Dombey en Zoon

Part 67

Chapter 673,973 wordsPublic domain

“Kom mij niet nabij!” riep zij. “Blijf weg! Laat mij voorbij!”—“Mama!” zeide Florence.—“Noem mij niet bij dien naam! Spreek niet tegen mij! Zie mij niet aan!—Florence!” nog verder terugdeinzende, toen Florence een stap naar haar toekwam, “raak mij niet aan!”

Toen Florence als versteend voor haar strak gezicht en starende oogen staan bleef, zag zij, als in een droom, dat Edith hare handen uitgespreid daarvoor hield, aan al hare leden bevende en laag bukkende, haar langs den muur, als ware zij een angstig dier, voorbijkroop, toen overeindsprong en heensnelde.

Florence viel op de trap in zwijm, en werd daar, dacht zij, door mevrouw Pipchin gevonden. Zij wist van niets meer, eer zij vond dat zij op haar bed lag, met mevrouw Pipchin en eenige dienstboden om haar heen.

“Waar is mama?” was hare eerste vraag.—“Naar een diner,” zeide mevrouw Pipchin—“En papa?”—“Mijnheer Dombey is in zijne kamer, jufvrouw,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en het beste dat gij doen kunt is, dat gij u uitkleedt en dadelijk naar bed gaat.” Dit was haar welbedacht geneesmiddel voor alle kwalen, inzonderheid voor neerslachtigheid en slapeloosheid; voor welke misdrijven menig jeugdig slachtoffer in de dagen van hare heerschappij te Brighton ’s morgens om tien uur naar bed was gezonden.

Zonder gehoorzaamheid te beloven, maar zeggende dat zij naar stilte verlangde, ontsloeg Florence zich zoo spoedig mogelijk van mevrouw Pipchin’s dienstbewijzen. Alleen gebleven, dacht zij na over het gebeurde op de trap, eerst twijfelende aan de werkelijkheid daarvan, toen met tranen, toen met een onbeschrijfelijken angst, naar dien gelijkende dien zij den avond te voren had gevoeld.

Zij besloot niet naar bed te gaan eer Edith terug was, en indien zij haar niet kon spreken, zich ten minste te verzekeren dat zij veilig thuis was gekomen. Welke onduidelijke, schaduwachtige vrees Florence tot dit besluit noopte, wist zij zelve niet; zij durfde er niet eens aan denken. Zij wist alleen dat, eer Edith thuis kwam, haar gloeiend hoofd en beklemd hart geene rust zouden hebben.

De avond ging in den nacht over; het werd middernacht; Edith kwam niet.

Florence kon niet lezen of zich een oogenblik stilhouden. Zij stapte door hare kamer op en neer, deed de deur open, ging op den bovengang heen en weder, keek het venster uit in de duisternis, luisterde naar het loeien van den wind en het kletteren van den regen, ging zitten en tuurde naar de gedrochtelijke gezichten in het vuur, stond weder op en staarde naar de maan, die gelijk een door stormen voortgejaagd schip door eene zee van wolken vloog.

Het geheele huis was naar bed, met uitzondering van twee dienstboden, die beneden op de terugkomst hunner meesteres zaten te wachten.

Eén uur. De rijtuigen, die in de verte aankwamen, verwijderden zich weder, en hielden op een afstand stil, of reden voorbij; de stilte werd langzamerhand dieper, en werd al zeldzamer afgebroken, behalve door eene windvlaag of eene regenbui. Twee uur. Nog kwam Edith niet.

Florence, nog angstiger, stapte in hare kamer en op den bovengang heen en weder, keek uit in den nacht, waar de voorwerpen nog verward werden door de regendroppelen op het glas en de tranen in hare oogen, en zag op naar de onstuimige lucht, zoo verschillend van de rustige stilte beneden, en toch zoo stil en rustig. Drie uur. Ieder uitgebrand kooltje, dat door den haardrooster viel, deed haar schrikken. Nog was Edith er niet.

Al angstiger en angstiger stapte Florence in hare kamer en op den bovengang heen en weder, en zag op naar de maan, nu met de nieuwe verbeelding dat zij naar eene bleeke vluchteling geleek, die heensnelde om haar schuldig gelaat te verbergen. Het sloeg vier—vijf. Nog was Edith er niet.

Maar thans ontstond er eene voorzichtige beweging in huis; en Florence begreep dat mevrouw Pipchin door een van hen, die waren opgebleven, was geroepen, en toen was opgestaan en naar haar vaders kamer gegaan. De trap afsluipende om waar te nemen wat er gebeurde, zag zij haar vader in zijne ochtendjas buitenkomen en schrikken toen men hem zeide dat zijne vrouw niet thuis was gekomen. Hij zond iemand naar den stal, om te vragen of de koetsier daar was; en terwijl die knecht uit was, kleedde hij zich haastig aan.

De knecht kwam in groote haast terug, en bracht den koetsier mede, die zeide dat hij al van tien uur af thuis en in bed was geweest. Hij had zijne meesteres naar hare vroegere woning in Brook-Street gebracht, waar mijnheer Carker haar had opgewacht.

Florence stond op dezelfde plek waar zij hem naar beneden had zien komen. Wederom deed de schrik, die dat gezicht haar had aangejaagd, haar huiveren, en zij had nauwelijks besef genoeg om te hooren en te begrijpen wat er nu volgde.

Mijnheer Carker had hem gezegd, vervolgde de koetsier, dat zijne meesteres de koets niet meer zou noodig hebben om naar huis te komen, en hem weggezonden.

Zij zag haar vader doodsbleek worden, en hoorde hem driftig en met bevende stem naar mevrouw Dombey’s kamenier vragen. Het geheele huis was reeds op, want zij was daar in een oogenblik, ook zeer bleek en zeer onthutst.

Zij zeide dat zij hare meesteres vroeg had gekleed—wel twee uren eer zij uitging—en dat zij haar gezegd had, gelijk dikwijls gebeurde, dat zij haar des avonds niet zou noodig hebben. Zij kwam zoo uit de kamers harer meesteres, maar—

“Maar wat! Wat was er?” hoorde Florence haar vader vragen op een toon alsof hij razend was.—“De kleedkamer was gesloten en de sleutel weg.”

Haar vader nam eene kaars op, die op den grond stond te branden—iemand had ze daar neergezet en vergeten—en kwam met zulk eene woede de trap opstuiven, dat Florence nauwelijks tijd had om voor hem te vluchten. Zij hoorde hem tegen de deur bonzen, terwijl zij, met woest uitgestokene handen en vliegende haren, verbijsterd van angst, naar hare kamer liep.

Toen de deur zwichtte en hij binnenstoof, wat zag hij toen? Niemand vernam dat ooit. Maar daar op den grond op een hoop gesmeten lagen de sieraden, die zij gekregen had sedert zij zijne vrouw was geworden, al de kleederen die zij gedragen had, al wat in dien tijd haar eigendom was geworden. Dit was de kamer waarin hij, in dien spiegel, het trotsche gelaat hem had zien versmaden. Dit was de kamer waarin hij den zonderlingen inval had gehad, hoe dat alles er zou uitzien als hij het wederzag!

Terwijl hij alles met woedende haast weder in de laden stopte en deze sloot, zag hij eenige papieren op de tafel liggen. Het huwelijkscontract en een brief. Hij las dat zij weg was. Hij las dat hij onteerd was. Hij las dat zij, op haar schandelijken bruiloftsdag, de vlucht had genomen met den man, dien hij had uitgekozen om haar te vernederen, en hij vloog de kamer en het huis uit, met de dolle gedachte om haar nog te achterhalen, en met zijne bloote hand alle sporen van schoonheid uit haar tergend gezicht te slaan.

Zonder te weten wat zij deed, zette Florence een hoed op en sloeg een doek om, met het verwarde droomachtige denkbeeld om door de straten te loopen tot zij Edith vond, haar dan in hare armen te sluiten, te redden en terug te brengen. Maar toen zij op de trap kwam, en de verschrikte dienstboden met licht op en neer zag loopen, en met elkander fluisteren, en voor haar vader terugdeinzen toen hij naar beneden kwam, ontwaakte zij tot het gevoel harer machteloosheid, en zich in een der groote zalen verbergende die daarvoor zoo prachtig waren opgesierd, was het haar alsof haar hart van droefheid zou barsten.

Medelijden met haar vader was het eerste duidelijke gevoel, dat zich ontworstelde aan den vloed van smart die haar overstelpte. Haar trouw gemoed wendde zich tot hem in zijn leed, met evenveel vuur en liefde, als had hij in zijn voorspoed dat denkbeeld verwezenlijkt, dat langzamerhand zoo flauw en duister was geworden. Hoewel zij niet dan door de ingevingen van een onduidelijken angst de volle mate van zijn ongeluk kende, stond hij toch voor haar beleedigd en verlaten, en dreef haar hare smachtende liefde om hem ter zijde te staan.

Hij bleef niet lang uit; want Florence zat nog in de groote zaal te schreien toen zij hem hoorde terugkomen. Hij beval de dienstboden om aan hunne gewone bezigheden te gaan, en ging zelf naar zijne kamer, waar hij zoo zwaar op en neer stapte, dat zij hem van het eene einde tot het andere kon volgen.

Eensklaps zwichtende voor den drang harer liefde, anders altijd zoo schroomvallig, maar nu in zijn rampspoed stout door hare oprechtheid, en niet afgeschrikt door vroegere terugstooting, haastte Florence zich, zoo gekleed als zij was, naar beneden. Juist toen zij haar voet in het voorhuis zette, kwam hij zijne kamer uit. Zij snelde met uitgestrekte armen naar hem toe, en riep: “O lieve papa!” alsof zij hem om den hals wilde vallen.

En dat zou zij ook gedaan hebben. Maar in zijne razernij lichtte hij zijn arm op en gaf haar een stomp, dat zij er van waggelde; en te gelijk zeide hij haar wat Edith was, en dat zij met haar mocht medegaan, daar zij toch altijd hadden samengespannen.

Zij zonk niet voor zijne voeten neer; zij verborg hem niet met hare bevende handen voor haar gezicht; zij schreide niet; zij uitte geen woord van verwijt. Maar zij zag hem aan, en een kreet van wanhoop ontwrong zich aan haar hart. Want toen zij hem aanzag, zag zij hem dat teedere denkbeeld vernietigen, dat zij zijns ondanks nog altijd van hem had gekoesterd. Zij zag zijne wreedheid, zijne verwaarloozing, zijn haat dat denkbeeld vertrappen en verdelgen. Zij zag, dat zij op aarde geen vader had, en als eene wees ontvluchtte zij zijn huis.

Zij ontvluchtte zijn huis. Een oogenblik en hare hand was aan de deur geslagen, die kreet was nog op hare lippen, zijn gezicht was daar nog, bleeker door het gele licht der kaarsen, die daar vergeten stonden te branden en af te loopen, en door het daglicht dat boven de deur binnenkwam. Nog een oogenblik, en de duisternis van het gesloten huis (vergeten open te zetten, schoon het reeds lang dag was) maakte plaats voor den onverwachten glans van den morgen, en met gebogen hoofd, om hare tranen te verbergen, stond Florence op straat.

XLVIII.

FLORENCE’S VLUCHT.

Verbijsterd door smart, schaamte en schrik, snelde het wanhopige meisje door den zonneschijn van den helderen morgen, als ware het de duisternis van een winternacht. Hare handen wringende en bitter weenende, gevoelloos voor alles behalve de diepe wond in hare borst, bedwelmd door het verlies van alles wat zij liefhad, verlaten gelijk de eenig overgeblevene schipbreukeling op eene eenzame kust, vlood zij, zonder gedachten, zonder hoop, zonder doel, dan om maar te vluchten, ergens heen.

Het vroolijke verschiet der lange straat, door het morgenlicht verguld, het gezicht van den blauwen hemel en de luchtige wolkjes, de frischheid van den dag, als het ware pralende met zijne zege op den nacht, deed in hare zoo gewonde borst geen overeenstemmend gevoel ontwaken. Ergens, waar dan ook, haar hoofd te bergen! Ergens, waar dan ook, schuilplaats te zoeken! Het huis, dat zij ontvlood, nooit weder te zien! Dit was hare eenige gedachte.

Maar er gingen menschen af en aan; er werden winkels opengezet, er kwamen dienstboden buiten; het gewoel van den dag begon. Florence zag verwondering en nieuwsgierigheid op de gezichten, die haar voorbijzweefden, zag lange schaduwen terugkomen; hoorde vreemde stemmen haar vragen waar zij heenging en wat haar scheelde; en hoewel deze haar in het eerst nog meer beangstigden en sneller deden voorthaasten, bewezen zij haar toch den dienst van haar eenigermate tot bezinning te brengen, en te herinneren, dat het noodig was meer bedaardheid te toonen.

Waarheen zou zij gaan? Ergens, waar ook heen, verder, verder! Maar toch waarheen? Zij dacht aan dien anderen tijd, toen zij, verdwaald, in de wildernissen van Londen alleen was geweest—schoon niet zoo alleen als nu—en ging dien weg op. Naar het huis van Walter’s oom.

Haar snikken smorende en hare gezwollene oogen afvegende, en hare ontroering bedwingende, om zoo geene aandacht te trekken, met voornemen om zoolang zij kon in de stilste straten te blijven, ging Florence bedaarder voort, toen eene bekende schaduw haar op de zonnige steenen van het voetpad voorbijschoot, omkeerde, terugkwam, weder wegvloog, om haar heen zwierde, en Diogenes, naar adem hijgende, hoewel hij toch de straat door zijn vroolijk geblaf deed weergalmen, voor hare voeten kroop.

“O, Di! O, lieve, trouwe Di, hoe zijt gij hier gekomen! Hoe kon ik u verlaten, Di, die mij nooit verlaten zoudt!”

Florence bukte en legde zijn ruigen kop tegen hare borst, en daarna stonden zij te zamen op en gingen gezamenlijk verder; Di meer door de lucht dan over den grond, zijn best doende om zijne meesteres in een sprong te kussen, dan over zijn kop tuimelende en zonder zich eenigszins daaraan te storen weder opvliegende, op groote honden toeschietende om hen schertsend uit te dagen, werkmeiden, die eene stoep dweilden, verschrikkende door ze zijn neus in het gezicht te duwen, en te midden van duizend buitensporigheden telkens ophoudende om naar Florence om te zien en te blaffen, tot alle honden in het rond hem antwoord gaven en buitenkwamen om hem verwonderd aan te kijken.

Met dezen laatsten vriend, haastte zich Florence, door den steeds warmer wordenden zonneschijn, de City in. Weldra werd het straatrumoer luider, werden de voetgangers talrijker, de winkels levendiger, tot zij door een levenden stroom werd medegevoerd, die onverschillig voorbij markten en paleizen, gevangenissen en kerken, rijkdom en armoede, goed en kwaad voortvloeide, evenals de breede rivier, die hij ter zijde bleef, troebel en donker door biezen en wilgen, tusschen de werken en de zorgen der menschen, naar de diepe zee vloeit.

Eindelijk kreeg men de straat van den houten adelborst in het gezicht. Nog nader gekomen, zag men den houten adelborst zelven, gelijk altijd, op zijn post en aan zijne observatiën. Nog nader, en de deur stond open, en noodigde haar om binnen te treden. Florence, die op het einde van haar tocht hare schreden had versneld, stapte de straat over (dicht op de hielen door Diogenes gevolgd, wien het gewoel eenigszins verbijsterd had) trad haastig binnen, en zonk op den drempel van het welbekende achterkamertje neer.

De kapitein stond, met zijn blinkenden hoed op, bij het vuur, zijne ochtendcacao te koken, met zijn horloge voor zich op den schoorsteenmantel, om het onder het koken gemakkelijk te kunnen raadplegen. Toen hij een voetstap en het ritselen van een kleedje hoorde, keerde hij zich om, met schrik aan jufvrouw MacStinger denkende, juist op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk.

Even bleek als Florence, nam de kapitein haar op, als ware zij een klein kind geweest, en legde haar op dezelfde sofa, waarop zij zoo lang geleden had gesluimerd.

“Het is hartediefje!” zeide de kapitein, haar oplettend aanziende. “Het is dat lieve kind, nu een volwassen meisje geworden!”

Kapitein Cuttle had, nu hij een volwassen meisje in haar zag, zooveel eerbied voor haar, dat hij haar, terwijl zij bewusteloos was, voor geen duizend pond in zijne armen had durven houden.

“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein, zich op een afstand houdende, terwijl angst en medelijden op zijn gelaat stonden geteekend; “als ge Ned Cuttle maar met een vinger kunt praaien, doe het dan!”

Maar Florence bewoog zich niet.

“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein. “Om Walter’s wil, die in het zoute diep verdronken is, draai toch bij en hijsch eene vlag, als ge kunt!”

Daar zij ook aan deze nadrukkelijke bezwering geen gehoor gaf, nam kapitein Cuttle eene kom koud water van de tafel en sprenkelde haar daarvan iets in het gezicht. Voor het dringende van het geval zwichtende, ontlastte de kapitein haar daarop van haar hoed, bevochtigde hare slapen en haar voorhoofd, streek hare haren weg, bedekte hare voeten met zijne jas, die hij daartoe uittrok, en klopte haar in de hand—zoo klein in de zijne, dat hij er zich over verwonderde; en toen hij zag dat hare oogen begonnen te trillen en hare lippen zich even bewogen, bleef hij met meer moed zijne middelen aanwenden, waarbij hij zijne geduchte hand met verbazende zachtheid gebruikte.

“Frisch op maar, frisch op maar!” zeide de kapitein. “Sta vast, mijn liefje. Daar! Nu wordt het al beter. Sta vast maar! Drink een droppeltje van dit. Daar zijt gij er al. Hoe gaat het nu, mijn hartje?”

In dit tijdperk van haar herstel nam de kapitein, met het schemerachtige denkbeeld, dat er bij eene doctorale behandeling een horloge noodig was, het zijne van den schoorsteenmantel, hing het aan zijn haak, nam toen Florence’s hand in de zijne en keek gedurig van de eene naar het andere, alsof hij verwachtte, dat de wijzers iets zouden doen.

“Hoe gaat het nu, hartje?” zeide de kapitein. “Gij hebt haar al wat goed gedaan,” mompelde hij met een blik van tevredenheid naar zijn horloge. “Als gij elken ochtend maar een half uur achteruit wordt gezet, en elken avond nog een kwartier, kan geen horloge beter zijn. Hoe gaat het, mijn dametje?”—“Kapitein Cuttle! Zijt gij het?” riep Florence uit, en richtte zich een weinig op.—“Ja, ja, mijn dametje,” zeide de kapitein, door eene haastige redeneering tot het besluit komende, dat dit de hoffelijkste toespraak was, die hij bedenken kon.—“Is Walter’s oom hier?” vroeg Florence.—“Hier, liefje!” antwoordde de kapitein. “Hij is in langen tijd niet hier geweest. Men heeft niets van hem gehoord, sedert hij den armen Walter is gaan nazeilen.”—“Woont gij nu hier?” vroeg Florence.—“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“O, kapitein Cuttle,” riep Florence nu met woestheid uit, en vouwde smeekend hare handen. “Red mij! Laat niemand weten waar ik ben! Ik zal u straks vertellen wat er gebeurd is, als ik kan. Ik heb niemand in de wereld om naar toe te gaan. Zend mij toch niet weg!”—“U wegzenden, mijn dametje!” riep de kapitein uit. “U, mijn hartediefje! Wacht eens eventjes! Wij zullen dat luik voorzetten en den sleutel omdraaien.”

Zoo sprekende nam de kapitein, zijne eene hand en zijn haak met groote behendigheid gebruikende, het deurluik op, zette het in, en draaide de deur op het nachtslot.

Toen hij weder bij Florence kwam, vatte zij zijne hand en kuste ze. Het roerend smeekende van dit bedrijf, het vertrouwen dat het te kennen gaf, de onuitsprekelijke droefheid in hare oogen, de zielesmart die zij maar al te duidelijk geleden had en nog leed, zijne kennis van hare vroegere geschiedenis, hare tegenwoordige hulpelooze verlatenheid; alles overstelpte den goeden kapitein zoodanig, dat hij letterlijk van medelijden en teederheid overliep.

“Mijn dametje!” zeide hij, nadat hij zijn neus met zijne mouw had gewreven tot hij blonk als gebruineerd koper, “zeg maar geen woord aan Edward Cuttle, voordat gij vindt dat gij gerust voor anker ligt, dat vandaag of morgen niet wezen zal. En u over te geven, of rapport te doen waar gij zijt, ja waarlijk en met Gods hulp, zoo wil ik niet, gelijk in den catechismus staat.”

De kapitein zeide dit alles in één adem, maar zeer plechtig; bij het “ja waarlijk” nam hij zijn hoed af en zette dien eerst weder op, toen hij gedaan had.

Florence kon nog maar één ding meer doen om hem te danken en te toonen hoezeer zij hem vertrouwde; en dit deed zij ook. Zich aan den ruwen zeeman vastklemmende, als de laatste toevlucht van haar bloedend hart, liet zij haar hoofd op zijn schouder zinken en sloeg hare armen om zijn hals; zij zou ook voor hem zijn neergeknield om hem te zegenen, als hij haar voornemen niet had geraden en haar als een braaf man opgehouden.

“Zachtjes, zachtjes!” zeide de kapitein. “Ge zijt nog te zwak om te staan, mijn liefje, ziet ge wel, en moet nog maar wat gaan liggen. Daar, daar!”

Te zien hoe de kapitein haar weder op de sofa tilde en met zijne jas toedekte, zou het gezicht van honderd kroningsfeesten waard zijn geweest.

“En nu moet gij ontbijten, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en de hond zal ook wat krijgen. En dan moet gij naar boven gaan, naar Sam Gills’ kamertje, en daar slapen als een engel.”

Kapitein Cuttle streelde Diogenes toen hij van hem sprak, en Diogenes nam deze gemeenzaamheid zeer vriendelijk op. Terwijl Florence flauw lag en de kapitein haar poogde bij te helpen, was Diogenes het blijkbaar met zich zelven oneens geweest of hij hem zou aanvliegen of zijne vriendschap aanbieden, en had hij dezen innerlijken tweestrijd aangeduid door beurtelings te kwispelstaarten en brommend zijne tanden te laten zien. Thans was al zijn twijfel opgeheven. Het was duidelijk dat hij den kapitein voor een allerbest man hield, en een man met wien het een hond zich tot eer moest rekenen kennis te houden.

Ten blijke van deze overtuiging liep Diogenes overal met den kapitein mede, terwijl deze thee en geroosterd brood gereedmaakte, en toonde hij de levendigste belangstelling in zijne manier van huishouden. Maar het was vruchteloos, dat de goede kapitein deze hartsterking aanbood. Zij deed wel haar best om er iets van te gebruiken, maar het was haar onmogelijk; zij kon niets anders doen dan schreien.

“Wel, wel, mijn hartediefje,” zeide de medelijdende kapitein; “als gij eens geslapen hebt, zult ge beter koers kunnen houden. Nu zal ik u rantsoen geven, mijn jongen,” vervolgde hij tot Diogenes; “en gij moet boven bij uwe meesteres de wacht houden.”

Maar hoewel Diogenes watertandende en met flikkerende oogen naar het voor hem bestemde ontbijt had staan kijken, stak hij, in plaats van er gulzig op aan te vallen toen het hem werd voorgezet, zijne ooren op, vloog naar de straatdeur, en blafte daar geweldig, met zijn kop tegen den dorpel duwende, alsof hij zich onder de deur wilde doorgraven.

“Kan daar iemand wezen?” vroeg Florence onrustig.—“Neen, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Wie zou daar blijven staan zonder zich te laten hooren? Blijf maar bedaard, liefje. Het zijn maar voorbijgangers.”

Diogenes bleef echter aan het blaffen en duwen; en wanneer hij even ophield om te luisteren, scheen zijn gemoed met nieuwe overtuiging vervuld te worden, want dan begon hij weder even hard, wel twaalfmaal achtereen. Zelfs toen hij zich had laten overhalen, om aan zijn ontbijt te gaan, liep hij weder met een zeer achterdochtig gezicht naar de deur, en ging, eer hij nog een brok had geproefd, alweder aan het blaffen.

“Als er eens iemand stond te luisteren,” fluisterde Florence. “Iemand die mij hier heeft zien ingaan—misschien is nageloopen.”—“Het kan toch dat meisje van u niet wezen, mijn dametje?” zeide de kapitein, zeer ingenomen met dit denkbeeld.—“Suze?” zeide Florence, haar hoofd schuddende. “O neen! Suze is lang van mij vandaan.”—“Niet gedeserteerd, hoop ik?” zeide de kapitein. “Zeg toch niet, dat dat meisje is weggeloopen, mijn liefje.”—“O neen neen!” riep Florence uit. “Zij is het trouwste hart van de wereld.”

Dit antwoord was eene groote verademing voor den kapitein, en hij gaf zijn genoegen te kennen door zijn blinkenden hoed af te nemen en zijn hoofd met zijn tot een bal opgerolden zakdoek te wrijven, terwijl hij onderscheidene malen, met buitengewone zelfvoldoening, aanmerkte, dat hij het wel geweten had.

“Zijt ge nu gerust, broertje?” zeide de kapitein tot Diogenes. “Er was toch niemand, ziet ge wel, mijn dametje?”

Diogenes was daarvan nog zoo zeker niet. Tusschenbeide scheen de deur hem nog aan te trekken, en liep hij brommend en snuffelend daarnaar toe, alsof hij de zaak niet kon vergeten. Dit voorval, met Florence’s zichtbare afgematheid vereenigd, deed den kapitein besluiten om het kamertje van Sam Gills terstond voor haar gereed te maken. Hij ging dus dadelijk naar boven en maakte de beschikkingen, die zijne verbeelding en zijne middelen hem aan de hand gaven.