Part 57
Tegen den stuurschen, koppigen, norschen duivel, die hem beheerschte, stelde zijne vrouw haar geheel anderen trots in volle kracht over. Zij hadden nooit een gelukkig leven met elkander kunnen leiden; maar niets had hen ongelukkiger kunnen maken dan de hardnekkige strijd tusschen zulke elementen. Zijn trots was er op gesteld om zijne verhevene opperheerschappij te handhaven en haar tot erkentenis daarvan te noodzaken. Zij had zich dood laten martelen, en zou hem tot op het laatst met haar trotschen blik van kalme, onverschillige minachting hebben aangezien. Zulk eene erkentenis van Edith! Hij wist weinig door welk een zielestrijd zij zich had moeten doorworstelen eer zij zich dwingen kon om de eer van zijne hand aan te nemen! Hij wist weinig hoeveel zij meende te hebben opgeofferd toen zij hem toeliet om haar zijne vrouw te noemen!
Dombey nam zich voor om haar te toonen, dat hij oppermachtig was. Er moest geen wil bestaan dan de zijne. Trotsch verlangde hij dat zij zou zijn, maar zij moest vóór, niet tegen hem trotsch wezen. Terwijl hij zich alleen zat te verharden, hoorde hij haar dikwijls uitgaan en thuis komen, in den kring van het leven in Londen rondzwieren, zonder zich meer om zijn goedvinden of niet goedvinden, zijn genoegen of ongenoegen te bekommeren, dan alsof hij haar rijknecht was geweest. Hare koude, fiere onverschilligheid—zijne eigene eigenschap, die zij zich aanmatigde—kwetste hem dieper dan eenige andere soort van behandeling kon gedaan hebben; en hij besloot haar naar zijn verheven en statelijken wil te buigen.
Hij had zich lang met deze gedachten bezig gehouden, toen hij haar op een avond in hare eigene kamer ging opzoeken, nadat hij haar laat had hooren thuis komen. Zij was alleen, in hare schitterende kleeding, en was pas een oogenblik te voren uit de kamer harer moeder gekomen. Haar gezicht stond zwaarmoedig en peinzend, toen hij binnentrad; maar het lette dadelijk op hem toen hij de deur inkwam; want in den spiegel ziende, waarvoor zij stond, zag hij terstond, als in de lijst eener schilderij, het betrokken voorhoofd en de benevelde schoonheid, die hij zoo wel kende.
“Mevrouw Dombey,” zeide hij, binnenkomende, “ik moet eenige woorden met u verzoeken.”—“Morgen,” antwoordde zij.—“Geen tijd zoo goed als nu, mevrouw,” hervatte hij. “Gij vergist u in uwe positie. Ik ben gewoon mijn eigen tijd te kiezen, niet dien voor mij te laten kiezen. Ik denk dat gij niet goed begrijpt wie of wat ik ben, mevrouw Dombey.”—“Ik denk,” antwoordde zij, “dat ik u zeer wel begrijp.”
Dit zeggende zag zij hem aan, en hare blanke, van goud en juweelen schitterende armen over hare borst kruisende, keerde zij hare oogen af.
Indien zij minder schoon was geweest, en minder statig met hare koude bedaardheid, zou zij misschien het vermogen niet gehad hebben, om hem dat gevoel van minderheid in te boezemen, dat door zijn stugsten trots heendrong. Maar zij had dit vermogen, en hij gevoelde dit levendig. Hij wierp een blik door de kamer, en zag hoe de prachtigste voorwerpen van kleeding en opschik achteloos hier en daar verstrooid waren; niet uit enkele grilligheid en zorgeloosheid (of zoo, dacht hij), maar met opzettelijke, trotsche minachting voor al dat kostbare:—en gevoelde het meer en meer. Kunstbloemen, vederen, juweelen, kanten en satijn; waar hij zich wendde zag hij schatten met verachting neergeworpen. Zelfs de diamanten—een bruidsgeschenk—die met hare ongeduldig zwoegende borst rezen en daalden, schenen te hijgen om de keten te breken, die ze om haar hals sloot, en over den vloer te rollen, waar zij ze kon vertrappen.
Hij gevoelde zijne vernedering, en hij toonde dit. Zoo plechtstatig en zoo vreemd onder dien rijkdom van kleuren en weelderigen glans, zoo vreemd en stijf voor de trotsche meesteres daarvan, wier terugstootende schoonheid door alles in het rond werd herhaald en teruggekaatst, gelijk in zoovele stukken van een gebroken spiegel, was hij zich bewust van zijne verlegenheid en linksheid. Alles wat hare onverschillige kalmte dienstbaar was, moest hem kwetsen. Op zich zelven verstoord, zette hij zich neer, en vervolgde, nog slechter in zijn humeur:
“Mevrouw Dombey, het is zeer noodig dat het tot eene opheldering tusschen ons komt. Uw gedrag behaagt mij niet, mevrouw.”
Zij zag hem slechts even aan, en wendde hare oogen wederom af; maar zij had een uur lang kunnen spreken, zonder zooveel uit te drukken.
“Ik herhaal, mevrouw Dombey—behaagt mij niet. Ik heb reeds eene gelegenheid waargenomen, om te verzoeken het te veranderen. Nu beveel ik dat.”—“Gij hebt eene gepaste gelegenheid voor uwe eerste vermaning gekozen, mijnheer, en kiest eene gepaste manier en gepaste woorden voor uwe tweede. Gij beveelt! Mij!”—“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne hatelijkste statigheid, “ik heb u tot mijne vrouw gemaakt. Gij draagt mijn naam. Gij staat met mijne positie en reputatie in betrekking. Ik wil niet zeggen dat de wereld over het algemeen genegen is om te denken, dat die betrekking eene eer voor u moet zijn; maar ik wil zeggen, dat ik gewoon ben mijne betrekkingen en ondergeschikten te bevelen.”—“Voor wat van die twee zal het u believen mij te houden?” vroeg zij.—“Misschien zal ik denken dat mijne vrouw aan beide eigenschappen deel moet hebben—of werkelijk deel heeft, en niet anders kan, mevrouw Dombey.”
Zij zag hem strak aan en kneep hare bevende lippen dicht. Hij zag hare wangen gloeien en daarna verbleeken. Dat alles zag hij; maar hij kon het ééne woord niet hooren, dat in het binnenste van haar hart gefluisterd werd om haar stil te doen blijven; en dat woord was Florence.
Blinde dwaas, die naar den rand van een afgrond snelde! Hij dacht dat zij bang voor hem was!
“Gij zijt al te kostbaar, mevrouw,” zeide Dombey. “Gij zijt buitensporig. Gij verspilt veel geld—of wat veel geld zou zijn voor de beurs van de meeste heeren—om in eene soort van kring te verkeeren die mij nutteloos is, eigenlijk, over het geheel, mij onaangenaam is. Ik moet op eene volslagene verandering in al deze opzichten aandringen. Ik weet, dat door het nieuwe om een tiende van zulke middelen te bezitten als de fortuin tot uwe beschikking heeft gesteld, dames zeer licht tot een uiterste overgaan. Maar er is nu meer dan genoeg van dat uiterste geweest. Ik verzoek, dat de geheel andere ondervinding van mevrouw Granger nu mevrouw Dombey tot leering zal dienen.”
Nog de strakke blik, de bevende lippen, de zwoegende borst, de nu gloeiende dan bleeke wangen; en nog het gefluister van Florence, Florence, dat in het kloppen van haar hart tot haar sprak.
Zijne onbeschofte laatdunkendheid zwol nog meer op, toen hij deze verandering bij haar zag. Gezwollen niet minder door hare vroegere minachting voor hem en de pas gevoelde vernedering, dan door hare tegenwoordige onderwerping (naar hij dacht), werd die laatdunkendheid te groot voor zijne borst en verbrak zij alle perken. Wel zeker—wie kon lang zijn wil en welbehagen wederstaan! Hij had besloten haar te overmeesteren, en zie daar nu!
“Het zal u verder believen, mevrouw,” zeide Dombey, op een toon van oppermachtig bevel, “om dadelijk te verstaan, dat men mij behoort te respecteeren en te gehoorzamen. Dat men voor de wereld behoort te toonen en te bekennen dat men mij achting toedraagt en ontziet, mevrouw. Daaraan ben ik gewoon. Dat eisch ik als een recht. Kortom, ik wil het zoo. Ik beschouw dit als geene onbillijke beantwoording van de verhooging in de maatschappij die u te beurt gevallen is; en ik geloof dat niemand er zich over zal verwonderen, dat dit van u gevorderd wordt, of dat gij het bewijst. Aan mij—aan mij!” voegde hij er met nadruk bij.
Geen woord van haar; geene verandering in haar; hare oogen op hem gevestigd.
“Ik heb van uwe moeder vernomen, mevrouw Dombey,” zeide Dombey, met de deftigheid van een rechter, “wat gij zonder twijfel ook weet, namelijk dat Brighton voor hare gezondheid wordt aangeraden. Mijnheer Carker is zoo goed geweest....”
Zij veranderde op eens. Haar gezicht en hare borst gloeiden, alsof het roode licht eener toornig ondergaande zon ze bescheen. Deze verandering niet onopgemerkt latende, en ze op zijne eigene manier uitleggende, vervolgde Dombey:
“Mijnheer Carker is zoo goed geweest om daarheen te gaan en voor eenigen tijd een huis te huren. Wanneer het huishouden weder naar Londen komt, zullen tot bestuur daarvan zulke maatregelen genomen worden, als ik noodig acht. Daaronder zal behooren, dat eene zeer fatsoenlijke, maar tot armoede vervallene persoon, zekere mevrouw Pipchin, die vroeger een post van vertrouwen in mijne familie heeft bekleed, en te Brighton woont, zoo mogelijk, als huishoudster zal worden aangenomen. Een huishouden gelijk dit, mevrouw Dombey, dat slechts in naam een hoofd heeft, behoort een meer bevoegd hoofd te krijgen.”
Zij was, eer hij tot deze woorden kwam, van houding veranderd, en zat nu—hem nog strak aanziende—een bracelet aan haar arm om en om te draaien, niet los en zacht, maar klemmend en schurend over de zachte huid, tot de blanke arm eene roode streep vertoonde.
“Ik heb,” zeide Dombey—“en dit maakt het slot uit van hetgeen ik noodig acht u thans te zeggen, mevrouw Dombey—ik heb een oogenblik geleden opgemerkt, mevrouw, dat mijne vermelding van mijnheer Carker op eene bijzondere manier werd opgenomen. Bij gelegenheid dat ik u, in het bijzijn van dien vertrouwden gelastigde van mij, de aanmerkingen mededeelde, die ik had tegen de manier waarop mijne gasten door u werden ontvangen, beliefde het u bezwaar tegen zijne tegenwoordigheid te maken. Gij zult dat bezwaar te boven moeten komen, mevrouw, en er u waarschijnlijk bij vele dergelijke gelegenheden aan gewennen; tenzij gij daartegen het middel gebruikt, dat gij in uwe macht hebt, namelijk om mij geene reden van klagen te geven. Mijnheer Carker,” zeide Dombey, die na de gemoedsbeweging, welke hij zoo even gezien had, groote waarde hechtte aan dit middel om zijne trotsche vrouw te doen zwichten, en misschien ook wel gaarne zijne macht voor dien heer in een nieuw licht wilde ten toon spreiden, “mijnheer Carker is in mijn vertrouwen, mevrouw Dombey, en mag dus zeer wel tot zoo verre in het uwe zijn. Ik hoop,” vervolgde hij, na eene korte poos, waarin hij, met stijgenden trots, zijn denkbeeld nog wat meer had uitgewerkt, “dat ik het niet noodig zal vinden mijnheer Carker ooit eene boodschap van bezwaar of berisping tegen u toe te vertrouwen; maar daar het beneden mijne positie en reputatie zou zijn, dikwijls beuzelachtige geschillen te hebben met eene dame, aan welke ik de hoogste onderscheiding heb bewezen die in mijn vermogen is, zal ik niet schroomen van zijne diensten gebruik te maken, als ik daartoe reden zie.”—“En nu,” dacht hij, met al zijne deftigheid opstaande, stijver en ongenaakbaarder dan ooit, “kent ze mij en mijn besluit.”
De hand, die den bracelet zoo had omgedraaid, lag zwaar op hare borst, maar zij zag hem nog aan, met een onveranderd gezicht, en zeide met eene zachte stem:
“Wacht! Om Gods wil! Ik moet u spreken!”
Waarom sprak zij niet, en van welken aard was die inwendige strijd, welke haar daartoe eenige minuten lang buiten staat stelde, terwijl haar gezicht, in het bedwang dat zij zich aandeed, zoo strak bleef als dat van een steenen beeld, en hem aanzag, noch zwichtend, noch uitdagend, met genegenheid noch haat, met trots noch nederigheid; met niets anders dan een doordringend starenden blik.
“Heb ik u ooit uitgelokt om mijne hand te vragen? Heb ik eenige kunstgreep gebruikt om u in te nemen? Ben ik ooit vriendelijker voor u geweest toen ik door u werd aangezocht, dan ik sedert ons huwelijk geweest ben? Ben ik ooit anders voor u geweest dan ik nu ben?”—“Het is geheel noodeloos, mevrouw,” antwoordde Dombey, “in zulk eene woordenwisseling te treden.”—“Denkt gij dat ik u liefhad? Wist gij niet van neen? Hebt gij u ooit om mijn hart bekommerd, man, of u voorgesteld dat ding zonder waarde te winnen? Heeft er bij ons koopcontract eenige valschheid plaats gehad? Van uw kant of van den mijnen?”—“Deze vragen,” zeide Dombey, “zijn allen geheel nutteloos, mevrouw.”
Zij stapte tusschen hem en de deur, om te verhinderen dat hij heenging, en hare trotsche gestalte hoog oprichtende, zag zij hem nog strak aan.
“Gij beantwoordt ze allen. Gij antwoordt mij eer ik spreek, zie ik. Hoe kunt gij dat laten; gij, die de rampzalige waarheid evengoed kent als ik? Zeg mij nu. Als ik u tot aanbiddens toe liefhad, zou ik dan meer kunnen doen dan geheel mijn wil en wezen aan u overgeven, gelijk gij daar zoo even gevorderd hebt? Als mijn hart geheel rein was en gij de afgod daarvan, kondt gij dan meer vragen—kondt gij dan meer verkrijgen?”—“Mogelijk wel neen, mevrouw,” antwoordde hij koel.—“Gij weet hoe geheel anders ik ben. Gij ziet mij u aanzien, en kunt de warmte der liefde voor u lezen, die van mijn gezicht afstraalt.” Geen optrekken der trotsche bovenlip, geene flikkering van het donkere oog, niets dan dezelfde, strakke, doordringende blik vergezelde deze woorden. “Gij kent over het geheel mijne geschiedenis. Gij hebt van mijne moeder gesproken. Denkt gij dat gij mij door vernedering of dwang tot onderwerping en gehoorzaamheid kunt brengen, mij kunt buigen of breken?”
Dombey glimlachte, gelijk hij had kunnen glimlachen op de vraag of hij tien duizend pond beschikbaar had.
“Als hier iets ongewoons is,” zeide zij, even hare hand voor haar gezicht bewegende, dat geen oogenblik dat strakke staren naliet, dat anders niets uitdrukte, “gelijk ik weet dat hier een ongewoon gevoel is,” daarbij hief zij de hand op, die hare borst drukte, en liet ze zwaar weder zinken, “bedenk dan dat de bede, die ik u doen zal, geene gewone beteekenis heeft. Ja, want ik ga u eene bede doen,” zeide zij snel, als tot antwoord op iets in zijn gezicht.
Met eene goedgunstige buiging van zijne kin, die zijne stijve das deed kraken, zette Dombey zich op eene sofa, die dicht bij hem stond, om de bede te hooren.
“Als gij gelooven kunt dat ik tegenwoordig van zulk een karakter ben”—hij verbeeldde zich dat hij tranen in hare oogen zag, en dacht, met welgevallen, dat hij ze haar had afgeperst, hoewel er geen traan over hare wang rolde, en zij hem even strak aanzag als ooit,—“dat datgene, wat ik nu zeg, mij zelve bijna ongeloofelijk voorkomt,—zoo gezegd tot een man die mijn man is geworden, maar vooral tot u—zult gij er misschien meer gewicht aan hechten. In het ongeluk, dat voor ons aanstaande is, zullen wij niet alleen ons zelven wikkelen (dat zou misschien niet veel beteekenen) maar ook anderen.”
Anderen! Hij wist wel op wie dit woord doelde en trok zijne wenkbrauwen samen.
“Ik spreek tot u, ter wille van anderen. Maar ook om uwentwil en mijnentwil. Sedert ons huwelijk zijt gij arrogant voor mij geweest; en ik heb u met gelijke munt betaald. Gij hebt mij en ieder om ons heen elken dag en ieder uur getoond, dat gij mij door de verbintenis met u ten hoogste vereerd acht. Ik denk zoo niet, en heb dat insgelijks getoond. Het schijnt dat gij niet begrijpt, of (zoover uwe macht reikt) niet wilt, dat wij ieder onzen eigen weg gaan; en in plaats daarvan eene hulde van mij verwacht, die gij nooit zult krijgen.”
Hoewel haar gezicht nog hetzelfde bleef, was toch zelfs hare ademhaling eene nadrukkelijke bevestiging van dat “nooit.”—“Ik gevoel geene teerheid voor u, dat weet gij. Gij zoudt er niet om geven, al deed ik dat, of kon ik dat. Ik weet evengoed dat gij ze niet voor mij gevoelt. Maar wij zijn aan elkander geboeid, en aan de keten, die ons bindt, zijn, gelijk ik gezegd heb, ook anderen gesloten. Wij moeten beide sterven, wij staan beide reeds met de dooden in betrekking, ieder door een klein kind. Laten wij elkander wederkeerig ontzien.”
Dombey haalde eens diep adem, als wilde hij zeggen: O, was dat alles waarop het neerkwam!
“Er zijn geene schatten,” vervolgde zij, bleeker wordende, terwijl hare oogen, door hunne strakheid, nog meer glans verkregen, “die deze woorden en de beteekenis, die zij hebben, van mij konden koopen. Eens als ijdele klanken verworpen, kan geen geld of macht ze terugbrengen. Ik meen ze; ik heb ze gewogen; ik zal trouw zijn aan hetgeen ik op mij neem. Als gij beloven wilt mij van uw kant te ontzien, wil ik beloven u van mijn kant te ontzien. Wij zijn een allerongelukkigst paar, waarbij, door verschillende oorzaken, ieder gevoel, dat het huwelijk gelukkig of dragelijk maakt, is uitgeroeid; maar door verloop van tijd kan er nog eenige vriendschap, of eenige geschiktheid voor elkander, tusschen ons ontstaan. Ik wil dat pogen te hopen, als gij dat ook wilt doen; en ik wil vooruitzien naar een beter en gelukkiger gebruik van mijn ouderdom, dan ik van mijne jeugd en het beste van mijn leven heb gemaakt.”
Zij had met eene zachte, duidelijke stem gesproken, die niet rees of daalde; toen zij ophield, liet zij de hand zinken, waarmede zij zich gedwongen had om zoo hartstochteloos en duidelijk te zijn, maar niet de oogen waarmede zij hem zoo strak aanzag.
“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne grootste deftigheid, “ik kan een voorstel van zulk een buitengewonen aard zelfs niet in overweging nemen.”
Zij zag hem nog aan, zonder de minste verandering.
“Ik kan,” zeide Dombey, onder het spreken opstaande, “niet bewilligen om met u te temporiseeren of te onderhandelen, mevrouw Dombey, over iets waaromtrent u mijne gevoelens en verwachtingen zijn kenbaar gemaakt. Ik heb mijn ultimatum gegeven, mevrouw, en heb alleen te verzoeken dat gij dit uwe zeer ernstige aandacht verleent.”
Dat gezicht de oude uitdrukking weder te zien aannemen, nog veel krachtiger dan te voren! Die oogen te zien afwenden als van een afzichtelijk en hatelijk voorwerp! Dat trotsche voorhoofd te zien betrekken! Verachting, gramschap, verontwaardiging en afschuw te zien uitblinken, en dien bleeken strakken ernst als een nevel te zien verdwijnen! Hij kon niet nalaten dit te zien, hoewel hij met ontzetting toezag.
“Ga, mijnheer!” zeide zij, met eene gebiedende hand naar de deur wijzende. “Onze eerste en laatste vertrouwelijkheid is ten einde. Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn.”—“Ik zal doen wat mij voegzaam en raadzaam voorkomt, mevrouw,” zeide Dombey, “zonder mij, daarvan kunt gij zeker zijn, door algemeene declamatiën te laten afschrikken.”
Zij keerde hem haar rug toe, en zette zich, zonder antwoord te geven, voor haar spiegel neer.
“Ik vertrouw dat gij uw plicht beter zult leeren inzien, in eene betere stemming komen en u beter bedenken, mevrouw,” zeide Dombey.
Zij sprak geen woord. Hij zag in haar spiegel even weinig uitdrukking, zij scheen hem even weinig op te merken, als ware hij eene ongeziene spinnekop aan den wand, of eene zwarte tor op den vloer geweest, of liever als ware hij een van beide geweest, door haar gezien, vertrapt en vergeten bij het andere doode ongedierte op den grond.
Hij zag om, toen hij de deur uitging, naar het prachtige, helder verlichte vertrek, naar al het schitterende dat daar prijkte, naar de gestalte van Edith, zoo rijk gekleed voor den spiegel gezeten, en naar het gezicht van Edith gelijk die spiegel het hem voorhield; en begaf zich naar zijne oude kamer van gepeinzen, in zijn geest een levendig tafereel van dat alles medenemende, waarbij te gelijk op eene onverklaarbare manier de zonderlinge gedachte bij hem opkwam (gelijk zoo iets iemand somtijds in het hoofd komt) hoe dat alles er zou uitzien als hij het de volgende maal zag.
Voor het overige was Dombey zeer stroef, zeer deftig, en vast overtuigd dat hij zijn oogmerk zou volvoeren; en dit bleef hij.
Hij was niet voornemens de familie naar Brighton te vergezellen; maar bij het ontbijt op den ochtend van het vertrek, dat een paar dagen later plaats had, onderrichtte hij Cleopatra zeer vriendelijk, dat men spoedig een bezoek van hem kon verwachten. Er moest geen tijd verzuimd worden om Cleopatra ergens heen te brengen, waar men het gezond voor haar achtte; want zij scheen spoedig geheel in stof te zullen vallen.
Zonder een bepaalden tweeden aanval van hare kwaal gehad te hebben, scheen de oude vrouw sedert in beterschap achteruit te zijn gekropen. Zij was nog magerder en meer verschrompeld, nog ongestadiger en suffer, en in hare gedachten en haar geheugen heerschte nog vreemder verwarring. Onder de blijken van die verwarring behoorde ook, dat zij tot de gewoonte verviel om de namen harer twee schoonzonen, van den levenden en den dooden, te verwisselen of te zamen te voegen, en Dombey meestal “Grangeby” of “Domber” noemde.
Maar zij was toch nog jeugdig, zeer jeugdig; en in hare jeugdigheid verscheen zij aan het ontbijt, eer zij vertrok, met een nieuw en zeer luchtig hoedje, en een reisgewaad, geborduurd en met tressen bezet als ware zij een kind dat pas uit de lange kleeren kwam. Het was nu niet gemakkelijk haar dat luchtige hoedje op te zetten, of het achter haar beverig hoofd op zijne plaats te houden als zij het ophad. Het zat niet alleen altijd scheef, maar moest ook nog gedurig op den bol getikt worden door Flowers de kamenier, welke, om dezen dienst te verrichten, gedurende het ontbijt achter hare meesteres bleef.
“Nu, mijn allerliefste Grangeby,” zeide mevrouw Skewton, “moet ge mij stellig bel,” zij brak sommige woorden af en sloeg andere geheel over. “Om gauw eens bij ons te komen.”—“Ik heb zoo even gezegd, mevrouw,” antwoordde Dombey, luid en langzaam, “dat ik over een dag of twee zal komen.”—“Zegen u, Domber.”
De majoor, die afscheid van de dames kwam nemen, en door zijne beroerteachtige oogen, met de belangelooze kalmte van een onsterfelijk wezen, naar mevrouw Skewton staarde, zeide nu:
“Verduiveld, mevrouw, waarom vraagt gij den ouden Joe niet?”—“Wie is dat, lastige plaaggeest?” lispte Cleopatra. Maar een tik van Flowers op haar hoedje scheen haar geheugen op te schudden, en zij vervolgde: “O, gij meent u zelven, gij ondeugend schepsel!”—“Verduiveld raar, mijnheer,” fluisterde de majoor tot Dombey. “Leelijk geval! Zich nooit genoeg ingebakerd;” de majoor was tot aan zijne kin toegeknoopt. “Wel, wie zou J. B. anders met Joe meenen dan oude Joe Bagstock, Jozef, Joe, uw slaaf, mevrouw? Hier staat de man. Hier is zijn blaasbalg, mevrouw!” zeide de majoor, en gaf zich een dreunenden stomp op de borst.—“Mijne lieve Edith—Grangeby—het is toch ongelukkig,” zeide Cleopatra korzelig, “dat majoor...”—“Bagstock! J. B.!” riep de majoor, ziende dat zij naar zijn naam zocht.—“Wel, het komt er niet op aan,” zeide Cleopatra. “Edith, lieve, ge weet wel dat ik nooit kon onthouden—wat was het ook weer? Ja, iets ongemeens dat zooveel menschen naar mij willen komen zien. Ik ga toch niet voor lang heen. Ik kom terug. Zij kunnen immers wel wachten tot ik terugkom.”
Dit zeggende keek Cleopatra in het rond en scheen zeer onrustig.
“Ik wil geene visites hebben—ik heb geene visites noodig—een beetje rust—en dat alles—is al wat ik noodig heb. Geene leelijkerds moeten bij mij komen, eer ik die dofheid kwijt ben;” en met eene akelige poging om hare coquette maniertjes te hernemen, deed zij een stoot naar den majoor met haar waaier, maar stiet, in plaats van hem te raken, Dombey’s kopje om, dat aan een geheel anderen kant stond.
Toen riep zij Withers en belastte hem om vooral te zorgen dat er eenige geringe veranderingen in hare kamer werden gemaakt, die klaar moesten zijn eer zij terugkwam, en waarvan men dadelijk werk moest maken, daar zij niet wist hoe gauw zij terugkwam, want zij had veel engagementen en was eene menigte visites schuldig. Withers ontving dezen last met gepaste onderdanigheid en gaf zijn woord voor de vervulling; maar toen hij een paar stappen achteruit was gegaan, scheen hij niet te kunnen laten den majoor op eene zonderlinge manier aan te zien, die niet laten kon Dombey eveneens aan te zien, die niet laten kon Cleopatra eveneens aan te zien, die niet laten kon met haar hoofd te schudden, zoodat haar hoedje over een oog zakte, en met haar mes en vork op haar bord te ratelen alsof zij de castagnetten speelde.