, kwam geene gedachte aan haar vaderlijk huis—geene mogelijkheid om daarheen terug te keeren—geen denkbeeld, dat het nog bestond en dat daar haar vader woonde—in haar gemoed op. Zij had hem zien vermoorden. In de laatste natuurlijke gedaante, waarmede zij hem door zooveel heen was blijven liefhebben, was hij uit haar hart gerukt en vermoord. De gedachte was haar zoo ontzettend, dat zij hare oogen bedekte en bevend terugdeinsde bij de minste herinnering aan de daad of aan de hand, die ze bedreven had. Als haar teeder hart daarna nog zijn beeld had kunnen bewaren, had het moeten breken; maar dat kon het niet doen, en de ledige plaats was aangevuld door een woesten angst voor een enkelen blik op de verminkte brokken van dat beeld—een angst, die alleen uit de diepte van zulk eene liefde, zoo mishandeld, kon oprijzen.

Zij durfde niet in den spiegel zien; want het gezicht der wankleurige plek op hare borst deed haar voor zich zelve schamen, alsof zij een teeken van goddeloosheid met zich omdroeg. Zij bedekte het met eene haastige, bevende hand, in het donker, en legde haar vermoeid hoofd neder en schreide.

De kapitein ging nog in langen tijd niet naar bed. Hij bleef nog een vol uur in den winkel en het achterkamertje op en neer wandelen, en toen hij door die lichaamsbeweging tot bedaren scheen te zijn gekomen, ging hij met een ernstig peinzend gezicht zitten en las in het gebedenboek de gebeden, bestemd ten gebruike op zee. Dit ging niet gemakkelijk, want de kapitein was een langzaam en stroef lezer, en hield bij een moeielijk woord dikwijls op om zich zelven aan te moedigen met een: “Komaan, jongen, frisch aangepakt!” of “Sta vast, Edward Cuttle, sta vast!” hetgeen veel scheen te baten om hem over een bezwaar heen te helpen. Bovendien hinderde zijn bril hem zeer in het zien. Maar, in spijt van deze belemmeringen, las de kapitein, daar hij het ernstig meende, de formulieren tot den laatsten regel toe, en dat met waar gevoel. Toen zeer voldaan over het gelezene, begaf hij zich onder de toonbank te rust (maar niet voordat hij nog eens naar boven was gegaan en aan Florence’s deur had geluisterd) en viel met een verruimd hart en een genoeglijk gezicht in slaap.

In den loop van den nacht stond de kapitein verscheidene malen op om zich te verzekeren of Florence gerust sliep; en eens, toen de dag aanbrak, bevond hij, dat zij wakker was, want toen zij zijn voetstap hoorde, riep zij om te weten of hij het was.

“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein met een brommend gefluister. “Zijt gij geheel en al wel, mijn dametje?”

Florence bedankte hem en antwoordde van ja.

Nu kon de kapitein de gunstige gelegenheid niet verzuimen om zijn mond voor het sleutelgat te houden en daardoor heen, alsof er een schorre wind door woei, te roepen: “Arme Walter! Verdronken, niet waar?” Waarna hij weder naar bed ging en tot zeven uur bleef slapen.

Ook den geheelen dag was hij niet vrij van die zonderlinge gejaagdheid en verlegenheid; hoewel Florence, die in het achterkamertje zat te naaien, kalmer en rustiger was dan den vorigen dag. Bijna telkens wanneer zij hare oogen van haar werk opsloeg, bemerkte zij, dat de kapitein haar aanzag en peinzend zijne kin wreef; en zoo dikwijls schoof hij met zijn leuningstoel naar haar toe, alsof hij iets zeer vertrouwelijks wilde zeggen, en schoof hij dan ook weder achteruit, als wist hij niet daaraan te beginnen, dat hij in den loop van den dag het geheele kamertje aldus doorkruiste, en meer dan eens tegen het beschot of de kastdeur op het strand raakte.

Het was niet voor schemeravond, dat kapitein Cuttle voor goed zijn anker liet vallen, en eindelijk, dicht naast Florence gezeten, geregeld begon te praten. Maar op dien tijd, toen het vuur de muren en de zoldering verlichtte en haar kalm gezichtje bescheen, dat naar de vlam was gekeerd, en in de tranen flikkerde, die hare oogen vulden, verbrak de kapitein aldus zijn langdurig stilzwijgen:

“Gij zijt wel nooit op zee geweest, mijn hartje?”—“Neen,” antwoordde Florence.—“Ja,” hernam de kapitein met eerbied, “het is een almachtig element. Er zijn wonderen in de diepte, mijn liefje. Denk eens aan, als de winden loeien en de golven bulderen. Denk eens aan, als het in stormige nachten zoo pikdonker is,” zeide de kapitein, plechtig zijn haak ophoudende, “dat men geen hand voor oogen zien kan, behalve als een bliksemstraal ze zichtbaar maakt; en als gij daar door storm en duisternis voortdrijft, alsof gij zoo zoudt blijven voortdrijven van eeuwigheid tot eeuwigheid, amen, en als gij dat vindt, zet er dan een streepje bij. Dat is een tijd, mijn dametje, dat iemand tegen zijn kameraad mag zeggen: “Een stijve noordwester, Bill; luister, hoort ge hem niet loeien! Och, Heere, hoe beklaag ik alle ongelukkigen, die nu aan land zitten!”” Welke aanhaling, als bijzonder toepasselijk op de verschrikkingen der zee, de kapitein met een nadrukkelijk “Sta vast!” besloot.—“Zijt gij ooit in zulk een vreeselijken storm geweest?” vroeg Florence.—“Wel ja, mijn dametje, ik heb ook mijn deel van slecht weer gehad,” antwoordde de kapitein, met eene bevende hand zijn hoofd afvegende, “ik ben ook genoeg rondgeslingerd. Maar—maar het is niet van mij zelven, dat ik wenschte te spreken. Onze beste jongen,” dichter bij haar schuivende, “Walter, liefje, die verdronken is.”

De kapitein sprak met zulk eene bevende stem, en zag Florence met zulk een bleek en ontroerd gezicht aan, dat zij verschrikt zijne hand vatte.

“Uw gezicht is in een oogenblik zoo veranderd,” riep zij uit. “Wat is er? Lieve kapitein Cuttle, ik word er koud van, dat ik u zoo zie!”—“Word maar niet bang, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Neen, neen. Alles is wel, alles is wel, mijn liefje. Zooals ik zeide—Walter—hij is—hij is verdronken. Is hij niet?”

Florence zag hem strak aan, werd beurtelings rood en bleek en legde hare hand op hare borst.

“Er zijn gevaren op de diepte, mijn hartje,” zeide de kapitein, “en over menig goed schip en menig moedig hart hebben de golven zich gesloten, en er nooit een woord van gezegd. Maar er zijn ook uitkomsten op de diepte, en somtijds wordt één man van de twintig—ja, misschien één van de honderd, mijn liefje—door Gods genade gered, en komt hij nog thuis, als men hem al lang voor dood heeft gehouden en verteld dat allen verdronken waren. Ik—ik weet eene historie, hartediefje,” stotterde de kapitein, “eene historie van die soort, die mij eens verteld is; en nu ik daaraan denk, en zoo alleen met u bij het vuur zit, zoudt ge ze misschien wel eens willen hooren. Zoudt ge, liefje?”

Florence, bevende van eene ontroering, die zij niet begreep of kon bedwingen, volgde onwillekeurig zijne oogen, die achter haar om naar den winkel dwaalden, waar eene lamp brandde. Zoodra zij haar hoofd omdraaide, sprong de kapitein van zijn stoel op en hield zijne hand voor haar.

“Daar is niets, mijn juweeltje,” zeide de kapitein. “Kijk daar niet!”—“Waarom niet?” vroeg Florence.

De kapitein mompelde iets dat het daar somber en het vuur vroolijk was. Hij stiet de deur, die tot nog toe had opengestaan, half toe, en zette zich weder. Florence volgde hem met hare oogen en zag hem strak aan.

“De historie was van een schip, mijn dametje,” begon de kapitein, “dat met goeden wind en mooi weer de haven van Londen was uitgezeild, bestemd—ontstel maar niet, mijn dametje—het was maar naar ik weet niet waar bestemd.”

De uitdrukking van Florence’s gezichtje ontrustte den kapitein, die zelf zeer rood en heet was, en weinig minder ontroering liet blijken dan zij.

“Zal ik voortgaan, liefje?” zeide de kapitein.—“Ja, ja, bid ik u!” riep Florence uit.

De kapitein scheen iets, dat hem in de keel stak, met geweld door te zwelgen, en vervolgde zeer zenuwachtig:

“Dat ongelukkige schip kreeg op zee zulk een slecht weer, mijn liefje, als men in twintig jaar niet beleeft. Er woei aan land een orkaan, die bosschen uitroeide en steden verwoestte, en op zee had men op die breedte een storm, waarin het sterkste schip het niet kon uithouden. Dag aan dag hield dat ongelukkige schip zich evenwel goed, heeft men mij verteld, maar op eens werd bijna de geheele verschansing weggeslagen, en gingen de masten overboord en brak het roer af, en werden de beste matrozen overboord gespoeld, en zoo was het aan de genade van den storm overgelaten, die geene genade had, maar al harder en harder opstak, en telkens als de golven er op kwamen neerdonderen, kraakten zij het goede schip als een notedop. Ieder zwart plekje in elken waterberg, die wegrolde, was een stuk van het schip of een levend mensch, en zoo ging het geheel aan stukken, liefje, en geen gras zal er ooit groeien op de graven van hen die het bevoeren.”—“Zij verongelukten toch niet allen!” riep Florence. “Sommigen werden toch gered! Werd er iemand gered?”—“Aan boord van dat ongelukkige schip,” zeide de kapitein, van zijn stoel opstaande en zijne vuist met verbazende kracht dichtklemmende, “was een knaap, een moedige knaap—zooals ik heb hooren vertellen—die, toen hij nog een kleine jongen was, altijd gaarne van moedige daden bij schipbreuken had gelezen en gepraat—ik heb hem gehoord, zelf gehoord!—en hij dacht weder daarom in het uur van nood; want toen de stoutste harten en oudste handen slap werden, bleef hij standvastig en onverschrokken. Het was niet uit gebrek aan menschen om lief te hebben aan land, dat hij zooveel moed had, het was zijn natuurlijk karakter zoo. Ik heb het in zijn gezicht gezien, toen hij nog niet meer dan een kind was—ja, dikwijls!—en toen ik dacht dat het niets anders was dan zijn gezond uitzicht, zegen hem!”—“En werd hij gered?” riep Florence uit. “Werd hij gered?”—“Die brave jongen,” zeide de kapitein. “Zie mij aan, liefje. Kijk niet om—”

Florence had nauwelijks de kracht om nog eens te vragen: “Waarom niet?”—“Omdat daar niets te zien is, hartje,” zeide de kapitein, “Maak u niet angstig, liefje! Doe dat niet—om Walter’s wil, van wien wij allen zooveel hielden! Die knaap,” vervolgde de kapitein, “nadat hij met de besten had gewerkt, en de flauwhartigen had bijgestaan, en geen teeken van vrees gegeven, en bij al de anderen een ijver had wakker gehouden, die hem zooveel eer aandeed alsof hij een admiraal was geweest—die knaap en de tweede stuurman en een matroos waren de eenigen die overbleven van al de kloppende harten, die op dat schip geweest waren. Zij hadden zich op een stuk van het wrak vastgebonden en dreven zoo op de stormige zee”—“Werden zij gered!” riep Florence.—“Dagen en nachten dreven zij op het eindelooze water,” zeide de kapitein, “tot eindelijk—neen, kijk niet naar dien kant, liefje!—een zeil op hen aankwam, en zij door Gods genade aan boord werden genomen—twee levend, en een dood.”—“Wie van hen was dood?” riep Florence.—“Niet de knaap, waarvan ik spreek,” zeide de kapitein.—“Goddank! O, Goddank!”—“Amen!” zeide de kapitein haastig. “Maak u niet benauwd. Nog eene minuut, mijn dametje—moed gehouden! Aan boord van dat schip deden zij eene lange reis dwars over de kaart (want zij deden geene haven aan) en op die reis stierf de matroos, die met hem was opgenomen. Maar hij bleef bewaard, en—”

Zonder te weten wat hij deed, had de kapitein eene snee brood gesneden en aan zijn haak gestoken (zijne gewone vork om brood aan te roosteren), die hij nu, terwijl hij met een gezicht vol ontroering achter Florence omkeek, zoo dicht voor het vuur hield, dat het brood tot kool brandde.

“Bleef bewaard,” herhaalde Florence, “en?”—“En kwam met dat schip thuis,” zeide de kapitein, nog in dezelfde richting kijkende, “en—schrik niet, liefje!—aan land; en op een ochtend kwam hij voorzichtig voor zijne eigene deur om observatie te doen, wel wetende dat zijne vrienden hem voor verdronken zouden houden, toen hij zich verwonderde over het onverwachte—”—“Over het onverwachte blaffen van een hond?” riep Florence haastig.—“Ja!” barstte de kapitein uit. “Sta vast liefje! Moed gehouden! Kijk nog niet om. Zie daar—op den muur!”

Op den muur dicht bij haar viel de schaduw van een man. Zij sprong op, keerde zich om en gaf een schellen gil toen zij Walter Gay achter haar zag staan.