Part 66
Zoo poogde zij te doen. Somtijds drongen zich ook wel verwonderde gissingen naar de oorzaak dezer verandering bij Edith aan haar op, en beangstigden haar; maar in de kalmte harer eenzaamheid, weder aan hare stille smart overgelaten, was zij niet nieuwsgierig. Florence kon niet anders doen dan zich herinneren dat hare ster van hoop door de somberheid, die het geheele huis overdekte, beneveld was, en dan schreien en berusten.
Zoo levende, in een droom, waarin de overstroomende liefde van haar jeugdig hart aan hersenschimmige gedaanten werd verspild, en in eene werkelijkheid waarin zij weinig anders ondervond, dan dat hare liefde overal werd teruggewezen, werd Florence zeventien jaren. Hoewel haar eenzaam leven haar schuw en vreesachtig had doen worden, had het haar zacht humeur niet bedorven en haar gemoed niet verbitterd. Een kind in argelooze eenvoudigheid, eene vrouw in bescheiden zelfvertrouwen en in haar innig en vurig gevoel, scheen zoowel het kind als de vrouw zich uit te drukken in haar bevallig gezichtje en hare tengere gestalte, en schenen beide zich daarin op het bekoorlijkst te paren;—alsof de lente onwillig was om te vertrekken toen de zomer kwam, en de vroegste schoonheid van den bloemknop zich met de volle ontwikkeling der bloem poogde te vereenigen. Maar in hare trillende stem, in hare kalme oogen, somtijds in een vreemd bovenaardsch licht, dat om haar hoofd scheen te zweven, en altijd in iets peinzends, dat hare schoonheid vergezelde, lag iets dat zoodanig aan het doode kind herinnerde, dat de raad in de bediendenkamer er over fluisterde en het hoofd schudde, en des te meer at en dronk, in een nauwer verbond van goede kameraadschap.
Dit alles opmerkende verbond had veel te zeggen over mijnheer en mevrouw Dombey en over mijnheer Carker, die onderhandelaar tusschen deze twee scheen te zijn en gedurig kwam en ging, alsof hij zijn best deed om vrede te stichten, zonder dit ooit te kunnen doen. Allen betreurden den gespannen toestand, en allen waren het eens dat mevrouw Pipchin (wier impopulariteit onovertreffelijk was) er op eene of andere manier de hand in had; maar over het geheel was het toch aangenaam zulk een rijk onderwerp tot vereenigingspunt te hebben, en men onderhield er zich uitstekend mede.
De bekenden, die aan huis kwamen en bij wie mijnheer en mevrouw Dombey aan huis kwamen, vonden hen, in allen gevalle, wat trotschheid betrof, zeer wel gepaard, en dachten er niet verder over. De jonge dame met den rug kwam zich na mevrouw Skewton’s dood een tijd lang niet vertoonen, en verklaarde hare bijzondere vriendinnen, met haar gewoon innemend gilletje, dat zij de familie niet kon zien zonder aan grafzerken en dergelijke akeligheden te denken; maar toen zij kwam zag zij niets dat zij niet goedvond, behalve dat Dombey een tros gouden cachetten aan zijn horloge droeg, hetgeen haar ergerde als iets dat ouderwetsch was. Deze jeugdige hartenroofster vond ook eene stiefdochter op zich zelf een bezwaar; anders had zij niets tegen Florence, behalve dat zij niet elegant genoeg was—hetgeen misschien moest beduiden dat zij haar rug niet genoeg liet zien. Velen, die slechts bij plechtige gelegenheden in huis kwamen, wisten nauwelijks wie Florence was, en zeiden als zij naar huis gingen: “Zoo, was dat jufvrouw Dombey, in dien hoek? Heel aardig, maar een beetje teer en betrokken van uitzicht!”
Niet minder teer en betrokken, zekerlijk, door haar leven in de laatste zes maanden, nam Florence plaats aan de tafel, op den dag voor den tweeden verjaardag van haar vaders huwelijk met Edith (toen de eerste verjaardag kwam had mevrouw Skewton aan eene beroerte gelegen) met eene innerlijke onrust, die bijna tot angst klom. Zij had daarvoor geene andere reden, dan de herinnering van den dag, de uitdrukking van haar vaders gezicht, toen zij een haastigen blik daarop wierp, en de tegenwoordigheid van Carker, die haar altijd onaangenaam was, maar thans onaangenamer dan ooit te voren.
Edith was kostbaar gekleed, want zij en Dombey zouden des avonds naar eene groote assemblée gaan en men dineerde dien dag laat. Zij verscheen niet voordat men aan tafel zat, als wanneer Carker opstond en haar naar haar stoel bracht. Schoon en luisterrijk als zij was, had zij echter iets in gelaat en houding dat haar voortaan hopeloos van Florence en ieder ander scheen af te zonderen. En toch zag Florence voor een oogenblik een straal van welwillendheid in hare oogen, toen deze op haar gevestigd werden, die den afstand, waarop zij zich teruggetrokken had, tot eene grootere reden van spijt en droefheid maakte dan ooit.
Er werd onder het diner zeer weinig gesproken. Florence hoorde haar vader somtijds tot Carker over handelszaken spreken, en dezen zacht antwoord geven; maar zij lette weinig op hetgeen er gezegd werd en wenschte maar, dat het diner ten einde was. Toen het dessert was opgezet, en er geen bediende meer in de kamer was, zeide Dombey, nadat hij eenige malen, op eene manier die niets goeds voorspelde, zijne keel had geschraapt:
“Mevrouw Dombey, gij weet, naar ik meen, dat ik de huishoudster heb onderricht, dat er morgen eenige gasten zullen komen dineeren.”—“Ik dineer niet thuis,” antwoordde zij.—“Geen groot gezelschap,” vervolgde Dombey, zich willende houden alsof hij haar niet gehoord had, hetgeen hem echter niet best gelukte; “maar twaalf of veertien personen. Mijne zuster, majoor Bagstock en eenige anderen die gij maar even kent.”—“Ik dineer niet thuis,” herhaalde zij.—“Hoewel het twijfelachtig mag zijn, mevrouw Dombey,” zeide hij, nog deftig voortgaande, alsof zij niet gesproken had, “of ik reden heb om de gelegenheid tegenwoordig juist in zeer genoeglijk aandenken te houden, is er in zulke dingen een schijn, die voor de wereld moet bewaard worden. Als gij geene achting voor u zelve hebt, mevrouw Dombey...”—“Dat heb ik niet,” zeide zij.—“Mevrouw,” viel Dombey uit, met zijne hand op de tafel slaande, “hoor mij aan als het u belieft. Ik zeg, als gij geene achting voor u zelve hebt...”—“En ik zeg, dat heb ik niet,” antwoordde zij.
Hij zag haar aan; maar het gezicht dat zij hem vertoonde zou niet veranderd zijn, al had de dood zelf haar aangezien.
“Carker,” zeide Dombey, zich met meer bedaardheid naar dezen heer keerende, “daar gij bij vorige gelegenheden mijn middel van gemeenschap met mevrouw Dombey zijt geweest, en ik, zoover mij persoonlijk betreft, de welvoeglijkheid verkies in acht te nemen, zal ik u verzoeken de goedheid te hebben om mevrouw Dombey te onderrichten, dat, indien zij geene achting voor zich zelve heeft, ik nog achting voor mij zelven heb, en daarom aandring op mijne schikkingen voor morgen.”—“Zeg uw souvereinen meester, mijnheer,” zeide Edith, “dat ik verlof wilde verzoeken om hem straks daarover te spreken, en dat ik hem alleen wilde spreken.”—“Daar mijnheer Carker, mevrouw,” zeide haar echtgenoot, “bewust is van de reden, die mij verplicht om u dat voorrecht te weigeren, zal hij van het overbrengen van zulk eene boodschap ontheven zijn.”
Hij zag terwijl hij sprak hare oogen bewegen, en volgde ze met de zijne.
“Uwe dochter is nog hier, mijnheer,” zeide Edith.—“Mijne dochter zal hier blijven,” antwoordde Dombey.
Florence, die was opgestaan, zette zich weder, en verborg bevende haar gezicht met hare handen.
“Mijne dochter, mevrouw,” begon Dombey.
Maar Edith stuitte hem met eene stem, die hoewel in het minst niet luider dan anders, zoo helder, nadrukkelijk en duidelijk was, dat men ze in eene stormvlaag had kunnen hooren.
“Ik zeg u, dat ik u alleen wilde spreken,” zeide zij. “Als gij niet razend zijt, geef dan acht op wat ik zeg.”—“Ik heb het recht en de macht, mevrouw,” antwoordde haar echtgenoot, “om te spreken waar en wanneer het mij belieft; en het belieft mij nu en hier...”
Zij stond op, als om de kamer te verlaten; maar zij zette zich weder neder, en hem met uitwendige kalmte aanziende, zeide zij met dezelfde stem:
“Dat zult gij dan.”—“Ik moet u eerst zeggen, mevrouw,” zeide Dombey, “dat er iets dreigends in uw voorkomen is, dat u niet past.”
Zij lachte. De diamanten in haar kapsel trilden er van. Er zijn fabelen van edele steenen, die bleek en dof werden, wanneer die ze droeg, in gevaar verkeerde. Indien deze diamanten zulke steenen waren geweest, zouden de daarin gevangene lichtstralen op dat oogenblik de vlucht genomen, en zouden zij zoo dof als lood zijn geworden.
Carker luisterde met neergeslagene oogen.
“Wat mijne dochter aangaat mevrouw,” zeide Dombey, den draad zijner rede weder opvattende, “is het geenszins onbestaanbaar met haar plicht jegens mij, dat zij wete welk gedrag zij behoort te vermijden. Voor het tegenwoordige zijt gij een zeer krachtig voorbeeld van dien aard, en ik hoop dat zij daaruit nut zal trekken.”—“Ik zou u nu niet willen stuiten,” antwoordde zijne vrouw, onveranderlijk in blik, stem en houding, “ik zou niet willen opstaan en heengaan, om u het uiten van een enkel woord te besparen, al stond de kamer in brand.”
Dombey bewoog even zijn hoofd, als ware het om spottend voor die oplettendheid te danken, en sprak voort, maar niet met zooveel bedaardheid als te voren; want Edith’s gevoeligheid voor hetgeen Florence betrof, en hare onverschilligheid voor hem en zijn ongenoegen, staken en prikkelden hem, gelijk eene onverbonden verstijvende wond.
“Mevrouw Dombey,” zeide hij, “het zal misschien voor mijne dochter niet nutteloos zijn te vernemen, hoe beklagenswaardig en hoe strafbaar eene stugheid van gemoedsaard is, vooral wanneer deze wordt ingevolgd—met ondankbaarheid ingevolgd, wil ik er bijvoegen,—nadat eerzucht en belangzucht bevredigd zijn; welke beide, geloof ik, er eenig deel aan hadden om u te bewegen, om uwe tegenwoordige plaats aan deze tafel in te nemen.”—“Neen,” herhaalde zij, op volmaakt denzelfden toon als te voren; “ik zou niet willen opstaan en heengaan, om u het uiten van een enkel woord te besparen, al stond de kamer in brand.”—“Het mag niet onnatuurlijk wezen, mevrouw,” vervolgde hij, “dat gij slecht op uw gemak zijt in het bijzijn van toehoorders van zulke onaangename waarheden, schoon ik niet begrijp hoe—” hij kon hier zijn waar gevoel niet verbergen, en zich niet weerhouden van een somberen blik naar Florence te werpen,—“hoe iemand daaraan meer kracht en nadruk kan geven dan ik zelf, wien zij zoo nabij betreffen. Het mag natuurlijk genoeg wezen, dat gij er tegen hebt om in iemands bijzijn te hooren, dat er een beginsel van weerspannigheid in u is, dat gij niet te spoedig kunt bedwingen; dat gij moet leeren bedwingen, mevrouw Dombey; en dat ik met leedwezen moet zeggen, dat ik reeds met twijfel en ongenoegen—vóór ons huwelijk bij meer dan eene gelegenheid tegen uwe overledene moeder heb zien uitblinken. Maar gij hebt het middel daartegen in uwe macht. Ik vergat geenszins, toen ik begon, dat mijne dochter aanwezig was, mevrouw Dombey. Ik verzoek dat gij morgen niet zult vergeten, dat er verscheidene personen aanwezig zijn, en dat gij, met zekere achting voor den schijn, uw gezelschap op eene behoorlijke manier zult ontvangen.”—“Dus is het niet genoeg,” zeide Edith, “dat gij weet, wat er tusschen u en mij is voorgevallen; het is niet genoeg, dat gij hierheen kunt zien”—naar Carker wijzende, die nog met neergeslagen oogen zat te luisteren—“en u herinneren, welke vernederingen gij mij hebt gedaan; het is niet genoeg dat gij hierheen kunt zien,” naar Florence wijzende, met eene hand, die voor de eerste en eenige maal eenigszins beefde, “en denken aan hetgeen gij gedaan hebt, en aan het welberekende zieleleed, dat gij mij daardoor elken dag en ieder uur hebt doen gevoelen; het is niet genoeg dat deze dag, boven alle andere in het jaar, voor mij gedenkwaardig is door een zielestrijd (wel verdiend, maar voor iemand als gij niet te begrijpen) waarin ik wenschte dat ik gestorven was. Gij voegt bij dat alles nog de laatste alles bekronende laagheid, om haar tot getuige te maken van de diepte waartoe ik gevallen ben; terwijl gij weet, dat gij mij aan hare rust het eenige zachte gevoel, de eenige reine belangstelling van geheel mijn leven hebt doen opofferen; terwijl gij weet, dat ik om harentwil nu nog als ik kon—maar ik kan niet, mijne ziel heeft al te veel afschuw voor u—mij geheel aan uw wil zou willen onderwerpen, en de ootmoedigste van uwe slaven zijn.”
Dit was de manier niet om Dombey’s grootheid te huldigen. Door hetgeen zij zeide werd het oude gevoel weder bij hem opgewekt, krachtiger en woester dan ooit. Wederom werd, in dit pijnlijke tijdsgewricht van zijn leven, zijn verwaarloosd kind, zelfs door deze weerspannige vrouw, voor hem geplaatst, als machtig waar hij machteloos was, als alles waar hij niets was!
Hij keerde zich naar Florence, alsof zij het was, die gesproken had, en beval haar de kamer te verlaten. Florence ging, bevende en schreiende en met de handen voor de oogen.
“Ik begrijp, mevrouw,” zeide Dombey met eene hoogere kleur van gramschap, maar vol zegepralenden trots, “den geest van oppositie wel, die uwe neigingen deze richting heeft doen nemen; maar men heeft dat gezien, mevrouw, en gestuit.”—“Des te erger voor u,” antwoordde zij, nog met onveranderde stem en houding. “Ja!” want hij keerde zich scherp naar haar om toen zij dit zeide; “want wat voor mij des te erger is, is twintig millioen malen des te erger voor u. Geef acht daarop, al geeft gij op niets anders acht.”
De boog van diamanten, die hare donkere lokken overspande, flikkerde en schitterde als eene brug van sterren. Zij hadden geen waarschuwend vermogen, of zij zouden zoo dof zijn geworden als geschondene eer. Carker bleef nog met neergeslagen oogen zitten luisteren.
“Mevrouw Dombey,” zeide Dombey, zooveel hij kon van zijne laatdunkende bedaardheid hernemende, “gij zult mij door zulk een gedrag niet bevredigen of van eenig voornemen doen afzien.”—“Het is de eenige ware, al is het eene flauwe uitdrukking van wat er in mijn binnenste is,” antwoordde zij. “Maar als ik dacht dat het u zou bevredigen, zou ik het bedwingen, als het door menschelijke kracht te bedwingen was. Ik wil niets doen dat gij vraagt.”—“Ik ben niet gewoon om te vragen, mevrouw Dombey,” merkte hij aan. “Ik beveel.”—“Ik zal morgen, of wanneer ooit zulk een dag als morgen terugkomt, geene plaats in uw huis bekleeden. Ik wil aan niemand vertoond worden als de weerspannige slavin, die gij op zulk een dag gekocht hebt. Als ik mijn trouwdag gedachtig was, zou het zijn als een dag van schaamte en schande. Achting voor mij zelve! schijn voor de wereld! Wat zijn zulke dingen voor mij? Gij hebt alles gedaan wat gij kondt om ze niets voor mij te doen worden, en zij zijn niets.”—“Carker,” zeide Dombey, na een oogenblik bedenkens, met saamgetrokkene wenkbrauwen, “mevrouw Dombey vergeet zich zelve en mij zoozeer, en plaatst mij in eene positie, die mijn karakter zoo weinig voegt, dat ik aan dien staat van zaken een eind moet maken.”—“Laat mij dan vrij,” zeide Edith, onveranderlijk van stem, uitzicht en houding, gelijk zij aldoor geweest was, “van de keten die mij bindt. Laat mij gaan.”—“Mevrouw?” riep Dombey uit.—“Laat mij los. Stel mij weder in vrijheid!”—“Mevrouw?” herhaalde hij. “Mevrouw Dombey?”—“Zeg hem,” zeide Edith, haar trotsch gelaat naar Carker omkeerende, “dat ik eene echtscheiding verlang. Dat het beter zou zijn als die plaats had. Dat ik hem dit aanraad. Zeg hem, dat zij op zijne eigene conditiën kan plaats hebben—zijn geld is niets voor mij—maar dat het niet te spoedig kan zijn.”—“Goede hemel, mevrouw Dombey!” zeide haar echtgenoot, met statige verbazing, “verbeeldt gij u de mogelijkheid, dat ik ooit naar zulk een voorstel zou kunnen luisteren? Weet ge wel wie ik ben, mevrouw? Weet gij wel wat ik representeer? Hebt gij wel ooit van Dombey en Zoon gehoord? De menschen zeggen, dat mijnheer Dombey—mijnheer Dombey—van zijn vrouw gescheiden was! Gemeene lieden over mijnheer Dombey en zijne huiselijke omstandigheden praten! Denkt gij in ernst, mevrouw, dat ik zou dulden, dat mijn naam zoo in opspraak kwam? Foei, mevrouw, foei, schaam u! Gij wordt ongerijmd.” Dombey lachte werkelijk.
Maar niet gelijk zij lachte. Zij zou beter dood zijn geweest, dan zoo te lachen als zij nu deed, met haar strakken blik op hem gevestigd. Hij zou beter dood zijn geweest, dan dat hij haar zoo statig zat aan te hooren.
“Neen, mevrouw Dombey,” hervatte hij. “Neen, mevrouw. Er is geene scheiding tusschen u en mij mogelijk, en daarom raad ik u des te meer de oogen te openen voor het besef van uw plicht. En, Carker, gelijk ik u wilde zeggen...”
Carker, die al dien tijd had zitten luisteren, sloeg nu zijne oogen op, waarin een buitengewone glans flikkerde.
“Gelijk ik u wilde zeggen,” hervatte Dombey, “moet ik u verzoeken, nu de zaak zoover gekomen is, om mevrouw Dombey te onderrichten, dat het geen regel van mijn leven is, mij door iemand te laten dwarsboomen—of te dulden, dat er door hen, die mij gehoorzaamheid schuldig zijn, met iemand gepronkt wordt als eene sterkere reden tot gehoorzaamheid dan ik zelf ben. De melding die van mijne dochter gemaakt wordt, en het gebruik dat er van mijne dochter, in oppositie tegen mij, gemaakt wordt, zijn iets onnatuurlijks. Of mijne dochter werkelijk in verbond met mevrouw Dombey is, weet ik niet en kan mij niet schelen; maar na hetgeen mevrouw Dombey vandaag gezegd heeft, en mijne dochter vandaag gehoord heeft, verzoek ik u mevrouw Dombey te doen weten, dat ik, als zij voortgaat met dit huis tot een tooneel van oneenigheid te maken, mijne dochter, volgens de eigene bekentenis dier dame, eenigermate verantwoordelijk daarvoor zal achten, en haar mijn gestreng ongenoegen zal laten ondervinden. Mevrouw Dombey heeft gevraagd of het niet genoeg was, dat zij dit en dat had gedaan. Gij zult zoo goed zijn haar te antwoorden—neen, het is niet genoeg.”—“Een oogenblikje,” viel Carker er op in. “Neem mij niet kwalijk. Zoo pijnlijk als mijne positie, ten beste genomen, is, buitengewoon pijnlijk, daar ik moet schijnen in gevoelen van u te verschillen,” dit was tot Dombey gericht, “moet ik u toch vragen, zoudt ge niet beter doen met nog eens over dat punt van eene scheiding te denken? Ik weet wel hoe onvereenigbaar zoo iets met uwe hooge openbare positie moet schijnen, en ik weet wel hoe ernstig gij het meent als gij mevrouw Dombey te verstaan geeft”—zijn blik viel op haar, terwijl hij die woorden een voor een uitsprak, zoo duidelijk van elkander afgezonderd als zoovele klokslagen—“dat niets dan de dood u ooit kan scheiden. Niets anders. Maar als gij bedenkt dat mevrouw Dombey, door in dit huis te blijven wonen, en het, gelijk gij zegt, tot een tooneel van oneenigheid te maken, niet alleen voor zich zelve handelt, maar ook dagelijks jufvrouw Dombey compromitteert (want ik weet hoe ernstig gij zoo iets meent), wilt gij haar dan niet ontheffen van zulk eene gedurige kwelling als het gevoel van iemand anders te benadeelen voor haar wezen moet? Schijnt dit niet eenigszins—ik zeg niet dat het zoo is—alsof gij mevrouw Dombey aan het behoud van uwe uitstekende en onaantastbare positie opoffert?”
Wederom viel zijn blik op haar, terwijl zij haar man met een zonderlingen, dreigenden glimlach aanzag.
“Carker,” antwoordde Dombey met statig misnoegen, en op een toon, die beduiden moest dat hij daarmede aan alles een eind maakte, “gij vergist u in uwe positie door mij op zulk een punt raad te willen geven, en gij vergist u (tot mijne verwondering) in mij, wat den aard van uw raad betreft. Ik heb niet meer te zeggen.”—“Misschien,” zeide Carker, met iets hoonends in zijn toon, dat wel zonderling maar moeielijk bepaald aan te duiden was, “hebt gij u in mijne positie vergist, door mij te vereeren met de onderhandelingen waarin ik hier betrokken ben geweest.” Hij wuifde met de hand naar mevrouw Dombey.—“Volstrekt niet, mijnheer, volstrekt niet,” antwoordde de ander trotsch. “Gij werdt gebruikt...”—“Als een ondergeschikte, om mevrouw Dombey des te meer te vernederen. Dat vergat ik. O ja, dat was uitdrukkelijk bepaald,” zeide Carker. “Ik verzoek u wel verschooning.”
Terwijl hij voor Dombey zijn hoofd boog, met eene onderdanigheid die slecht met zijne woorden strookte, hoewel zijn toon ook zeer nederig was, keerde hij het naar den kant van Edith om en hield hij zijne waakzame oogen op haar gevestigd.
Beter dat zij afschuwelijk leelijk was geworden en dood was neergevallen, dan dat zij opstond met zulk een glimlach op haar gelaat en met de schoonheid en den hoonenden trots van een gevallen engel. Zij bracht hare hand naar den diadeem van juweelen, die op haar hoofd schitterde, en rukte hem af met een geweld, dat hare welige zwarte lokken deed losraken en over hare schouders vallen. Toen wierp zij de juweelen op den grond. Zij rukte van elken arm eene diamanten bracelet los, smeet ze neer en trapte op den flikkerenden hoop. Zonder een woord te spreken, zonder dat het vuur in hare oogen eenigszins verflauwde, zonder dat haar geduchte glimlach eenigszins veranderde, bleef zij, terwijl zij naar de deur ging, Dombey tot het laatste toe aanzien; en zoo verliet zij hem.
Florence had, eer zij de kamer uitging, genoeg gehoord, om te weten, dat Edith haar nog liefhad, dat zij om harentwil had geleden, en dat zij hare opoffering had stilgehouden, uit vrees van hare rust te storen. Zij wilde haar niet daarover spreken—zij kon dit niet doen, daar zij bedacht tegen wien Edith in opstand was—maar zij wenschte haar door eene stille, hartelijke omhelzing te verzekeren, dat zij dat alles gevoelde en haar dankbaar was.
Haar vader ging dien avond alleen uit, en Florence, kort daarna uit hare kamer komende, liep het huis door om Edith te zoeken, maar vruchteloos. Zij was in hare eigene vertrekken, waarin Florence sedert lang niet geweest was, en nu niet durfde komen, uit vrees van aanleiding tot nog meer ongenoegen te geven. Florence hoopte haar echter nog te ontmoeten eer zij naar bed ging, en dwaalde van kamer tot kamer door het zoo prachtige en akelige huis, zonder zich ergens lang op te houden.
Zij ging een kleinen gang langs, die een weinig verder op de trap uitkwam, en alleen bij groote gelegenheden verlicht werd, toen zij aan het einde een man de trap zag afkomen. Thans bevreesd voor haar vader, dien zij dacht dat het was, bleef zij in het donker staan en keek uit op de verlichte trap. Maar het was Carker, die alleen naar beneden kwam en over de leuning naar het voorhuis keek. Er werd niet gescheld om zijn heengaan aan te kondigen, en geen bediende liet hem uit. Hij ging stil naar beneden, opende zelf de deur en trok die zachtjes achter zich dicht.
Haar onoverwinnelijke afkeer van dezen man, en misschien het gevoel dat zij iemand bespiedde, hetwelk zelfs onder zulke omstandigheden altijd iets benauwends en beschamends heeft, deden Florence van het hoofd tot de voeten beven. Zij huiverde. Zoodra zij kon—want in het eerst durfde zij zich niet bewegen—ging zij snel naar hare eigene kamer en sloot de deur; maar zelfs toen, met haar hond bij haar opgesloten, gevoelde zij een killen angst, alsof ergens in hare nabijheid gevaar dreigde.
Dit gevoel bleef haar zelfs in hare droomen bij en hield haar den geheelen nacht in onrust. Des morgens onverkwikt en met eene benauwende herinnering van het huiselijk ongenoegen van den vorigen dag opstaande, zocht zij Edith wederom in al de kamers, en dit deed zij van tijd tot tijd den geheelen ochtend. Maar Edith bleef in hare eigene kamer, en Florence zag haar niet. Toen zij echter vernam dat het voorgenomen diner thuis was uitgesteld, achtte Florence het waarschijnlijk dat Edith des avonds, volgens haar vroeger besluit, zou uitgaan, en nam zij zich voor dan te beproeven om haar op de trap te ontmoeten.
Toen de avond gevallen was hoorde zij in de kamer, waarin zij met voordacht was gaan zitten, een voetstap op de trap, dien zij voor Edith’s voetstap hield. De deur uitsnellende en naar boven gaande kwam Florence haar terstond te gemoet. Edith kwam alleen naar beneden.
Maar hoe schrikte Florence, toen Edith, zoodra zij haar zag, met haar betraand gezichtje en hare uitgestrekte armen, terugdeinsde en gilde.