Part 51
Er zijn weekhartige oogenblikken in het leven der hardvochtigste menschen, schoon zulke menschen meestal hun geheim wel bewaren. Het zien van haar in hare schoonheid, bijna in een volwassen meisje veranderd zonder dat hij het wist, mag wel, zelfs in zijn leven van trots, eenige zulke oogenblikken veroorzaakt hebben. Eene vluchtige gedachte dat hij een gelukkig huiselijk leven binnen zijn bereik had gehad—dat een weldadige huisgeest zich voor zijne voeten had gebogen—dat hij dien in zijne hardnekkige stugheid en verwaandheid over het hoofd had gezien, en weggedwaald en verdwaald was, mag die oogenblikken hebben voortgebracht. Eene eenvoudig welsprekende toespraak, duidelijk gehoord, hoewel hare oogen alleen de tolken er van waren, onbewust dat hij er in las, zooals “bij de sterfbedden, die ik heb bijgewoond, bij de kindsheid die ik heb doorgestaan, bij onze ontmoeting te middernacht in dit akelige huis, bij den kreet dien het harteleed mij afperste, o vader, keer u tot mij en zoek eene toevlucht in mijne liefde eer het te laat is!” mag ze hebben vastgehouden. Gedachten van lager aard, zooals, dat voor zijn dooden zoon nu toch nieuwe banden in de plaats kwamen, en hij het dus wel vergeten kon dat zij uit zijne genegenheid verdrongen was, mogen er aanleiding toe gegeven hebben. De enkele gedachte dat zij ook een sieraad was, dat bij al de pracht om hem heen voegde en behoorde, mag voldoende zijn geweest. Maar terwijl hij zoo tuurde, werd hij al weeker en weeker voor haar. Terwijl hij zoo tuurde, werd zij gemengeld met het kind dat hij lief had gehad, en kon hij de twee bijna niet meer van elkander afscheiden. Terwijl hij zoo tuurde, zag hij haar voor een oogenblik in een helder en duidelijker licht, niet als zijne mededingster, over de peluw van dat kind gebogen—gedrochtelijke gedachte—maar als de goede geest van zijn huis, en die hem zelven niet minder dienstbaar was toen hij met het gebogene hoofd in de hand bij dat bedje zat. Hij gevoelde eene neiging om haar aan te spreken en tot zich te roepen. De woorden “Florence, kom hier!” kwamen hem reeds op de lippen—maar langzaam en met moeite, zoo vreemd waren zij—toen zij gesmoord werden door een voetstap op de trap.
Het was die van zijne vrouw. Zij had het kleed, dat zij bij het diner had aangehad, met een loshangend gewaad verwisseld, en hare haren losgemaakt, die nu vrij om haar hals zwierden. Maar dit was de verandering niet die hem bevreemdde.
“Florence, lieve,” zeide zij, “ik heb overal naar u gezocht.”
Toen zij zich bij Florence neerzette, bukte zij en kuste haar de hand. Hij herkende zijne vrouw bijna niet—zoo was zij veranderd. Het was niet alleen dat haar glimlach nieuw voor hem was—hoewel hij ook dien nog nooit had gezien; maar hare houding, de klank harer stem, de glans harer oogen, de belangstelling, het vertrouwen, het innemende verlangen om te behagen, in dat alles uitgedrukt—dit was Edith niet.
“Zachtjes, lieve mama. Papa slaapt.”
Nu was het Edith. Zij zag naar den hoek waar hij zat, en hij kende haar gezicht en hare houding zeer wel.
“Ik dacht niet dat gij hier kondt zijn, Florence.”
Wederom, hoe veranderd en verzacht, in een oogenblik!
“Ik ben opzettelijk vroeg heengegaan,” vervolgde Edith, “om boven bij u te zitten en met u te praten. Maar toen ik naar uwe kamer ging, vond ik mijn vogeltje gevlogen, en ik heb daar aldoor zitten wachten, in de gedachte dat het zou terugkomen.”
Indien het waarlijk een vogeltje was geweest, had zij het niet teerder en zachter aan hare borst kunnen drukken dan zij Florence deed.
“Kom, liefje!”—“Papa zal toch niet verwachten mij nog hier te vinden, als hij wakker wordt, denk ik?” zeide Florence aarzelend.—“Denkt gij dat wel?” antwoordde Edith, haar strak aanziende.
Florence liet haar hoofdje zinken en stond op. Edith nam haar arm onder den haren, en zij gingen de kamer uit als zusters. Zelfs haar stap was anders en nieuw voor hem, dacht Dombey, toen zijne oogen haar naar de deur volgden.
Hij bleef zoolang in zijn donkeren hoek zitten, dat de klokken nog driemaal het uur sloegen eer hij zich bewoog. Al dien tijd bleven zijne oogen strak op de plek gericht waar Florence gezeten had. De kamer werd donkerder en donkerder naarmate de kaarsen afbrandden en uitgingen; maar er pakte zich in zijne trekken eene duisternis samen, donkerder dan de nacht kon werpen, en die duisternis verdween niet weder.
Florence en Edith, voor het vuur gezeten, in de afgelegene kamer waar Paul gestorven was, bleven daar nog lang praten. Diogenes had eerst bezwaren tegen de toelating van Edith gemaakt, en haar, zelfs uit inschikkelijkheid voor zijne meesteres, slechts onder een brommend protest geduld. Maar langzamerhand uit de voorkamer komende, waar hij zich misnoegd had afgezonderd, scheen hij te begrijpen dat hij met de beste meening een van die vergissingen had begaan, waaraan de beste hond nu en dan onderhevig is; en als eene vriendelijke verontschuldiging plantte hij zich recht overeind tusschen de twee, op een zeer heet plaatsje vlak voor het vuur, en bleef zoo, hijgende, met de tong uit den bek en met een allerdomst gezicht, naar het gesprek luisteren.
Dit liep in het eerst over Florence’s boeken en bezigheden, en de manier waarop zij zich sedert den dag der huwelijksplechtigheid den tijd had gekort. Dit onderwerp deed haar aan iets denken dat haar zeer nauw aan het harte lag, en terwijl haar de tranen in de oogen kwamen, zeide zij:
“O, mama, ik heb in dien tijd zulk een groot verdriet gehad.”—“Gij een groot verdriet, Florence?”—“Ja, de arme Walter is verdronken.”
Zij hield hare handen voor hare oogen en schreide met al haar hart. Hoeveel geheime tranen Walter’s lot haar ook reeds had gekost, zij vloeiden nog altijd wanneer zij van hem sprak of aan hem dacht.
“Maar zeg mij, liefje,” zeide Edith op een troostenden toon. “Wie was Walter? Wat was hij voor u?”—“Hij was mijn broeder, mama. Toen Paul gestorven was, zeiden wij dat wij broeder en zuster wilden zijn. Ik had hem lang gekend—van een klein kind af. Hij kende Paul ook, die veel van hem hield. Paul zeide, bijna met zijne laatste woorden: “Zorg toch voor Walter, lieve papa. Ik heb veel van hem gehouden!” Walter was binnengeroepen om hem te zien, en hij was daar toen—hier in de kamer.”—“En heeft hij voor Walter gezorgd?” vroeg Edith op stroeven toon.—“Papa? Hij benoemde hem om buitenslands te gaan. Hij verdronk op reis door eene schipbreuk,” zeide Florence snikkende.—“Weet hij dat hij dood is?” vroeg Edith.—“Dat kan ik niet zeggen, mama. Ik heb geen middel om dat te weten te komen. Lieve mama!” riep Florence, zich aan haar vastklemmende, alsof zij hulp verlangde, en haar gezichtje aan hare borst verbergende, “ik weet, gij hebt wel gezien...”—“Stil! Wacht eens, Florence.” Edith was zoo bleek geworden en sprak zoo ernstig, dat zij Florence niet eens de hand op den mond had behoeven te leggen. “Zeg mij eerst alles van Walter. Laat ik zijne geheele geschiedenis wel begrijpen.”
Florence verhaalde die met al wat er toe behoorde: zelfs met de vriendschap van Toots, van wien zij zelfs in hare droefheid niet spreken kon zonder een betraanden glimlach, hoewel zij hem innig dankbaar was. Toen haar verhaal ten einde was, waarnaar Edith, hare hand vasthoudende, met ernstige aandacht luisterde, zeide deze:
“Wat weet gij dat ik wel gezien heb, Florence?”—“Dat ik,” antwoordde Florence met dezelfde angstige beweging als te voren en wederom haar gezicht verbergende, “geen bemind kind ben, mama. Dat ben ik nooit geweest. Ik heb nooit geweten hoe ik het worden moest. Ik ben van den weg afgeraakt, en had niemand om hem mij te wijzen. O, laat ik van u leeren hoe ik papa dierbaarder kan worden. Leer mij, gij die dat zoo goed kunt!” En zich nog vaster klemmende, met eenige afgebrokene woorden van liefkoozing en dankbaarheid, bleef Florence, van haar treurig geheim ontlast, nog lang schreien, maar niet zoo smartelijk als voorheen, in de armen harer nieuwe moeder.
Bleek, tot hare lippen toe, en met een gezicht dat zich tot kalmte dwong, tot de trotsche schoonheid daarvan zoo strak was als de dood, zag Edith op het schreiende meisje neer. Eens gaf zij haar een kus. Zich toen langzamerhand losmakende en Florence van zich afschuivende, zeide zij, statig en stil, als een marmeren beeld, en met eene stem die doffer werd naarmate zij sprak, maar geen ander blijk van aandoening gaf:
“Florence, gij kent mij niet! De hemel verhoede dat gij van mij zoudt leeren!”—“Niet van u leeren?” zeide Florence, verwonderd.—“Dat ik u leeren zou hoe gij moet liefhebben of bemind kunt worden, verhoede de hemel!” zeide Edith. “Als gij mij leeren kondt, dat zou beter zijn; maar het is te laat. Gij zijt mij dierbaar, Florence. Ik had niet gedacht dat iets mij ooit zoo dierbaar kon zijn, als gij mij in dien korten tijd zijt geworden.”
Zij zag dat Florence hier wilde spreken, wenkte haar daarom met de hand om stil te zwijgen, en vervolgde:
“Ik zal altijd uwe ware vriendin zijn. Ik zal u liefhebben zooveel als iemand in deze wereld zou kunnen doen. Gij kunt mij vertrouwen—ik weet het en ik zeg het, lieve—met het gansche vertrouwen zelfs van uw zuiver hart. Er zijn menigten van vrouwen, die hij had kunnen trouwen, beter en trouwer in alle opzichten dan ik ben, Florence; maar geene had als zijne vrouw hier kunnen komen, wier hart met meer oprechtheid voor u klopte dan het mijne doet.”—“Dat weet ik, lieve mama!” riep Florence uit. “Van dien eersten allergelukkigsten dag af heb ik dat geweten.”—“Allergelukkigste dag!” Edith scheen deze woorden onwillekeurig te herhalen, en vervolgde toen: “Schoon ik geene verdienste heb, want ik dacht weinig aan u eer ik u zag, laat mij in uwe liefde en vertrouwen mijne onverdiende belooning vinden. En hierin, Florence, hierin—op den eersten avond dat ik hier mijn intrek neem, krijg ik juist aanleiding, gelijk ook wel goed is, om het voor de eerste en laatste maal te zeggen.”
Florence werd, zonder te weten waarom, bijna bang om haar te hooren voortgaan, en hield hare oogen strak op het schoone gelaat gericht, dat haar zoo vast aanzag.
“Zoek nooit in mij te vinden,” zeide Edith, hare hand op hare borst leggende, “wat hier niet is. En als gij anders kunt, Florence, verzaak mij dan nooit omdat het hier niet is. Langzamerhand zult gij mij beter leeren kennen, en er zal een tijd komen dat gij mij kennen zult gelijk ik mij zelve ken. Wees dan zoo zacht voor mij als gij kunt, en laat de eenige zoete herinnering, die ik hebben zal, niet in bitterheid veranderen.”
De tranen in de oogen, die zij strak op Florence gevestigd hield, toonden dat het kalme gelaat slechts een schoon masker was; maar zij behield dit toch en vervolgde:
“Ik heb gezien wat gij zegt, en weet hoe waar het is. Maar geloof mij—dat zult gij spoedig, als gij het nu niet kunt—er is niemand op aarde minder geschikt om dit te recht te brengen of u te helpen dan ik. Vraag mij nooit waarom, en spreek mij nooit weer daarover of over uw papa. In zooverre moet er eene verwijdering tusschen ons zijn, eene stilte gelijk die van het graf zelf.”
Zij bleef een tijd lang zwijgend zitten. Florence durfde ondertusschen nauwelijks ademhalen, terwijl flauwe schaduwen van de waarheid en de gevolgen, welk deze dagelijks moest medebrengen, elkander in hare ontstelde, en toch nog ongeloovige, verbeelding verdrongen. Bijna zoodra zij had opgehouden te spreken, begon Edith’s gelaat van deszelfs strakke bedaardheid tot dat zachter en rustiger uitzicht over te gaan, dat het doorgaans had als zij en Florence met elkander alleen waren. Na die verandering hield zij hare handen er voor; en toen zij opstond en Florence met eene teedere omhelzing goedennacht wenschte, ging zij snel en zonder om te zien heen.
Maar toen Florence in bed en hare kamer donker was, behalve dat de gloed van het vuur nog een schijnsel gaf, kwam Edith terug, zeide dat zij niet slapen kon en het haar in hare kamer te eenzaam was, schoof een stoel bij den haard, en bleef in de wegstervende vonken zitten turen. Florence tuurde insgelijks daarnaar totdat zij en de statige gedaante met hare golvende haren onduidelijk werden en eindelijk, in haar sluimer, verdwenen.
In haar slaap kon Florence evenwel den indruk van wat er zoo kort geleden was voorgevallen, niet te boven komen. Het bleef het onderwerp harer droomen, nu in de eene dan in de andere gedaante, maar altijd benauwend en vreesverwekkend. Zij droomde dat zij in eene woestijn naar haar vader zocht, en zijn spoor volgde over vreeselijke hoogten en in diepe grotten; dat zij iets had of wist waardoor zij hem van een folterend lijden kon ontheffen—zij wist niet wat of waarom—en hem toch nooit kon bereiken en bevrijden. Dan zag zij hem dood, op dat zelfde bed, in dezelfde kamer, en wist dat hij haar tot het laatste toe nooit had liefgehad, en viel, hartstochtelijk schreiende, op zijne koude borst. Dan opende zich een verschiet en stroomde er eene rivier, en riep eene klagende stem die zij kende: “Zij loopt maar voort, Flore. Zij houdt nooit op. Gij drijft er ook mee voort!” En zij zag hem in de verte zijne armen naar haar uitstrekken, terwijl eene gedaante, gelijk Walter placht te zijn, bij hem stond, zoo kalm en helder van uitzicht dat zij daardoor iets geduchts had. In ieder droomgezicht verscheen en verdween Edith, somtijds tot hare blijdschap, somtijds tot hare smart, totdat zij alleen stonden aan den rand van een donker graf, en Edith naar beneden wees en zij bukte en zag—wat!—eene andere Edith die op den bodem lag.
De schrik van dezen droom deed haar gillen en ontwaken, dacht zij. Eene zachte stem scheen haar in het oor te fluisteren: “Florence, lieve Florence, het is maar een droom!” en hare armen uitstrekkende, beantwoordde zij de liefkoozing harer nieuwe mama, die vervolgens in het flauwe licht van den dageraad de deur uitging. In een oogenblik zat Florence overeind, zich verwonderende of dit werkelijk had plaats gehad; maar zij zag niets anders dan dat werkelijk de dag aanbrak, en dat de zwartachtige asch van het vuur onder den haard lag, en dat zij alleen was.
Zoo verliep de eerste nacht nadat het gelukkige paar thuis was gekomen.
XXXVI.
HET INWIJDINGSFEEST.
Vele dagen achtereen verliepen op dezelfde wijze, behalve dat er vele visites ontvangen en gedaan werden, en dat mevrouw Skewton kleine levées in hare apartementen hield, die veelal door den majoor Bagstock werden bijgewoond, en dat Florence geen tweeden blik van haar vader ontmoette, hoewel zij hem nu dagelijks zag. Ook wisselde zij niet vele woorden met hare nieuwe mama, die voor het geheele huishouden heerschzuchtig en trotsch was, behalve voor haar—Florence kon niet nalaten dit op te merken—en die, schoon zij haar altijd liet roepen of naar haar toe kwam als zij van hare visites terugkeerde, en haar altijd in hare kamer kwam opzoeken eer zij zich ter rust begaf, hoe laat het ook wezen mocht, en nooit eene gelegenheid verzuimde om bij haar te zijn, toch dikwijls zeer lang achtereen stil en peinzend bij haar bleef zitten.
Florence, die zooveel van dit huwelijk had gehoopt, kon somtijds niet nalaten, het heldere prachtige huis te vergelijken met de sombere stille woning waaruit het ontstaan was, en zich te verwonderen wanneer het, in eene of andere gedaante, een thuis zou beginnen te worden; want dat het geen thuis voor haar of iemand anders was, hoewel er alles even rijk en goed geregeld was, bleef zij altijd heimelijk vreezen. Menig uur van treurig nadenken bij dag en bij nacht, en menigen traan van droevige teleurstelling wijdde Florence aan de verzekering, die hare nieuwe mama haar zoo nadrukkelijk gegeven had, dat niemand op aarde minder geschikt was om haar te leeren haar vaders hart te winnen. En weldra begon Florence te denken—poogde zij te denken, zou meer naar waarheid zijn uitgedrukt—dat niemand zoo goed wist hoe hopeloos het was haar vaders koelheid voor haar te overwinnen, en het dus alleen uit medelijden met haar was dat zij haar die waarschuwing had gegeven en verboden er meer van te spreken. Onbaatzuchtig, gelijk in al wat zij dacht en deed, wilde Florence liever dit nieuwe leed verdragen, dan het vermoeden van eene waarheid, die een ongeluk voor haar vader moest wezen, voedsel geven; teerhartig voor hem, zelfs in hare dwalende gedachten. Wat zijn huis betrof, zij hoopte dat het een beter thuis voor hem zou worden, als het nieuwe en vreemde er van voorbij waren; om zich zelve dacht zij weinig en treurde zij niet.
Al was eigenlijk niemand voor zich zelf in het nieuwe huis thuis, men begreep toch dat mevrouw Dombey daar zonder uitstel voor het publiek thuis moest wezen. Er werd dus, voornamelijk door Dombey en mevrouw Skewton, eene reeks van festiviteiten beraamd, zoowel om het huwelijk te vieren, als om aan de eischen der gezellige samenleving te voldoen; en men besloot dat deze feesten daarmede zouden beginnen, dat mevrouw Dombey op zekeren avond voor alle bekenden thuis zou zijn, en dat mijnheer en mevrouw Dombey denzelfden dag een groot aantal van allerhande menschen te zamen op een diner zouden verzoeken.
Dombey schreef derhalve eene lijst van oostelijke magnaten, die op dit feest moesten genoodigd worden; waartegen mevrouw Skewton, uit naam van hare beminde dochter, die voor de geheele zaak eene trotsche onverschilligheid toonde, eene westelijke lijst voorstelde, waarop neef Feenix, die nog niet naar Baden-Baden teruggekeerd was (tot groot nadeel van zijn bekrompen inkomen) bovenaan stond, gevolgd door eene verscheidenheid van vlinders van allerlei ouderdom en rang, die van tijd tot tijd om het licht harer schoone dochter, of om haar zelve, hadden rondgefladderd, zonder hunne vlerken erg te beschadigen. Florence werd ook op de lijst voor het diner gezet—op bevel van Edith, toen mevrouw Skewton voor een oogenblik scheen te twijfelen; en met zekere pijnlijke verwondering en eene instinctmatige bewustheid van alles wat haar vaders gevoel, zelfs in het minste, onaangenaam aandeed, nam het meisje stilzwijgend deel aan de feestelijkheden van den dag.
Deze feestelijkheden begonnen daarmede dat Dombey, met een das van buitengewone hoogte en stijfheid, rusteloos in het salon op en neer stapte tot aan het voor het diner bepaalde uur. Met klokslag daarvan kwam er een schatrijk directeur der Oost-Indische Compagnie, met een vest dat door een timmerman van vurenhout scheen te zijn samengesteld, maar werkelijk door een kleermaker uit nanking was vervaardigd, en werd door Dombey alleen ontvangen. De volgende gebeurtenis was dat Dombey zijn compliment aan mevrouw Dombey zond en haar liet weten hoe laat het was, en de volgende dat de directeur in het gesprek bleef steken, en Dombey, die de man niet was om het weder op te vatten, naar het vuur bleef staren, tot mevrouw Skewton kwam, welke de directeur, om den avond gelukkig te beginnen, voor mevrouw Dombey hield en met geestvervoering begroette.
De volgende gast was een directeur van de Bank, van wien men zeide dat hij in staat was om alles op te koopen—het geheele menschdom zelfs, als hij meende daardoor de geldmarkt te kunnen dwingen—maar die met verbazende bescheidenheid sprak, zoo zelfs dat de bescheidenheid naar pochen geleek, en op dien toon melding maakte van zijn “buitentje” bij Kingston, waar hij Dombey een bed en eene karbonade kon geven, maar veel meer ook niet, als hij hem eens wou komen opzoeken. Dames, zeide hij, durfde iemand die zoo leefde als hij geene invitatiën geven—maar als mevrouw Skewton en hare dochter, mevrouw Dombey, eens dien weg uitkwamen en hem de eer wilden doen om eens naar het heesterplantsoentje te komen kijken, dat zij daar zouden vinden, en een paar bloembedjes, en een ananaskasje, en nog eenige kleinigheden van dien aard, waarop hij zich niets kon laten voorstaan, zouden zij hem zeer verplichten. Om geheel in zijne rol te blijven, was deze heer zeer eenvoudig gekleed, met een strookje kamerdoek voor eene das, groote lompe schoenen, een rok die hem te wijd en eene broek die hem te nauw was; en toen mevrouw Skewton van de opera melding maakte, zeide hij dat hij daar zeer zelden ging, want dat kon niet lijden. Hij scheen zich met dit gezegde zeer te vervroolijken, en keek daarna met de handen in de zakken en van zelfvoldoening stralende oogen in het rond.
Nu verscheen mevrouw Dombey, schoon en trotsch, en zoo vol uitdagende minachting voor iedereen, als ware de bruidskrans op haar hoofd een krans van stalen punten geweest, haar opgezet om haar tot vernedering te dwingen, terwijl zij liever wilde sterven dan zwichten. Florence was bij haar. Toen zij binnentraden verdonkerde de schaduw van den avond der terugkomst wederom Dombey’s gelaat; maar onopgemerkt, want Florence durfde hare oogen niet opslaan, en Edith’s onverschilligheid was te fier om in het minste op hem te letten.
Spoedig waren er meer gasten. Nog meer directeuren, presidenten van dit en van dat, bejaarde dames met vrachten van kapsels op het hoofd, neef Feenix, majoor Bagstock, vriendinnen van mevrouw Skewton, met dezelfde fraaie kleur op de wangen en kostbare kettingen om dorre halzen. Onder deze was eene jonge dame van vijf en zestig, ongemeen koel gekleed wat rug en schouders betrof, die zeer innemend lispelde en hare oogleden niet zonder veel moeite kon openhouden, en wier manieren al dat onbeschrijfelijk bekoorlijke hadden, dat de dartelheid der jeugd eigen is. Daar de meesten van Dombey’s lijst tot stilzwijgendheid, en de meesten van mevrouw Dombey’s lijst tot spraakzaamheid genegen waren, en zij niets met elkander gemeen hadden, trad mevrouw Dombey’s lijst door zekere magnetische overeenstemming, in een vijandig verbond tegen de lijst van haar echtgenoot, welker ongelukkige leden, neerslachtig door de kamers dwalende of in een hoek schuilplaats zoekende, door pas binnenkomende gasten tegen het lijf werden geloopen, achter sofa’s gebarricadeerd raakten, deuren die wat driftig werden opengedaan, onzacht tegen het hoofd kregen, en allerlei wederwaardigheden ondervonden.
Toen het diner werd aangekondigd, leidde Dombey eene oude dame naar de tafel, die naar een rood fluweelen kussen geleek met banknoten opgestopt; neef Feenix leidde mevrouw Dombey, en majoor Bagstock mevrouw Skewton. Hare jeugdige vriendin met de schouders werd, tot zijne vervroolijking, aan den directeur met het nankingsche vest toebedeeld; en de overige dames werden door de overige heeren in het salon op beziens gelaten, tot eenige vrijwilligers moed genoeg kregen om ze naar beneden te willen brengen, waarna deze dapperen met de buitgemaakte schoonen de deur der eetzaal verstopten en zeven bedeesde heeren in het steenige voorhuis buitensloten. Toen al de anderen binnen en gezeten waren, bleek een dezer bedeesde heeren nog geheel onverzorgd te zijn, en deed, door den bottelier begeleid, in glimlachende verlegenheid, tweemaal de ronde van de tafel, eer zijn stoel te vinden was, die eindelijk aan mevrouw Dombey’s linkerhand bleek te staan; waarna de bedeesde heer zijn hoofd niet meer durfde oprichten.
Nu had men die ruime eetzaal, met het gezelschap om de glinsterende tafel gezeten, bezig met de glinsterende lepels, messen en vorken, wel voor eene nabootsing van het land kunnen houden waar men goud en zilver maar voor het rapen heeft; en het lange plateau van kostbaar koud metaal, dat Dombey van zijne vrouw afscheidde, met de koude Cupido’s, die beiden reukelooze bloemen aanboden, had men voor eene allegorie kunnen aanzien.