Dombey en Zoon

Part 56

Chapter 563,910 wordsPublic domain

Kapitein Cuttle, in beide opzichten zijn vriend navolgende, schoon de strakke verstrooidheid van Bunsby ver boven zijn vermogen was, zat aan het andere hoekje van den haard eerbiedig naar hem te kijken, alsof hij wachtte dat Bunsby eenig blijk van nieuwsgierigheid zou geven of hem aanmoedigen om ter zake te komen. Daar de mahoniehouten philosoof echter geen blijk gaf van iets bewust te zijn, behalve van warmte en tabaksrook, met eene uitzondering, toen hij, zijne pijp uit zijn mond nemende, om plaats voor zijn glas te maken, met eene zeer grove stem aanmerkte, dat zijn naam Jack Bunsby was—een gezegde dat niet veel gelegenheid gaf om een gesprek aan te knoopen—verzocht de kapitein hem in eene korte, maar vleiende voorafspraak om zijne aandacht, verhaalde daarna de geheele geschiedenis van oom Sam’s verdwijnen, met de verandering daardoor in zijn eigen levenslot teweeggebracht, en besloot met het pakje op de tafel te leggen.

Na eene lange pauze knikte Bunsby met zijn hoofd.

“Opendoen?” zeide de kapitein.

Bunsby knikte nog eens.

De kapitein brak dus het zegel los, en bracht aldus twee toegevouwen papieren te voorschijn, waarvan hij een voor een de opschriften las: “Laatste Wil en Testament van Samuel Gills.” “Brief aan Ned Cuttle.”

Bunsby scheen, met zijn oog op de kust van Groenland, naar den inhoud te luisteren. De kapitein schraapte dus zijne keel en las den brief voor.

““Mijn waarde Ned Cuttle. Toen ik naar West-Indië wilde vertrekken....””

Hier hield de kapitein op en keek Bunsby strak aan, die even strak naar de kust van Groenland keek.

““Om hopeloos tijding van mijn lieven jongen te zoeken, wist ik wel dat gij, als gij met mijn plan bekend waart, mij zoudt willen tegenhouden, of met mij medegaan; en daarom hield ik het geheim. Als gij ooit dezen brief leest, Ned, zal ik waarschijnlijk wel dood wezen. Gij zult dan gemakkelijk de dwaasheid van een oud vriend vergeven, en medelijden hebben met de onrustigheid en onzekerheid, die hem dreven om op zulk eene reis uit te gaan. Dus niet meer daarvan. Ik heb weinig hoop dat mijn arme jongen ooit deze woorden zal lezen, of uwe oogen ooit meer met zijn openhartig gezicht verheugen.””—“Neen, neen; nooit meer,” zeide kapitein Cuttle, treurig peinzende.

Een oogenblik later las hij voort: “Maar als hij er bij mocht wezen wanneer deze brief gelezen wordt:” de kapitein zag onwillekeurig rond en schudde zijn hoofd, “of er op een anderen tijd van mocht vernemen,” de kapitein schudde weder zijn hoofd; “dan geef ik hem mijn zegen. In geval het hierbijgevoegde papier niet volgens de wet is geschreven, komt het er zeer weinig op aan, want het is voor niemand van eenig belang dan voor u en voor hem, en mijn verlangen is eenvoudig dat hij, als hij nog leeft, het weinige zal hebben dat ik bezit, en dat, als het anders is, (gelijk ik vrees) gij het dan hebben zult, Ned. Gij zult mijn wensch eerbiedigen, dat weet ik. God zegen u daarvoor, en voor alle uwe vriendschap bovendien voor Samuel Gills.”

“Bunsby,” zeide de kapitein, hem plechtig aansprekende, “wat maakt gij nu daarvan? Daar zit gij, een man die van kindsbeen af zijn hoofd aan stuk heeft gevallen, en er door elke nieuwe barst nieuw verstand in heeft gekregen. Wat maakt gij nu hiervan?”—“Als het gebeurt,” antwoordde Bunsby met buitengewonen spoed, “dat hij dood is, dan is het mijn gevoelen dat hij niet weerom zal komen. Als het gebeurt dat hij nog leeft, dan is het mijn gevoelen dat hij het wel zal doen. Zeg ik dat hij zal? Neen. Waarom niet? Omdat de ondervinding het zal leeren.”—“Bunsby,” zeide kapitein Cuttle, die de uitspraken van zijn vriend des te hooger scheen te achten, naarmate hij het moeielijker vond om er iets van te begrijpen; “Bunsby,” zeide de kapitein met opgetogene bewondering, “gij voert met gemak eene vracht van verstand, waarmee iemand van mijne maat gauw zou verzinken. Maar wat dit testament betreft, ik ben niet voornemens iets met het goed te doen—God bewaar mij—behalve om het voor een meer rechtmatigen eigenaar te bewaren; en ik hoop dat de rechtmatige eigenaar, Sam Gills, nog leeft en nog weerom zal komen, al is het vreemd dat hij geene rapporten heeft gezonden. Wat is nu uw gevoelen er van, Bunsby, om deze papieren weer weg te stouwen en er buitenop te merken, dat zij op dien en dien dag in tegenwoordigheid van John Bunsby en Edward Cuttle zijn geopend?”

Daar Bunsby op de kust van Groenland of elders geen bezwaar tegen dit voorstel zag, werd het ten uitvoer gebracht; en de groote man, zijn oog daartoe even van Groenland terugroepende, zette zijne handteekening op den omslag, waarbij hij zich, met eigenaardige zedigheid, geheel van het gebruik van kapitale letters onthield. Nadat kapitein Cuttle ook zijne linksche handteekening er op had gezet en het pakje in de ijzeren kist gesloten, verzocht hij zijn gast om zich nog een glas klaar te maken en nog eene pijp te rooken; en insgelijks hetzelfde doende, geraakte hij bij het vuur over het mogelijke lot des ouden instrumentmakers aan het peinzen.

En nu had er eene verrassing plaats van zoo geduchten aard, dat kapitein Cuttle, indien de tegenwoordigheid van Bunsby hem niet had ondersteund, er geheel onder had moeten bezwijken, en van dat noodlottig uur af een verloren man zou zijn geweest.

Hoe de kapitein, zelfs in zijne blijdschap over het ontvangen van zulk een gast, de deur slechts had kunnen toestooten, in plaats van ze te sluiten, aan welk verzuim hij zich inderdaad had schuldig gemaakt, is een van die vragen, die voor altijd punten van bespiegeling moeten blijven, indien men ze niet in beschuldigingen tegen het noodlot wil veranderen. Maar door die ongeslotene deur kwam op dat stille oogenblik de geduchte jufvrouw MacStinger binnenstuiven, met Alexander MacStinger in hare moederlijke armen, en straf en wraak (om niet van Juliana MacStinger en haar broertje Charles, op zijne jeugdige speelplaatsen algemeen als Chowley bekend, te spreken) in haar gevolg. Zij kwam zoo snel en stil, alsof de wind haar uit de buurt der Oost-Indische dokken had overgewaaid, dat kapitein Cuttle haar werkelijk reeds een poosje had aangekeken, eer het kalme gelaat, waarmede hij had zitten peinzen, in een gezicht vol schrik en ontzetting veranderde.

Maar zoodra kapitein Cuttle de volle uitgestrektheid van zijn ongeluk begreep, deed de zucht tot zelfbehoud hem eene poging aanwenden om te vluchten. Naar het deurtje snellende, dat uit het achterkamertje naar het steile keldertrapje voerde, schoot hij met het hoofd vooruit daarbinnen, als een man, die onverschillig voor builen en kneuzingen, zich slechts in de ingewanden der aarde zoekt te verbergen. Zijn dapper voornemen zou hem waarschijnlijk gelukt zijn, zonder de hartelijkheid van Juliana en Chowley, die hem bij de beenen grepen—een van deze lieve kinderen aan ieder been—en hem met een jammerlijk geschreeuw als een wedergevonden vriend begroetten. Ondertusschen had jufvrouw MacStinger, die nooit iets van aanbelang begon zonder eerst haar zoontje Alexander ten onderste boven te keeren, om hem onder het bereik eener batterij van vlugge klappen te brengen, en hem dan neer te zetten om af te koelen, gelijk de lezer hem eens gezien heeft, deze plechtigheid verricht, welke bij deze gelegenheid eene offerande aan de Furiën scheen te zijn; en nadat zij het slachtoffer op den grond had geplaatst, kwam zij op den kapitein af met een gezicht hetwelk Bunsby, die tusschen beiden kwam, met krabben scheen te bedreigen.

Het geschreeuw der twee oudste MacStinger’s en het gehuil van den jeugdigen Alexander maakten dit tooneel nog geduchter; maar eerst toen er weder stilte heerschte, en de kapitein, geweldig zweetende, jufvrouw MacStinger bedeesd stond aan te zien, steeg het ontzettende daarvan ten top.

“O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger, iets tegen hem schuddende, dat men, als hare sekse niet zoo teer was, hare vuist zou kunnen noemen. “O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle, durft ge mij in het gezicht zien, zonder dat ge door den grond zinkt!”

De kapitein, die er alles behalve manhaftig uitzag, mompelde flauw: “Sta vast!”—“O, ik was wel eene teerhartige zottin, toen ik u onder mijn dak nam, kapitein Cuttle, dat was ik,” riep jufvrouw MacStinger. “Als ik aan de weldaden denk waarmede ik dien man heb overhoopt, en de manier zooals ik mijne kinderen leerde om hem lief te hebben en te eeren alsof hij een vader voor hen was, al was er geen huishoudster, ja zelfs geen commensaal in de straat, of men wist dat ik geld op dien man toelegde met zijn slobberen en flobberen.” Jufvrouw MacStinger gebruikte het laatste woord om het rijm en tot versterking van den nadruk, niet zoozeer om een bepaald denkbeeld aan te duiden; “en al sprak men er schande van dat hij zoo leefde met eene brave vrouw, vroeg en laat op om voor haar huishouden wat te verdienen, en die haar huis zoo zindelijk houdt, dat iemand van den vloer of van de trap zou kunnen eten, ja zelfs theedrinken als hij wilde, in spijt van al zijn slobberen en flobberen, zooveel moeite gaf ik mij om hem.”

Zij hield even op om eens adem te halen, en triomfeerde er in dat zij des kapiteins flobberen nog eens zoo gelukkig had te pas gebracht.

“En hij loopt vo-o-ort!” riep jufvrouw MacStinger, met een uithaal van het laatste woord, die den ongelukkigen kapitein zich zelven voor den laagsten aller stervelingen deed houden, “en houdt zich een jaar lang schuil! Voor eene vrouw! Dat doet zijn geweten. Hij durft haar niet onder de oogen komen, maar kruipt weg als een deserteur. Wel, als dat kleine kind van mij,” zeide jufvrouw MacStinger, zeer snel sprekende, “zoo wilde wegkruipen, zou ik als moeder mijn plicht aan hem doen, tot hij bont en blauw was.”

De jeugdige Alexander, die dit als eene stellige belofte opnam, tuimelde van schrik omver, bleef met de schoenzooltjes omhoog op den vloer liggen en hief zulk een verdoovend geschreeuw aan, dat jufvrouw MacStinger het noodig vond hem op haar arm te nemen, en hem nu en dan, als hij weder uitbarstte, te stillen, door hem te schudden op eene manier, die zijne tandjes scheen te moeten losmaken.

“Een aardig soort van een man is kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “om zich zoo aan te trekken, dat men er niet van slapen kan, en er van flauw valt, en hem voor dood houdt, en de heele stad op en neer loopt, alsof men gek was, om naar hem te vragen! Een aardig soort van man, ha, ha, ha! Hij is wel zooveel angst en moeite waard, en nog meer. Och Heere, dat is niemendal. Ha, ha, ha! Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, met eene stem vol barsche strengheid, “ik wensch te weten, of gij nu naar huis komt.”

De verschrikte kapitein keek in zijn hoed, alsof hij er niets meer op zag dan dien op te zetten en zich over te geven.

“Kapitein Cuttle,” herhaalde jufvrouw MacStinger op denzelfden vasten toon, “ik wensch te weten of gij nu naar huis komt, mijnheer.”

De kapitein scheen volkomen bereid om mede te gaan, maar mompelde flauw iets van “zooveel leven niet te maken.”—“Ja, ja, ja,” zeide nu Bunsby op een bedaarden toon. “Zachtjes aan, vrouwtje, zachtjes aan!”—“En wie zoudt gij wel wezen, als je belieft!” zeide jufvrouw MacStinger zeer preutsch en statig. “Hebt gij in nommer negen op Brig Place gewoond, mijnheer? Mijn geheugen mag slecht wezen, maar ik geloof toch bij mij niet. Zekere jufvrouw Jollson heeft voor mij in nommer negen gewoond, en misschien ziet ge mij voor haar aan. Dit is de eenige manier waarop ik uwe familiariteit kan verklaren, mijnheer.”—“Kom, kom; zachtjes aan.”

Kapitein Cuttle kon het nauwelijks gelooven, zelfs van dezen grooten man, hoewel hij het met zijne eigene oogen zag; maar Bunsby, stoutmoedig nader komende, sloeg zijn ruigen blauwen arm om jufvrouw MacStinger heen, en vermurwde haar, door de tooverachtige manier waarop hij dit deed, en die weinig woorden sprak—hij zeide niets meer—zoodanig, dat zij, na hem even te hebben aangezien, in tranen wegsmolt, en zeide dat een kind haar nu aankon, zoo had zij haar moed verloren.

Sprakeloos van verbazing zag de kapitein hem die onverbiddelijke vrouw naar den winkel brengen, terugkomen om rum, water en eene kaars te halen, en haar geheel bevredigen, zonder naar het scheen een woord te spreken. Weldra kwam hij nog eens binnenkijken met zijne jas aan en zeide: “Cuttle, ik ga ze als convooi naar huis brengen”; en met meer verslagenheid, dan wanneer hij zelf in de boeien was gezet om hem veilig naar Brig Place te vervoeren, zag de kapitein de familie vreedzaam aftrekken, met jufvrouw MacStinger aan het hoofd. Hij had nauwelijks tijd om het blikken busje te krijgen, en Juliana, zijne vorige lieveling, en Chowley tersluiks eenig geld in de hand te stoppen, of de houten adelborst werd door allen verlaten, en Bunsby, fluisterende dat hij Ned Cuttle nog eens zou praaien eer hij weder naar boord ging, trok de deur achter zich toe.

Een onrustige twijfel dat hij gedroomd moest hebben of schimmen had gezien, en geene familie van vleesch en bloed, kwelde den kapitein in het eerst toen hij weder naar het achterkamertje ging en zich daar alleen bevond. Daarop volgde een toestand van verrukking, vol onbeperkt geloof aan en onmetelijke bewondering voor den gezagvoerder der Voorzichtige Clara.

Toen echter de tijd verliep en Bunsby niet terugkwam, begon de kapitein onaangename twijfelingen van een anderen aard te ontwaren. Of Bunsby arglistig naar Brig Place was gelokt en daar in hechtenis werd gehouden als gijzelaar voor zijn vriend; in welk geval het den kapitein als man van eer zou voegen hem te verlossen door het opofferen van zijne eigene vrijheid. Of hij door jufvrouw MacStinger aangevallen en overwonnen was, en zich schaamde om zich na zijne nederlaag te vertoonen. Of jufvrouw MacStinger, zich in de ongestadigheid van haar humeur bedenkende, was teruggekeerd om den houten adelborst nog eens aan boord te klampen, en Bunsby veinzende haar een korter weg te willen brengen, de familie in de woestenijen der stad poogde te doen verdwalen. Vooral wat hem, kapitein Cuttle, wel zou voegen, in geval hij nooit meer iets van de MacStinger’s of van Bunsby hoorde, hetgeen, met al die verwonderlijke en onverwachte gebeurtenissen, mogelijk ook wel gebeuren kon.

Hij overlegde dat alles met zich zelven tot hij er moe van werd; en nog kwam er geen Bunsby. Hij maakte zijn bed onder de toonbank op, gereed om er in te kruipen; en nog geen Bunsby. Eindelijk, toen de kapitein hem voor dien avond ten minste had opgegeven en zich had beginnen te ontkleeden, hoorde hij het gerucht van naderende wielen, die voor de deur stilhielden en daarop volgde Bunsby’s aanroep.

De kapitein beefde bij de gedachte dat hij jufvrouw MacStinger niet had kunnen kwijtraken en in die koets terugbracht.

Maar neen. Bunsby had niets anders bij zich dan een grooten koffer, dien hij met eigene handen binnensleepte, en waarop hij, zoodra hij dien had binnengesleept, ging zitten. Kapitein Cuttle herkende daarin den koffer dien hij bij jufvrouw MacStinger aan huis had gelaten, en toen hij, met de kaars in de hand, Bunsby meer oplettend bekeek, meende hij dat deze een nat zeil had, of ronduit gezegd, dronken was. Het was echter moeielijk hiervan zeker te zijn, daar de kommandant, wanneer hij nuchter was, toch geen het minste spoor van uitdrukking in zijn gezicht had.

“Cuttle,” zeide Bunsby, van den koffer opstaande en het deksel openende, “is dat uwe plunje?”

Kapitein Cuttle keek in den koffer en herkende zijn eigendom.

“Tamelijk knap geklaard, niet waar, scheepskameraad?” zeide Bunsby.

De dankbare en verbijsterde kapitein vatte hem bij de hand en wilde zijn gevoel in een opgetogen antwoord lucht geven, toen Bunsby zich met een ruk losmaakte en eene poging scheen te doen om met zijn draaiend oog te lonken, waarvan het eenige gevolg, in zijn toestand, was dat hij zijne balans kwijtraakte en bijna omver tuimelde. Toen deed hij onverwacht de deur open en streek heen om met allen spoed de voorzichtige Clara weder op te zoeken—hetgeen men voor zijne vaste gewoonte hield, wanneer hij begreep dat hij bijzonder had uitgemunt.

Daar het hem niet beviel als men hem te dikwijls opzocht, besloot kapitein Cuttle niet naar hem toe te gaan of iemand naar hem te zenden, voordat hij zijn genadig welgevallen in dit opzicht had laten weten, of er ten minste eenige tijd verloopen was. De kapitein hervatte dus den volgenden morgen zijn eenzaam leven, en dacht vele ochtenden, middagen en avonden diepzinnig na over Sam Gills en de hoop op zijne terugkomst. Dit vele denken versterkte hem in die hoop; en hij vermaakte zich dikwijls met naar den instrumentmaker aan de deur te staan wachten—gelijk hij nu, in zijne zonderlinge vrijheid durfde doen—en zijn stoel op de gewone plaats te zetten, en alles in het achterkamertje te schikken gelijk het placht te zijn, ingeval hij onverwacht thuis mocht komen. Hij was ook behoedzaam genoeg om zeker miniatuurtje van Walter als een schoolknaap van den gewonen spijker te nemen, opdat het den ouden man bij zijne terugkomst niet zou schokken. De kapitein had somtijds ook een voorgevoel dat hij op dien of dien dag zou komen; en op zekeren zondag bestelde hij zelfs eene dubbele portie eten, zoo vast rekende hij er op. Maar de oude Samuel kwam toch niet; en de buren raakten er aan gewoon dat de varensman met den blinkenden hoed des avonds aan de deur stond en de straat op- en afkeek.

XL.

HUISELIJKE BETREKKINGEN.

Het lag niet in den aard der zaak dat een man als Dombey, tegen zulk een geest overgesteld als hij tegen zich had opgeroepen, de heerschzuchtige stroefheid van zijn karakter eenigszins zou verzachten; of de koude, harde wapenrusting van trotschheid, die hij bestendig droeg, buigzamer zou worden door het gedurig stooten tegen trotsche minachting en uitdagenden hoon. Het is de vloek van zulk een karakter—het is een voornaam gedeelte van de straf over zich zelf die het medebrengt—dat, terwijl eerbied en onderdanigheid de slechte eigenschappen daarvan doen toenemen, en een voedsel zijn waarvan het groeit, tegenstand en onwil om zijne eischen in te willigen het niet minder aankweeken. Het kwaad, dat het in zich heeft, vindt in beide gevallen evenzeer middelen om te groeien en zich uit te breiden. Het zuigt uit het zoete en het bittere evenzeer leven en kracht; gevleid of onerkend beheerscht het toch het hart, waarin het zijn troon heeft gevestigd, hoe langer hoe meer; aangebeden of verworpen is het toch een even hard meester als de duivel in bijgeloovige fabelen is.

Jegens zijne eerste vrouw had Dombey zich, in zijne koude trotsche laatdunkendheid, gedragen als het hoog verhevene wezen, dat hij zich bijna verbeeldde te zijn. Hij was, toen zij hem voor de eerste maal zag, “mijnheer Dombey” geweest, en hij was nog “mijnheer Dombey” toen zij stierf. Gedurende hun huwelijksleven had hij zijne grootheid doen gelden, en had zij die ootmoedig erkend. Hij was boven op zijn troon in staatsie blijven zitten, en zij had nederig op den laagsten trap gestaan; en veel goed had het hem gedaan, zoo in eenzame slavernij onder zijn heerschend denkbeeld te leven. Hij had zich verbeeld dat het trotsche karakter zijner tweede vrouw zich aan het zijne zou hebben aangesloten—daarin verzwolgen zijn geworden en zijne grootheid nog verhoogd zou hebben. Hij had zich voorgesteld nog trotscher dan ooit te zullen zijn, als Edith’s trotschheid de zijne dienstbaar was. Hij had zich nooit de mogelijkheid voorgesteld dat die tegen hem in de wapens zou komen. En nu hij die trotschheid op elken stap van zijn dagelijksch leven in zijn weg zag oprijzen en een kouden, uitdagenden, verachtelijken blik op hem vestigen, was het gevolg, dat zijn trots, in plaats van te verwelken of het hoofd te laten hangen, nieuwe wortelen schoot, nog krachtiger, bitterder, somberder, wreveliger en onbuigzamer werd, dan hij ooit te voren geweest was.

Hij, die zulk eene wapenrusting draagt, draagt nog eene zware vergelding met zich mede. Die rusting is bestand tegen verzoening, liefde en vertrouwen, tegen alle zachte sympathie, alle teederheid, alle streelende aandoening; maar voor diepe wonden der eigenliefde is zij even kwetsbaar als de bloote borst voor het staal; en zulke kwaadaardige, pijnlijke zweren blijven daarvan achter, als op geene andere wonden volgen, zelfs niet op die, welke door den ijzeren handschoen des hoogmoeds zelven een zwakker trots worden toegebracht, die ontwapend en neergeworpen is.

Zulke wonden droeg hij nu om. Hij voelde ze pijnlijk in de eenzaamheid zijner oude kamers, waarin hij zich nu weder dikwijls begon af te zonderen en lange uren te slijten. Het scheen zijn noodlot te zijn altijd trotsch en machtig te zijn; en toch altijd vernederd en machteloos waar hij sterkst wilde wezen. Wie scheen bestemd om dat vonnis des noodlots te voltrekken?

Wie? Wie was het, die zijne vrouw kon winnen, gelijk zij zijn zoon gewonnen had! Wie was het, die hem deze nieuwe overwinning had getoond, toen hij in dien donkeren hoek zat! Wie was het, wier minste woord deed wat zijne uiterste middelen niet konden doen! Wie was het, die, ongeholpen door zijne liefde, gunst of zorg, welvarend bleef en schoon werd, terwijl diegenen, die zoo geholpen werden, stierven! Wie kon het anders zijn dan hetzelfde kind, waarnaar hij in hare moederlooze kindsheid zoo menigen onrustigen blik had geworpen, met eene soort van vrees, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten; en van wie dit voorgevoel vervuld was, want hij haatte haar nu in zijn hart.

Ja, hij wilde haar haten, en hij haatte haar, schoon er nu en dan nog een glans van het licht, waarin zij voor hem verschenen was op den gedenkwaardigen avond toen hij met zijne bruid thuis kwam, om haar heen zweefde. Hij wist nu dat zij schoon was, hij sprak het niet tegen dat zij bevallig en innemend was, en dat zij hem in den helderen dageraad van haar vrouwelijken leeftijd als eene verrassing voor de oogen was gekomen. Maar zelfs dit keerde hij tegen haar. In zijn wrevelig naargeestig gemijmer maakte de ongelukkige, met een dof gevoel, dat alle harten van hem vervreemd waren, en een onbestemd verlangen naar datgene, wat hij al zijn leven had teruggestooten, zich eene overdrevene voorstelling van zijne rechten en van het ongelijk dat hem werd aangedaan, en daarmede rechtvaardigde hij zich zelven tegenover haar. Hoe meer zij zijner waardig beloofde te worden, des te grooter eisch had hij op hare gehechtheid en onderwerping. Wanneer had zij hem ooit gehechtheid of onderwerping getoond? Veraangenaamde zij zijn leven—of dat van Edith? Had zij hare innemende eigenschappen het eerst aan hem geopenbaard—of aan Edith? Wel—hij en zij waren, van hare geboorte af, nooit als vader en dochter geweest! Zij waren altijd vervreemd geweest. Zij had hem altijd en overal gedwarsboomd. Zij spande nu tegen hem samen. Hare schoonheid zelfs verzachtte gemoederen, die voor hem verhard bleven, en beleedigde hem met eene onnatuurlijke zegepraal.

Het kon zijn dat dit alles het gefluister van een in zijn hart ontwakend gevoel was, hoewel dit slechts door zijne zelfzucht werd opgewekt, als hij zijn toestand vergeleek bij datgene waartoe zij zijn leven had kunnen maken. Maar hij bracht de zachte stem van dit gevoel door het gebulder zijner zee van hoogmoed tot zwijgen. Hij wilde niets hooren dan zijn trots, en in zijn trots, vol tegenstrijdigheden en martelingen, haatte hij haar.