Dombey en Zoon

Part 68

Chapter 684,069 wordsPublic domain

Het was er reeds zeer zindelijk, en daar de kapitein van orde en netheid hield, veranderde hij het eenvoudige bed in eene soort van sofa, door er eene witte draperie over heen te hangen. Op eene dergelijke manier veranderde hij het waschtafeltje in een soort van altaar, waarop hij twee zilveren theelepeltjes, een bloempot, een verrekijker, zijn vermaard horloge, een zakkammetje en een liederboekje uitstalde, als eene verzameling van rariteiten om het oog aangenaam bezig te houden. Nadat hij het venster had verdonkerd en de lapjes tapijt op den grond te recht gelegd, overzag de kapitein deze toebereidselen nog eens met innig welbehagen, en ging toen weder naar het achterkamertje om Florence naar haar slaapsalet te brengen.

Niets kon den kapitein doen gelooven, dat het Florence mogelijk was zelve naar boven te gaan; en al had hij dat denkbeeld in het hoofd kunnen krijgen, dan zou hij het toch voor eene gruwelijke schennis der gastvrijheid hebben gehouden, als hij haar dit had laten doen. Florence was te zwak om zich daartegen te verzetten, en zoo droeg de kapitein haar naar boven, legde haar daar neer en dekte haar met eene duffelsche jas toe.

“Mijn dametje,” zeide de kapitein, “ge zijt hier zoo veilig, alsof gij op den top van de St.-Paulskerk waart, met de ladder weggenomen. Slaap is wat gij vóór alle dingen noodig hebt, en als gij dien balsem voor de ziel hebt gebruikt, zult gij er weer frisch uitzien. Als gij iets noodig hebt, mijn hartediefje, dat dit nederige huis of de stad kan aanbieden, zeg het maar aan Edward Cuttle, die telkens hier buiten voor de deur zal komen, en de man zal beven van blijdschap.” De kapitein besloot door met de galanterie van een ouden dolenden ridder de hand te kussen, die Florence hem toereikte, en ging op de teenen de kamer uit.

Wederom in het achterkamertje gekomen, besloot kapitein Cuttle, na haastig met zich zelven te rade te zijn gegaan, de straatdeur even te openen en zich te verzekeren, dat daar nu in allen gevalle niemand stond te dralen. Hij deed dus de deur open, stapte op de stoep en keek door zijn bril de geheele straat langs.

“Hoe vaart ge, kapitein Gills?” zeide eene stem naast hem. En toen hij omkeek, zag de kapitein dat hij, terwijl hij naar den gezichteinder tuurde, door Toots aan boord was geklampt.—“Hoe maakt gij het, mijn jongen?” zeide de kapitein.—“Tamelijk wel, dank je, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij weet wel dat ik nooit ben wat ik wel wenschen zou, en dat ook nooit weer denk te worden.”

In gesprek met kapitein Cuttle kwam Toots, uit hoofde van het verdrag tusschen hen, nooit nader bij het onderwerp dat zijne gedachten altijd vervulde.

“Kapitein Gills,” hervatte Toots, “als ik het pleizier kon hebben om een woordje met u te spreken—het is over iets bijzonders.”—“Wel, ziet ge, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, vooruit naar het achterkamertje gaande, “ik ben eigenlijk niet geheel vrij van morgen, en als ge dus wat zeil kondt bijzetten, zou ik het voor lief nemen.”—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots, die zelden eenig begrip van des kapiteins meening had. “Ik wil niets liever dan zeil bijzetten. Natuurlijk.”—“Goed zoo, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Doe het dan maar.”

De kapitein ging zoo gedrukt onder zijn geducht geheim—dat jufvrouw Dombey op dat oogenblik onder zijn dak was, terwijl de onschuldige en onnoozele Toots daar voor hem zat—dat het zweet hem op het voorhoofd parelde, en het hem, terwijl hij dat, met den blinkenden hoed in de hand, langzaam afveegde, onmogelijk was zijne oogen van Toots’ gezicht af te houden. Toots, die zelf geheime redenen scheen te hebben om zenuwachtig te zijn, werd door dit staren des kapiteins zoo geweldig verlegen, dat hij, na hem eene poos bedeesd te hebben aangekeken, onder een onrustig heen en weer schuiven op zijn stoel, eindelijk zeide:

“Neem mij niet kwalijk, kapitein Gills, maar gij ziet toch niets bijzonders aan mij, doet ge?”—“Neen, mijn jongen, neen!” antwoordde de kapitein.—“Omdat, weet ge,” zeide Toots grinnikend, “ik weet wel dat ik verval. Gij behoeft niet bang te zijn om daarvan te spreken—ik mocht het wel gaarne. Burgess en Comp. hebben mij opnieuw de maat moeten nemen, zoo ben ik vermagerd. Maar dat streelt mij. Ik—ik ben er blij om. Ik—ik zou gaarne eene tering krijgen, als ik maar kon. Ik ben maar een redeloos dier, weet ge, grazende op het vlak des aardrijks, kapitein Gills.”

Hoe langer Toots zoo voortsprak, des te meer gevoelde de kapitein den druk van zijn geheim, en des te strakker staarde hij. Door deze ongerustheid en door zijn verlangen om Toots maar spoedig kwijt te raken, kwam de kapitein zoodanig van zijne streek, dat hij zich bezwaarlijk meer onthutst had kunnen toonen, al was hij met een spook in gesprek geweest.

“Maar ik wil zeggen, kapitein Gills,” hervatte Toots, “ik ben van morgen toevallig dezen weg uitgekomen—om u de waarheid te zeggen, ik wilde bij u komen ontbijten. Wat slapen betreft, weet ge, ik slaap tegenwoordig nooit meer. Ik zou wel een nachtwacht kunnen wezen, behalve dat hij betaald wordt en niets op het gemoed heeft.”—“Zeilmaken, mijn jongen,” zeide de kapitein vermanend.—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij hebt groot gelijk. Toen ik dus van morgen toevallig dezen weg uitkwam (een uur of zoo geleden) en de deur gesloten vond—”—“Wat! Stondt gij daar te wachten, broertje?” zeide de kapitein.—“Geheel niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik bleef geen oogenblik staan. Ik dacht dat gij uit waart. Maar die persoon zeide—a propos, gij houdt toch geen hond, doet ge wel, kapitein Gills?”

De kapitein schudde zijn hoofd.

“Wel zeker,” hervatte Toots. “Dat zeide ik ook. Dat wist ik wel. Er is een hond, kapitein Gills—maar neem mij niet kwalijk, dat is verboden grond.”

De kapitein staarde Toots aan tot hem de oogen uit het hoofd schenen te puilen, en het zweet brak hem wederom uit, toen hij dacht dat Diogenes het wel in zijn kop kon krijgen om naar beneden te komen.

“Die persoon zeide,” hervatte Toots, “dat hij in den winkel een hond had hooren blaffen. Ik wist wel dat het niet wezen kon, en zeide hem dat ook. Maar hij bleef er zoo vast bij, alsof hij den hond gezien had.”—“Welke persoon, mijn jongen?” vroeg de kapitein.—“Wel, ziet ge, kapitein, daar zit het juist,” antwoordde Toots, wiens zenuwachtigheid zichtbaar erger werd. “Het voegt mij niet te zeggen wat er heeft kunnen gebeuren of niet heeft kunnen gebeuren. Dat weet ik waarlijk niet. Ik raak met allerlei dingen gemoeid, waar ik niets van begrijp, en ik denk haast dat ik—kortom een beetje zwak van hoofd moet wezen.”

De kapitein knikte toestemmend.

“Maar de persoon zeide, toen wij heengingen,” vervolgde Toots, “dat gij wel wist, wat er onder de bestaande omstandigheden kon gebeuren—hij zeide “kon” heel sterk—en dat als men u vroeg om u daarvoor klaar te houden, gij u ook zeker wel klaar zoudt houden.”—“Een persoon, mijn jongen!” zeide de kapitein.—“Ik weet niet wat voor persoon, waarlijk niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik heb er geheel geen denkbeeld van. Maar toen ik aan de deur kwam, vond ik hem daar wachten; en hij vroeg of ik terugkwam, en ik zeide ja; en hij vroeg of ik u kende, en ik zeide ja; ik had het pleizier van kennis met u te mogen houden—gij hadt u met een beetje moeite daartoe laten overhalen, en hij zeide, als dat zoo was, of ik u dan wilde zeggen wat ik gezegd heb, over bestaande omstandigheden en u klaarhouden; en zoodra ik u zag, of ik u dan vragen wilde om eens om den hoek te gaan, al was het maar voor een oogenblik, om eene gewichtige reden, bij mijnheer Brogley den uitdrager. En laat ik u zeggen, kapitein Gills, wat het ook wezen mag, ik geloof dat het heel gewichtig is, en als gij nu dadelijk wilt gaan, zal ik hier blijven wachten tot gij terugkomt.”

De kapitein, weifelend tusschen zijne vrees om Florence misschien aan eenig gevaar bloot te stellen als hij niet ging, en zijn angst om Toots in huis te laten en misschien kans te geven om het geheim te ontdekken, was zoo verlegen en onrustig, dat zelfs Toots niet blind kon zijn voor den toestand van zijn gemoed. Deze jonge heer begreep dat zijn vriend zich slechts klaarmaakte op het aanstaande onderhoud, en was daarover zoo tevreden, dat hij van genoegen over de slimheid, waarmede hij de zaak behandeld had, zat te grinniken.

Eindelijk koos de kapitein naar zijne meening het kleinste kwaad, en besloot eens even naar Brogley den uitdrager te loopen, nadat hij eerst de deur van de trap had gesloten en den sleutel in zijn zak gestoken. “Als ge mij dat ten minste niet kwalijk neemt, broertje?” zeide de kapitein tot Toots, met niet weinig aarzeling en schaamte.—“Kapitein Gills,” antwoordde Toots, “al wat gij doet is mij volmaakt wel.”

De kapitein dankte hem hartelijk, en met belofte om binnen de vijf minuten terug te zijn, ging hij heen om den persoon op te zoeken, die Toots zulk eene geheimzinnige boodschap had opgedragen. De arme Toots, aan zich zelven overgelaten, ging op de sofa liggen, weinig denkende wie het laatst daarop gelegen had, en naar het lantaarnraam starende, terwijl hij zich aan een gemijmer over jufvrouw Dombey overgaf, verloor hij alle bewustheid van tijd en plaats.

Het was goed dat hij zoo deed; want hoewel de kapitein niet lang uitbleef, duurde zijn uitblijven toch veel langer dan hij zich had voorgesteld. Toen hij terugkwam was hij zeer bleek en zeer ontroerd; hij zag er zelfs uit alsof hij tranen had gestort. Hij scheen zijn spraakvermogen verloren te hebben, tot hij naar de kast was geweest en een slokje rum uit de flesch had genomen. Toen haalde hij eens diep adem en zette zich op een stoel met de hand voor zijn gezicht.

“Kapitein Gills,” zeide Toots vriendelijk, “ik hoop en vertrouw dat er niets kwaads is?”—“Dankje, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Geheel niet. Integendeel.”—“Gij schijnt heel aangedaan te zijn, kapitein Gills,” hervatte Toots.—“Wel, mijn jongen, ik ben wat over stuur,” zeide de kapitein; “dat ben ik.”—“Is er iets dat ik doen kan, kapitein Gills?” zeide Toots weder. “Zoo ja, beschik dan maar over mij.”

De kapitein nam zijne hand van zijn gezicht, zag hem aan met eene zeer bijzondere uitdrukking van teeder medelijden in zijn blik, vatte zijne hand en schudde die heftig.

“Neen, wel bedankt,” zeide de kapitein. “Niets. Behalve dat ik het voor eene vriendschap zal houden als gij mij nu alleen laat. Ik geloof, broertje,” hem nog eens de hand drukkende, “dat gij, na Walter en op eene andere manier, zulk een goede jongen zijt als er ooit op twee beenen heeft geloopen.”—“Op mijn woord van eer, kapitein Gills,” antwoordde Toots, den kapitein in de hand slaande, eer hij die hand nog eens schudde, “ik ben er over opgetogen, dat ge zulk eene goede meening van mij hebt. Wel bedankt.”—“Houd u maar goed en wees vroolijk,” zeide de kapitein, hem op den rug kloppende. “Er zijn toch meer lieve meisjes dan een in de wereld.”—“Voor mij niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots ernstig. “Voor mij niet, dat verzeker ik u. De toestand van mijn gevoel met betrekking tot jufvrouw Dombey is van dien onbeschrijfelijken aard, dat mijn hart een woest eiland is en zij alleen daarop woont. Ik word er alle dag meer aan gewoon, en ik ben er trotsch op dat ik zoo ben. Als ge mijne beenen kondt zien, als ik mijne laarzen uittrek, zoudt gij er een denkbeeld van krijgen, wat onbeantwoorde liefde is. Men heeft mij kina voorgeschreven, maar die gebruik ik niet, want ik wil geen sterk gestel meer hebben—liever niet. Maar dit is verboden grond. Goedendag, kapitein Gills.”

Kapitein Cuttle beantwoordde zijn vaarwel met evenveel hartelijkheid, sloot de deur achter hem, met dezelfde zeer bijzondere uitdrukking van medelijden, en ging toen zien of Florence hem noodig had.

Toen de kapitein naar boven ging had zijn gezicht eene volkomene verandering ondergaan. Hij veegde zijne oogen af met zijn zakdoek, en wreef zijn neus met zijne mouw, gelijk hij dien morgen reeds gedaan had, maar zijn gezicht was toch geheel veranderd. Nu had men hem voor zeer vergenoegd, dan voor treurig kunnen houden; maar de soort van ernst, die zijne trekken nu kenmerkte, was geheel iets nieuws daarin, en waarlijk eene groote verbetering.

Hij klopte een paar malen zachtjes met zijn haak aan Florence’s deur. Geen antwoord krijgende, waagde hij het eerst binnen te kijken en toen binnen te treden, tot het laatste misschien aangemoedigd door de vriendelijkheid van Diogenes, die, naast haar bed op den grond liggende, tegen den kapitein kwispelstaartte en met zijne oogen knipte, zonder zich de moeite te geven om op te staan.

Zij sliep zwaar en kermde in haar slaap; met eerbiedig ontzag voor hare jeugd, hare schoonheid en haar leed, beurde kapitein Cuttle haar hoofd op, verschikte de overjas, die haar dekte en eenigszins was afgezakt, verdonkerde het venster nog wat meer, opdat zij gerust zou doorslapen, sloop weder heen, en betrok zijn wachtpost op de trap. Dat alles met eene hand en een stap, even licht als die van Florence zelve.

Lang moge het in deze gemengde wereld een niet gemakkelijk te beslissen vraagpunt blijven, wat een schooner blijk van de goedheid des Almachtigen is—de fijne vingers, die gevormd zijn voor zachtheid en medelijdende teerheid van aanraking, om droefheid en pijn te kunnen lenigen, of de ruwe harde hand van een kapitein Cuttle, die, door het hart bestuurd, in een oogenblik verzacht en op liefdediensten afgericht kan worden.

Florence sliep, vergetende dat zij eene huislooze wees was, en kapitein Cuttle stond op de trap de wacht te houden. Een luider snik of zucht dan gewoonlijk deed hem somtijds naar hare deur komen; maar langzamerhand sliep zij geruster en bleef de kapitein ongestoord op zijne wacht.

XLIX.

DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING.

Het duurde lang eer Florence ontwaakte. Het werd middag en de avond naderde, en nog bleef zij, afgemat naar ziel en lichaam, voortslapen, zonder iets te weten van het vreemde bed, van het gewoel en gerucht op straat en van het licht dat door de gordijnen voor het venster van haar werd afgeweerd. Geheele onbewustheid van hetgeen er was voorgevallen in het huis, dat geen thuis meer voor haar was, kon zelfs de zware slaap der afgematheid niet voortbrengen. Eene onbestemde, droevige herinnering daarvan, onrustig sluimerend maar nooit geheel inslapend, bleef haar bij. Eene doffe zielesmart, gelijk een half verstompt gevoel van pijn, verliet haar geen oogenblik; en hare bleeke wang werd meermalen met tranen bevochtigd, dan de goede kapitein, die nu en dan zijn hoofd door de half opene deur stak, wel had willen zien.

De zon daalde in het westen, en drong, in een rooden nevel gehuld, met hare stralen door het opene loofwerk der torenspitsen, alsof zij er gouden pijlen doorheen schoot—en ver weg over de rivier en hare vlakke oevers liet zij het schitteren als een pad van vuur—en op zee verlichtte zij de zeilen van schepen—en van stille kerkhoven op de heuveltoppen van het binnenland gezien, dompelde zij het verschiet in een purperen damp, waarin hemel en aarde zich gloeiend schenen te vermengen—toen Florence, hare bezwaarde oogen openende, eerst eenigen tijd zonder belangstelling of bewustheid naar de onbekende muren lag te staren, en even onverschillig naar het straatrumoer te luisteren. Maar weldra kwam zij met schrik overeind, zag met verbaasde oogen rond, en herinnerde zich alles.

“Mijn liefje,” zeide de kapitein, aan de deur kloppende, “hoe gaat het?”—“Mijn beste vriend,” riep Florence, naar hem toesnellende. “Zijt gij daar!”

De kapitein gevoelde zich zoo trotsch op dien naam, en zoo gestreeld door den glans van blijdschap, die zich op haar gezichtje vertoonde toen zij hem zag, dat hij, sprakeloos van vergenoegde aandoening, bij wijze van antwoord zijn haak kuste.

“Hoe gaat het, mijn diamantje?” zeide de kapitein.—“Ik heb zeker heel lang geslapen,” antwoordde Florence. “Wanneer ben ik hier gekomen? Gisteren?”—“Dezen zelfden gezegenden dag, mijn dametje,” zeide de kapitein.—“Is het dan geen nacht geweest? Is het nog dag?” vroeg Florence.—“Het begint nu avond te worden, mijn liefje,” zeide de kapitein, het gordijn openschuivende. “Zie maar.”

Florence, met haar handje op des kapiteins arm, zoo treurig en vreesachtig, en de kapitein met zijn ruw gezicht en zijne forsche gestalte, zoo manhaftig beschermend, stonden in het roodachtige licht van den helderen avondhemel, zonder een woord te spreken. Hoe vreemd de spraakwending ook mocht geweest zijn, als hij zijn gevoel had uitgedrukt, gevoelde de kapitein toch zoo diep als de welsprekendste man had kunnen doen, dat die stille avondstond en de zachte schoonheid daarvan iets hadden, dat het gewonde hart van Florence moest doen overstroomen, en dat het best was dat zulke tranen hun vrijen loop hadden. Kapitein Cuttle sprak dus geen woord. Maar toen hij zijn arm vaster voelde omklemmen, en dat het eenzame hoofd nader daarbij kwam, en zich tegen zijne ruige blauwe mouw vleide, legde hij zacht zijne harde hand daarop, en begreep en werd begrepen.

“Beter nu, mijn liefje?” zeide de kapitein. “Opgebeurd maar, opgebeurd. Ik zal naar beneden gaan en wat eten klaarmaken. Wilt gij naderhand alleen naar beneden komen, mijn hartje, of zal Edward Cuttle u komen halen?”

Daar Florence hem verzekerde, dat zij zeer wel in staat was om de trap af te gaan, liet de kapitein haar vrijheid om dit te doen, hoewel hij er blijkbaar aan twijfelde of de gastvrijheid dit wel veroorloofde, en ging voor het vuur in het achterkamertje een hoentje braden. Om dit te beter te kunnen doen, trok hij zijne jas uit, sloeg zijne mouwboorden op en zette zijn blinkenden hoed op, zonder welk hoofddeksel hij nooit iets moeielijks ondernam.

Na haar kloppend hoofd en gloeiend gezicht verkoeld te hebben met het frissche water, dat de zorg des kapiteins, terwijl zij sliep, voor haar gereed gezet had, ging Florence naar het spiegeltje, om hare in wanorde geraakte haren op te binden. Toen zag zij—een oogenblik, want zij bedekte het terstond weder—dat hare borst het donkere spoor eener toornige hand droeg.

Dit gezicht deed hare tranen opnieuw uitbarsten: het vervulde haar met angst en schaamte, maar bewoog haar niet tot gramschap tegen hem. Zonder huis en zonder vader, vergaf zij hem alles; zij wist nauwelijks, dat zij hem iets te vergeven had, of dat zij dit deed; maar zij ontvlood het denkbeeld van hem gelijk zij hem zelven ontvlucht was, en hij was geheel voor haar verloren en verdwenen. Er was geen zoodanig wezen in de wereld.

Wat zij zou doen of waar zij zou blijven, kon Florence—arm, onervaren meisje—niet overwegen. Zij had onduidelijke droomen om ver weg eenige kleine zusters te vinden om te onderwijzen, die haar vriendelijk zouden behandelen, en aan welke zij zich onder een aangenomen naam, kon hechten, en die in haar gelukkig huis zouden opgroeien en trouwen, en goed zouden zijn voor hare oude gouvernante, en haar misschien door den tijd de opvoeding harer eigene dochters toevertrouwen; en zij dacht hoe vreemd en treurig het zou zijn, zoo eene oude vrouw met grijze haren te worden, en haar geheim in het graf mede te nemen, wanneer Florence Dombey vergeten was. Maar dit alles was nevelachtig en bewolkt voor haar. Zij wist alleen, dat zij op aarde geen vader meer had, en dit zeide zij dikwijls, met het smeekende hoofdje verborgen voor iedereen behalve voor haar vader in den hemel.

Haar kleine voorraad van geld bedroeg slechts eenige guinjes. Met een gedeelte daarvan zou het noodig zijn eenige kleederen te koopen, want zij had geene andere, dan die zij aanhad. Zij was te bedroefd om er aan te denken, hoe spoedig haar geld op zou zijn—te zeer een kind in wereldsche zaken om zich daarover zeer te verontrusten, al hadden andere dingen haar minder ontrust. Zij beproefde hare gedachten tot kalmte te brengen en hare tranen te stuiten, de verwarring in haar kloppend hoofd tot rust te brengen, en het zich duidelijk te maken, dat het gebeurde nog maar weinige uren geleden was, in plaats van weken of maanden, gelijk het haar voorkwam; en ging naar beneden naar haar vriendelijken beschermer.

De kapitein had met groote zorg de tafel gedekt, en was nu bezig met eiersaus gereed te maken, terwijl hij tusschenbeide het hoentje bedroop, dat aan een touwtje voor het vuur hing te draaien. Nadat hij Florence tusschen kussens op de sofa had geplaatst, die reeds in een warm hoekje voor haar geschoven was, zette de kapitein met buitengemeene handigheid zijn keukenwerk voort, plaatste behalve zijn pannetje met eiersaus nog een met jus op het vuur, benevens een handvol aardappelen in een potje, en deed elke minuut de ronde met bedruipen en roeren, met een lepel, die tot alles te gelijk diende. Bovendien moest hij nog op eene kleine koekenpan letten, waarin eenige saucijsjes welluidend lagen te sissen en te spatten; en nooit verrichtte kok of keukenmeid hun gewichtig werk met meer ijver en genoegen, dan de kapitein het zijne; het was onmogelijk te zeggen wat meer blonk, zijn gezicht of zijn glimmende hoed.

Toen de maaltijd eindelijk geheel gereed was, zette de kapitein dien op, met niet minder handigheid dan hij alles had gekookt en gebraden. Daarna kleedde hij zich voor het diner door zijne jas aan te trekken en zijn hoed af te zetten. Dit gedaan zijnde, schoof hij de tafel dicht bij Florence, die op de sofa moest blijven zitten, deed het gebed, schroefde zijn haak af en zijne vork daarvoor in de plaats, en nam de honneurs van de tafel waar.

“Beur u wat op, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en probeer om wat te eten. Zie eens hier, liefje. Dat is een boutje—en dat is saus—en dat is een saucijsje—en dat is een aardappel!” De kapitein plaatste dit alles symmetrisch op een bord, goot een lepel jus er over heen, en zette het zijne geëerde gast voor.

“De geheele rij luiken is voor opgezet, mijn dametje,” merkte de kapitein bemoedigend aan, “en alles is bezorgd. Probeer dus eens een beetje te peuzelen, mijn liefje. Als Walter hier was—”—“Ach, als ik hem nu voor mijn broeder had!” riep Florence uit.—“Maak u zoo aangedaan niet, mijn liefje,” zeide de kapitein. “Houd u goed, om mij pleizier te doen. Hij was immers uw natuurlijk geboren vriend, niet waar, liefje?”

Florence kon geene woorden vinden. Zij zeide slechts: “O lieve, lieve Paul! O Walter!”—“De plank waarover zij ging,” zeide de kapitein, naar haar hangend hoofdje ziende, “was Walter zoo dierbaar als de waterbeken voor een hart, dat zich nooit verheugt! Ik zie hem nog voor mij, op dien dag toen hij op de monsterrol van het kantoor werd gezet, en hij van haar sprak met zijn gezicht blinkende van den dauw—ten minste van zijne bescheidenheid en teerhartigheid—als eene pas ontloken roos, onder den eten. Wel, wel! Als onze arme Walter hier was, mijn dametje—of als hij er zijn kon—want hij is verdronken, niet waar?”

Florence schudde haar hoofd.

“Ja, ja, verdronken,” zeide de kapitein als het ware troostend. “Zooals ik zeide, als hij hier kon zijn en u bidden en smeeken, mijn schatje, om een beetje te peuzelen, uit zorg voor uwe kostbare gezondheid. Pas op u zelve, mijn dametje, alsof het om Walter’s wil was, en houd maar recht voor den wind.”

Om den kapitein genoegen te geven, beproefde Florence iets te eten. Ondertusschen legde de kapitein, die zijn eigen eten geheel scheen te vergeten, mes en vork neer en schoof zijn stoel dichter bij de sofa.

“Walter was een knappe jongen, niet waar, mijn hartje?” zeide de kapitein, nadat hij, haar strak aanziende, eene poos zijne kin had zitten wrijven; “en een brave jongen, en een goede jongen.”

Florence stemde dit met tranen toe.

“En hij is verdronken, juweeltje, niet waar?” zeide de kapitein, op een toon van medelijden.

Florence kon niet anders dan dit wederom toestemmen.

“Hij was ouder dan gij, mijn dametje,” vervolgde de kapitein; “maar gij waart toch als twee kinderen samen, in het eerst, waart ge niet?”

Florence antwoordde: “Ja!”

“En Walter is verdronken,” zeide de kapitein. “Niet waar?”