Part 50
“Daar heb ik vandaag gezeten! Geef mij het geld terug!”—“Alice! Liefje!”—“Geef mij het geld terug, of het zal u berouwen.”
Zij wrong het zoo sprekende de oude vrouw uit de hand, schoot, zonder naar klagen of smeeken te luisteren, hare afgelegen kleederen weder aan en vloog de deur uit.
De moeder volgde haar strompelend zoo goed zij kon, en riep en smeekte, zonder meer indruk op haar te maken dan op den wind, den regen en de duisternis, die beiden omgaven. Met woeste hardnekkigheid bij haar voornemen blijvende en voor alle andere dingen onverschillig, ontzag de dochter noch het weder noch den afstand, en stapte, alsof zij nooit vermoeienis had gekend, den weg op naar het huis waar zij bijstand had gevonden. Na een kwartier lang zoo te hebben doorgestapt was de oude vrouw geheel buiten adem en waagde het zich aan den rok harer dochter vast te houden; maar meer waagde zij niet, en zoo gingen zij door den regen en de duisternis verder. Indien de moeder nu en dan een klaagwoord uitte, smoorde zij het toch, uit vrees dat hare dochter zich zou losrukken en haar achterlaten; en de dochter was stom.
Het was omtrent een uur voor middernacht, toen zij de geregelde straten achter zich lieten, en de nog donkerder duisternis intraden van den onzijdigen grond waarop het huis stond. De stad lag in de verte, onder een dof rooden gloed; de gure wind loeide over de opene ruimte; alles in het rond was zwart, woest en eenzaam.
“Dit is eene goede plaats voor mij!” zeide de dochter stilstaande om achterom te zien. “Dat dacht ik al toen ik vandaag hier was.”—“Alice, mijn liefje,” riep de moeder, haar zacht bij haar rok trekkende. “Alice!”—“Wat nu, moeder?”—“Geef het geld niet terug, lieveling; och, doe dat niet. Wij kunnen het niet missen. Wij hebben nog eten noodig, liefje. Geld is geld, wie het ook geeft. Zeg wat gij wilt, maar houd het geld.”—“Ziedaar,” was al wat de dochter antwoordde. “Dat is het huis dat ik meen. Is het dat?”
De oude vrouw knikte, en met nog eenige stappen waren zij voor de deur. Men zag het schijnsel van licht en vuur in de kamer, waar Alice hare kleeren had zitten drogen; en toen zij aanklopte, kwam John Carker uit die kamer naar voren.
Hij was verwonderd op zulk een uur zulk bezoek te zien en vroeg wat men wilde.
“Ik moet uwe zuster hebben,” zeide Alice, “die mij vandaag geld heeft gegeven.”
Op het geluid harer schelle stem kwam Harriët naar de deur.
“Zoo, zijt ge daar!” zeide Alice. “Kent ge mij nog?”—“Ja wel,” antwoordde Harriët verwonderd.
Het gezicht, dat zich zoo voor haar vernederd had, zag haar nu vol haat en uitdagende gramschap aan, en de hand, die zoo zacht haar arm had aangeraakt, was zoo boosaardig dichtgeklemd, dat Harriët dicht bij haar broeder schoof, alsof zij bescherming zocht.
“Dat ik met u spreken kon, en u niet kennen! Dat ik zoo dicht bij u kon komen, en niet gevoelen wat voor bloed er door uwe aderen liep, aan het tintelen van het mijne!” zeide Alice met een dreigend gebaar.—“Wat meent gij? Wat heb ik gedaan?”—“Gedaan?” was het antwoord. “Gij hebt mij voor uw vuur gezet; gij hebt mij eten en geld gegeven; gij hebt mij uw medelijden bewezen. Gij, op wier naam ik spuw!”
De oude vrouw schudde, met eene kwaadaardigheid, die hare leelijkheid waarlijk ontzettend maakte, hare dorre vuist tegen broeder en zuster, als om de woorden harer dochter te bevestigen, maar trok deze niettemin bij haar rok en bad haar om het geld te houden.
“Als ik een traan op uwe hand heb laten vallen, mag die ze doen verdorren! Als ik een zacht woord tegen u gesproken heb, mag het u doof doen worden! Als ik u met mijne lippen heb aangeraakt, mag die aanraking vergif voor u zijn! Vloek over dit dak, dat mij schuilplaats gaf! Ongeluk en schande over uw hoofd! Verderf over al wat u toebehoort!”
Met deze woorden wierp zij het geld op den grond en zette er verachtelijk haar voet op.
“Ik trap het in het slijk; ik zou het niet willen aannemen, al kon ik er den hemel mee koopen! Ik wilde dat de bloedende voet waarmee ik vandaag hier gekomen ben, was afgerot eer hij mij naar uw huis bracht!”
Harriët, bleek en bevende, hield haar broeder terug en liet haar ongehinderd voortgaan.
“Het was wat fraais dat ik door u, of iemand van uw naam, beklaagd en vergeven moest worden, in het eerste uur dat ik terugkwam! Het was wat fraais dat gij de goede weldadige dame bij mij moest spelen! Ik zal u danken als ik sterf! Ik zal voor u bidden en voor geheel uw geslacht, daar kunt gij zeker van zijn!”
Met eene woeste beweging van hare hand, alsof zij haat over den grond sprenkelde en daarmede hen, die daar stonden, aan het verderf wijdde, zag zij eene enkele maal naar de zwarte lucht op en stapte toen heen in den onstuimigen nacht.
De moeder, die haar dikwijls vruchteloos bij haar rok had getrokken, en het geld, dat op den grond lag met zulke begeerige oogen aangezien alsof zij aan niets anders kon denken, had wel willen blijven rondloeren, tot het huis donker was, en dan in den modder grabbelen om het weder op te zoeken. Maar hare dochter trok haar mede, en zij gingen recht door weder naar hare woning. De oude vrouw jammerde onder weg over haar verlies, en bromde, zoo openlijk als zij durfde, over het liefdelooze gedrag van hare mooie dochter, die haar op den eersten avond harer hereeniging van haar avondeten beroofde.
Zij ging dus naar bed zonder avondeten dan eenige grove broodkorsten, die zij, lang nadat hare liefdelooze dochter lag te slapen, bij het overschot van haar vuur zat te mommelen.
Waren die rampzalige moeder en die rampzalige dochter slechts tot den laagsten trap vernederde voorbeelden van zekere ondeugden, die somtijds ook hoogerop heerschen? Doet men in deze ronde wereld, die kringen binnen kringen bevat, slechts eene vermoeiende reis van den hoogsten trap tot den laagsten, om eindelijk te bevinden dat beide dicht bij elkander liggen, dat de twee uitersten elkander aanraken, en dat het einde van onzen tocht maar ons punt van uitgang is? Was, afgezien van het groote verschil van stof en fijnheid, het patroon van dit weefsel ook in den beschaafden stand terug te vinden?
Zeg, Edith Dombey! En Cleopatra, beste der moeders, laten wij uwe getuigenis hebben!
XXXV.
HET GELUKKIGE PAAR.
De donkere plek in de straat is verdwenen. Indien het huis van Dombey nog eene gaping tusschen de andere huizen maakt, is het alleen omdat zij er in pracht niet mede kunnen wedijveren en het hen trotsch van zich afstoot. Thuis is thuis, zegt men, al is het huis nog zoo nederig. Indien het omgekeerde waar blijft, en thuis ook thuis is, al is het nog zoo statig, welk een altaar voor de huisgoden is hier dan opgericht!
Lichten schitteren dezen avond voor de vensters, en de roode gloed van het vuur schijnt helder en warm op de behangsels en zachte tapijten, en het diner wacht om te worden opgezet, en de tafel is keurig gedekt, hoewel maar voor vier personen, en het buffet is zwaar met zilver beladen. Het is de eerste maal sedert de jongste verandering dat het huis betrokken zal worden, en ieder oogenblik verwacht men het gelukkige paar.
De belangstelling en verwachting welke deze thuiskomstavond bij de dienstboden opwekt, behoeven alleen voor die op den ochtend der huwelijksplechtigheid achter te staan. Jufvrouw Perch zit in de keuken thee te drinken. Zij is het geheele huis door geweest, heeft de zijden en damasten stoffen bij de el gewaardeerd, en alle uitdrukkingen van verwondering en opgetogenheid uitgeput, die het woordenboek bevat. De meesterknecht van den behanger, die zijn hoed, met een zakdoek daarin, (welke beide een vernisreuk hebben), onder een stoel in het voorhuis heeft gelaten, dwaalt nog door het huis rond, kijkt omhoog naar de kroonlijsten en omlaag naar de tapijten, en haalt nu en dan in stille verrukking een duimstok uit zijn zak, en neemt, met onuitsprekelijk gevoel, in de lucht schermend, de maat van de kostbaarste voorwerpen. De keukenmeid is bijzonder vroolijk en zegt, geef haar maar een dienst waar veel partijen plaats hebben (gelijk zij nu wel wil wedden dat gebeuren zal), want zij is altijd levendig van aard geweest, van een kind af, en het kan haar niet schelen wie het weet; welk gezegde door jufvrouw Perch met een gemurmel van goedkeuring en overeenstemming wordt aangehoord. Al wat de werkmeid hoopt is, dat zij gelukkig zullen zijn—maar het huwelijk is eene loterij, en hoe meer zij er over denkt, des te meer gevoelt zij hoe onafhankelijk en veilig het ongetrouwde leven is. Towlinson is knorrig en bits, en zegt dat hij ook van die meening is, en geef hem dan maar oorlog, en dood aan de Franschen—want deze jonkman verkeerde in den waan, dat ieder buitenlander een Franschman was en volgens de wetten der natuur moest wezen.
Bij ieder nieuw gerucht van wielen zwijgen allen—wat men ook op het oogenblik mag zeggen—en luisteren; en meer dan eens heeft er een algemeen opspringen plaats met den kreet: “Daar zijn zij!” Maar zij zijn er nog niet, en de keukenmeid begint over het diner te treuren, dat al tweemaal is uitgesteld, en de meesterknecht van den behanger dwaalt nog in de kamers rond, ongestoord in zijn zalig gemijmer.
Florence is gereed om haar vader en hare nieuwe mama te ontvangen. Of de ontroering, die haar hart zoo doet kloppen, uit blijdschap of droefheid ontstaat, weet zij bijna niet. Maar dat onstuimig kloppende hart doet haar eene verhoogde kleur op de wangen en glans in de oogen komen; en zij zeggen beneden, de hoofden bijeenstekende—want zij spreken altijd zacht als zij van haar spreken—hoe heerlijk jufvrouw Florence er van avond uitziet, en welk eene lieve jonge dame zij geworden is—arme wees! Er volgt eene poos van stilte; en de keukenmeid, die gevoelt dat men, als presidente, iets van haar verwacht, verwondert zich—en blijft daarbij steken. De werkmeid verwondert zich insgelijks, en zoomede jufvrouw Perch, die een gelukkig gezellig talent bezit om zich altijd te verwonderen als anderen dit doen, zonder te vragen waarover zij zich verwondert. Towlinson, die eene gelegenheid ziet om de dames even naargeestig te doen worden als hij zelf is, zegt: wacht maar en zie, hij wenschte dat sommige menschen er al goed doorheen waren. Dan geeft de keukenmeid het voorbeeld van een zucht en een geprevel van “Ja, het is eene vreemde wereld—dat is het wel!” en wanneer dit de tafel is rondgegaan, voegt zij er overredend bij: “Maar, jufvrouw Florence kan toch met geene verandering verliezen, Tom?” Towlinson’s antwoord, dat schrikkelijk vol beteekenis is, luidt: “Zoo, kan zij niet!” en begrijpende dat een gewoon mensch zich niet wel grooter profeet kan toonen, of dit nog overtreffen, zwijgt hij stil.
Mevrouw Skewton, voornemens om hare lieve dochter en haar waarden schoonzoon met opene armen te begroeten, is tot dat einde gedost in een zeer jeugdig costuum met korte mouwen. Thans echter bloeien hare rijpe bekoorlijkheden nog in de schaduw harer eigene kamer, waaruit zij niet te voorschijn is gekomen, sedert zij er eenige uren geleden bezit van heeft genomen, en waar zij zich nu wrevelig zit te maken over het uitstellen van het diner. De kamenier, die een geraamte behoorde te zijn, maar inderdaad eene mollige deern is, is integendeel uitmuntend in haar schik, daar zij haar vierendeeljaars inkomen thans voor veel zekerder houdt dan voorheen, en eene groote verbetering van tafel en bed te gemoet ziet.
Waar is het gelukkige paar, hetwelk zulk eene heerlijke woning verwacht? Verminderen wind en getij, stoom en paarden allen hun spoed, om zulk een geluk nog wat langer te kunnen aanzien? Vertraagt de zwerm van minnegoodjes en gratiën, die om hen heen zweven, hun tocht door hun aantal? Groeien er zoovele bloemen op hun gelukkig pad, dat zij nauwelijks voort kunnen, telkens verward in rozen zonder doornen?
Daar zijn zij eindelijk! Men hoort het geratel van wielen; dit wordt luider, en een rijtuig houdt voor de deur stil. Een donderend geklop van den hatelijken vreemdeling voorkomt nog den spoed van Towlinson en zijn gezelschap om de deur te openen; en Dombey en zijne jonge vrouw stappen af en gaan arm in arm binnen.
“Mijne allerliefste Edith!” roept eene aangedane stem op de trap. “Mijn allerwaardste Dombey!” en de korte mouwen strengelen zich beurtelings om het gelukkige paar.
Florence was ook naar het voorhuis gekomen, maar durfde niet naderen. Zij bewaarde haar schroomvalligen welkomstgroet, tot de verrukking van haar, die nader en dierbaarder was, zou bedaren. Edith’s oogen zochten haar evenwel reeds op den drempel; en hare teedere moeder met een vluchtigen kus op de wangen afschepende, haastte zij zich naar Florence en omhelsde haar.
“Hoe maakt gij het, Florence?” zeide haar vader, zijne hand uitstekende.
Toen Florence deze bevend aan hare lippen bracht, ontmoette zij zijn blik. Die blik was koud genoeg; maar het bracht toch geheel haar hart in beweging dat zij daarin wat meer belangstelling ontdekte, dan hij haar ooit voorheen had getoond. Hij drukte zelfs eene flauwe verrassing, en dat wel geene onaangename verrassing, uit, door haar gezicht veroorzaakt. Zij durfde hare oogen niet meer opslaan; maar zij gevoelde dat hij haar nog eens, en niet minder gunstig, aanzag. O, welk eene blijdschap doortintelde haar, bij deze hersenschimmige bevestiging harer hoop, dat zij door hare nieuwe schoone mama zijne liefde zou leeren winnen!
“Gij zult u niet lang ophouden met verkleeden, mevrouw Dombey?” zeide hij.—“Ik zal terstond gereed zijn.”—“Laten zij dan over een kwartier het diner opbrengen.”
Daarmede stapte Dombey naar zijne eigene kleedkamer en mevrouw ging naar boven naar de hare. Mevrouw Skewton en Florence begaven zich naar het salon, waar die uitmuntende moeder zich verplicht achtte eenige onbedwingbare tranen te storten, die men begrijpen moest dat het geluk harer dochter haar afperste, en die zij nog bezig was af te drogen, zeer voorzichtig, met een puntje van haar geborduurden zakdoek, toen haar schoonzoon binnentrad.
“En hoe heeft mijn waarde Dombey die verrukkelijkste van alle steden, dat heerlijke Parijs gevonden?” vroeg zij, hare aandoening bedwingende.—“Het was er koud,” antwoordde Dombey.—“En zoo vroolijk als altijd, natuurlijk,” zeide mevrouw Skewton.—“Niet bijzonder. Ik vond het er vervelend,” antwoordde Dombey.—“Wel foei, mijn beste Dombey,” riep zij schalkachtig uit. “Vervelend!”—“Dat was de indruk, dien het op mij maakte, mevrouw,” zeide Dombey, met beleefden ernst. “Ik geloof dat mevrouw Dombey het er ook vervelend vond. Zij heeft eens of tweemaal aangemerkt dat zij zoo dacht.”—“O gij ondeugend kind,” riep mevrouw Skewton hare beminde dochter, die nu binnentrad, schertsend te gemoet, “welke schrikkelijke ketterijen hebt gij van Parijs verteld?”
Edith trok met een voorkomen van verveling en afmatting hare wenkbrauwen op, en de dubbele deur doorgaande, die opengezet was om de fraaie suite met het nieuwe kostbare ameublement te laten zien, waarnaar zij in het voorbijgaan slechts even omkeek, zette zij zich bij Florence neer.
“Mijn waarde Dombey,” zeide mevrouw Skewton, “hoe allerliefst hebben die menschen ieder denkbeeld verwezenlijkt, waarvan wij maar een wenk hadden gegeven. Zij hebben uw huis waarlijk tot een paleis gemaakt.”—“Het is mooi,” zeide Dombey, in het rond ziende. “Ik had last gegeven om geene kosten te ontzien, en al wat geld kon doen, is ook gedaan, geloof ik.”—“En wat kan het niet doen, mijn waarde Dombey?” merkte Cleopatra aan.—“Het is machtig, mevrouw,” zeide Dombey.
Hij keek op zijne plechtige manier naar zijne vrouw, maar zij sprak geen woord.
“Ik hoop, mevrouw Dombey,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, met bijzondere duidelijkheid, “dat deze veranderingen uwe goedkeuring wegdragen?”—“Het is alles zoo fraai als het wezen kan,” antwoordde zij met trotsche onverschilligheid. “Zoo moest het natuurlijk zijn; en het zal ook wel zoo wezen, denk ik.”
Eene uitdrukking van hoonende minachting was op haar trotsch gelaat iets gewoons, en scheen daarvan onafscheidbaar te wezen; maar de verachting waarmede zij elke aanspraak op bewondering, eerbied of achting op grond van zijn rijkdom beantwoordde, was iets geheel anders, iets nieuws, waarbij elke andere uitdrukking, waarvoor haar gelaat vatbaar was, in kracht wegzonk. Hetzij Dombey, in zijne eigene grootheid geharnast, dit ontwaarde of niet, het had reeds aan geene gelegenheden ontbroken om hem in dit opzicht de oogen te openen, en op dit oogenblik had dit kunnen geschieden door den enkelen blik van het donkere oog, dat op hem bleef rusten, na met eene haastige minachting te zijn heengegleden over datgene waarop hij zich verhoovaardigde. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat niets wat zijn geld kon doen, al ware hij tien duizendmaal rijker, hem één zachten blik had kunnen verwerven van de stugge vrouw, die aan hem was geboeid, maar wier geheele ziel tegen hem in opstand was. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat zij dit geld, juist om den verlagenden invloed, dien het op haar had uitgeoefend, haatte en verachtte, terwijl zij, al wat het maar verschaffen kon, opeischte, als een recht dat zij gekocht had—als het gemeene en geringe loon, waarvoor zij zijne vrouw was geworden. Hij had daarin kunnen lezen, dat, daar haar eigen hoofd steeds voor den bliksem harer eigene trotsche verachting ontbloot was, de onschuldigste toespeling op de macht van zijn geld haar opnieuw vernederde, haar in hare eigene schatting nog dieper deed zinken, en de ledigheid en barheid in haar binnenste nog volkomener deed worden.
Maar het diner was gereed, en Dombey leidde Cleopatra naar beneden. Edith en zijne dochter volgden. De uitstalling van goud en zilver op het buffet voorbijstrijkende alsof het hoopen slijk waren, en zonder al het fraaie om haar heen met een enkelen blik te verwaardigen, nam zij voor de eerste maal hare plaats aan zijne tafel, en zat daar gelijk een steenen beeld.
Dombey, die zelf tamelijk steenenbeeldachtig was, mishaagde het niet zijne schoone vrouw zoo stijf, trotsch en koud te zien. Daar zij toch altijd elegant was, was dit haar algemeen gedrag hem veeleer aangenaam. Hij bewaarde dus zijne gewone deftigheid, en vervulde, zonder zijne vrouw door eenige van hem afstralende warmte of vroolijkheid te berispen, met koele zelfvoldoening zijn aandeel aan de honneurs; en dit eerste diner, hoewel beneden voor geen zeer veelbelovend begin gehouden, liep boven beleefd en complimenteus genoeg af.
Mevrouw Skewton, die zich geheel afgemat veinsde door de blijde aandoeningen, welke uit hare bespiegeling van het geluk harer lieve dochter, die met den man van haar hart vereenigd was, ontsproten, maar die waarschijnlijk dezen familiekring wat vervelend begon te vinden, nadat zij een uur achter haar waaier had zitten geeuwen, ging kort na de thee naar bed. Edith ging insgelijks stilzwijgend heen en kwam niet terug. Zoo gebeurde het dat Florence, die naar boven was geweest om met Diogenes te praten, toen zij met haar werkmandje naar het salon terugkwam, daar niemand vond dan haar vader, die in eenzame grootheid heen en weder wandelde.
“O, neem mij niet kwalijk. Zal ik weer heengaan, papa?” zeide Florence flauw en bleef aarzelend bij de deur staan.—“Neen,” antwoordde Dombey, over zijn schouder omziende, “gij kunt hier komen en gaan zooals het u belieft, Florence; dit is mijne particuliere kamer niet.”
Florence kwam binnen, en zette zich met haar werk aan een tafeltje in den versten hoek; en zoo bevond zij zich voor de eerste maal van haar leven—voor de eerste maal zoolang haar heugde—met haar vader alleen in gezelschap. Zij, zijne natuurlijke gezellin, zijn eenig kind; zij, die in haar eenzaam leven had geleerd wat hartzeer was; die, in hare versmade liefde, des avonds nooit zijn naam tot God had gefluisterd, dan met tranen en zegeningen, die hem zwaarder drukten dan een vloek; die gebeden had om jong te sterven, als zij maar in zijne armen sterven mocht; die altijd de marteling zijner koele verwaarloozing en afkeerigheid met geduldige liefde had vergolden, hem had verontschuldigd en voor hem gepleit, als zijn goede engel!
Zij beefde, en hare oogen waren beneveld. Zijne gedaante scheen, terwijl hij door het vertrek op en neer stapte, hooger en breeder te worden. Nu was zij schemerachtig en onduidelijk, dan weder helder en scherp begrensd; en nu scheen zij te denken dat dit juist eveneens, een aantal jaren geleden, gebeurd was. Zij smachtte naar hem en huiverde toch als hij haar naderde. Onnatuurlijke aandoening bij een kind, dat zich van geen kwaad bewust was! Onnatuurlijk de hand, die den scherpen ploeg had bestuurd, welke haar zacht gemoed had omgewoeld om zulk een zaad te zaaien!
Daar zij hem niet wilde bedroeven of door hare droefheid verstoren, bedwong Florence zich en bleef stil zitten werken. Nadat hij nog eenige malen de kamer op en neer had gestapt, staakte hij dit wandelen, begaf zich naar een duisteren hoek, op eenigen afstand, waar een leuningstoel stond, hing zich een zakdoek over zijn hoofd en zette zich om te slapen.
Het was genoeg voor Florence dat zij daar mocht zitten en hem gadeslaan, nu en dan hare oogen naar zijn stoel richten, hem met gedachten bespieden, terwijl haar gezichtje over haar werk gebogen was, en zich weemoedig verheugen in de gedachte dat hij kon slapen terwijl zij daar zat, en door hare vreemde, lang verbodene tegenwoordigheid niet onrustig werd gemaakt.
Welke gedachten zou zij niet gehad hebben, als zij geweten had dat hij strak naar haar zag; dat de doek over zijn gezicht, hetzij bij toeval of met opzet, zoodanig was gehangen dat zijne oogen genoegzaam vrij bleven, en dat die geene seconde van haar gezichtje werden afgewend. Dat, wanneer zij naar hem opkeek, hare sprekende oogen, krachtiger en aandoenlijker in hunne stemmelooze taal dan alle redenaren der wereld, de zijne ontmoetten, zonder dat zij dit wist. Dat hij, als zij haar hoofdje weder over haar werk boog, ruimer ademhaalde, maar even oplettend naar haar bleef turen—naar haar blank voorhoofd, en hare hangende lokken, en hare bezige handjes; dat hij, eens daardoor aangetrokken, het vermogen niet scheen te hebben om zijne oogen af te wenden!
En wat waren zijne gedachten ondertusschen? Met welke aandoeningen staarde hij zoo tersluiks zijne onbekende dochter aan? Was er iets verwijtends voor hem in die stille gedaante en die zachte oogen? Begon hij eenigszins te gevoelen dat zij aanspraken op hem had, die hij in den wind had geslagen, en dat hij haar daardoor een wreedaardig onrecht had aangedaan?