Dombey en Zoon

Part 71

Chapter 714,154 wordsPublic domain

Met dit bericht kwam de zwaarmoedige kapitein naar Walter terug, en onderrichtte hem, dat Toots de jonkman was, dien hij op de stoep had ontmoet, en dat hij een vriend van hem was, en een jong heer van vermogen was, en dat hij jufvrouw Dombey hopeloos aanbad. De kapitein verhaalde ook, hoe de tijding van Walter’s vermeend lot hem het eerst met Toots in kennis had gebracht, en hoe er een plechtig verbond en verdrag tusschen hen was gesloten, dat Toots op het onderwerp zijner liefde stom zou blijven.

Nu was de vraag, of Florence mijnheer Toots kon vertrouwen; en toen Florence met een glimlach antwoordde: “O ja, met al mijn hart!” werd het van gewicht te ontdekken waar Toots woonde. Florence wist dit niet, en de kapitein had het vergeten, en vertelde Walter in het achterkamertje juist dat Toots wel gauw eens zou aankomen, toen deze heer werkelijk kwam.

“Kapitein Gills,” zeide Toots, zonder eenige omstandigheden binnenstuivende, “ik ben op het punt om razend te worden!”

Toots had deze woorden als uit een mortier geschoten, eer hij Walter opmerkte, dien hij nu herkende met een geluid, dat een gegrinnik van rampzaligheid zou mogen genoemd worden.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Toots, zijn voorhoofd vasthoudende, “maar ik ben tegenwoordig in een toestand dat mijn verstand mij begeeft, als het al niet weg is, en complimenten van iemand in zulk een toestand zouden holle klanken zijn. Kapitein Gills, ik verzoek u om de gunst van een afzonderlijk gesprek.”—“Wel, broeder,” antwoordde de kapitein, hem bij de hand vattende, “gij zijt juist de man, naar wien wij op den uitkijk waren.”—“O kapitein Gills,” zeide Toots, “wat een uitkijk moet dat zijn, waarvan ik het onderwerp ben! Ik heb mij niet durven scheren zoo disperaat ben ik. Ik heb mijne kleeren niet laten borstelen. Mijn haar zit in elkander geward. Ik heb den Kemphaan gezegd, dat ik mij aan hem zou vergrijpen, als hij mijne laarzen wilde gaan poetsen.”

Al deze blijken van geestverbijstering werden door zijn voorkomen bevestigd, dat inderdaad zeer wild en woest was.

“Zie hier, broeder,” zeide de kapitein. “Dit is Walter, de neef van den ouden Sam Gills—hij, wien men voor op zee verongelukt hield.”

Toots nam zijne hand van zijn voorhoofd en staarde Walter aan.

“Goede hemel!” stamelde Toots. “Welk eene opeenstapeling van ellende! Hoe vaart ge? Ik—ik—ik vrees dat ge heel nat moet zijn geworden. Kapitein Gills, mag ik in den winkel een woordje met u spreken?”

Hij pakte den kapitein bij zijne jas, en met hem naar buiten gaande, fluisterde hij:

“Dat is dus de persoon van wien gij gesproken hebt, kapitein Gills, toen ge zoo goed waart mij te zeggen dat hij en jufvrouw Dombey voor elkander geschapen waren?”—“Wel—ja, mijn jongen,” antwoordde de neerslachtige kapitein. “Eens dacht ik er zoo over.”

En nu riep Toots uit, met zijne hand weder voor zijn voorhoofd: “Moest hij dat zijn!—een gehate medeminnaar! Maar ten minste is hij geen gehate medeminnaar,” zeide Toots, zich bedenkende en zijne hand weder wegnemende. “Waarom zou ik hem haten? Neen. Als mijne liefde waarlijk belangeloos is geweest, kapitein Gills, laat ik dat dan nu bewijzen!”

Eensklaps vloog Toots weder naar het achterkamertje, en Walter bij de hand grijpende, zeide hij:

“Hoe vaart ge? Ik hoop dat ge geen kou hebt gevat. Ik—ik zal heel blij zijn als ge mij het pleizier doet om kennis met u te mogen houden. Ik wensch u nog vele jaren na dezen. Op mijn woord van eer,” zeide Toots, warmer wordende, toen hij beter op Walter’s uitzicht en houding lette, “ik ben heel blij, dat ik u zie.”—“Ik dank u hartelijk,” antwoordde Walter. “Ik zou geen vriendelijker welkomst kunnen verlangen.”—“Zoudt ge waarlijk niet?” zeide Toots, hem nogmaals de hand schuddende. “Dat is wel goed van u. Ik ben u zeer verplicht. Hoe vaart ge? Ik hoop, dat gij alles wel hebt gelaten daar aan—dat is daarop—ik meen waar ge laatst vandaan zijt gekomen, weet ge.”

Op al deze goede wenschen en nog betere meening gaf Walter hartelijk antwoord.

“Kapitein Gills,” zeide Toots, “ik wil stiptelijk mijn woord houden; maar ik geloof, dat ik nu wel iets zou mogen zeggen van zeker onderwerp—”—“Ja, ja, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Spreek maar ronduit.”—“Dan, kapitein Gills en luitenant Walters,” zeide Toots, “weet gij wel, dat bij mijnheer Dombey aan huis de schrikkelijkste omstandigheden zijn voorgevallen, en dat jufvrouw Dombey zelve haar vader verlaten heeft, die naar mijne gedachten,” zeide Toots met groote opgewondenheid, “zulk een beest is, dat het nog vleierij zou zijn hem een houten blok of een roofvogel te noemen, en dat zij nergens te vinden is, en niemand weet, waar zij naar toe is?”—“Mag ik vragen, hoe gij dat gehoord hebt?” zeide Walter.—“Luitenant Walters,” zeide Toots, die er op eene geheel eigenaardige manier toe kwam, om hem deze benaming toe te leggen; waarschijnlijk door zijn doopnaam met de zee in verband te brengen, en eene betrekking tusschen hem en den kapitein te vooronderstellen, die zich dus ook natuurlijk tot hunne titels moest uitstrekken; “luitenant Walters, ik kan geen bezwaar hebben om u een rondborstig antwoord te geven. De zaak is, dat ik een buitengemeen belang stel in alles, wat jufvrouw Dombey maar eenigszins aangaat—niet met zelfzuchtige oogmerken, luitenant Walters, want ik weet maar al te wel dat ik ten genoege van alle belanghebbenden niet beter kan doen dan een eind aan mijn leven te maken, dat voor niets anders dan een overlast kan gehouden worden; maar ik wilde zeggen, omdat ik zooveel belang stel in alles wat jufvrouw Dombey aangaat, ben ik gewoon om nu en dan eene kleine vereering te geven aan een knecht, een heel fatsoenlijk jonkman, die Towlinson heet, en eenigen tijd daar in huis gewoond heeft; en Towlinson heeft mij gisteren gezegd, dat het zoo met de zaken gesteld was. En van dat oogenblik af, kapitein Gills en luitenant Walters, ben ik zoo goed als razend geweest; en ik heb den geheelen nacht op de sofa gelegen in den rampzaligen staat waarin gij mij nu ziet.”—“Mijnheer Toots,” zeide Walter, “het doet mij genoegen u eenigszins te kunnen geruststellen. Ik bid u, word bedaard. Jufvrouw Dombey is gezond en wel.”—“Mijnheer,” riep Toots uit, van zijn stoel opspringende om hem opnieuw de hand te geven, “die uitkomst is zoo groot, zoo onuitsprekelijk, dat al zoudt ge mij nu zeggen, dat jufvrouw Dombey getrouwd was, ik er om zou kunnen lachen. Ja, kapitein Gills,” zeide Toots, zich naar dezen omkeerende, “bij mijne ziel en mijn lichaam, ik denk waarlijk, wat ik mij zelven ook naderhand misschien zou doen, dat ik er nu om zou kunnen lachen, zoo gevoel ik mij verplicht.”—“Het zal zeker nog grooter verplichting en blijdschap voor zulk een edelmoedig hart als het uwe zijn,” antwoordde Walter, “als gij verneemt, dat gij jufvrouw Dombey een dienst kunt bewijzen. Kapitein Cuttle, wilt gij zoo goed zijn om mijnheer Toots naar boven te brengen?”

De kapitein wenkte Toots, die hem met een verwonderd gezicht volgde, en bracht hem, zonder een enkel woord van voorbereiding, naar Florence’s nieuw verblijf.

Toots’ verbazing en blijdschap bij haar gezicht waren zoo groot, dat zij zich niet anders dan in buitensporigheden lucht konden geven. Hij vloog naar haar toe, vatte hare hand, kuste die, liet ze weder los, vatte ze opnieuw, viel op eene knie, schreide, grinnikte, en bleef geheel onbewust van het gevaar, om door Diogenes te worden beetgepakt, die, in de meening, dat deze bewegingen van vijandigen aard waren, om hem heen draaide, alsof hij nog maar niet wist waar hem te bijten, maar vast voornemens was, om hem geducht zijne tanden te laten voelen.

“O Di, stoute hond, hoe kunt ge zoo vergeten! Beste mijnheer Toots, ik ben zoo blij dat ik u zie.”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Ik ben tamelijk wel; zeer verplicht, jufvrouw Dombey. Ik hoop dat de geheele familie ook nog wel is.”

Toots zeide dit zonder zelf te weten wat hij zeide, en zette zich op een stoel, waar hij Florence bleef zitten aanstaren met zulk een levendigen strijd van blijdschap en wanhoop op zijn gezicht, als een gezicht maar kon vertoonen.

“Kapitein Gills en luitenant Walters hebben mij gezegd, jufvrouw Dombey,” bracht hij hijgend uit, “dat ik u een dienst kan bewijzen. Als ik daardoor de herinnering kon uitwisschen van dien dag te Brighton, toen ik mij gedroeg alsof—veelmeer alsof ik een vadermoorder was, dan een fatsoenlijk jongmensch,” zeide Toots met strenge zelfveroordeeling, “zou ik met een glans van blijdschap in het stille graf zinken.”—“O, mijnheer Toots,” zeide Florence, “wensch niet dat ik ooit iets zal vergeten van al wat er tusschen ons is omgegaan. Dat kan ik nooit, geloof mij. Gij zijt altijd veel te goed en vriendelijk voor mij geweest.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “uwe verschoonende toegeeflijkheid voor mijn gevoel is een trek van uw engelachtig karakter. Ik dank u duizendmaal. Het is van geheel geen beduiden.”—“Wat wij van u dachten te vragen,” zeide Florence, “is, of gij u nog herinnert waar Suze, die gij zoo goed waart naar de diligence te brengen, toen zij mij verlaten moest, nu te vinden zou zijn.”—“Ik kan mij niet precies meer herinneren, jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, na zich eene poos te hebben bedacht, “welke naam er op de diligence stond, en ik herinner mij ook, dat zij mij zeide, dat zij daar niet bleef, maar nog verder moest. Maar als het uw oogmerk is haar te vinden en hier te hebben, jufvrouw Dombey, zullen ik en de Kemphaan haar opzoeken en hier brengen, met zooveel spoed als met den grootsten ijver van mijn kant en de buitengemeene schranderheid van den Kemphaan maar mogelijk is.”

Toots werd zoo zichtbaar opgebeurd door het vooruitzicht van zich nuttig te kunnen maken, en de belangelooze oprechtheid van zijn ijver was zoo ontwijfelbaar, dat het eene wreedheid zou zijn geweest hem af te wijzen. Uit kieschheid maakte Florence zelfs geen melding van het minste bezwaar, hoewel zij niet naliet hem met dankbetuigingen te overstelpen en Toots nam de taak met trotschheid op zich.

“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, hare aangebodene hand aanrakende, terwijl hem zichtbaar een pijnlijke steek van hopelooze liefde door het hart ging. “Vaarwel! Laat ik de vrijheid mogen nemen om te zeggen, dat uwe rampen mij diep ellendig maken, en dat gij mij kunt vertrouwen, naast kapitein Gills zelf. Ik ben wel bekend, jufvrouw Dombey, met alles wat mij ontbreekt—het is van geen beduiden, wel bedankt—maar ik ben volkomen te vertrouwen, dat verzeker ik u, jufvrouw Dombey.” Daarmede ging Toots de kamer uit, vergezeld door den kapitein, die met den hoed onder den arm op eenigen afstand was blijven staan, geen onverschillig getuige van hetgeen er omging. Toen de deur achter hen was dicht gedaan, was het licht van Toots’ leven weder verdonkerd.—“Kapiteins Gills,” zeide hij, zich onder aan de trap omkeerende, “om u de waarheid te zeggen, ik ben in het oogenblik niet in eene gemoedsstemming om luitenant Walters te zien met dat geheel vriendschappelijke gevoel, dat ik in mijne borst voor hem zou willen koesteren. Men kan zijn gevoel niet altijd beheerschen, kapitein Gills, en ik zou het voor eene bijzondere gunst houden als ge mij de zijdeur woudt uitlaten.”—“Broeder,” antwoordde de kapitein, “gij kunt zelf uw koers bepalen; want de koers, dien gij neemt, zal altijd recht door zee wezen, daarvan ben ik zeker.”—“Gij zijt wel vriendelijk, kapitein Gills,” zeide Toots; “en uwe goede meening is een troost voor mij. Er is nog iets,” zeide hij, in den gang blijvende staan, achter de half geopende deur, “dat ik hoop dat gij onthouden zult, kapitein Gills, en dat ik ook wensch dat luitenant Walters gezegd zal worden. Ik ben nu geheel in het bezit van mijn vermogen gekomen, en ik weet niet wat er mee te doen. Als ik in een financieel opzicht eenigszins van dienst kon zijn, zou ik met rust en genoegen in het stille graf neerdalen.”

Toots zeide niets meer, glipte stil de deur uit en trok die achter zich toe, om den kapitein alle antwoord te beletten.

Nog lang na dat de goede jongen was heengegaan, zat Florence met eene mengeling van smart en genoegen aan hem te denken. Hij was zoo welwillend en goedhartig, dat het een troost en eene blijdschap voor haar was, hem weder te zien en van zijne trouwe genegenheid verzekerd te worden; maar juist om die reden was het haar zoo aandoenlijk te denken, dat zij hem een oogenblik verdriet veroorzaakte, of den schuldeloos effen loop van zijn leven stoorde, dat hare oogen zich met tranen vulden en haar hart van medelijden overvloeide. Kapitein Cuttle dacht op zijne manier ook veel aan Toots, en Walter insgelijks; en toen het avond werd, en zij alle drie in Florence’s nieuwe kamer bij elkander zaten, prees Walter hem met opgetogenheid, en vertelde Florence, wat hij bij het heengaan had gezegd.

Toots kwam in verscheidene dagen niet terug; en ondertusschen bleef Florence zonder eenige nieuwe onrust, gelijk een mak vogeltje in een kooitje, in het huis van den instrumentmaker wonen. Maar toen de dagen verliepen, begon zij te kwijnen en al meer en meer haar hoofdje te laten hangen; en de uitdrukking, die men op het gezichtje van het doode kind had gezien, werd nu dikwijls uit haar venster naar den hemel gewend, alsof zij daar naar zijn engel zocht.

Florence was sedert lang zwak en teer geweest, en de ontroering, die zij had doorgestaan, bleef niet zonder invloed op hare gezondheid. Het was echter geene lichamelijke ziekte, die haar nu ondermijnde. Haar gemoed was onrustig; en de oorzaak van die onrust was Walter.

Terwijl hij belang in haar stelde, bezorgd voor haar was, trotsch en verheugd was als hij haar van dienst kon zijn, en dit alles met al het vuur van zijn karakter liet blijken, zag Florence toch, dat hij haar vermeed. Den geheelen dag lang naderde hij zelden hare kamer. Als zij naar hem vroeg kwam hij, voor het oogenblik even rondborstig en opgeruimd als zij hem gezien had toen zij als kind op straat verdwaalde; maar spoedig werd hij onrustig, stijf en verlegen—hare genegenheid was te waakzaam om dit niet te zien—en weldra ging hij weder heen. Ongevraagd kwam hij over dag nooit. Als de avond viel was hij er altijd, en dat was haar gelukkigste tijd, want dan geloofde zij bijna dat de oude Walter harer kindsheid niet veranderd was. Maar zelfs dan bewees haar nu en dan een gering woord, blik of omstandigheid, dat er eene scheidslinie tusschen hen bestond, die niet over te komen was.

Zij kon ook niet nalaten te zien, dat deze blijken eener groote verandering bij Walter zich vertoonden in weerwil van zijne uiterste pogingen om ze te verbergen. Zij zag zeer wel dat hij, uit verlangen om haar alle leed te besparen, ontelbare kleine kunstgrepen te baat nam, en uitvluchten verzon; maar des te meer gevoelde Florence die verandering bij hem, en des te meermalen schreide zij over de vervreemding van haar broeder.

De goede kapitein—haar altijd even onvermoeide en teedere vriend—zag dit ook wel, dacht Florence, en het deed hem verdriet. Hij was niet zoo opgeruimd en vol hoop als in het eerst, en somtijds, als zij des avonds bij elkander zaten, zag hij haar en Walter tersluiks aan met een gezicht, dat waarlijk treurig stond.

Florence besloot eindelijk Walter aan te spreken. Zij meende nu te weten wat de oorzaak dier vervreemding was, en dacht dat het eene verlichting voor haar overkropt hart zou zijn, en ook hem meer op zijn gemak zou brengen, als zij hem zeide, dat zij die ontdekt had, en er zich geheel aan onderwierp en hem niets verweet.

Het was op zekeren zondagnamiddag dat Florence dit besluit nam. De trouwe kapitein zat, met verbazende boordjes om en een bril op, bij haar te lezen, en zij vroeg hem waar Walter was.

“Ik denk dat hij beneden is, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“Ik zou hem gaarne spreken,” zeide Florence, haastig opstaande, alsof zij naar beneden wilde gaan,—“Ik zal hem in een oogenblik hier halen, liefje,” zeide de kapitein.

Daarop nam de kapitein zijn boek onder den arm—want hij maakte er een regel van des zondags niet anders dan in een heel groot boek te lezen, dewijl dit ernstiger stond, en had jaren geleden een deel van verbazende dikte aan een stalletje gekocht, waarvan vijf regels hem altijd zoodanig versuften, dat hij tot nog toe niet had kunnen ontdekken over welk onderwerp het handelde—en ging heen. Walter verscheen weldra.

“Kapitein Cuttle zegt mij, jufvrouw Dombey,” begon hij driftig, maar bleef steken toen hij haar gezichtje zag. “Gij zijt niet wel vandaag. Gij ziet zoo bedroefd. Gij hebt geschreid.”

Hij sprak zoo vriendelijk en met zulk eene beving in zijne stem, dat de tranen haar weder in de oogen kwamen.

“Walter,” zeide zij zacht, “ik ben niet heel wel, en ik heb ook geschreid. Ik wilde u eens spreken.”

Hij zette zich tegenover haar en zag haar in het onschuldig gezichtje. Zijn eigen gezicht verbleekte en zijne lippen beefden.

“Op den avond toen ik hoorde dat gij gered waart—en o lieve Walter, wat gevoelde ik dien avond en wat hoopte ik—hebt gij gezegd—”

Hij legde zijne bevende hand op de tafel tusschen hen in, en bleef haar aanzien.

“Op dien avond hebt gij gezegd, dat ik veranderd was. Ik was verwonderd u dat te hooren zeggen, maar nu begrijp ik wel dat ik het ben. Wees niet boos op mij, Walter. Ik was toen al te verblijd om er aan te denken.”

Zij kwam hem weder als een kind voor. Het was het openhartige, vertrouwelijke, liefdevolle kind, dat hij hoorde—niet het dierbare meisje, aan welks voeten hij de schatten der aarde had willen leggen.

“Gij herinnert u de laatste maal wel dat ik u zag, Walter, voor uw vertrek?”

Hij stak zijne hand in zijne borst en haalde een beursje uit.

“Ik heb het altijd om mijn hals gedragen! Als ik verdronken was, zou het met mij naar den bodem der zee zijn gezonken.”—“En gij zult het nog blijven dragen, Walter, om wat ik vroeger voor u was?”—“Tot ik sterf.”

Zij legde hare hand op de zijne, zoo eenvoudig en onbeschroomd, alsof er geen dag verloopen was sedert zij hem die kleine gedachtenis had gegeven.

“Daar ben ik blij om. Daar zal ik altijd met blijdschap aan denken, Walter. Herinnert gij u nog wel, dat er op dien zelfden avond bij ons beiden te gelijk eene gedachte aan die verandering scheen op te komen, toen wij met elkander spraken?”—“Neen,” antwoordde hij op een toon van verwondering.—“Ja toch, Walter. Ik was toen al reeds het middel geweest om uwe hoop en uwe vooruitzichten te bederven. Ik was toen bang om er aan te denken, maar nu weet ik het wel. Als gij toen, door uwe edelmoedigheid, in staat waart om het mij te verbergen, dat gij ook zoo dacht, kunt gij dat nu toch niet doen, al beproeft gij dat met evenveel edelmoedigheid als voorheen. Dat doet gij waarlijk. Ik dank u daarvoor, Walter, en hartelijk; maar het kan u niet gelukken. Gij hebt door uwe eigene rampen en die van uw dierbaarsten bloedverwant te veel geleden, om de onschuldige oorzaak van al de gevaren en onheilen, die u overkomen zijn, geheel voorbij te zien. Gij kunt niet geheel vergeten, dat ik dat ben, en wij kunnen niet langer broeder en zuster zijn. Maar, lieve Walter, denk niet dat ik mij daarom over u beklaag. Ik had het wel kunnen weten—ik had het moeten weten—maar in mijne blijdschap had ik het vergeten. Al wat ik hoop is, dat gij met minder tegenzin aan mij zult denken, als gij dat gevoel niet meer behoeft geheim te houden; en al wat ik vraag, Walter, in den naam van het arme kind, dat eens uwe zuster was, is dat gij, nu ik toch alles weet, niet met u zelven wilt kampen en u, om mijnentwil, nog meer verdriet geven.”

Walter had haar, terwijl zij sprak, aangezien, met een gezicht zoo vol verbazing, dat het niets anders kon uitdrukken. Nu vatte hij de hand, die zoo smeekend op de zijne was gelegd, en hield ze vast.

“O, jufvrouw Dombey,” zeide hij, “is het mogelijk dat ik, terwijl ik zelf zooveel geleden heb door te kampen met het gevoel van wat ik u verschuldigd ben, en u bewezen moet worden, u heb doen lijden wat gij daar zegt? Nooit, nooit, bij den hemel, heb ik u mij anders voorgesteld dan als die schoone, reine, gezegende herinnering uit mijne kinderjaren en mijne jeugd. Nooit heb ik uw aandeel aan mijn leven anders beschouwd, nooit zal ik het anders beschouwen, dan als iets heiligs en onvergetelijks. Nog eens zulk een blik van u te zien, u nog eens zoo te hooren spreken, als op den avond toen wij scheidden, is een geluk voor mij dat geene woorden kunnen uitdrukken, en als een broeder door u bemind en vertrouwd te worden, is daarna de grootste gaaf, die ik kan ontvangen en waardeeren.”

“Walter,” zeide Florence, hem ernstig aanziende, maar met eene verandering in haar gezichtje, “wat is het dat mij verschuldigd is en mij bewezen moet worden, met opoffering van dat alles?”—“Ontzag en eerbied,” antwoordde Walter zacht.

Er kwam een blosje op hare wangen, en zij trok zacht hare hand terug, maar bleef hem toch even ernstig aanzien.

“Ik heb geen recht als broeder,” zeide Walter. “Het staat mij niet vrij als een broeder met u om te gaan. Ik heb een kind hier gelaten. Nu vind ik een volwassen meisje.”

Haar blos werd hooger. Zij maakte eene beweging als wilde zij hem bidden om niets meer te zeggen, en liet haar hoofd in hare handen zinken.

Beide zwegen eene poos; zij schreide.

“Aan een hart zoo vertrouwelijk, zoo rein en zoo goed,” zeide Walter, “ben ik verschuldigd er mij van af te rukken, al verscheur ik daardoor mijn eigen hart. Hoe durf ik het voor het hart van eene zuster houden?”

Zij bleef nog schreien.

“Als gij gelukkig waart geweest, omringd, gelijk gij hadt moeten zijn, door betrekkingen die u bewonderden en liefhadden, en door alles, wat den stand, waarin gij geboren zijt, benijdenswaardig maakt,” zeide Walter, “en als gij mij dan, uit vriendelijke herinnering van het verledene, broeder hadt genoemd, had ik van mijne ver verwijderde plaats dien naam kunnen beantwoorden, zonder te denken dat ik daardoor misbruik maakte van uw vertrouwen. Maar hier—en nu!”—“O, ik dank u, ik dank u, Walter! Vergeef mij dat ik u zoo verongelijkt heb. Ik had niemand om mij raad te geven. Ik ben geheel alleen.”—“Florence!” zeide Walter hartstochtelijk. “Ik laat mij nu vervoeren om te zeggen, wat ik kort geleden dacht dat niets mij ooit had kunnen afpersen. Als ik voorspoed had gehad; als ik middel of zelfs maar hoop had om u eens in een stand te plaatsen, die eenigszins met uw eigen stand overeenkwam, dan zou ik u gezegd hebben, dat er een naam was, dien gij mij kondt schenken—een recht, boven alle ander recht, om u lief te hebben en te beschermen—dat ik uwer door niets anders waardig was dan door de liefde en vereering, die ik voor u koesterde, en daardoor, dat geheel mijn hart u toebehoorde. Ik zou dan gezegd hebben, dat dit de eenige aanspraak was om u te verdedigen en te beschermen, die gij mij kondt geven en die ik durfde aannemen en handhaven; maar dat ik ook, als ik dat recht had, het voor zoo iets kostbaars en heiligs zou houden, dat de onverdeelde toewijding van geheel mijn leven nog maar eene geringe erkentenis zou zijn van de waarde, die het voor mij had.”

Het hoofdje bleef nog gebogen, de tranen vloeiden nog, de borst zwoegde van het snikken.

“Lieve Florence! Dierbaarste Florence, die ik in mijne gedachten zoo heb genoemd, eer ik kon begrijpen hoe vermetel dat was. Laat ik u nog eene laatste maal bij uw eigen dierbaren naam noemen, en die lieve hand aanraken als een bewijs van uwe zusterlijke vergetelheid van hetgeen ik daar gezegd heb.”

Zij hief haar hoofd op en sprak hem aan, met zulk eene plechtige teederheid in haar blik; met zulk een kalmen, helderen, vreedzamen glimlach, door hare tranen heen; met zulk eene zachte beving in hare stem, dat de fijnste snaren van zijn hart er van trilden, en zijne oogen begonnen te schemeren terwijl hij luisterde.

“Neen, Walter, ik kan het niet vergeten. Ik zou het niet willen vergeten—voor de geheele wereld niet. Zijt ge—heel arm?”—“Ik ben maar een zwerveling,” zeide Walter. “Om te kunnen leven moet ik over zee heen en weer reizen. Dat is nu mijn beroep.”—“Moet ge spoedig weder heen, Walter?”—“Zeer spoedig.”