Dombey en Zoon

Part 52

Chapter 523,937 wordsPublic domain

Neef Feenix vertoonde zich in al zijne kracht en zag er verbazend jong uit. Maar zijne luimigheid was wel eens wat onbedachtzaam—zijn geheugen speelde hem somtijds parten, evenals zijne beenen deden—en eens deed hij het geheele gezelschap schrikken. Dit gebeurde aldus. De jonge dame met de schouders, die een zwak voor neef Feenix had, wist den directeur, haar geleider, te verleiden om haar naar een stoel naast hem te brengen, en tot dank voor dezen dienst, liet zij den directeur dadelijk varen. Deze, die aan den anderen kant door een somberen zwart fluweelen hoed werd beschaduwd, welke een beenig en sprakeloos vrouwelijk wezen met een waaier bekroonde, gaf zich aan neerslachtigheid over en kroop geheel in zich zelven weg. Neef Feenix en de jonge dame waren zeer levendig, en de jonge dame lachte zoo hartelijk om iets dat neef Feenix haar vertelde, dat majoor Bagstock ten behoeve van mevrouw Skewton verzocht te mogen weten (zij zaten aan den overkant, wat verder af) of die vertelling niet als publiek eigendom mocht beschouwd worden.

“Och, er steekt niets in,” zeide neef Feenix; “het is waarlijk niet waard het nog eens te vertellen; het is eigenlijk maar eene anekdote van Jack Adams. Ik denk dat mijn vriend Dombey,” want de algemeene aandacht was nu op neef Feenix gevestigd, “zich Jack Adams wel zal herinneren—Jack Adams, niet Joe—dat was zijn broeder. Jack—kleine Jack—die scheel zag en eene belemmering in zijne spraak had—en voor iemands borough in het Parlement zat. Wij plachten hem in mijn tijd P. W. H. Adams te noemen, dat Plaats-Warmhouder wilde zeggen, omdat hij de plaats warm hield voor een jong mensch, die nog niet meerderjarig was. Misschien zal mijn vriend Dombey hem wel gekend hebben?”

Dombey, die met evenveel waarschijnlijkheid Guy Fawkes kon gekend hebben, antwoordde ontkennend. Maar een der zeven bedeesde heeren maakte zich eensklaps tot een persoon van aanzien, door te zeggen dat hij hem gekend had, en er bij te voegen: “hij droeg altijd laarzen met kwastjes!”—“Juist!” zeide neef Feenix, zich overbuigende om den bedeesden heer te zien, en hem over de tafel heen aanmoedigend toe te lachen. “Dat was Jack. Joe droeg...”—“Kaplaarzen!” riep de bedeesde heer, met ieder oogenblik in de algemeene schatting rijzende.—“Gij moet hen natuurlijk van nabij gekend hebben?” zeide neef Feenix.—“Ik heb hen allebei gekend,” zeide de bedeesde heer, en Dombey trok dadelijk een lijntje met hem.—“Een allerbeste kerel, Jack?” zeide neef Feenix, zich nogmaals glimlachend overbuigende.—“Dat zou ik denken,” antwoordde de bedeesde man, door zijn geluk stout wordende; “een van de beste kerels die ik ooit gekend heb.”—“Gij hebt het historietje zeker wel gehoord?” zeide neef Feenix.—“Dat zal ik pas weten,” antwoordde de stoutmoedige bedeesde man, “als ik het uwe Lordschap heb hooren vertellen.” Daarmede liet hij zich achterover in zijn stoel zakken en keek glimlachend naar den zolder, alsof hij het van buiten kende en er zich reeds mede vermaakte.—“Eigenlijk heeft het historietje niets te beduiden,” zeide neef Feenix, met een vroolijk gezicht de geheele tafel aansprekende, “en is het geen voorafspraak waard. Maar het is een staaltje hoe netjes Jack iets te pas kon brengen. De zaak is, dat Jack eens op eene bruiloft werd gevraagd, die, als ik wel heb, in Berkshire werd gegeven?”—“Shropshire,” zeide de stoute bedeesde man, die zag dat dit laatste tot hem gericht was.—“Was het? Wel! Wat de zaak betreft zou het ook evengoed ergens anders kunnen geweest zijn,” zeide neef Feenix. “Mijn vriend is dus ergens hier of daar op eene bruiloft gevraagd, en hij gaat. Evenals wij, of sommigen van ons, toen wij de eer hadden van gevraagd te worden om de trouwplechtigheid van mijne bekoorlijke en begaafde nicht met mijn vriend Dombey bij te wonen, niet tweemaal behoefden gevraagd te worden, maar drommels blij waren dat wij bij zulk eene interessante gelegenheid tegenwoordig mochten zijn. Nu was dat huwelijk eigenlijk een huwelijk van een buitengemeen mooi meisje met een man, die haar niet het minste kon schelen, en dien zij maar om zijn geld nam, want hij was schatrijk. Toen Jack na de bruiloft weder thuis was, zegt een kennis, die hem in de voorzaal van het Huis der Gemeenten tegenkomt: “Wel, Jack, hoe gaat het met dat ongelijke paar?”—“Ongelijk!” zegt Jack. “Geheel niet. Zij staan volkomen met elkander gelijk. Zij is als eerlijk gekocht, en gij kunt er op zweren dat hij ook eerlijk verkocht is.””

In het volle genot der aardigheid van zijne vertelling, verwonderde zich neef Feenix over den schrik, die als een electrische schok de tafel was omgevlogen, en hij bleef steken. Geen glimlach op eenig gezicht verried het eenige algemeene onderwerp van gesprek op dien dag. Er volgde eene diepe stilte, en de rampzalige bedeesde heer, die vooraf even weinig van het historietje had geweten als een ongeboren kind, moest in alle oogen lezen dat hij voor den eersten aanlegger van deze kwaadaardigheid werd gehouden.

Dombey’s gezicht veranderde niet licht, en daar het dien dag in zijne staatsieplooien was gezet, toonde het niet, of bijna niet, dat hij anders over het vertelseltje dacht dan hij te kennen gaf, toen hij te midden der stilte deftig zeide: “Heel aardig.” Edith wierp snel een blik naar Florence, maar anders bleef zij uitwendig zoo ongevoelig alsof zij niets gehoord had.

Langzamerhand kwam het diner verder en kwamen de gasten door alles heen—door de kostbare spijzen en wijnen, altijd in goud en zilver, lekkernijen van aarde, lucht, vuur en water, opgestapelde vruchten, en die noodelooze stof op een feest van Dombey—ijs. In het laatste tijdperk hoorde men een aanhoudend kloppen, dat de komst der avondgasten aankondigde, wier deel aan den maaltijd tot den reuk daarvan beperkt was. Toen mevrouw Dombey opstond was het iets merkwaardigs haar gemaal, met stijven hals en opgericht hoofd, de deur te zien openhouden, om dames uit te laten; en hoe zij hem voorbijstreek met zijne dochter aan den arm.

Dombey was een deftig schouwspel in zijne staatsie achter de karaffen; de directeur met het gele vest was een jammerlijk schouwspel, in zijne eenzaamheid bij het ledige eind van de tafel; de majoor was een militair schouwspel, terwijl hij anekdoten van den Hertog van York vertelde aan zes van de zeven bedeesde heeren (de te voren zoo stoute hield zich achteraf); de directeur van de Bank was een nederig schouwspel, gelijk hij eene groep van bewonderaars zat te beduiden hoe hij zijn ananaskasje had laten inrichten en met dessertmessen een plan daarvan maakte; en neef Feenix was een schouwspel van peinzend nadenken, gelijk hij zijne breede mouwboorden gladstreek en tersluiks zijne pruik rechtzette. Maar dit geheele schouwspel was kort van duur, daar men weldra afbrak om koffie te drinken en naar boven te gaan.

Daar boven in de staatsievertrekken heerschte een gewoel, dat met ieder oogenblik toenam; maar nog scheen Dombey’s lijst van gasten eene aangeborene onmogelijkheid te hebben, om zich met die van mevrouw Dombey te vermengen, en niemand had kunnen twijfelen tot welke lijst iemand behoorde. De eenige uitzondering op dezen regel was misschien Carker, die onder het gezelschap zijn glimlach vertoonde, en terwijl hij in den kring stond, die zich om mevrouw Dombey verzameld had—oplettend op haar, op zijn patroon, op Cleopatra en den majoor, op Florence en alles in het rond—met beide soorten van gasten op zijn gemak scheen te zijn, zonder een kenteeken te hebben dat hij uitsluitend tot een van die soorten behoorde.

Florence had een angst voor hem, die zijne tegenwoordigheid bijna onuitstaanbaar voor haar maakte. Zij kon die echter niet vergeten, want telkens werden hare oogen door een onweerstaanbaar gevoel van wantrouwen en tegenzin naar hem toegetrokken. Evenwel waren hare gedachten met andere dingen bezig, want terwijl zij daar stil zat—niet omdat zij niet bewonderd of opgezocht werd, maar in de zachtheid van haar stillen geest—gevoelde zij wel hoe weinig deel haar vader had aan alles wat er omging, en zag zij met smart hoe slecht hij op zijn gemak scheen te zijn, hoe weinig acht men op hem gaf terwijl hij bij de deur stond te wachten naar die gasten, welke hij met bijzondere beleefdheid wenschte te onderscheiden, en die hij dan naar zijne vrouw bracht en presenteerde, welke hen met trotsche koelheid ontving, zonder eenige belangstelling of zucht om te behagen te toonen, en na de kale ceremonie der receptie, geen woord meer sprak om hem genoegen te geven of zijne vrienden te verwelkomen. Het was voor Florence niet te minder bevreemdend en smartelijk, dat zij, die zoo handelde, haar zoo vriendelijk behandelde, dat het aan haar kant ondankbaar scheen thans op te merken wat er voor hare oogen plaats had.

Gelukkig zou het voor Florence geweest zijn als zij haar vader had mogen opbeuren, al was het maar met een blik; en gelukkig was zij waarlijk dat zij de voornaamste reden van zijn ongenoegen weinig vermoedde. Zij durfde echter niet laten blijken, dat zij wist dat hem iets hinderde, uit vrees dat hij dit kwalijk zou nemen; en zoo verdeeld tusschen hare neiging voor hem en hare dankbare genegenheid voor Edith, durfde zij hare oogen bijna niet naar een van beiden opslaan. Bekommerd en ongerust voor beiden, kwam de gedachte bij haar op, dat het misschien goed voor hem zou geweest zijn als dat gerucht van tongen en gescharrel van voeten daar nooit gekomen was—als de oude dofheid en somberheid nooit door pracht en glans waren vervangen—als het verwaarloosde kind nooit in Edith eene vriendin had gevonden, maar vergeten en onbeklaagd haar eenzaam leven had voortgezet.

Mevrouw Chick dacht ook eenigszins zoo, maar bleef daarbij niet zoo kalm. De goede vrouw was vooreerst beleedigd, dat zij geene uitnoodiging voor het diner had ontvangen. Toen zij dit gedeeltelijk te boven was gekomen, had zij groote onkosten gemaakt om zich met zulk eene pracht voor mevrouw Dombey te vertoonen, dat zij deze dame geheel moest verblinden, en mevrouw Skewton, bergen hoog, met schaamte beladen.

“Maar men telt mij even weinig als Florence,” zeide mevrouw Chick tot haar echtgenoot. “Wie neemt er de minste notitie van mij? Niemand!”—“Niemand, lieve,” zeide Chick, tevreden toestemmend. Hij had zich naast zijne vrouw tegen de deur gezet, en was zelfs daar in staat zich te troosten met zachtjes te fluiten.—“Schijnt het wel dat men mij hier noodig had?” riep mevrouw Chick met vlammende oogen uit.—“Neen, lieve, dat schijnt het zeker niet,” antwoordde haar echtgenoot.—“Paul is gek!” zeide mevrouw Chick.

Mijnheer Chick floot.

“Als gij geen monster zijt, dat ik somtijds waarlijk geloof,” hervatte mevrouw Chick met openhartigheid, “zit dan daar geen deuntjes te neuriën. Hoe iemand, die maar eenigszins het gevoel van een man heeft, die schoonmoeder van Paul kan zien, zoo gekleed als zij is, en zooals zij zich aanstelt met dien majoor Bagstock, dien wij, met andere kostbaarheden, ook al aan uwe Lucretia Tox te danken hebben....”—“Mijne Lucretia Tox, lieve vrouw!” zeide Chick met verbazing.—“Ja,” antwoordde mevrouw Chick, zeer barsch en streng, “uwe Lucretia Tox—ik zeg, hoe iemand die schoonmoeder van Paul kan zien, en die hoogmoedige vrouw van Paul, en die indecente, leelijke oude wijven met hare ruggen en schouders, kortom, dat alles hier, en zitten neuriën,” op welk woord zij een smadelijken nadruk legde, die haar man deed schrikken, “is, den hemel zij dank, een raadsel voor mij.”

Chick zette zijn mond in eene plooi dat hij onmogelijk fluiten of neuriën kon, en keek zeer ernstig.

“Maar ik hoop te weten wat ik mij zelve verschuldigd ben,” zeide mevrouw Chick, van verontwaardiging zwellende, “hoewel Paul vergeten heeft wat hij mij verplicht is. Ik zal hier niet blijven zitten, een lid van zijne familie, zonder dat er notitie van mij wordt genomen. Ik ben nog geen slijk onder mevrouw Dombey’s voeten—nog niet,” zeide mevrouw Chick, alsof zij dat tegen overmorgen dacht te worden. “En ik ga heen. Ik zal niet zeggen (wat ik ook denken mag) dat die geheele partij is aangelegd alleen om mij te vernederen en te beleedigen. Maar ik ga heen. Ik zal niet gemist worden.”

Mevrouw Chick stond met deze woorden stokstijf op, en nam den arm van haar man, die haar de kamer uitleidde, nadat zij daar een half uur in de schaduw hadden gezeten. Om hare schranderheid recht te doen moet het worden aangemerkt, dat zij inderdaad geheel niet gemist werd.

Zij was niet de eenige ontevredene onder de gasten; want Dombey’s lijst (steeds in wederwaardigheden) was en corps misnoegd op de lijst van mevrouw Dombey, omdat de leden daarvan door lorgnetten naar hen keken en zich hoorbaar verwonderden wie al die menschen waren, terwijl de lijst van mevrouw Dombey over verveling klaagde, en het jonge dingetje met de schouders, van de oplettendheden van den vroolijken jonkman neef Feenix beroofd (want deze was van tafel naar huis gegaan) aan dertig of veertig vrienden en vriendinnen in vertrouwen mededeelde, dat zij zich nog dood zou geeuwen. Al de oude dames met vrachten op het hoofd hadden meer of minder reden van klagen over mevrouw Dombey; en de directeuren en presidenten stemden overeen in de gedachte dat, als Dombey trouwen moest, hij beter zou gedaan hebben als hij eene vrouw had getrouwd die meer zijne gelijke in jaren was, niet zoo mooi was, en er wat beter in zat. Het algemeene gevoelen onder deze klasse van heeren was, dat het eene dwaasheid van Dombey was, en het hem nog eens zou berouwen. Bijna niemand, behalve de bedeesde heeren, was er, die bleef of heenging zonder zich door Dombey of mevrouw Dombey veronachtzaamd of beleedigd te achten; en het sprakelooze vrouwelijke wezen met den zwart fluweelen hoed was, gelijk men naderhand bevond, zoo stom geworden omdat de dame in het rood fluweel vóór haar naar de tafel was geleid. Zelfs de zachtzinnigheid der bedeesde heeren werd verzuurd, hetzij door te veel limonade of door het besmettelijke van den algemeenen geest, en zij maakten in afgelegene hoekjes spottende grappen met elkander, en fluisterden elkander op de trap hunne minachtende afkeuring toe. De algemeene onbehaaglijkheid en onvergenoegdheid verspreidden zich zoozeer, dat de verzamelde lakeien in het voorhuis er evengoed mede bekend waren als het gezelschap boven. Zelfs de fakkeldragers buiten kregen er weet van, en vergeleken de partij bij een begrafenistrein buiten den rouw, waarvan ieder wist dat hij niet in het testament stond.

Eindelijk waren de gasten allen verdwenen en de fakkeldragers ook; de straat, zoolang met koetsen verstopt, was weder vrij, en de afgebrande kaarsen in de kamer beschenen niemand dan Dombey en Carker, die afzonderlijk met elkander spraken, en mevrouw Dombey en hare moeder; de eerste op eene ottomane gezeten, de laatste in hare Cleopatra-houding neergevleid en naar hare kamenier wachtende. Toen Dombey met Carker had gesproken, kwam de laatste onderdanig nader om afscheid te nemen.

“Ik vertrouw,” zeide hij, “dat de vermoeienis van dezen verrukkelijken avond mevrouw Dombey morgen niet zal hinderen.”—“Mevrouw Dombey,” zeide Dombey, voorwaarts komende, “heeft zich zelve van avond vermoeienis genoeg bespaard om u van alle bekommering van dien aard te ontheffen. Het spijt mij te moeten zeggen, mevrouw Dombey, dat ik wel gewenscht had dat gij u bij deze gelegenheid wat meer hadt vermoeid.”

Zij zag hem even aan met een blik van trotsche minachting. Het scheen haar niet de moeite waard te zijn dien blik te verlengen, en zij wendde zonder te spreken hare oogen af.

“Het spijt mij, mevrouw,” zeide Dombey, “dat gij het niet uw plicht hebt geacht...”

Zij zag hem nogmaals aan.

“Uw plicht hebt geacht, mevrouw,” herhaalde Dombey, “om mijne vrienden met wat meer beleefdheid te ontvangen. Sommige van hen, die gij goed gevonden hebt dezen avond op eene zeer in het oog loopende manier te veronachtzamen, mevrouw Dombey, bewijzen u eene onderscheiding, moet ik u zeggen, door u een bezoek te brengen.”—“Weet gij wel dat er iemand hier is?” antwoordde zij, hem nu strak aanziende.—“Neen, Carker! Ik verzoek u dat gij blijft. Ik dring er op aan dat gij blijft,” zeide Dombey, toen zijn dienaar stil wilde heengaan. “Mijnheer Carker, gelijk gij weet mevrouw, bezit mijn vertrouwen. Hij is met de zaak waarover ik spreek evenzeer bekend als ik. Ik verzoek u, tot uwe informatie, te mogen zeggen, mevrouw Dombey, dat ik het er voor houd dat die rijke en aanzienlijke personen mij eene onderscheiding bewijzen.” Daarbij richtte Dombey zich stijf op, als had hij hen thans tot den hoogsten rang verheven.—“Ik moet verzoeken,” zeide Carker, voorwaarts komende, “ik moet bidden en smeeken. Hoe gering en onbeduidend dit verschil ook is...”

Mevrouw Skewton, die het gezicht harer dochter had bespied, viel er hier op in.

“Mijne allerliefste Edith en mijn dierbaarste Dombey, onze uitmuntende vriend, mijnheer Carker, want zoo mag ik hem waarlijk wel noemen...”—“Al te veel eer,” prevelde Carker.—“Heeft juist de woorden gebruikt die ik in mijne gedachten had, en die ik al, ik weet niet hoelang, had willen zeggen, als ik er maar gelegenheid toe had gehad. Gering en onbeduidend! Mijne allerliefste Edith en mijn dierbaarste Dombey, wisten wij niet dat alle verschil tusschen u beiden—neen, Flowers, nog niet.”

Flowers was de kamenier, die, toen zij heeren aanwezig zag, haastig weder heenging.

“Dat alle verschil tusschen u beiden,” hervatte mevrouw Skewton, “met de hartelijkheid die gij gemeenschappelijk bezit en den schoonen band van gevoel die tusschen u bestaat, altijd gering en onbeduidend moet wezen? Welke woorden zouden die waarheid beter kunnen uitdrukken? Er zijn er geen. Het verheugt mij daarom deze beuzelachtige gelegenheid te kunnen waarnemen—deze kinderachtige gelegenheid, die zoo vol natuurlijkheid is en uwe karakters zoo aardig doet uitkomen—zoo wel berekend om eene moeder de tranen in de oogen te brengen—om te zeggen dat ik er volstrekt niet het minste gewicht aan hecht, behalve als kleine blijken van die kleine eigenaardigheden die ik bedoel, en dat ik, geheel het tegendeel van de meeste schoonmama’s—dat leelijke woord, mijn beste Dombey—gelijk men mij gezegd heeft dat zij in deze, vrees ik, al te onnatuurlijke wereld bestaan, nooit zal beproeven om bij zulk eene gelegenheid tusschen u in te komen, en zelfs niet veel spijt kan hebben als die kleine god—hoe heet hij ook weer—ik meen niet Cupido, maar dien anderen—zulke kuurtjes met zijne toorts speelt.”

De blik, dien de goede moeder onder het spreken op hare kinderen gevestigd hield, had eene scherpheid, die misschien aanduidde dat er een bepaald en wel begrepen oogmerk onder deze verwarde gezegden school. Dit oogmerk was, zich bij voorraad doof te verklaren voor alle gerammel van hunne keten, dat aanstaande was; zich voor alle gevolgen daarvan te vrijwaren door de fictie van haar onschuldig geloof aan hunne wederzijdsche genegenheid en hunne volmaakte geschiktheid voor elkander.

“Ik heb mevrouw Dombey,” zeide Dombey op zijn deftigsten toon, “zoo vroeg in ons huwelijksleven iets in haar gedrag aangewezen, dat ik afkeur, en dus verzoek dat verbeterd mag worden. Carker,” met een knikje om hem weg te zenden, “ik wensch u goedennacht.”

Carker boog voor de trotsche gestalte der jonge vrouw, wier schitterend oog op haar echtgenoot was gevestigd; bleef in het heengaan even voor Cleopatra staan, en hief de hand, die zij hem gunstig toereikte, met nederige hulde naar zijne lippen op.

Indien zijne schoone vrouw, nu zij alleen waren, (want Cleopatra had zich met allen spoed verwijderd) hem verwijten had gedaan, of maar haar gezicht had vertrokken, of het stilzwijgen, dat zij bleef bewaren, met een enkel woord afgebroken, zou Dombey wel in staat zijn geweest om haar te beduiden dat hij gelijk had. Maar de diepe, onuitsprekelijke verachting, waarmede zij, na hem te hebben aangezien, hare oogen neersloeg, alsof hij haar te onverschillig en te weinig waardig was om een enkel woord met hem te wisselen—de smadelijke trotschheid waarmede zij daar voor hem zat—de koele, onbuigzame vastheid waarmede elke trek van haar gelaat scheen aan te duiden dat zij hem geheel ter zijde zette—daartegen wist hij geen raad; en hij ging heen, terwijl zij nog al hare fiere schoonheid aanwendde om hem eene verpletterende minachting te toonen.

Was hij laf genoeg om haar een uur later te bespieden op de oude trap, die hij Florence eens met Paul had zien opzwoegen? Of was hij daar toevallig in het donker, toen hij, omhoogziende, haar met licht uit de kamer zag komen waar Florence sliep, en dat gezicht, dat hij niet kon doen bewegen, zoo veranderd zag?

Maar het kon nooit zoo veranderen als zijn eigen deed. Het kende, zelfs op het toppunt van trots en hartstochtelijkheid, nooit de schaduw, welke, in dien donkeren hoek, op den avond zijner terugkomst en nog dikwijls naderhand, op het zijne was gevallen, en nu nog donkerder werd, terwijl hij naar boven keek.

XXXVII.

WAARSCHUWINGEN.

Florence, Edith en mevrouw Skewton waren des anderen daags bij elkander; en het rijtuig stond voor de deur te wachten, waarmede zij een toertje zouden doen. Want Cleopatra had nu weder hare galei, en Withers, niet bleek meer, stond, met een gewatteerd dicht toegeknoopt buisje en eene militaire broek, bij den maaltijd achter haar stoel zonder wielen en behoefde niet meer te duwen. Zijn haar blonk van pommade in die donzen dagen, en hij droeg cabretleeren handschoenen en rook naar eau de cologne.

Zij waren in Cleopatra’s kamer bijeen. Deze Slang van den ouden Nijl (het zij zonder oneerbiedigheid gezegd) rustte op hare sofa en slurpte hare ochtendchocolade (tegen drie uur in den namiddag) en Flowers de kamenier maakte hare jeugdige kraagjes en kantjes vast en kroonde haar met een hoedje van perzikkleurig fluweel, waarop de kunstrozen buitengemeen fraai wuifden, wanneer hare beverigheid, als een suizelend windje, er mede speelde.

“Ik geloof dat ik van morgen een beetje zenuwachtig ben, Flowers,” zeide mevrouw Skewton. “Mijne hand beeft.”—“Gij waart gisteren de ziel van de partij, mevrouw, dat weet ge,” antwoordde Flowers, “en gij moet er vandaag voor boeten, dat ziet ge.”

Edith, die Florence naar het venster had gewenkt en naar buiten keek, met haar rug naar het toilet harer hooggeachte moeder gekeerd, deinsde eensklaps van het raam terug, alsof het gebliksemd had.

“Mijn allerliefst kind,” zeide Cleopatra kwijnend, “gij zijt immers niet zenuwachtig? Zeg mij toch niet, lieve Edith, dat gij, die zoo benijdenswaardig bedaard zijt, ook al eene martelares begint te worden, evenals uwe moeder met haar ongelukkig gestel. Withers, is er iemand aan de deur?”—“Kaartje, mevrouw,” zeide Withers, het naar mevrouw Dombey brengende.—“Ik ga uit,” zeide zij, zonder er naar te zien.—“Maar liefje,” zeide mevrouw Skewton, “hoe wonderlijk zulk eene boodschap te geven zonder naar den naam te zien. Geef het hier, Withers! Heere, mijn liefje—en dat wel mijnheer Carker! Die alleraardigste man!”—“Ik ga uit,” herhaalde Edith, op zulk een gebiedenden toon, dat Withers, naar de deur gaande, den knecht, die daar stond te wachten, even gebiedend overbracht: “Mevrouw Dombey gaat uit. Pak je weg,” en hem de deur voor den neus dicht deed.

Maar kort daarop kwam de knecht terug en fluisterde met Withers, die daarop, niet zeer gewillig, nog eens naar mevrouw Dombey ging.

“Als het u belieft, mevrouw, mijnheer Carker laat wel zijn compliment doen, en verzoekt u een oogenblikje te mogen spreken, als gij eenigszins kunt—over zaken, als het u belieft.”—“Waarlijk, liefje,” zeide mevrouw Skewton op haar zachtsten toon, want het gezicht harer dochter stond dreigend, “als gij mij een woordje woudt laten spreken, zou ik aanraden...”—“Laat hem hier komen,” zeide Edith. Toen Withers verdwenen was, vervolgde zij, zich met een donker gelaat naar hare moeder omkeerende: “Daar hij op uwe recommandatie komt, laat hij dan ook in uwe kamer komen.”—“Mag ik—zal ik niet heengaan?” zeide Florence haastig.