Dombey en Zoon

Part 58

Chapter 583,882 wordsPublic domain

Edith alleen sloeg hare oogen niet naar eenig gezicht aan tafel op, en scheen zich nooit te bevreemden over iets dat hare moeder zeide of deed. Zij luisterde naar haar onsamenhangend gepraat, of keerde ten minste haar hoofd naar haar om; antwoordde met eenige zachte woorden als dit noodig was, en stuitte haar somtijds als zij geheel in de war raakte, of bracht hare gedachten met een enkel woord naar het punt terug, van waar zij waren afgedwaald. De moeder, hoe ongestadig ook in andere opzichten, was hierin bestendig, dat zij altijd op haar lette. Zij tuurde naar het schoone gelaat, zoo ernstig en strak als marmer, nu met zekere vreesachtige bewondering, dan met eene kinderachtige poging om het tot een glimlach te bewegen, dan met spijtige tranen en een jaloersch hoofdschudden, als zij zich verbeeldde er door verwaarloosd te worden; maar altijd er door aangetrokken door iets, dat nooit het onvaste van hare andere denkbeelden vertoonde, maar haar bestendig beheerschte. Van Edith zag zij somtijds naar Florence, en van deze weder naar Edith, op eene manier die wel iets wilds had; en somtijds beproefde zij ergens anders heen te zien, als wilde zij het gezicht harer dochter ontwijken; maar zij scheen steeds genoodzaakt daartoe terug te komen, hoewel dat gezicht nooit uit eigene beweging het hare zocht.

Toen het ontbijt was afgeloopen, werd mevrouw Skewton, die zich hield alsof zij meisjesachtig los op des majoors arm leunde, maar aan den anderen kant stevig door Flowers de kamenier, en van achteren door Withers werd gesteund, naar de koets geholpen, die haar, Florence en Edith naar Brighton zou brengen.

“En is Jozef inderdaad verbannen?” zeide de majoor, zijn purperrood gezicht binnen het portier stekende. “Verduiveld, mevrouw, is Cleopatra zoo hardvochtig dat zij haar trouwen Antonius Bagstock verbiedt om haar te naderen?”—“Loop heen;” zeide Cleopatra. “Ik kan u niet uitstaan. Gij zult mij zien als ik terugkom, als ge heel zoet zijt.”—“Zeg Jozef dat hij in hoop mag leven, mevrouw,” zeide de majoor, “of hij zal in wanhoop sterven.”

Cleopatra huiverde en liet zich achteroverzakken. “Edith, lieve,” zeide zij, “zeg hem...”—“Wat?”—“Zulke ijselijke woorden,” zeide Cleopatra. “Hij gebruikt zulke ijselijke woorden.”

Edith gaf hem een wenk om heen te gaan en te gelijk last om op te rijden.

De afgewezen majoor keerde zich fluitend naar Dombey.

“Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer,” zeide de majoor, zeer wijdbeens staande, met de handen op den rug, “eene schoone vriendin van ons is in de Wrakke-Straat gaan wonen.”—“Wat meent ge, majoor?” vroeg Dombey.—“Ik wil zeggen, Dombey,” antwoordde de majoor, “dat ge binnen kort een schoonwees zult zijn.”

Dombey scheen zoo weinig smaak te hebben in deze schertsende aanduiding van hem zelven, dat de majoor, als een blijk van ernst, met een paardenkuch besloot.

“Verduiveld, mijnheer,” hervatte de majoor, “er zijn geen doekjes om te winden. Joe is plomp, mijnheer. Dat is zijn aard. Als gij Joe hebben wilt, moet gij hem nemen zooals gij hem vindt; en gij zult hem een taaien, groven, ouden rekel vinden. Dombey, uwe schoonmoeder staat op sprong.”—“Ik vrees,” antwoordde Dombey zeer koel, “dat mevrouw Skewton geschokt is.”—“Geschokt, Dombey?” zeide de majoor. “Zij heeft het weg!”—“Maar afwisseling en oplettendheid kunnen nog veel doen,” zeide Dombey.—“Geloof het niet, mijnheer,” antwoordde de majoor. “Verduiveld, mijnheer, zij heeft zich nooit genoeg ingebakerd. Als iemand zich niet inbakert,” zeide de majoor, nog een knoop van zijn vest dichtmakende, “verzwakt hij zijn gestel. Maar sommige menschen willen sterven. Dat willen zij. Zij zijn koppig. Ik zal u wat zeggen, Dombey; het mag niet zoo mooi zijn, het mag niet zoo gepolijst wezen, maar een zweempje van de oud Engelsche degelijkheid van het Bagstockras, mijnheer, zou iedereen goeddoen.”

Na het mededeelen van dit wetenswaardige bericht kuierde de majoor naar zijne club en bleef daar den geheelen dag zitten hijgen alsof hij ieder oogenblik eene beroerte zou krijgen.

Cleopatra, nu eens gemelijk, dan weder vergenoegd, somtijds wakker, somtijds in slaap, en altijd jeugdig, kwam des avonds te Brighton aan, viel naar gewoonte in stukken en werd in bed gestopt; waar eene sombere verbeelding zich had kunnen voorstellen dat een machtiger geraamte dan de kamenier, die een geraamte had moeten zijn, de rozekleurige gordijnen bewaakte, welke men had medegenomen om haar blos te verhoogen.

Het werd door een hoogen raad van dokters beslist dat zij dagelijks een toertje met rijtuig moest doen, en ook dagelijks, als zij kon, wat wandelen. Edith was gereed om haar te vergezellen—altijd gereed om haar te vergezellen met dezelfde werktuiglijke oplettendheid en onbeweeglijke schoonheid—en zij reden alleen uit; want Edith was, nu hare moeder erger werd, in het bijzijn van Florence onrustig, en zeide Florence, met een kus, dat zij liever met haar beiden alleen wilde gaan.

Op zekeren dag was mevrouw Skewton in dat ongestadige, wrevelige, jaloersche humeur, dat zich onder haar herstel na het eerste toeval had ontwikkeld. Nadat zij in de koets Edith eenigen tijd stilzwijgend had zitten aanstaren, vatte zij hare hand en kuste die hartstochtelijk. Die hand werd noch gegeven noch teruggetrokken, en viel, toen zij losgelaten werd, weder neer, bijna alsof zij gevoelloos en machteloos was. Daarop begon mevrouw Skewton te grienen en te kermen, en zeide, welk eene moeder zij geweest was, en hoe zij vergeten werd. Hiermede ging zij bij grillige tusschenpoozen voort, zelfs nadat men was afgestapt, terwijl zij, door Withers en een stok gesteund, voortstrompelde, Edith naast haar ging en het rijtuig op eenigen afstand langzaam volgde.

Het was een gure, betrokkene, winderige dag, en zij waren op het duin, waar men niets anders zag dan den kalen grond en de lucht. De moeder bleef, met zeker wrevelig genoegen in het eentonige harer klacht, deze nog nu en dan binnensmonds herhalen, en de trotsche gestalte harer dochter zweefde langzaam naast haar voort, toen zij, eene geringe hoogte bestegen hebbende, eensklaps twee gedaanten voor zich zagen, die zoozeer naar eene overdrevene nabootsing van hare eigene gedaanten geleken, dat Edith bleef stilstaan.

Bijna gelijktijdig stonden ook die twee gedaanten stil; en diegene, welke Edith vond dat naar eene wanstaltige schaduw van hare moeder geleek, sprak ernstig tot de andere en wees met de hand naar hen. Deze scheen gezind om terug te keeren, maar de andere, in welke Edith eene genoegzame gelijkenis met haar zelve vond, om een zeer ongewoon gevoel, dat niet geheel vrij van vrees was, bij haar te doen opkomen, stapte voort, en zoo naderden zij elkander.

Het meeste van het vorige had Edith opgemerkt terwijl zij voortwandelde, want zij was slechts een oogenblik blijven stilstaan. Nader komende zag zij dat die twee armoedig waren gekleed, bijna als bedelaars, en dat de jongste vrouw gebreide goederen of zoo iets te koop droeg, terwijl de oudste onbelast voortstrompelde.

En toch, hoe ver beneden haar in schoonheid, houding en kleeding, kon Edith ook nu niet nalaten de jongste vrouw met zich zelve te vergelijken. Misschien zag zij op haar gelaat eenige sporen van datgene wat zij wist dat in hare eigene ziel school, al vertoonden er zich nog geene uitwendige blijken van; maar toen die vrouw aankwam, haar blik teruggaf, hare glanzige oogen op haar vestigde, ontwijfelbaar iets van hare eigene houding en uitzicht vertoonde en zelfs hare gedachten scheen te beantwoorden, gevoelde zij zich door eene kilheid overvallen alsof de lucht meer betrok en de wind kouder werd.

Zij waren nu bij elkander. De oude vrouw hield hare hand op en bedelde bij mevrouw Skewton. De jongste bleef insgelijks staan, en zij en Edith zagen elkander in de oogen.

“Wat hebt ge daar te koop?” zeide Edith.—“Dit maar,” antwoordde de vrouw, hare waren vertoonende, zonder er zelve naar te zien: “mij zelve heb ik al lang geleden verkocht.”—“Geloof haar niet, Mylady,” kraste de oude vrouw tot mevrouw Skewton. “Geloof niet wat zij zegt. Zij wil maar zoo praten. Zij is mijne mooie, onnatuurlijke dochter. Zij geeft mij niets dan verwijten, Mylady, voor al wat ik voor haar gedaan heb. Zie haar nu eens, Mylady, hoe zij hare arme moeder aankijkt.”

Toen mevrouw Skewton met eene bevende hand hare beurs uithaalde en naar geld zocht, waarnaar de andere oude vrouw gretig stond te wachten—terwijl hare hoofden, door beider haast en zwakheid, bijna tegen elkander stieten, kwam Edith er tusschen.

“Ik heb u meer gezien,” zeide zij, de oude vrouw aansprekende.—“Ja, Mylady,” antwoordde zij nijgende. “Daar in Warwickshire. Dien ochtend tusschen de boomen. Toen ge mij niets woudt geven. Maar die heer, hij heeft mij wat gegeven! O zegen hem, zegen hem!” mompelde de oude vrouw, hare dorre hand opstekende en akelig tegen hare dochter grijnzende.—“Gij behoeft mij niet te willen tegenhouden, Edith!” zeide mevrouw Skewton gramstorig, om afrading van haar voor te komen. “Gij weet er niets van. Ik wil mij niet laten afraden. Ik ben zeker dat dit eene brave vrouw is, en eene goede moeder.”—“Ja, Mylady, ja,” kakelde de oude vrouw, hare gretige hand uitstekende. “Bedankt, Mylady. God zegen u, Mylady. Nog zes stuivers, mijne lieve Lady, omdat gij zelf eene goede moeder zijt.”—“En die ook somtijds onnatuurlijk genoeg wordt behandeld, goede vrouw, dat verzeker ik u,” zeide mevrouw Skewton grienende. “Daar! Geef mij de hand. Gij zijt eene goede oude ziel—ook vol, hoe is het ook weer, en dat alles. Vol hartelijkheid en zoo al meer, niet waar?”—“O ja, Mylady!”—“Ja, dat geloof ik zeker; en dat is Grangeby ook, die fatsoenlijke man. Ik moet u waarlijk nog eens de hand geven. En nu kunt gij gaan; en ik hoop,” zeide mevrouw Skewton, de dochter aansprekende, “dat ge meer dankbaarheid, en natuurlijke, hoe heet het ook weer, en dat alles, zult toonen—ik heb nooit namen kunnen onthouden—want er is nooit beter moeder geweest, dan die arme oude ziel voor u geweest is. Kom, Edith!”

Terwijl de ruïne van Cleopatra grienend heenwaggelde, en hare oogen afveegde, maar met voorzichtigheid om het rouge in de nabijheid te ontzien, strompelde de oude vrouw, mompelende en haar geld tellende, een anderen kant heen. Geen woord, geen gebaar was tusschen Edith en de jongere vrouw meer gewisseld, maar geen van beide had hare oogen van de andere afgewend. Zij waren tegen elkander over blijven staan tot zoolang, toen Edith, alsof zij uit een droom ontwaakte, langzaam voortging.

“Ge zijt mooi,” prevelde hare schaduw, haar naziende, “maar het mooi kan ons niet redden. En ge zijt trotsch, maar trotschheid kan ons niet redden. Wij zullen elkander wel kennen, als wij elkander weerzien!”

XLI.

NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN.

Alles loopt voort als naar gewoonte. De golven worden schor door het gedurig herhalen van haar geheim; het zand ligt op de kust opgewaaid; de zeevogels zwieren en zweven; de winden en wolken snellen op hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.

Met een teeder weemoedig genoegen wandelt Florence weder over den ouden grond, dien zij zoo treurig en toch zoo gelukkig heeft betreden, en denkt aan hem op de stille plek, waar hij en zij zoo dikwijls te zamen hebben gesproken, terwijl het water om zijn rustbedje opkwam. En nu, terwijl zij daar zit te peinzen, hoort zij in het zachte gemurmel der zee zijne korte geschiedenis nog eens verhalen, zelfs zijne eigene woorden herhalen; en vindt zij, dat geheel haar leven met al de hoop en smart daarvan—in het eenzame huis en in het prachtige paleis waarin het veranderd is—in de tonen van dat wonderbare gezang worden afgeschaduwd.

En de zachtzinnige Toots, die op een afstand blijft dralen, en de gedaante, die hem zoo dierbaar is, oplettend gadeslaat, en ze daarheen gevolgd is, maar uit kieschheid niet op zulk een tijd wil storen, hoort insgelijks den lijkzang van den kleinen Dombey over de golven, rijzende en dalende in de tusschenpoozen van haar eeuwig loflied op Florence. Ja, hij begrijpt flauw, die arme Toots, dat zij iets zeggen van een tijd toen hij wist dat hij helderder van hoofd en vlugger van begrip was, en tranen komen hem in de oogen, wanneer de vrees, dat hij nu bot en dom is, en tot weinig meer deugt, dan om uitgelachen te worden, zijne blijdschap vermindert over de streelende herinnering dat hij voor het tegenwoordige van zijne verantwoording aan den Kemphaan is ontheven, daar deze heer (op kosten van Toots) naar het land is om zich op zijn grooten wedstrijd tegen een anderen vermaarden bokser voor te bereiden.

Doch Toots vat moed, wanneer zij hem eene goede gedachte toefluisteren; en langzaam, dikwijls onderweg besluiteloos stilstaande, nadert hij Florence. Stotterend en blozend, veinst hij zich te verwonderen, als hij bij haar komt, en zegt (terwijl hij de koets waarin zij reed den geheelen weg van Londen over duin voor duin heeft gevolgd, zich gaarne het stof van de wielen in de keel latende vliegen) dat hij nooit in zijn leven zoo verrast is.

“En gij hebt Diogenes ook meegebracht, jufvrouw Dombey!” zegt Toots, doortinteld door de aanraking van het handje dat hem zoo vriendelijk en vrijmoedig gegeven wordt.

Zonder twijfel is Diogenes daar, en zonder twijfel heeft Toots reden gehad om hem op te merken, want hij komt recht op zijne beenen afstuiven, en duikelt over zijn kop, door de vaart waarmede hij op hem aanvliegt. Maar hij wordt door zijne lieve meesteres gestuit.

“Koest, Di, koest! Weet gij niet meer wie ons het eerst vrienden heeft gemaakt, Di? Foei, schaam u!”

Ja, wel mag Di zijn kop liefkoozend tegen haar hand drukken, en voortrennen, en terugkomen, en blaffend om haar heendraven, en blindelings tegen iedereen aanloopen, om zijne gehechtheid te toonen. Toots zou ook wel blindelings tegen iedereen willen aanloopen. Een officier wandelt voorbij; Toots zou niets liever willen doen dan hem bot tegen het lijf loopen.

“Diogenes is hier in zijne geboortelucht, niet waar, jufvrouw Dombey?” zegt Toots.

Florence antwoordt met een knikje en een vriendelijk lachje.

“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots, “neem mij niet kwalijk, maar als gij gaarne eens naar doctor Blimber zoudt willen gaan, ik—ik ga naar hem toe.”

Florence steekt zonder een woord te spreken haar arm door dien van Toots, en zij wandelen te zamen voort, terwijl Diogenes vooruitloopt. Toots voelt zijne beenen onder hem beven; en hoewel hij keurig gekleed is, voelt hij slecht passende plekken en ziet hij rimpels aan de meesterstukken van Burgess en Comp., en wenscht hij dat hij de blinkendste laarzen aanhad.

Het huis van doctor Blimber ziet er van buiten even geleerd en deftig uit als voorheen; en daar omhoog is een venster waar zij naar het bleeke gezichtje placht te zien, en waar het bleeke gezichtje ophelderde als het haar zag, en het uitgeteerde handje haar kussen toewierp als zij voorbijging. De deur wordt geopend door hetzelfde jonge mensch met slechte oogen, wiens dom gegrinnik op het gezicht van Toots de gepersonifiëerde flauwheid is. Zij worden in de studeerkamer des doctors gelaten, waar de blinde Homerus en Minerva hun, gelijk voorheen, audiëntie geven, onder het tikken der groote klok in het voorhuis; en waar de globes nog op hare gewone plaatsen staan, alsof de wereld ook stilstond, en niets daarin ooit verging en aan de algemeene wet gehoorzaamde, die de aarde doet voortrollen en alles tot de aarde terugroept.

En daar is doctor Blimber met zijne geleerde beenen; en daar is mevrouw Blimber met hare hemelsblauwe muts; en daar is Cornelia met haar vlasblond rijtje krullen, en haar schitterenden bril, die nog als een doodgraver in de knekelhuizen van talen werkt. Daar is de tafel waarop hij eens zat, vreemd en verlegen, als de “nieuweling” van de school; en men hoort in de verte het gerucht der jongens, die nog in de oude schoolkamer op de oude manier aan hunne oude lessen zijn.

“Toots,” zegt doctor Blimber, “het doet mij genoegen u te zien, Toots.”

Toots antwoordt door eens te grinniken.

“En ook u in zoo goed gezelschap te zien, Toots,” zegt doctor Blimber.

Toots zegt met een bloedrood gezicht, dat hij jufvrouw Dombey toevallig heeft ontmoet, en dat, daar jufvrouw Dombey, evenals hij zelf, het oude huis nog eens wenschte te zien, zij te zamen gekomen zijn.

“Gij zult ook zeker gaarne onze jonge vrienden nog eens willen zien, jufvrouw Dombey,” zegt doctor Blimber. “Allen eens medeleerlingen van u, Toots. Ik geloof dat wij geene nieuwe bewoners van onzen kleinen porticus hebben gekregen, lieve,” zegt doctor Blimber tot Cornelia, “sedert mijnheer Toots ons verlaten heeft.”—“Behalve Bitherstone,” zegt Cornelia.—“Ja, waarlijk,” zegt de doctor. “Bitherstone zal mijnheer Toots nog nieuw zijn.”

Voor Florence is hij ook bijna nieuw, want in de schoolzaal vertoont zich Bitherstone—niet langer de kleine Bitherstone van mevrouw Pipchin—als drager van boordjes en een horloge. Maar Bitherstone, onder een ongelukkig Bengaalsch gestarnte geboren, is buitengemeen inkterig, en zijn Lexicon is door gedurig nazoeken zoo weerbarstig geworden dat het niet meer sluiten wil, en gaapt alsof dat gemaal het doodelijk verveelde. Zoo doet ook Bitherstone, de eigenaar van dat gapende Lexicon, maar Bitherstone’s gapen heeft iets kwaadaardigs, en men heeft hem hooren zeggen te wenschen dat hij dien “ouden Blimber” maar eens in Indië betrapte. Dan zou hij gauw door een troepje van zijne (Bitherstone’s) Coolies landwaarts ingebracht en aan de Thugs overgeleverd worden; dat kan hij hem zeggen.

Briggs is nog aan het malen in den molen der wetenschap, en Tozer ook, en Johnson ook, en al de anderen; de oudste leerlingen zijn voornamelijk bezig om met verbazenden arbeid alles te vergeten wat zij wisten toen zij jonger waren. Allen zijn zoo beleefd en zoo bleek als ooit, en onder hen is mijnheer Feeder, met zijne knokkige handen en zijn borstelig hoofd, nog even ijverig aan het draaiorgelen; hij speelt hun nu juist een brok uit Herodotus voor, en zijne rollen ter verwisseling liggen op eene plank achter hem.

Er ontstaat eene geweldige opschudding, zelfs onder deze ernstige jonge heeren, door het bezoek van den geëmancipeerden Toots, die met zeker ontzag wordt aangestaard, als een die den Rubicon is overgetrokken en zijn woord heeft verpand om nooit terug te komen, en over wiens kleeren en juweelen achter de hand wordt gefluisterd. De galachtige Bitherstone, die niet uit den tijd van Toots is, veinst dezen te verachten, en zegt dat hij wel beter weet, en dat hij hem wel eens in Bengalen met die dingen wilde zien aankomen, waar zijne moeder een smaragd voor hem bewaart, die uit het voetbankje van een Radja is genomen.

Verbijsterende aandoeningen worden insgelijks door het gezicht van Florence opgewekt, op welke al de jonge heeren dadelijk verlieven; behalve wederom Bitherstone, die dit, uit geest van tegenspraak, niet doen wil. Er ontstaat eene bittere wangunst op Toots, en Briggs is van gedachte dat hij toch nog zoo oud niet is. Maar deze kwaadsprekende inblazing wordt spoedig daardoor te schande gemaakt dat Toots hardop tot mijnheer Feeder zegt: “Hoe gaat het, Feeder?” en hem vraagt om dien middag in de Bedford bij hem te komen eten; welke bedrijven hem in staat zouden stellen om zich, als hij verkoos, zonder tegenspraak voor een Methusalem uit te geven.

Er wordt veel hand gegeven en veel gebogen, en alle jonge heeren doen hun best om Toots in de gunst van jufvrouw Dombey te verdringen; en dan grinnikt Toots nog eens tegen zijn ouden lessenaar, en gaan Florence en hij met mevrouw Blimber en Cornelia heen, en wanneer doctor Blimber de deur achter hen sluit, hoort men hem zeggen: “Jonge heeren, nu zullen wij onze studiën hervatten.” Want dit en weinig anders is het wat de doctor de zee hoort zeggen, of al zijn leven heeft hooren zeggen.

Florence glipt dan heen en gaat met mevrouw Blimber en Cornelia naar boven naar de oude slaapkamer. Toots, die gevoelt dat hij daar niet te maken heeft, blijft in de deur der studeerkamer met den doctor staan praten, of liever hoort den doctor tegen hem praten, en verwondert zich hoe hij de studeerkamer ooit voor een heiligdom en den doctor voor een geducht persoon hield. Florence komt spoedig weder beneden en neemt afscheid, en Toots neemt afscheid, en Diogenes, die het ondertusschen het jonge mensch met slechte oogen zeer lastig heeft gemaakt, schiet de deur uit en rent uitdagend blaffende de hoogte af, terwijl Melia en eene andere meid uit een bovenvenster kijken en om “dien Toots” lachen, en van jufvrouw Dombey zeggen: “Maar waarlijk—lijkt zij niet op haar broertje, behalve dat zij mooier is?”

Toots, die, toen Florence weder beneden kwam, tranen op hare wangen heeft gezien, is doodelijk ongerust, en vreest in het eerst dat hij verkeerd heeft gedaan, met haar dit bezoek voor te stellen. Maar weldra wordt hij van zijne vrees ontslagen; daar zij zegt zeer blijde te zijn dat zij daar geweest is, en er zeer opgeruimd over praat, terwijl zij langs de zee voortwandelen. De stemmen uit die zee en hare lieve stem overweldigen Toots zoodanig, dat hij, wanneer zij bij het door Dombey gehuurde huis komen, en hij haar verlaten moet geen aasje vrijen wil meer over heeft; als zij hem tot afscheid de hand geeft, kan hij die niet weder loslaten.

“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots zeer onthutst, “neem mij niet kwalijk, maar als gij zoo goed woudt zijn om—om—”

Het lachende, argelooze gezichtje van Florence doet hem bot stilzwijgen.

“Als ik mocht—als gij het voor geene al te groote vrijpostigheid zoudt houden, jufvrouw Dombey, als ik—zonder mij eenigszins aan te moedigen, als ik maar hopen mocht, weet gij,” zegt Toots.

Florence ziet hem vragend aan.

“Jufvrouw Dombey,” hervatte Toots, die gevoelt dat hij nu meer moet zeggen, “ik ben waarlijk in zulk een gemoedstoestand, als ik u zie, en u zoo aanbiddelijk vind, dat ik niet weet waar ik zal blijven. Ik ben de beklagenswaardigste ellendeling. Als ik nu niet op den hoek van het Plein was, zou ik op mijne knieën vallen, en u bidden en smeeken, zonder mij eenige aanmoediging te geven, om mij maar te laten hopen—om het maar voor mogelijk te mogen houden dat gij...”—“Och neen, als het u belieft. Zeg niets meer. Als eene goedheid en vriendelijkheid voor mij, zeg niets meer.”

Toots is schrikkelijk uit het veld geslagen, en zijn mond blijft openstaan.

“Gij zijt goed voor mij geweest,” zegt Florence, “ik ben u zoo dankbaar, ik heb zooveel redenen om van u te houden, omdat gij zulk een vriend voor mij geweest zijt, en ik houd zooveel van u,” en hier ziet zij hem vriendelijk glimlachend aan met het oprechtste gezichtje van de wereld, “dat ik mij zeker houd dat gij alleen maar goedendag gaat zeggen.”—“Zekerlijk, jufvrouw Dombey. Ik—ik—dat is juist wat ik meen. Het is van geen beduiden.”—“Goedendag dan,” zegt Florence.—“Goedendag, jufvrouw Dombey,” stottert Toots. “Ik hoop dat gij er maar niet meer om zult denken. Het is—het is van geen belang. Wel bedankt. Het is van geen het minste belang.”

De arme Toots gaat naar zijn logement, sluit zich in zijne slaapkamer op, werpt zich op zijn bed, en blijft daar een langen tijd liggen, zoo wanhopig alsof het toch wel van het grootste belang was. Maar mijnheer Feeder komt bij hem eten, en dit is gelukkig voor Toots, of men had niet kunnen weten wanneer hij zou zijn opgestaan. Toots is nu genoodzaakt op te staan om hem te ontvangen en gastvrij te onthalen.