Part 59
En de milde invloed dier maatschappelijke en gezellige deugd, de gastvrijheid (om niet van den wijn en de goede tafel te spreken), opent het hart van Toots en maakt hem warm genoeg om te spreken. Hij vertelt Feeder wel niet wat er op den hoek van het Plein is voorgevallen; maar wanneer Feeder hem vraagt “wanneer het zal plaats hebben,” antwoordt Toots, “dat er zekere dingen zijn,” hetgeen Feeder terstond in zijne schulp doet kruipen. Toots voegt er bij, dat hij niet weet waarom het Blimber vrijstond op te merken dat hij in jufvrouw Dombey’s gezelschap was, en dat, als hij dacht dat hij dat zoo onbescheiden gemeend had, hij hem zou uitdagen, hij mocht doctor wezen of niet; maar dat hij gelooft dat het alleen zijne onkunde is geweest, waaraan Feeder zegt niet te twijfelen.
Feeder evenwel, als een vertrouwd vriend, behoeft niet buiten de zaak te worden gehouden. Toots vordert alleen dat er met zekere geheimzinnigheid en met gevoel over gesproken zal worden. Na eenige glazen wijn te hebben gedronken, stelt hij jufvrouw Dombey’s gezondheid in, en zegt: “Feeder, gij hebt geen denkbeeld van de gevoelens waarmee ik dien toast instel.” Feeder antwoordt: “O ja, dat heb ik wel, mijn beste Toots; en zij strekken u zeer tot eer, oude jongen.” Feeder wordt dan aangedaan van vriendschap, en geeft Toots de hand, en zegt, als Toots ooit een broeder noodig heeft, weet hij waar hem te vinden, hetzij over den post of met een pakje. Feeder zegt insgelijks, dat hij, als hij een raad mocht geven, Toots zou raden om de guitar te leeren, of ten minste de fluit; want vrouwen houden veel van muziek, als men zijn hof bij haar maakt, en hij heeft zelf het voordeel daarvan ondervonden.
Dit brengt Feeder tot de bekentenis dat hij een oog op Cornelia Blimber heeft. Hij onderricht Toots dat hij niet tegen den bril heeft, en dat, als de doctor eens gul wilde zijn en de zaken overdeed, wel, dan waren zij bezorgd. Hij zegt van gedachten te zijn dat iemand, als hij met zijne zaken eene goede som gewonnen heeft, verplicht is ze over te doen; en dat Cornelia eene helpster in de zaak zou zijn, waarop iedereen trotsch zou mogen wezen. Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten. Feeder poogt hem te beduiden dat dit eene roekeloosheid zou zijn, en als een middel om hem met het leven te verzoenen, vertoont hij hem Cornelia’s portret, met bril en al.
Aldus slijten deze goede lieden den avond; en wanneer deze voor den nacht heeft plaats gemaakt, gaat Toots met Feeder mede, en brengt hem tot voor de deur van doctor Blimber. Doch Feeder gaat maar de stoep op, en als Toots weg is, komt hij er weder af, om eene eenzame wandeling langs het strand te doen en over zijne vooruitzichten te denken. Hij hoort, terwijl hij voortkuiert, de golven hem duidelijk onderrichten, dat doctor Blimber de zaak wel zal overdoen; en hij vindt er een zacht romanesk genoegen in om het huis van buiten te beschouwen, en te denken dat de doctor het eerst wel zal laten verven en goed repareeren.
Toots dwaalt insgelijks op en neer, in de nabijheid van het koffertje dat zijn juweel bevat; en in een jammerlijken gemoedstoestand, en niet zonder den achterdocht der politie op te wekken, tuurt hij naar een venster waar hij licht ziet, en hetwelk hij niet twijfelt of het is dat van Florence. Maar dat is het niet, want het is van mevrouw Skewton’s kamer; en terwijl Florence in eene andere kamer ligt te slapen, en genoeglijk droomt van de oude tooneelen, en al hare oude herinneringen weder herleven, ligt daar eene gedaante, welke de barre werkelijkheid in dat vertrek voor die van het geduldige zieke kind in de plaats heeft gesteld—om het nog eens, maar hoe anders! met ziekte en dood in verband te brengen—slapeloos te morren en te klagen. Afzichtelijk leelijk ligt zij daar op haar bed van onrust; en daarbij, in schrikkelijke, strakke schoonheid,—want zij is schrikkelijk in de verflauwde oogen der lijderes—zit Edith. Wat zeggen de golven in de stilte van den nacht tot deze twee!
“Edith, wat is die steenen arm, die dreigt om mij te slaan? Ziet gij hem niet?”—“Het is niets dan uwe verbeelding, moeder.”—“Mijne verbeelding! Alles is mijne verbeelding. Zie! Is het mogelijk dat gij hem niet ziet!”—“Inderdaad, moeder, er is niets. Zou ik zoo onverschillig blijven zitten, als er zoo iets was?”—“Onverschillig?” haar woest aanziende. “Nu is hij weg. En waarom zijt gij zoo onverschillig? Dat is geene verbeelding van mij, Edith. Ik word er koud van dat ik u zoo zie zitten.”—“Dat spijt mij, moeder.”—“Spijten! Gij schijnt altijd iets te hebben dat u spijt. Maar ik ben het niet!”
Daarmede begint zij te huilen, en werpt haar rusteloos hoofd op het kussen heen en weder, en prevelt over verwaarloozing, en welk eene moeder zij geweest is, en welk eene moeder die goede oude ziel was, die zij ontmoet hebben, en hoe ondankbaar de dochters van zulke moeders zijn. In het midden van dat verwarde gerevel houdt zij op, ziet hare dochter aan, roept dat zij niet recht meer bij hare zinnen is, en verbergt haar gezicht in het dek.
Edith buigt zich medelijdend over haar heen en spreekt haar toe. De zieke oude vrouw slaat de armen om haar hals en zegt met een blik vol angst:
“Edith, wij gaan toch gauw weer naar huis? Gij denkt immers ook dat wij weer naar huis zullen gaan?”—“Ja, moeder, ja.”—“En wat hij zeide—hoe heet hij ook weer, ik heb nooit namen kunnen onthouden—de majoor—dat akelige woord, toen wij wegreden—dat is immers niet waar? Edith!” met een gil, “dat is het toch niet dat mij dreigt!”
Nacht op nacht brandt het licht voor het venster en ligt de gedaante in het bed, en zit Edith daarnaast, en roepen de rustelooze golven beiden toe, den geheelen nacht lang. Nacht op nacht fluisteren de golven zich schor met het gedurig herhalen van haar geheim; het zand wordt op het strand opgewaaid; de zeevogels zweven en zwieren; de winden en wolken vervolgen hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.
En altijd nog staart de zieke oude vrouw naar dien hoek, waar de steenen arm—een stuk van een beeld op eene tombe, zegt zij—dreigend opgeheven is om haar te slaan. Eindelijk valt de slag: en dan ligt er eene sprakelooze oude vrouw in dat bed, krom ineengetrokken; en de helft van haar is dood.
Dit is de gedaante die, opgelapt en opgeschilderd, om door de zon te worden bespot, dag aan dag langzaam door de menigte wordt getrokken, en onderweg uitkijkt naar de goede ziel die zulk eene moeder was, en gezichten trekt als zij vruchteloos zoekt. Dit is de gedaante die dikwijls naar den zeekant wordt gekrooien en daar eenigen tijd gelaten, maar welke geen wind kan verfrisschen, en voor welke het gemurmel der golven geen troostend woord heeft. Zij ligt daar uren lang te luisteren; maar die spraak is dreigend en somber voor haar, en haar gezicht staat angstig; en als hare oogen in de ruimte rondzwerven ziet zij niets anders dan eene breede streep hopelooze ledigheid tusschen hemel en aarde.
Florence ziet zij zelden, en als zij haar ziet, maakt zij zich boos en trekt gezichten. Edith is altijd bij haar en houdt Florence weg; en des nachts in haar bed beeft Florence bij de gedachte aan den dood in zulk eene gedaante, en wordt dikwijls wakker en luistert dan, en verbeeldt zich dat hij gekomen is. Niemand past haar op dan Edith. Het is beter dat maar weinige oogen haar zien; en hare dochter waakt alleen bij haar bed.
Er komt eene schaduw zelfs over dat donkere gezicht, de scherpe trekken worden nog scherper, de sluier over de oogen wordt een lijkkleed dat de geheele wereld buitensluit. De over het dek zwervende handen drukken flauw palm tegen palm, en bewegen zich naar hare dochter toe; en eene stem—die niet naar de hare gelijkt, evenmin naar eenige andere die onze sterfelijke taal spreekt—zegt: “Want ik heb u toch grootgebracht.”
Zonder een traan te laten, knielt Edith, om hare stem dichter bij het zinkende hoofd te brengen, en antwoordt:
“Moeder, kunt ge mij hooren?”
Met wijd starende oogen, poogt zij tot antwoord te knikken.
“Kunt gij u den avond voor mijn trouwen herinneren?”
Het hoofd is roerloos, maar toch duidt het aan dat zij dit doet.
“Ik heb u toen gezegd dat ik u uw deel daaraan vergaf, en God bad mij het mijne te vergeven. Ik zeide u toen dat het verledene tusschen ons voorbij was. Ik zeg dat nu nog eens. Kus mij, moeder.”
Edith raakte de bleeke lippen aan. Voor een oogenblik is alles stil. Een oogenblik later komt hare moeder, met haar meisjesachtig lachje en het geraamte der Cleopatrahouding, in het bed overeind.
Schuif de rozekleurige gordijnen dicht. Er is nog iets anders uit op eene spoorlooze baan, behalve de winden en wolken. Schuif de rozekleurige gordijnen dicht.
Er wordt dadelijk kennisgeving aan Dombey gezonden, die neef Feenix gaat opzoeken, die nog niet tot het besluit is kunnen komen om weder naar Baden-Baden te gaan, en insgelijks bericht heeft ontvangen. Zulk een goedaardig man als neef Feenix is juist de man voor eene bruiloft of eene begrafenis, en zijne positie in de familie maakt het voegzaam hem te raadplegen.
“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien. Mijne arme tante! Zij was zulk eene drommels levendige vrouw.”
Dombey antwoordt: “Bijzonder.”—“En als zij wat opgeknapt was,” zegt neef Feenix “was zij werkelijk nog jong, als men in aanmerking nam.—Waarlijk, op den dag van uw trouwen dacht ik dat zij het nog wel twintig jaar zou uithouden. Ik zeide dat zelfs nog tegen iemand in mijne club—kleine Billy Joper—gij kent hem zeker wel—hij heeft altijd een lorgnet voor zijn oog?”
Dombey buigt ontkennend. “Wat de begrafenis betreft,” begint hij, “als gij eenige verkiezing mocht hebben....”—“Wel,” zegt neef Feenix, zijne kin wrijvende, waartoe juist genoeg van zijne hand onder zijne mouwboorden uitkomt, “dat weet ik waarlijk niet. Er is wel een mausoleum in mijn park, maar ik vrees dat het in slechten staat is. Als ik niet wat schraal bij kas was, had ik het al eens laten repareeren; maar ik geloof dat tegenwoordig de menschen, die in het park komen wandelen, wel eens binnen het hek gaan zitten ontbijten.”
Dombey begrijpt dat dit niet aangaat.
“Het dorp heeft eene heel goede kerk,” zegt neef Feenix peinzende, “een model van den zuiveren vroegsten Anglo-Normandischen stijl, en waarvan Lady Jane Finchbury—eene dame die zich heel stijf rijgt—eene mooie schets heeft geteekend; maar zij hebben ze met witten bedorven, naar ik hoor, en het is een verre weg.”—“Misschien Brighton zelf,” zegt Dombey, om een wenk te geven.—“Op mijne eer, Dombey, ik geloof dat wij niet beter konden doen,” zegt neef Feenix. “Dat is dichtbij ziet ge, en een heel vroolijk plaatsje.”—“En wanneer,” zegt Dombey, “zou het conveniëeren?”—“Ik wil mij gaarne gereed houden,” antwoordt neef Feenix, “tegen den dag dien gij best vindt. Het zal een groot genoegen voor mij zijn (een treurig genoegen, natuurlijk) om mijne arme tante naar de grenzen der—kortom naar het graf te brengen,” zegt neef Feenix, daar hem geene andere uitdrukking te binnen schiet.—“Zoudt gij maandag uit de stad kunnen?” zegt Dombey.—“Maandag zou mij uitmuntend schikken,” antwoordt neef Feenix.
Dombey maakt dus afspraak om neef Feenix op dien dag te laten mederijden, en neemt weldra afscheid. Neef Feenix brengt hem tot aan de trap en zegt bij het scheiden: “Het spijt mij waarlijk, Dombey, dat gij er zooveel moeite van moet hebben;” waarop Dombey antwoordt: “Geheel niet.”
Op den bepaalden tijd rijden neef Feenix en Dombey met elkander naar Brighton, en met hun beiden al de andere rouwdragers over het verlies der oude dame vertegenwoordigende, begeleiden zij haar overschot naar de rustplaats. Neef Feenix, in de rouwkoets gezeten, herkent onderweg ontelbare bekenden maar neemt, welstaanshalve, geene andere notitie van hen, dan dat hij ze voor Dombey opleest, zooals: “Tom Johnson, met zijn kurken been. Zoo, zijt ge hier, Tommy? Foley, op eene volbloedmerrie. De meisjes van Smalder,”—enz. Bij de plechtigheid is neef Feenix neerslachtig, en merkt aan, dat zulke gelegenheden iemand doen denken dat hij ook wrak begint te worden; en nadat de plechtigheid is afgeloopen, zijn zijne oogen waarlijk vochtig. Maar hij herstelt zich weldra; en dat doen al de overige betrekkingen en vrienden van mevrouw Skewton insgelijks, en de majoor vertelt in zijne club gedurig dat zij zich nooit genoeg inbakerde; terwijl de jonge dame met den rug, die zooveel moeite met hare oogleden heeft, met een gilletje zegt, dat zij schrikkelijk oud moet zijn geweest, en aan allerlei akeligheden gestorven moet zijn, en dat men er maar niet van spreken moet.
Zoo blijft dan Edith’s moeder onbesproken onder hare vriendinnen, die doof zijn voor het gefluister der golven, en blind voor de witte armen, die in den maneschijn naar het verre, onzichtbare land wenken. Maar alles gaat voort, als naar gewoonte, op den oever der onbekende zee; en Edith, die daar alleen staat en naar hare golven luistert, ziet slibberig ontuig voor hare voeten opspoelen, om haar levensweg daarmede te bestrooien.
XLII.
VERTROUWELIJK EN TOEVALLIG.
Niet meer met de zwarte afleggertjes en den flaphoed van kapitein Cuttle uitgedost, maar met eene nieuwe bruine livrei gekleed, die, terwijl zij zeer stemmig moest schijnen te zijn, inderdaad zoo opzichtig deftig was, als een kleermaker er een kon maken, was Rob de Slijper, naar den uitwendigen mensch aldus herschapen, en naar den inwendigen geheel onverschillig voor den kapitein en den adelborst, behalve wanneer hij, met eene toejuichende fanfare van dat koperen instrument, zijn geweten, zich verlustigde in de gedachte, hoe hij deze twee (in zijne verbeelding onafscheidbaar) den zak had gegeven, thans bij zijn beschermer Carker in dienst. Medebewoner van Carker’s huis en als zijn lijfknecht werkzaam, hield Rob met vreezen en beven zijne oogen op de witte tanden gevestigd, en gevoelde dat hij ze waarlijk wel wijder dan ooit mocht openzetten.
Hij kon niet sterker door geheel zijn wezen voor die tanden gebeefd hebben, al was hij in den dienst van een machtig toovenaar gekomen, en al waren die tanden zijne krachtigste toovermiddelen geweest. De jongen had een gevoel van de macht en het gezag van zijn patroon, dat al zijne aandacht gespannen hield en hem tot blinde onderwerping en gehoorzaamheid noopte. Hij durfde zelfs, als hij niet bij hem was, nauwelijks over hem denken, eenigszins vreezende dat hij dan weder dadelijk bij de keel zou gepakt worden, gelijk op den ochtend hunner eerste kennismaking, en dat elke tand de geheimen van zijn gemoed zou doorgronden. Onder de oogen van zijn meester, twijfelde hij evenmin dat Carker zijne geheimste gedachten las, of lezen kon indien hij wilde, als hij er aan twijfelde of deze hem zag als hij hem aankeek. Zoo groot was die invloed, dat de knaap bijna geheel niet durfde denken, maar met eene nevelachtige voorstelling van zijn meesters onweerstaanbare macht over hem, en zijn vermogen om alles met hem te doen wat hij wilde, naar zijne wenken stond te wachten en zijne bevelen poogde te voorkomen, geheel suf en stomp voor alle andere dingen.
Rob had het met zich zelven niet uitgemaakt—in zijn gemoedstoestand zou het reeds eene groote vermetelheid zijn geweest er naar te vragen,—of hij zich zoo volkomen aan dien invloed overgaf, dewijl hij vermoedde dat zijn beschermer een meester was in zekere verraderlijke kunsten, waarin hij zelf op de Slijpersschool een beginnend leerling was geweest. Zeker is het dat Rob hem bewonderde zoowel als vreesde. Carker was misschien beter bekend met de bronnen zijner macht en verzuimde niets om die te bevestigen.
Op denzelfden avond toen Rob den dienst des kapiteins verliet, was hij, na zijne duiven verkocht en in zijne haast zelfs eene slechte negotie gedaan te hebben, recht naar Carker’s huis gegaan, en was hij met een gloeiend gezicht, dat eene lofspraak scheen te verwachten, voor zijn nieuwen meester verschenen.
“Zoo, deugniet!” zeide Carker, naar zijn pakje ziende. “Zijt gij uit uw dienst geloopen, en komt ge nu naar mij toe?”—“O, als je blieft, mijnheer,” stotterde Rob, “gij hebt immers gezegd, toen ik laatst hier was...”—“Ik gezegd?” hervatte Carker. “Wat heb ik gezegd?”—“Als je blieft, mijnheer, gij hebt niemendal gezegd, mijnheer,” antwoordde Rob, door den toon der vraag gewaarschuwd, en zeer onthutst.
Zijn patroon keek hem aan, liet zijn tandvleesch zien, schudde zijn voorvinger en zeide:
“Gij zult aan een slecht eind komen, mijn losbandige vriend, dat voorzie ik. Gij zult in uw ongeluk loopen.”—“Och neen, mijnheer, als je blieft!” barstte Rob uit, terwijl zijne beenen onder hem beefden. “Waarachtig, mijnheer, ik wil niets anders dan voor u werken, en u bedienen, en trouw doen wat mij belast wordt, mijnheer.”—“Het is u ook maar geraden om trouw te doen wat u belast wordt, als gij met mij te maken hebt,” antwoordde zijn patroon.—“Ja, dat weet ik wel, mijnheer,” zeide de onderdanige Rob hierop. “Daar ben ik wel zeker van, mijnheer. Als ge maar zoo goed wilt zijn om mij te probeeren, mijnheer. En als gij er mij ooit op betrapt, mijnheer, dat ik iets tegen uw zeggen doe, moogt ge mij vrij doodslaan.”—“Gij rekel!” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en hem vergenoegd glimlachend aanziende: “dat is nog niets bij wat ik u doen zou, als gij het hart hadt om mij te willen bedriegen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde de benauwde Slijper, “ik weet wel dat ge mij iets vreeselijks zoudt doen, mijnheer. Ik zou het ook niet probeeren, mijnheer, al wilde men mij met goud omkoopen.”
Geheel te leur gesteld in zijne verwachting van eene lofspraak, bleef de onthutste Slijper zijn beschermer staan aanzien, en poogde vruchteloos hem niet aan te zien, met dezelfde ongerustheid welke een hond dikwijls in dergelijke omstandigheden aan den dag legt.
“Dus hebt gij uw ouden dienst verlaten, en komt hier vragen of ik u in mijn dienst wil nemen, he?” zeide Carker.—“Ja, als je blieft, mijnheer,” antwoordde Rob, die wat hij gedaan had op eigen last van zijn patroon had gedaan, maar zich niet durfde rechtvaardigen door de geringste aanduiding daarvan.—“Wel!” zeide Carker. “Gij kent mij, jongen?”—“Ja, mijnheer, als je blieft,” antwoordde Rob, zijn hoed in het rond draaiende, en nog door Carker’s oogen geboeid, waarvan hij zich vruchteloos poogde los te rukken.
Carker knikte. “Pas op, dan.”
Rob gaf door een aantal snelle buigingen zijn levendig begrip van deze waarschuwing te kennen, en wilde zoo buigende naar de deur gaan, zeer verlicht door het vooruitzicht om maar daarbuiten te komen, toen zijn patroon hem stuitte.
“Holla!” zoo riep hij met eene grove stem terug. “Gij zijt—doe die deur toe!”
Rob gehoorzaamde alsof zijn leven van zijne vlugheid afhing.
“Gij zijt aan het spionneeren en luisteren gewoon, niet waar?”—“Hier zou ik zoo iets nooit doen, mijnheer,” antwoordde Rob, “op mijn woord van eer, dat zou ik niet. Ik zou het voor de geheele wereld niet durven, of het moest mij belast worden, mijnheer.”—“Dat zou u ook niet geraden zijn. Gij zijt ook aan babbelen en overpraten gewoon,” zeide zijn patroon, met de grootste koelbloedigheid. “Pas hier daarop, of ge zijt een verloren schobbejak,” en wederom glimlachte hij en waarschuwde hij met zijn voorvinger.
De Slijper voelde zijne ademhaling beklemd. Hij wilde zijne welmeenende gezindheid betuigen, maar kon den glimlachenden heer slechts aanstaren met eene botte onderdanigheid, waarmede de glimlachende heer tamelijk weltevreden scheen; want na den knaap nog eene poos stilzwijgend te hebben aangezien, beval hij hem om naar beneden te gaan, en zeide dat hij hem in zijn dienst zou houden.
Dit was de manier waarop Rob de Slijper door Carker tot lijfknecht werd aangenomen; en met elke minuut van zijn dienst werd zijn ontzag voor dezen heer, zoo mogelijk, nog grooter.
Die dienst had eenige maanden geduurd, toen Rob op zekeren morgen het tuinhek voor Dombey opendeed, die volgens afspraak bij zijn meester kwam ontbijten. Op hetzelfde oogenblik kwam zijn meester zelf naar buiten snellen om zijn geëerden gast te ontvangen en met al zijne tanden te verwelkomen.
“Ik had waarlijk nooit gedacht u eens hier te zien,” zeide Carker, terwijl hij Dombey van het paard hielp stappen. “Dit is een uitstekende dag in mijn almanak. Geen bezoek heeft veel bijzonders voor een man als gij, die alles kan doen wat hij wil, maar voor een man als ik is het geheel anders.”—“Gij hebt hier een met smaak aangelegd buitentje, Carker,” zeide Dombey, zich verwaardigende om voor het grasperk te blijven stilstaan en rond te zien.—“Dat belieft u zoo te zeggen,” antwoordde Carker. “Wel verplicht.”—“Waarlijk,” zeide Dombey met zijne deftige minzaamheid, “dat zou iedereen moeten zeggen. Zoover het gaat schijnt het zeer gemakkelijk en goed ingericht—wezenlijk elegant.”—“Zoover het gaat inderdaad,” antwoordde Carker, met nederigheid. “Dat moet er bij gezegd worden. Nu, wij hebben er genoeg van gezegd; en schoon het eene goedheid van u is dat gij het prijst, ben ik u niet minder dankbaar. Wilt gij binnengaan?”
Toen Dombey het huis binnenging, lette hij, gelijk hij wel doen mocht, op de keurige inrichting der kamers, en de talrijke kleine zorgen voor gemak en sieraad. Carker nam, met zijne pralende nederigheid, deze complimenten met een benepen glimlach aan, en zeide dat hij de kieschheid daarvan begreep en waardeerde, maar dat het buitentje voor hem goed genoeg was—beter, misschien, hoe gering het ook was, dan iemand als hij moest bewonen.
“Maar misschien vertoont het zich voor u, die zoover daarboven zijt, beter dan het werkelijk is,” zeide hij, met zijn valschen mond zoo breed mogelijk uitgerekt. “Evenals een vorst zich iets bekoorlijks in het leven van een bedelaar voorstelt.”
Dit zeggende vestigde hij een scherpen blik op Dombey, en een nog scherper, met een scherpen glimlach gepaard, toen Dombey, zich voor het vuur plantende, in de houding, die door zijn eersten dienaar zoo dikwijls werd nagebootst, naar de schilderijen aan den wand rondkeek. Terwijl zijne koude oogen vluchtig daarover heengleden, ging Carker’s scherpe blik mede, en lette hij nauwkeurig op, waar die oogen bleven en wat zij zagen. Toen zij vooral op eene schilderij bleven rusten, scheen Carker nauwelijks adem te halen, zoo katachtig waakzaam was zijn zijdelings loeren; maar de oogen van den grooten man gleden er over heen, gelijk over de andere schilderijen en schenen er even weinig een indruk van te behouden.
Carker zag er naar—het was de schilderij die naar Edith geleek alsof zij leefde; en er verscheen een stille, boosaardige lach op zijn gezicht, die gedeeltelijk op de schilderij scheen te doelen, hoewel hij eigenlijk den grooten man bespotte die zoo onergdenkend naast hem stond. Weldra stond het ontbijt op de tafel; en Dombey een stoel aanbiedende, welke met den rug naar die schilderij stond, zette hij zich volgens gewoonte er vlak tegenover.
Dombey was ernstiger dan gewoonlijk, en zeer stil. De papegaai, in den vergulden hoepel in zijne prachtige kooi schommelende, poogde vruchteloos aandacht te trekken; want Carker lette te zeer op zijn gast, om aan den papegaai te denken; en de gast, in verstrooid gepeins, keek strak, om niet te zeggen stuursch, over zijne stijve das, zonder zijne oogen van het tafellaken op te slaan. Wat Rob, die bleef bedienen, betrof, al zijne zinnen en vermogens werden zoozeer door zijn meester geboeid, dat hij nauwelijks een oogenblik durfde geven aan de gedachte, dat die gast de groote heer was, voor wien hij eens in zijne kindsheid als getuige van den gezondheidstoestand zijner familie was verschenen, en aan wien hij zijn lederen broekje had te danken gehad.
“Mag ik zoo vrij zijn om te vragen hoe mevrouw Dombey vaart?” zeide Carker eensklaps.