Dombey en Zoon

Part 65

Chapter 654,029 wordsPublic domain

“Ik zeg, hoewel er geen band tusschen ons bestaat, bid ik u, doe mij toch geene noodelooze vernederingen aan, en leg datgene, wat ik zeg of zeggen wilde, niet verkeerd uit. Ik wilde u maar onder het oog brengen, dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij, die boven anderen bevorderd en onderscheiden zijt (in het begin, dat weet ik, om uwe bekwaamheden en uw gedrag uitgekozen) en die vrijer dan iemand anders met mijnheer Dombey omgaat, en men mag zeggen op gelijken voet met hem staat, en door hem begunstigd en verrijkt zijt—dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij de eenige zijt die bezorgd is voor zijn welzijn en zijne eer. Er is niemand op het kantoor, van u zelven af tot den laagsten, geloof ik oprecht, die niet in dat gevoel deelt.”—“Gij liegt!” zeide de chef, plotseling rood van gramschap. “Gij zijt een huichelaar, John Carker, en gij liegt!”—“James!” riep de ander uit, op zijne beurt rood wordende. “Wat meent gij met zulke beleedigende woorden? Hoe kunt gij zoo laag zijn om ze mij ongetergd toe te voegen?”—“Ik zeg u,” antwoordde de chef, “dat ik uwe huichelarij en zoetsappigheid—en al de huichelarij en zoetsappigheid hier—niet zooveel tel,” daarbij knipte hij met duim en vinger, “en dat ik er mij niet door laat blinddoeken. Er is niemand hier, tusschen mij en den laagsten (van wien gij met reden zoo uitdrukkelijk spreekt, want hij is niet veraf) die in zijn hart niet verheugd zou zijn, als hij zijn meester vernederd zag, die hem niet heimelijk haat, die hem niet veeleer kwaad dan goed wenscht, die zich niet tegen hem zou keeren, als hij maar macht en moed genoeg had. Hoe dichter bij zijne gunst, des te dichter bij zijne insolentie, hoe dichter bij hem, des te verder van hem af. Zoo denkt men hier!”—“Ik weet niet,” zeide zijn broeder, wiens opgewekte drift spoedig voor verwondering had plaats gemaakt, “wie u zulke gedachten mag hebben ingefluisterd, of waarom gij mij gekozen hebt om op de proef te stellen, liever dan een ander. Maar dat gij mij op de proef stelt en mij wilt uitlokken, zie ik nu duidelijk. Uw toon en uitzicht zijn geheel anders, dan ik ooit van u heb gezien. Ik zal u alleen nog maar zeggen, dat gij bedrogen wordt.”—“Dat weet ik wel,” zeide de chef. “Dat heb ik u zelf al gezegd.”—“Niet door mij,” antwoordde zijn broeder. “Door uw berichtgever, als gij er een hebt; zoo niet, door uwe eigene gedachten en vermoedens.”—“Ik heb geene vermoedens,” zeide de chef. “Mijne vermoedens zijn zekerheden. Gij laffe, kruipende honden, die allen dezelfde vertooning maakt, allen dezelfde betuigingen uitjankt, allen hetzelfde doorzichtige geheim wilt verbergen.”

Zijn broeder ging heen zonder iets meer te zeggen, en sloot bij de laatste woorden de deur. Carker de chef schoof een stoel dicht bij het vuur, en ging met den pook zachtjes op de kolen zitten tikken.

“De flauwhartige, fleemerige pluimstrijkers!” prevelde hij, zijne beide rijen blinkende tanden toonende. “Er is er geen een onder, die zich niet houden zou alsof hij ontsteld en geërgerd was—Bah! er is er geen een onder, die, als hij de macht maar had, en verstand en moed om ze te gebruiken, Dombey’s trots niet met zoo weinig verschooning zou vernederen en vergruizen, als ik deze asch uitrakel.”

Terwijl hij ze onder den rooster strooide, keek hij met een peinzenden glimlach naar zijn misdrijf. “En dat zonder dat zulk eene koningin hem wenkte!” voegde hij er weldra bij. “En, daar is ook trots—niet te vergeten—getuige onze eigene kennisgeving!” Daarmede zonk hij in nog dieper gepeins, en bleef zoo mijmerend voor het uitgebrande vuur zitten, tot hij opstond evenals iemand die zich in een boek had verdiept; hij keek rond, nam zijn hoed en zijne handschoenen, ging naar de plaats waar zijn paard hem wachtte, steeg op en reed voort door de verlichte straten—want het was nu avond.

Hij reed naar Dombey’s huis, liet, toen hij dit naderde, zijn paard stappen, en keek naar de vensters op. Het venster, waarvoor hij eens Florence met haar hond had gezien, trok het eerst zijne aandacht, hoewel het niet verlicht was; maar hij glimlachte terwijl hij zijne oogen langs den hoogen gevel liet gaan, en scheen dat voorwerp met minachting achter te laten.

“Er was een tijd,” zeide hij, “toen het goed was zelfs op uwe kleine opkomende ster te letten, en te weten in welken hoek er wolken waren, om u, zoo noodig schaduw te geven. Maar er is een planeet opgekomen, en gij zijt in haar licht verloren.”

Hij wendde zijn paard den hoek van de zijstraat om, en zocht naar een verlicht venster aan den achterkant van het huis. Dit deed hem denken aan zekere statige gedaante, en aan eene gehandschoende hand; en zich herinneren hoe de vederen uit de vlerk van een schitterenden vogel op den grond gestrooid waren, en hoe het witte dons om zekeren hals zich bewogen had alsof er in de verte een stormwind opkwam. Dit waren de dingen die hij medenam, toen hij weder omkeerde en snel door de donkere en verlatene parken reed.

De noodlottige waarheid was dat hij dacht aan eene vrouw, eene trotsche vrouw, die hem haatte, maar die er door zijne list en haar trots met langzame maar zekere schreden toe gebracht was om zijn gezelschap te verduren, en hem te ontvangen als iemand, die het voorrecht had om haar van haar uitdagenden wrok tegen haar eigen man en van hare onverschilligheid voor hare eigene achting te spreken. Hij dacht aan eene vrouw, die hem gloeiend haatte, en die hem kende, en die hem wantrouwde, omdat zij hem kende, en omdat hij haar kende; maar die haar woesten wrok voedsel gaf door hem dagelijks nader en nader te laten komen, in spijt van den haat dien zij tegen hem koesterde. In spijt daarvan! Juist uit hoofde van dien haat, omdat in eene diepte, waarin zelfs haar dreigend oog nog niet kon doordringen, hoewel zij flauw onderscheidde wat er in lag, eene gruwelijke wraak school, waarvan de minste gedachte hare ziel reeds genoeg zou bevlekt hebben, al had zij zich ook huiverend daarvan afgewend.

Zweefde de schim van zulk eene vrouw met hem mede op zijn rit? Geleek die schim naar hetgeen zij werkelijk was, en was zij voor hem zichtbaar?

Ja. Hij zag haar in zijn geest, juist gelijk zij was. Zij vergezelde hem met haar trots, haar wrok, haar haat, even duidelijk zichtbaar voor hem als hare schoonheid—niets was voor hem duidelijker dan dat zij hem haatte. Hij zag haar somtijds trotsch en fier afwijzend voor hem staan, en somtijds voor de hoeven van zijn paard gevallen en in het stof. Maar hij zag haar altijd gelijk zij was, zonder vermomming, en sloeg haar gade op den gevaarlijken weg dien zij ging.

En toen hij zich na zijn rit had verkleed, en met gebogen hoofd, zachte stem en vriendelijken glimlach hare helder verlichte kamer binnentrad, zag hij haar nog even duidelijk. Hij vermoedde zelfs het geheim der gehandschoende hand, en hield die, om dat vermoeden, des te langer in de zijne. Hij bleef haar nog bij op den gevaarlijken weg dien zij ging; en geen voetstap teekende zij daarop, of hij zette daar onmiddellijk zijn eigen voet.

XLVII.

DE DONDERSLAG.

De scheidsmuur tusschen Dombey en zijne vrouw werd door den tijd niet verzwakt. Voor dat slecht gepaarde paar, ongelukkig in zich zelf en in elkander, door geen band vereenigd dan door de kluister, die hunne geboeide handen samenvoegde, en zoodanig knelde, dat zij, als zij huiverend voor elkander terugweken, tot op het been toe doordrong, kon de tijd, die trooster van droefheid en verzachter van gramschap, niets doen. Hun trots, hoewel verschillend in soort en voorwerp, was gelijk in trap; de steenharde botsing daarvan sloeg een vuur tusschen hen, dat naar omstandigheden mocht smeulen of vlammen, maar alles wat in hun wederzijdsch bereik was verteerde en hun huwelijksweg met asch bestrooide.

Laten wij billijk voor hem zijn. In zijne gedrochtelijke zelfmisleiding en verdwaasdheid, die met ieder uur van zijn leven grooter en erger werd, dreef hij haar voort—hij dacht weinig waarheen; maar zijn gevoel voor haar, zooals het dan was, bleef toch van het begin af hetzelfde. Zij had het groote gebrek om zich op eene onverklaarbare manier tegen de erkentenis van zijn alles te boven gaand gezag te willen verzetten, en niet te willen zien dat zij zich daaraan volkomen behoorde te onderwerpen, en in zooverre was het noodig haar te straffen en te vernederen; maar anders beschouwde hij haar nog, op zijne koele manier, als eene dame die in staat was, indien zij wilde, om zijne keus en zijn naam eer aan te doen, en hem als haar eigenaar nog meer te verhoogen.

Zij daarentegen vestigde, met al de kracht van een hartstochtelijken en trotschen wrok—van dien nacht in hare eigene kamer af, toen zij naar de schaduwen op den muur zat te staren in den donkerder nacht die spoedig zou dalen—haar dreigenden blik van dag tot dag op eene gedaante, en deze gedaante was nog altijd die van haar man.

Was Dombey’s hoofdgebrek, dat hem zoo onverbiddelijk beheerschte, een onnatuurlijke karaktertrek? Het zou somtijds de moeite waard zijn te vragen wat de natuur is, en hoe de menschen haar kunnen bederven, en of het, wanneer haar zoodanig geweld wordt aangedaan, niet natuurlijk wordt onnatuurlijk te zijn. Sluit een zoon of dochter onzer groote moeder in eene enge ruimte op, boei hem aan een denkbeeld vast, kweek en voed dat denkbeeld door de slaafsche hulde van eenige vreesachtige of arglistige menschen, die hem omgeven, en wat is natuurlijk voor den gewilligen gevangene, die zich nooit op de vleugelen van een vrijen geest heeft verheven—vleugelen, die spoedig geheel krachteloos en onbruikbaar worden—om de natuur in hare uitgebreide waarheid te zien!

Helaas, zijn er zoo weinige dingen in de wereld om ons heen, die alleronnatuurlijkst en toch als zoodanig zeer natuurlijk zijn? Hoor den rechter de onnatuurlijke uitvaagsels der maatschappij vermanen, onnatuurlijk in hunne dierlijke levenswijs, onnatuurlijk in hun gebrek aan schaamte, onnatuurlijk daarin dat zij alle onderscheid van goed en kwaad vergeten en verwarren; onnatuurlijk in onkunde, in ondeugd, in roekeloosheid, in weerspannigheid, in gemoed, in uitzicht, in alles. Maar volg den braven geestelijke of geneesheer, die, terwijl hij bij elken ademtocht zijn leven in gevaar stelt, in hunne holen afdaalt, binnen gehoor van de wielen onzer rijtuigen en van onze voetstappen op de straatsteenen. Zie rond in eene wereld van afschuwelijkheden—millioenen van onsterfelijke wezens hebben op aarde geene andere wereld—op welker vermelding alleen de menschheid ijst en de kiesche dame, die in de naaste straat woont, de ooren dichthoudt en lispelt: “Ik geloof het niet!” Adem die besmette lucht, beladen met elke onreinheid, die leven en gezondheid kan vernielen, en laat ieder zintuig, aan ons geslacht tot genot en geluk gegeven, beleedigen en tot eene poort voor ziekte en dood maken. Poog vruchteloos aan eene onschuldige plant, of bloem, of heilzaam kruid te denken, die in dezen rotten grond gezet, haar natuurlijken groei zou kunnen ontwikkelen, en hare blaadjes in den zonneschijn uitspreiden, gelijk God haar bestemd had te doen. En roep dan een akelig kind, misvormd van lichaam en met een gezichtje vol ondeugd, en weid uit over de onnatuurlijke zondigheid van dat kind, en jammer dat het, zoo vroeg, zoo ver van den hemel verwijderd is—maar bedenk dan dat het in de hel ontvangen, geboren en opgevoed werd!

Zij, die de natuurkundige wetenschappen bestudeeren en op de gezondheid des menschen toepassen, zeggen ons dat, indien de schadelijke deeltjes, die uit eene bedorven lucht oprijzen, voor het oog zichtbaar waren, wij ze boven zulke verblijven als eene dichte zwarte wolk zouden zien zweven en langzaam voortrollen om de betere gedeelten der stad te besmetten. Maar indien de zedelijke pest, die te gelijk daarmede oprijst, en volgens de eeuwige wetten der geschondene natuur, onafscheidbaar daarvan is, insgelijks zichtbaar kon worden, welk een geducht schouwspel zou dat zijn! Dan zouden wij zedebederf, goddeloosheid, dronkenschap, diefstal, moord en een langen sleep van namelooze zonden tegen de natuurlijke neigingen der menschheid, boven die heillooze plekken zien zweven en voortsluipen, om de besmetting in nog reine plekken te verspreiden. Dan zouden wij zien hoe dezelfde vergiftige bronnen, die onze hospitalen en pesthuizen vullen, dit ook de gevangenissen en transportschepen van veroordeelden doen, en over zeeën heen nog uitgestrekte werelddeelen met misdaad overstroomen. Dan zouden wij versteld staan, als wij zagen dat, waar wij ziekten telen om onze kinderen neer te vellen en zich op nog ongeborene geslachten voort te planten, wij ook te gelijk eene kindsheid kweeken, die geene onschuld kent, eene jeugd zonder zedigheid of schaamte, een rijpen leeftijd van schuld en smart, een ouderdom zoo ellendig en afzichtelijk, dat hij een smaad is voor de gedaante, die wij dragen. Die natuurlijke menschheid! Wanneer wij druiven van doornen en vijgen van distelen zullen plukken, wanneer koren zal spruiten uit den afval in de achterstraten onzer steden, en rozen zullen bloeien op de vette kerkhoven die zij bevatten; dan zullen wij naar eene natuurlijke menschheid mogen zoeken en haar uit zulk een zaad vinden groeien.

O, kwam er een goede geest, die de daken der huizen afnam, met machtiger en welwillender hand dan de kreupele duivel uit het verhaal, en een christelijk volk toonde, welk eene donkere gedaante er tusschen hunne woningen oprijst om den stoet des verdelgenden engels, die onder hen uitgaat, te vergrooten! Dat men slechts één nacht de bleeke schimmen kon zien, die uit de tooneelen van ons al te lang verzuim oprijzen, en uit de dikke lucht, waarin misdrijven en ziekten zich vermenigvuldigen, een regen van straffen op de maatschappij doen nederdalen! Gezegend en helder zou de morgen zijn, die op zulk een nacht volgde; want de menschen, niet langer vertraagd door struikelblokken van hun eigen maaksel, die slechts spatjes stof zijn op den weg tusschen hen en de eeuwigheid, zouden dan, als wezens van gemeenschappelijken oorsprong, op wie dezelfde plicht jegens den vader des huisgezins rust, zich beijveren om de wereld tot eene betere woonplaats te maken!

Niet te minder gezegend en schoon zou die dag wezen, wanneer hij sommigen deed ontwaken, die nog nooit naar de menschheid en het leven om hen heen hebben rondgezien, om hunne eigene betrekking daarmede op te merken, en te begrijpen hoe onnatuurlijk hunne bekrompene begrippen en gevoelens zijn, die evenwel, wanneer zij zich eens hebben gevestigd, zich zoo natuurlijk ontwikkelen, als ooit de verbastering der natuur gedaan heeft.

Geen zoodanige dag daagde ooit voor Dombey en zijne vrouw, en beide vervolgden hun weg.

Gedurende zes maanden, die na zijn ongeluk verliepen, bleven zij in dezelfde betrekking tot elkander. Geene marmeren rots had hem onverzettelijker in den weg kunnen staan dan zij deed; en geene bevrozene bron, voor elken lichtstraal verborgen in de diepte eener sombere grot gelegen, kon donkerder en kouder zijn dan hij.

De hoop, die in haar ontwaakt was toen haar nieuw thuis haar een nieuw leven scheen te beloven, was geheel uit Florence’s hart verdwenen. Dat thuis was bijna twee jaren oud, en zelfs haar geduldig vertrouwen kon de dagelijksche teleurstelling van zulk eene ondervinding niet overleven. Indien er nog een zweem van hoop bij haar bestond, dat Edith en haar vader eens gelukkiger met elkander zouden zijn, zij had toch nu geene de minste hoop dat haar vader haar ooit zou liefhebben. De korte tusschenpoos, waarin zij zich verbeeld had dat zij hem eenigszins zag verzachten, was nu vergeten in de lange herinnering van zijne koelheid vroeger en later, of werd alleen nog maar als een zelfbedrog herdacht.

Florence had hem nog lief, maar was er langzamerhand toe gekomen om hem veeleer lief te hebben als een dierbaar wezen, dat eens had bestaan of kunnen bestaan, dan als de harde werkelijkheid voor hare oogen. Iets van de zachte treurigheid, waarmede zij de nagedachtenis van den kleinen Paul of van hare moeder liefhad, scheen zich nu met hare gedachten aan hem te vereenigen en deze als het ware tot eene dierbare herinnering te maken. Of het zoo was omdat hij voor haar dood was, en gedeeltelijk om deze reden, gedeeltelijk om zijne betrekking tot de oude voorwerpen harer genegenheid en de teedere hoop, die zij zoolang had gekoesterd, had zij niet kunnen zeggen; maar de vader, dien zij liefhad, begon een onbestemd en droomerig denkbeeld voor haar te worden, dat bijna even weinig met haar werkelijk leven in zelfstandig verband stond als het beeld dat zij somtijds van haar broeder opriep, alsof hij nog leefde en tot een man opgroeide, die haar zou beschermen en liefhebben.

Deze verandering, als het verandering mag genoemd worden, had haar even langzaam bekropen als de overgang uit de kindsheid in den vrouwelijken leeftijd, en was daarmede gepaard gegaan. Florence was bijna zeventien jaren, toen zij zich onder haar eenzaam gepeins van deze gedachten bewust werd.

Zij was nu dikwijls alleen, want de vroegere omgang tusschen haar en hare mama was zeer verminderd. Ten tijde van haar vaders ongeval, toen hij beneden in zijne kamer lag, had Florence het eerst opgemerkt dat Edith haar vermeed. Gegriefd en bedroefd, en toch buiten staat om dit vermijden overeen te brengen met hare hartelijkheid als zij elkander zagen, ging zij haar nog eens des avonds in hare kamer opzoeken.

“Mama,” zeide Florence, zachtjes naast haar komende, “heb ik u boos gemaakt?”

Edith antwoordde: “Neen.”—“Ik moet toch iets gedaan hebben,” zeide Florence. “Zeg mij wat het is. Gij zijt geheel voor mij veranderd, lieve mama. Ik kan niet zeggen hoe gauw ik de minste verandering gevoel; want ik heb u lief met geheel mijn hart.”—“Evenals ik u,” zeide Edith. “Ach, Florence, geloof mij, nooit liever dan nu.”—“Waarom gaat gij dan zoo dikwijls van mij af en blijft van mij weg?” zeide Florence. “En waarom ziet ge mij somtijds zoo vreemd aan, mama? Gij doet toch immers zoo, niet waar?”

Edith gaf met hare donkere oogen hare toestemming te kennen.

“Waarom?” hervatte Florence smeekend. “Zeg mij toch waarom, dat ik weten mag hoe ik het u beter naar den zin zal maken; en zeg mij dat het niet meer zoo zal wezen.”—“Mijne Florence,” zeide Edith, de hand vattende, die om haar hals was geslagen, en in de oogen ziende die zoo liefdevol in de hare zagen, terwijl Florence voor haar op den grond knielde, “waarom het is kan ik u niet zeggen. Het voegt mij niet het u te zeggen, en u niet het te hooren; maar dat het zoo is, en zoo wezen moet, weet ik. Zou ik het doen, als ik dat niet wist?”—“Moeten wij dan vervreemd worden, mama?” zeide Florence, haar aanstarende alsof zij verschrikt was.

Edith’s zwijgende lippen vormden een “ja.”

Florence zag haar met toenemende vrees en verwondering aan, tot zij haar niet meer kon zien door de tranen, die over hare wangen rolden.

“Florence! Mijn liefste leven!” zeide Edith. “Luister naar mij! Ik kan die droefheid niet aanzien. Bedaar! Gij ziet dat ik bedaard ben, en zou het mij onverschillig wezen?”

Zij hernam haar vasten toon toen zij deze laatste woorden uitsprak, en vervolgde weldra:

“Niet geheel vervreemd. Gedeeltelijk, en dat maar in schijn, Florence; want in mijn hart ben ik nog dezelfde voor u, en zal dat altijd wezen. Maar wat ik doe, doe ik niet voor mij zelve.”—“Is het dan voor mij, mama?” zeide Florence.—“Het is genoeg te weten dat het zoo is,” antwoordde Edith, na eene poos zwijgens; “waarom komt er weinig op aan. Lieve Florence, het is beter—het is noodig—het moet zoo zijn—dat onze omgang minder druk zal worden. De vertrouwelijkheid, die tusschen ons bestaan heeft, moet worden afgebroken.”—“Wanneer?” riep Florence uit. “O, mama, wanneer?”—“Nu,” zeide Edith.—“Voor altijd?” zeide Florence.—“Dat zeg ik niet,” antwoordde Edith. “Dat weet ik niet. Ik wil ook niet zeggen, dat de gemeenschap tusschen ons, ten beste genomen, eene onvoegzame en onheilige vereeniging is, waarvan ik wel had kunnen weten dat geen goed kon komen. Mijn weg hier heeft langs paden geloopen, die gij nooit zult betreden, en mijn weg voortaan ligt misschien—God weet het—ik zie het niet.”

Hare stem stierf weg; en zij bleef Florence zitten aanzien met denzelfden vreemden angst, dien het meisje nog eens had opgemerkt. Daarop volgde dezelfde uitbarsting van woesten trots, die over hare trekken vloog gelijk een toornig wanluidend accoord over de snaren eener harp. Maar geene weemoedigheid of nederigheid volgde daarop. Zij liet haar hoofd nu niet schreiend zinken, en zeide niet dat zij geene hoop had dan in Florence. Zij hield het op, alsof zij eene schoone Medusa was en hem aanstaarde om hem dood te doen neervallen. Ja, dat zou zij gedaan hebben als zij die tooverkracht had bezeten.

“Mama,” zeide Florence angstig, “er is eene verandering bij u, in meer dan gij mij nu zegt, die mij ongerust maakt. Laat mij nog wat bij u blijven.”—“Neen,” antwoordde Edith, “neen, liefje. Ik ben nu best alleen gelaten, en ik doe best mij nu vooral van u verwijderd te houden. Vraag mij niets; maar geloof mij: als ik u wispelturig of grillig voorkom, ben ik dat niet uit eigene beweging of voor mij zelve. Geloof, al zijn wij vreemder voor elkander dan voorheen, dat ik innerlijk onveranderd voor u ben. Vergeef mij dat ik uwe donkere woning ooit verdonkerd heb—ik ben eene schaduw daarop, dat weet ik wel—en laten wij nooit weer hierover spreken.”—“Mama,” snikte Florence, “wij moeten toch niet scheiden?”—“Wij doen dit om niet te moeten scheiden,” zeide Edith. “Vraag niet meer. Ga nu heen, Florence. Mijne liefde en mijn berouw gaan met u mede.”

Zij omhelsde haar nog en zond haar weg; en toen Florence de kamer uitging, zag Edith haar na, alsof haar Engel haar in die gedaante begaf, en haar overliet aan de woeste hartstochten, die haar nu opeischten en hun zegel op haar voorhoofd drukten.

Van dat uur af waren Florence en zij niet meer wat zij vroeger waren geweest. Dagen lang zagen zij elkander zeer zelden, behalve aan tafel en wanneer Dombey er bij was. Dan hield Edith zich stijf en stil en zag haar niet aan. Wanneer Carker bij het gezelschap was—gelijk gedurende Dombey’s herstel en later dikwijls gebeurde, hield Edith zich nog meer van haar af dan anders. Evenwel ontmoetten zij en Florence elkander nooit zonder getuigen, of zij omhelsde haar even hartelijk als ooit, hoewel hare trotsche trekken zich daarbij niet gelijk vroeger ontspanden; en dikwijls, wanneer zij laat was uitgebleven, sloop zij, gelijk zij placht te doen, in het donker naar Florence’s kamer en fluisterde: “Goeden nacht!” bij hare peluw. Wanneer Florence in haar sluimer onbewust bleef van zulk een bezoek, ontwaakte zij somtijds als uit een droom van deze woorden, zacht gesproken, en scheen dan de aanraking van lippen op hare wang te voelen. Maar dit gebeurde al minder en minder naarmate de maanden verliepen.

En nu begon de ledigheid in Florence’s hart waarlijk eene eenzaamheid om haar heen te veroorzaken. Gelijk het beeld van den vader, dien zij liefhad, langzamerhand eene hersenschim voor haar was geworden, zoo volgde Edith het noodlot van allen, aan welke haar hart zich had gehecht, en werd dagelijks meer eene in de verte verdwijnende schim. Langzamerhand verwijderde zij zich meer van Florence; langzamerhand scheen de kloof tusschen haar breeder en dieper te worden; langzamerhand verdween al die teederheid, die zij getoond had, in de trotsche, toornige verhardheid waarmede zij, ongezien door Florence, op den rand van een diepen afgrond had gestaan, waarin zij niet durfde nederzien.

Er was maar ééne overweging welke zij tegen het zware verlies van Edith kon overplaatsen, en schoon deze haar geprangd hart maar weinig troost gaf, poogde zij toch te denken dat zij verademing daarin vond. Niet langer verdeeld tusschen hare liefde en haar gevoel van plicht jegens de twee, kon Florence beiden liefhebben zonder een van beiden onrecht te doen. Als hersenschimmen harer teedere verbeelding, kon zij beiden eene gelijke plaats in haar hart geven, zonder hen door twijfelingen te beleedigen.