Dombey en Zoon

Part 60

Chapter 603,938 wordsPublic domain

Bij deze vraag leunde hij dienstvaardig voorover, met de kin op de hand steunende, en te gelijk sloeg hij zijne oogen naar de schilderij op, als wilde hij zeggen: “Zie nu, hoe ik hem bij den neus zal leiden.”

Dombey werd rood terwijl hij antwoordde:

“Mevrouw Dombey vaart zeer wel. Gij herinnert mij, Carker, aan iets waarover ik met u wilde spreken.”—“Robin, gij kunt heengaan,” zeide zijn meester, wiens zachte stem Robin deed schrikken en verdwijnen, met de oogen tot het laatste toe op zijn patroon gevestigd. “Gij herinnert u dien jongen natuurlijk nog wel?” vervolgde hij, toen de onderdanige Slijper verdwenen was.—“Neen,” zeide Dombey, met verhevene onverschilligheid.—“Niet waarschijnlijk dat een man als gij dat doen zou. Bijna niet mogelijk,” prevelde Carker. “Maar hij is uit het huishouden waaruit gij eens eene min hebt genomen. Misschien kunt gij u herinneren, dat gij u grootmoedig met zijne opvoeding hebt belast?”—“Is dat die jongen?” zeide Dombey, zijne wenkbrauwen samentrekkende. “Hij doet zijne opvoeding weinig eer aan, geloof ik.”—“Ja, hij is een deugniet, vrees ik,” antwoordde Carker, de schouders ophalende. “Daar heeft hij ten minste den naam van. Maar om de waarheid te zeggen, ik heb hem in dienst genomen, omdat hij, toen hij buiten betrekking was, zich verbeeldde (men zal hem dat zeker thuis geleerd hebben) dat hij eene soort van aanspraak op u had, en gedurig beproefde u met zijn verzoek na te loopen. En hoewel mijne bepaalde en erkende betrekking met uwe aangelegenheden alleen tot het kantoor beperkt is, heb ik toch zooveel onwillekeurige belangstelling voor alles wat u aangaat, dat...”

Hij zweeg weder, als ware het om te ontdekken of hij Dombey al ver genoeg had gebracht. En wederom wierp hij, met de kin op de hand, een loerenden blik naar de schilderij.

“Carker,” zeide Dombey, “ik weet wel, gij beperkt uwe...”—“Dienstvaardigheid,” gaf zijn glimlachende gastheer hem in bedenking.—“Neen, ik zeg liever toegenegenheid,” zeide Dombey, zeer wel gevoelende dat hij, door zoo te zeggen, een vleiend compliment maakte, “uwe toegenegenheid niet tot onze betrekking door kantoorzaken. Dat gij in de geringe bijzonderheid, waarvan gij zoo even gesproken hebt, mijn gevoel—mijne hoop en mijne teleurstelling—zoo ontziet, is een bewijs daarvan. Ik ben u verplicht, Carker.”

Carker boog zeer langzaam zijn hoofd, en wreef zeer zacht zijne handen, als vreesde hij door eenige beweging Dombey’s vertrouwelijkheid in haar loop te storen.

“Dat gij daarvan spreekt komt juist van pas,” hervatte Dombey, na eene geringe aarzeling, “want het is eene voorbereiding voor datgene wat ik u begonnen was te zeggen, en herinnert mij dat daardoor eigenlijk geene geheel nieuwe betrekkingen tusschen ons zullen ontstaan, hoewel er misschien van mijn kant een grooter persoonlijk vertrouwen bij zal plaats hebben, dan ik tot nog toe ...”—“Dan waarmee gij mij tot nog toe vereerd hebt,” viel Carker er op in, wederom zijn hoofd buigende. “Ik wil niet zeggen hoe vereerd ik daarmede ben; want een man als gij weet wel hoeveel eer hij in zijne macht heeft naar believen te bewijzen.”—“Mevrouw Dombey en ik,” het compliment met statige zelfverloochening ter zijde latende, “komen in sommige punten niet geheel overeen. Wij schijnen elkander nog niet te verstaan. Mevrouw Dombey heeft nog iets te leeren.”—“Mevrouw Dombey onderscheidt zich door vele zeldzame bekoorlijkheden, en is zonder twijfel aan veel vleierij gewoon,” zeide de slimme waarnemer van elken blik en toon. “Maar waar genegenheid, achting en ontzag bestaan, worden kleine vergissingen, uit zulke oorzaken ontsproten, gemakkelijk te recht gebracht.”

Onwillekeurig vlogen Dombey’s gedachten terug naar het gezicht dat hem in de kamer zijner vrouw had aangezien, toen eene gebiedende hand naar de deur werd uitgestrekt; en zich herinnerende hoeveel genegenheid, achting en ontzag dit uitdrukte, voelde hij het bloed naar zijn eigen gezicht stijgen, even duidelijk als de waakzame oogen, die hem waarnamen, het zagen.

“Mevrouw Dombey en ik,” zeide hij, “hadden, voor mevrouw Skewton’s dood, eene woordenwisseling over de redenen van mijn ongenoegen, waarvan gij u wel een algemeen begrip zult kunnen vormen, daar gij getuige zijt geweest van hetgeen er tusschen mevrouw Dombey en mij is voorgevallen op dien avond toen gij bij ons—bij mij aan huis waart.”—“Toen het mij speet dat ik tegenwoordig was,” zeide de glimlachende Carker. “Hoe trotsch een man in mijne positie natuurlijk wezen moest op uw gemeenzamen omgang—schoon ik dat bij u niet mag rekenen, want gij kunt alles doen wat gij wilt, zonder uw rang te verliezen—en zoo vereerd als ik was door zoo vroeg aan mevrouw Dombey gepresenteerd te worden, eer zij nog zoo hoog verhoogd werd door het verkrijgen van uw naam, speet het mij dien avond toch bijna, verzeker ik u, dat ik zulk een buitengewoon geluk had gehad.”

Dat het iemand onder eenige mogelijke omstandigheden kon spijten door zijne minzaamheid en goedheid onderscheiden te worden, was een moreel verschijnsel, dat Dombey niet kon begrijpen. Hij antwoordde dus, en werd daarbij nog vrij wat statiger dan anders: “Inderdaad. En waarom, Carker?”—“Ik vrees,” antwoordde zijn vertrouwde, “dat mevrouw Dombey, nooit zeer gezind om mij met gunstige belangstelling te beschouwen—iemand in mijne positie kon dat niet verwachten van eene dame die trotsch van karakter is, en wie hare trotschheid zoo goed staat—mij niet licht mijn onschuldig aandeel aan dat gesprek zal vergeven. Uw ongenoegen is geene beuzeling, moet gij bedenken; en dat in het bijzijn van een derden te moeten ondervinden...”—“Carker,” zeide Dombey laatdunkend, “mij dunkt dat ik het eerst in aanmerking behoor te komen?”—“O, kan daaraan getwijfeld worden?” zeide de ander, met het ongeduld van iemand die eene algemeen bekende, onbetwistbare waarheid toestemt.—“Mevrouw Dombey komt eerst naderhand in aanmerking, als het om ons beiden te doen is, verbeeld ik mij,” zeide Dombey. “Is dat zoo niet?”—“Zeker is het zoo,” antwoordde Carker. “Gij weet beter dan iemand, dat gij zoo iets niet behoeft te vragen.”—“Dan hoop ik, Carker,” zeide Dombey, “dat uw spijt over het beloopen van mevrouw Dombey’s ongenoegen bijna zal worden opgewogen door uw genoegen over het behouden van mijn vertrouwen en mijne goede meening.”—“Ik heb dus het ongeluk, naar ik vind, van mij dat ongenoegen berokkend te hebben,” hervatte Carker. “Mevrouw Dombey heeft u dat gezegd?”—“Mevrouw Dombey heeft verschillende meeningen te kennen gegeven,” antwoordde Dombey, met statige koelheid en onverschilligheid, “waarin ik niet deel, en van welke ik niet genegen ben te spreken of mij te herinneren. Ik heb mevrouw Dombey eenigen tijd geleden bekend gemaakt, gelijk ik reeds gezegd heb, met zekere punten van huiselijke beleefdheid en ondergeschiktheid, waarop ik het noodig achtte aan te dringen. Het is mij niet gelukt mevrouw Dombey te overtuigen van het raadzame om haar gedrag, met het oog op haar eigen genoegen en welzijn en op mijne waardigheid, in die opzichten terstond te veranderen, en ik heb mevrouw Dombey onderricht dat ik, indien ik het noodig mocht achten haar wederom waarschuwingen of vermaningen te geven, haar mijne meening door u, mijn vertrouwden gelastigde, zou doen te kennen geven.”

Gemengd met den blik, dien Carker op hem vestigde, was een duivelachtige blik naar de schilderij boven zijn hoofd, die als een bliksemstraal daarheen vloog.

“Nu, Carker,” zeide Dombey, “maak ik geen bezwaar om u te zeggen, dat ik mijn wil wil doorzetten. Ik wil niet met mij laten beuzelen. Mevrouw Dombey moet begrijpen dat mijn wil wet is en dat ik op den regel van geheel mijn leven geene uitzondering kan veroorloven. Gij zult de goedheid hebben om dezen last op u te nemen, die, daar zij van mij komt, u niet onaangenaam zal zijn, hoop ik, hoeveel spijt gij ook uit beleefdheid moogt betuigen—waarvoor ik u voor mevrouw Dombey verplicht ben; en gij zult wel de goedheid hebben, ben ik overtuigd, om u daarvan te kwijten, evenals van iedere andere commissie.”—“Gij weet,” antwoordde Carker, “dat ge mij maar te bevelen hebt.”—“Ik weet,” zeide Dombey, majestueus toestemmende, “dat ik u maar te bevelen heb. Het is noodig dat ik hiermede voortga. Mevrouw Dombey is eene dame, in vele opzichten ten hoogste geschikt, zonder twijfel, om...”—“Om zelfs uwe keus tot eer te strekken,” gaf Carker in bedenking, vleiend al zijne tanden toonende.—“Ja; als het u belieft dien vorm van uitdrukking te bezigen,” zeide Dombey, op zijn staatsie-toon; “en voor het tegenwoordige meen ik niet, dat mevrouw Dombey die keus zoozeer tot eer strekt als wel zou behooren. Mevrouw Dombey heeft een geest van oppositie, die uitgeroeid moet worden, die gefnuikt moet worden. Mevrouw Dombey schijnt niet te begrijpen,” zeide Dombey met nadruk, “dat het denkbeeld van oppositie tegen mij iets gedrochtelijks en ongerijmds is.”—“Wij in de City kennen u beter,” zeide Carker met een glimlach van oor tot oor.—“Gij kent mij beter,” zeide Dombey. “Dat hoop ik. Schoon ik verplicht ben mevrouw Dombey zooveel recht te doen om te zeggen, dat, hoe onbestaanbaar dit ook schijnen mag met haar volgend gedrag (dat onveranderd blijft), toen ik haar eenigszins gestreng mijne afkeuring en mijn voornemen te kennen gaf, bij die gelegenheid waarvan ik gesproken heb, mijne vermaning een zeer krachtigen indruk scheen te maken.” Dombey sprak deze woorden met allergeduchtste statigheid uit. “Ik wenschte dus dat gij de goedheid hadt, Carker, om mevrouw Dombey van mij te onderrichten, dat ik haar ons vroeger gesprek in het geheugen moet roepen, met eenige verwondering dat het nog geen gevolg heeft gehad. Dat ik er op moet aandringen, dat zij haar gedrag richte naar den regel, dien ik haar in dat gesprek heb voorgeschreven. Dat ik niet met haar gedrag tevreden ben. Dat ik er ten hoogste misnoegd over ben. En dat ik mij in de zeer onaangename noodzakelijkheid zal bevinden om u tot brenger van nog meer onwelkome en omstandige mededeelingen te maken, als zij geen gezond verstand en gevoel van welvoegelijkheid genoeg heeft om zich aan mijne wenschen te onderschikken, gelijk de eerste mevrouw Dombey deed, en ik geloof er te mogen bijvoegen, gelijk elke andere dame in hare plaats zou doen.”—“De eerste mevrouw Dombey leefde zeer gelukkig,” zeide Carker.—“De eerste mevrouw Dombey had veel gezond verstand,” zeide Dombey, met fatsoenlijke verschooning voor eene doode, “en gevoel van welvoegelijkheid.”—“Gelijkt jonge jufvrouw Dombey naar hare moeder, denkt gij?” zeide Carker.

Snel betrok Dombey’s gezicht. Zijn vertrouwde zag hem scherp waarnemend aan.

“Ik heb een pijnlijk onderwerp aangeroerd,” zeide hij, op een zachten meewarigen toon, onvereenigbaar met zijne gretige oogen. “Ik bid u, vergeef het mij. Mijne belangstelling doet mij het verband van die herinneringen vergeten. Ik bid u, vergeef het mij.”

Maar hoewel hij zoo sprak, bleven zijne gretige oogen Dombey’s neergeslagen gezicht waarnemen, en daarna schoten zij een vreemden, zegevierenden blik naar de schilderij, als riepen zij deze tot getuige hoe hij hem bij den neus leidde en wat er nu komen zou.

“Carker,” zeide Dombey, hier en daar op de tafel ziende, en haastiger met eene eenigszins veranderde stem sprekende, terwijl zijne lippen ook bleeker schenen. “Gij behoeft u niet te verontschuldigen. Gij vergist u. Ik denk aan de zaak die wij voor ons hebben, en aan geene herinneringen, gelijk gij meent. Ik ben niet tevreden met mevrouw Dombey’s gedrag ten opzichte van mijne dochter.”—“Verschooning,” zeide Carker. “Ik begrijp u niet recht.”—“Gij moet dan begrijpen,” antwoordde Dombey, “dat gij daarover uit mijn naam ronduit met mevrouw Dombey kunt spreken—zult spreken, als het u belieft. Gij zult zoo goed zijn om haar te zeggen, dat hare vertooning van bijzondere genegenheid voor mijne dochter mij onaangenaam is. Dit is geschikt om aandacht te trekken. Het is geschikt om de menschen tot vergelijking te brengen tusschen mevrouw Dombey in hare verhouding tot mijne dochter, en mevrouw Dombey in hare verhouding tot mij. Gij zult zoo goed zijn om mevrouw Dombey duidelijk te doen verstaan, dat ik dit afkeur, en dat ik verwacht dat zij dadelijk aan mijne bezwaren in dat opzicht zal gehoor geven. Het mag mevrouw Dombey ernst wezen, of het mag maar eene gril van haar zijn, of het mag haar oogmerk zijn mij daarmede te dwarsboomen, in allen gevalle keur ik het af. Als mevrouw Dombey het ernstig meent moet zij zooveel te minder onwillig zijn om het na te laten; want zij zal mijne dochter door zulk eene vertooning geen dienst doen. Als mijne vrouw zachtaardigheid en vriendelijkheid te veel heeft, boven en behalve hare behoorlijke onderworpenheid aan mij, mag zij die, misschien, toonen aan wie zij wil; maar ik wil eerst onderworpenheid hebben.—Carker” zeide Dombey, de buitengewone aandoening smorende, waarmede hij gesproken had, en een toon aannemende meer gelijk aan dien waarmede hij gewoon was zijne grootheid te doen gelden, “gij zult wel zoo goed zijn om dit punt niet over te slaan of in de schaduw te houden, maar het is als een zeer gewichtig gedeelte van uwe instructie te beschouwen.”

Carker boog zijn hoofd en stond van de tafel op. Peinzend voor het vuur staande, met de hand aan zijne gladde kin, keek hij op Dombey neer met de boosaardige slimheid van een middeleeuwsch beeldsnijwerk, half mensch half dier, of een grijnzend gezicht aan eene ouderwetsche gootpijp. Dombey, langzamerhand zijne bedaardheid herkrijgende, of zijne aandoening smorende met de gedachte dat hij nu eene verhevene positie had genomen, zat trapsgewijze weder op te stijven, en keek naar den papegaai, die in zijn grooten trouwring hing te slingeren.

“Neem mij niet kwalijk,” zeide Carker, na eene poos van stilte, zich eensklaps weder op zijn stoel zettende, en dien tegenover Dombey schuivende, “maar laat ik u wel begrijpen. Mevrouw Dombey draagt kennis van de waarschijnlijkheid dat ik het orgaan van uw ongenoegen zal zijn?”—“Ja,” antwoordde Dombey “dat weet zij.”—“Ja wel,” hervatte Carker. “Maar waarom weet zij dat?”—“Waarom?” herhaalde Dombey, niet zonder aarzeling. “Omdat ik het haar gezegd heb.”—“Ja wel,” zeide Carker wederom. “Maar waarom hebt gij haar dat gezegd? Gij ziet wel,” vervolgde hij, met een glimlach, en zijne fluweelen hand op Dombey’s arm leggende, gelijk eene kat hare ingetrokken klauwen had kunnen doen, “als ik volkomen begrijp wat gij bedoelt, is het des te waarschijnlijker dat ik nuttig zal kunnen zijn en het geluk hebben om u wezenlijk dienst te doen. Ik geloof dat ik u begrijp. Ik heb de eer niet dat mevrouw Dombey eene goede meening van mij heeft. In mijne positie heb ik wel geene reden om dat te verwachten; maar ik houd het er nu maar zoo voor, dat zij geene goede meening van mij heeft.”—“Misschien wel niet,” zeide Dombey.—“Bij gevolg,” hervatte Carker, “zal het deze dame bijzonder ongevallig zijn, dat gij haar door mij deze boodschap zendt?”—“Het komt mij voor,” zeide Dombey, met trotsche stijfheid, maar toch met zekere verlegenheid, “dat mevrouw Dombey’s gedachten van de zaak tusschen u en mij eigenlijk niet in aanmerking behoefden te komen, Carker. Maar het kan toch wel zoo zijn.”—“En—neem mij niet kwalijk—begrijp ik u verkeerd,” zeide Carker, “als ik denk dat gij daarin een geschikt middel vindt om mevrouw Dombey’s trots te vernederen—ik gebruik het woord trots om eene hoedanigheid aan te duiden, die, in behoorlijke perken gehouden, eene dame, zoo uitstekend door schoonheid en talenten, tot eer en sieraad strekt—en, ik wil niet zeggen haar te straffen, maar om haar tot die onderworpenheid te brengen, die gij zoo natuurlijk en billijk van haar vordert?”—“Ik ben niet gewoon, Carker, gelijk gij wel weet,” zeide Dombey, “om zulke omstandige redenen te geven voor iets dat ik voegzaam acht te doen; maar ik wil toch niets daarvan tegenspreken. Indien gij een daarop gegrond bezwaar hebt, zoo is dat geheel iets anders, en het enkele zeggen dat gij zulk een bezwaar hebt zal voldoende zijn. Maar ik heb niet gedacht, moet ik bekennen, dat een vertrouwelijke last, dien ik u opdroeg, u zou kunnen vernederen...”—“O, ik vernederd!” riep Carker uit. “In uw dienst!”—“Of u in eene valsche positie zou kunnen plaatsen,” vervolgde Dombey.—“Ik in eene valsche positie!” riep Carker wederom uit. “Ik zal er trotsch op zijn—verrukt over zijn—als ik aan uw vertrouwen mag beantwoorden. Ik had wel kunnen wenschen, moet ik bekennen, dat ik de dame, aan wier voeten ik mijne nederige hulde zou willen neerleggen—want is zij uwe vrouw niet!—geene nieuwe reden van ongenoegen behoefde te geven; maar een wensch van u gaat natuurlijk alle andere bedenkingen te boven. Buitendien, wanneer mevrouw Dombey van die kleine dwalingen in haar oordeel is teruggekomen, die, als ik zoo zeggen durf, bijna onvermijdelijk met het nieuwe van hare omstandigheden gepaard moeten gaan, hoop ik dat zij in het geringe deel, dat ik aan de zaak genomen heb, slechts een greintje—mijn ver verwijderde kring geeft weinig gelegenheid voor meer—van mijn eerbied voor u en mijne opoffering van alle andere bedenkingen voor u, zal opmerken, waarvan het haar voorrecht en genoegen zal zijn, dagelijks een schat van blijken te geven.”

Dombey scheen haar op dat oogenblik wederom te zien, met hare uitgestrekte hand naar de deur wijzende, en in de zoetvoerige taal van zijn vertrouweling een weergalm van hare woorden te hooren: “Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn!” Maar hij zeide: “Zekerlijk; zonder twijfel.”—“Er is niets meer?” zeide Carker, zijn stoel weder naar zijne oude plaats schuivende—want zij hadden nog maar weinig van het ontbijt gebruikt—en op een antwoord wachtende eer hij weder ging zitten.—“Niets behalve dit,” zeide Dombey. “Gij zult wel zoo goed zijn om op te merken, Carker, dat geene boodschap, waarmede gij aan mevrouw Dombey belast zijt, eenig antwoord toelaat. Gij zult wel zoo goed zijn om mij geen antwoord te brengen. Mevrouw Dombey is onderricht dat het mij niet voegt, met haar te temporiseeren of te onderhandelen over iets, waarover wij het niet eens mochten zijn, en dat, wat ik zeg, beslissend is.”

Carker gaf nog eens te kennen dat hij zijne taak begreep en aanvaardde, en zij gingen nog eens aan het ontbijt met zooveel trek als zij hadden. De Slijper, die weldra verscheen, hield ook wederom zijne oogen met eerbiedigen angst op zijn meester gevestigd. Na het ontbijt werd Dombey’s paard weder voorgebracht, Carker besteeg insgelijks het zijne, en zij reden te zamen naar de stad.

Carker was zeer vroolijk en praatte veel. Dombey hoorde hem aan met het vorstelijke voorkomen van iemand, die recht had om zich te laten onderhouden, en verwaardigde zich nu en dan eenige weinige woorden te spreken om het gesprek voort te zetten. Zoo reden zij eigenaardig genoeg met elkander voort. Maar Dombey reed in zijne deftigheid met zeer lange stijgbeugels en een zeer lossen teugel, en verwaardigde zich zeer zelden om te zien waar zijn paard de pooten zette. Ten gevolge daarvan gebeurde het dat Dombey’s paard, terwijl het vrij hard draafde, over eenige losse steenen struikelde, hem afsmeet, over hem heen rolde, en met de ijzeren hoeven in het rond spartelende om weder op te komen, hem een schop gaf.

Carker, vlug van oog, vast van hand en een goed ruiter, was dadelijk op den grond en trok het spartelende paard in een oogenblik bij de teugels overeind. Anders zou de vertrouwelijke mededeeling van dien morgen wel de laatste voor Dombey zijn geweest. Maar terwijl de drift van deze beweging zijne wangen nog kleurde, boog hij zich over zijn op den grond liggenden gebieder, en mompelde zoo bukkende: “Nu heb ik mevrouw Dombey goede reden gegeven om kwaad op mij te zijn, als zij het wist.”

Daar Dombey bewusteloos was en aan het hoofd en het gezicht bloedde, werd hij, op aanwijzing van Carker, door eenige werklieden naar de naaste herberg gebracht, die niet veraf was; en daar werd hij spoedig door verscheidene chirurgijns bezocht, die van alle kanten aankwamen en door een geheimzinnig instinct schenen gelokt te worden, evenals men zegt dat de gieren zich om een kameel verzamelen, die in de woestijn sterft. Na hem met eenige moeite weder tot bewustheid gebracht te hebben, onderzochten deze heeren zijne kwetsuren. Een chirurgijn, die dichtbij woonde, was sterk voor eene samengestelde beenbreuk, van welk gevoelen de kastelein insgelijks was; maar twee chirurgijns, die veraf woonden, en slechts toevallig in de nabijheid waren, bestreden deze meening met zooveel belangeloosheid, dat men eindelijk besliste, dat de patiënt, hoewel erg geschaafd en gekneusd, geene beenderen gebroken had behalve eene korte rib of zoo, en wel voorzichtig naar huis kon gebracht worden. Toen hij verbonden was, waarmede men lang werk had, en eindelijk lag te rusten, steeg Carker wederom te paard en reed heen om thuis bericht te brengen.

Listig en boosaardig als zijn gezicht zelfs op den besten tijd was, hoewel het, wat vorm en regelmatigheid van trekken betrof, een welgemaakt gezicht mocht heeten, stond het listiger en boosaardiger dan ooit; bezield door zijne booze gedachten—veeleer gedachten aan verwijderde mogelijkheden dan plannen of raadslagen—reed hij alsof hij op eene menschenjacht was. Eindelijk de teugels aanhoudende, toen hij een meer bezochten weg bereikte, dwong hij zijn paard met witte pooten om, volgens gewoonte, zachtjes voort te trippelen, en verborg hij zich zelven zoo goed hij kon onder zijne kruiperige vriendelijkheid en zijn ivoren glimlach.

Hij reed recht naar Dombey’s huis, stapte voor de deur af, en verzocht mevrouw Dombey over eene zaak van gewicht te mogen spreken. De knecht, die hem in Dombey’s eigene kamer had gelaten, kwam spoedig terug om te zeggen dat het mevrouw Dombey’s uur niet was om bezoek te ontvangen, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen dat hij dit niet dadelijk had gezegd.

Carker, die zich wel op eene koele ontvangst had voorbereid, schreef op een kaartje dat hij de vrijheid moest nemen om op een onderhoud aan te dringen, en niet zoo stout zou zijn om dit voor de tweede maal (dit onderstreepte hij) te doen, als hij niet zeker wist dat de aanleiding voldoende was om hem te rechtvaardigen. Na eene korte poos wachtens, kwam mevrouw Dombey’s kamenier en bracht hem naar eene kamer boven, waar Edith en Florence bij elkander zaten.

Hij had Edith nooit voorheen half zoo schoon gevonden. Hoezeer hij ook de bekoorlijkheden van haar gelaat en hare gestalte bewonderde, en die nog versch in zijne zinnelijke herinnering lagen, had hij haar nog nooit half zoo schoon gevonden.

Haar blik was trotsch naar de deur gericht toen hij binnenkwam; maar hij zag naar Florence—hoewel slechts even, terwijl hij voor haar boog—en onwillekeurig duidde hij daarbij het gevoel der nieuwe macht aan, die hij bezat; en hij had het genoegen van te zien, dat Edith’s blik voor den zijnen zwichtte, en dat zij half opstond om hem te ontvangen.

Het speet hem zeer; hij kon niet zeggen hoe ongaarne hij kwam om haar op de tijding van een gering ongeluk voor te bereiden. Hij bad mevrouw Dombey om bedaard te blijven. Op zijn heilig woord van eer, er was geene reden om zich ongerust te maken. Maar mijnheer Dombey...

Florence gaf plotseling een gil. Hij zag niet naar haar, maar naar Edith. Edith stelde haar gerust. Zij gaf geen kreet van droefheid en schrik. Neen, zeker niet.

Dombey had bij het rijden een ongeluk gekregen. Zijn paard was uitgegleden en had hem afgeworpen.

Florence riep met woesten angst, dat hij zeker zwaar gekwetst, dat hij dood was!

Neen. Op zijne eer, mijnheer Dombey, hoewel eerst bedwelmd, was spoedig bijgekomen, en hoewel inderdaad gekwetst, was in geen gevaar. Als dit de waarheid niet was, zou hij, de bedroefde indringer, nooit den moed gehad hebben om zich voor mevrouw Dombey te vertoonen. Het was inderdaad de waarheid, verzekerde hij haar plechtig.

Dit alles zeide hij alsof hij Edith en niet Florence antwoordde, en met zijne oogen en zijn glimlach op Edith gevestigd.