Part 42
“Als mijn broeder Paul mij geraadpleegd had, gelijk hij somtijds doet—of liever, somtijds placht te doen; want natuurlijk zal hij dat nu niet meer doen, en dit is eene omstandigheid die ik als eene ontheffing van eene verantwoordelijkheid aanmerk,” zeide mevrouw Chick, op eene manier alsof zij zenuwachtig werd, “want ik ben Goddank niet jaloersch,” hier liet zij wederom tranen vallen, “als mijn broeder Paul bij mij gekomen was en gezegd had: “Louise, naar welke soort van eigenschappen zoudt ge mij raden bij eene vrouw te zien?” zou ik zeker geantwoord hebben: “Paul, gij moet afkomst hebben, gij moet schoonheid hebben, gij moet deftigheid hebben, gij moet connectiën hebben.” Dat zijn de woorden die ik zou gebruikt hebben. Gij hadt mij terstond daarop naar het blok mogen brengen,” zeide mevrouw Chick, alsof dat gevolg hoogst waarschijnlijk was, “maar ik zou ze gebruikt hebben. Ik zou gezegd hebben: “Paul, gij voor de tweede maal zonder afkomst te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder schoonheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder deftigheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder connectiën te trouwen! Er is niemand in de wereld, of hij moest gek wezen, die er van zou kunnen droomen om zulke ongerijmde denkbeelden te durven koesteren.””
Jufvrouw Tox hield op met knippen en bleef, met haar hoofd tusschen de bloemen, aandachtig luisteren. Misschien dacht zij dat deze inleiding en de warmte van mevrouw Chick haar eenige hoop gaven.
“Zoo zou ik geredeneerd hebben,” vervolgde die schrandere dame, “omdat ik vertrouw dat ik geene zottin ben. Ik wil niet voor iemand van buitengewoon verstand te boek staan—schoon ik geloof dat sommige menschen zonderling genoeg zijn geweest om mij daarvoor te houden; iemand die zoo weinig ontzien wordt als ik, zou zeer spoedig uit zulk een droom worden geholpen; maar ik vertrouw toch dat ik niet geheel en al eene zottin ben. En mij dan te zeggen,” zeide mevrouw Chick met onbeschrijfelijke minachting, “dat mijn broeder Paul Dombey ooit aan de mogelijkheid kon denken om zich met iemand te vereenigen—ik vraag met wie—” dit korte gezegde sprak zij met meer scherpheid uit dan eenig ander gedeelte van hare rede—“die deze vereischten niet bezat, zou eene beleediging zijn voor zooveel verstand als ik dan heb, evengoed alsof men mij zeide dat ik een olifant geboren was, dat mij dan ook nog wel kan gezegd worden,” zeide mevrouw Chick met berusting. “Het zou mij geheel niet verwonderen. Ik verwacht het zelfs wel.”
In het oogenblik van stilte, dat hierop volgde, gaf de schaar van jufvrouw Tox een paar flauwe knipjes; maar haar gezicht bleef nog onzichtbaar en hare ochtendjapon was ontroerd. Mevrouw Chick keek eens naar haar, door het groen heen, en vervolgde toen, op een toon van kalme overtuiging, en alsof zij uitweidde over iets dat bijna niet gezegd behoefde te worden:
“Dus heeft ook, gelijk van zelf spreekt, mijn broeder Paul gedaan wat van hem te wachten was; en wat iedereen kon voorzien dat hij doen zou, als hij weder in het huwelijk trad. Ik moet bekennen dat het mij eenigszins verrast, hoewel het mij streelt; omdat ik, toen Paul uit de stad ging, geheel geen denkbeeld had dat hij buiten de stad een attachement zou vormen, en zekerlijk had hij bij zijn vertrek nog geen attachement. Evenwel, het schijnt in alle opzichten zeer wenschelijk te zijn. Ik twijfel niet of de moeder is eene zeer fatsoenlijke en elegante dame, en ik heb volstrekt geen recht om te betwijfelen, of het raadzaam is dat zij bij hem komt inwonen; dat is iets dat Paul aangaat, mij niet—; en wat Paul’s keus zelve betreft, ik heb nog maar haar portret gezien, maar dat is waarlijk schoon. Haar naam klinkt ook mooi,” zeide mevrouw Chick, met kracht haar hoofd schuddende en zich op haar stoel te recht zettende; “Edith komt mij voor, is te gelijk ongemeen en gedistingueerd. Bij gevolg, Lucretia, twijfel ik er niet aan of het zal u genoegen doen te hooren dat het huwelijk binnen heel kort zal plaats hebben—natuurlijk moet u dat genoegen doen,” wederom grooten nadruk, “en verheugt gij u over deze verandering in den staat van mijn broeder, die u bij verschillende gelegenheden zooveel oplettendheid heeft bewezen.”
Jufvrouw Tox gaf geen antwoord met woorden, maar nam met eene bevende hand het gietertje op en keek wezenloos rond, alsof zij zich bedacht voor welk meubelstuk het goed zou zijn als het met den inhoud werd begoten. Daar bij deze crisis harer aandoening juist de kamerdeur openging, lachte zij schaterend en viel daarop den binnentredende in de armen, gelukkig onbewust van mevrouw Chick’s verontwaardigde blikken en van den majoor aan den overkant, die door zijn dubbelen tooneelkijker stond te turen, en wiens geheele gestalte opzwol van Mephistopheliaansche blijdschap.
Niet zoo verheugd was de inboorling, de verbaasde opvanger der bezwijmde jufvrouw Tox, die juist naar boven kwam om, volgens den boosaardigen last des majoors, uit beleefdheid naar de gezondheid van jufvrouw Tox te vernemen, en toevallig het rechte tijdstip trof om de teedere vracht in zijne armen te pakken en den inhoud van het gietertje in zijn eenen schoen te krijgen; welke beide omstandigheden, vereenigd met de bewustheid dat hij onder de oogen van zijn oploopenden meester was, die hem volgens gewoonte met de vernieling van al zijn gebeente had gedreigd als zijne boodschap niet goed afliep, hem tot een aandoenlijk toonbeeld van schrik en angst maakten.
Eenige oogenblikken bleef de benauwde vreemdeling jufvrouw Tox aan zijne borst drukken, met een vuur dat in zonderling contrast met zijn onthutst gezicht stond, terwijl die arme jufvrouw de laatste droppels van haar gieter in zijn schoen goot. Eindelijk herkreeg mevrouw Chick tegenwoordigheid van geest genoeg om tusschen beiden te komen, en beval hem om jufvrouw Tox op de sofa te laten zakken en heen te gaan. Hij gehoorzaamde terstond, en daarop begon zij jufvrouw Tox weder bij te helpen.
Maar niets van die teedere meewarigheid welke de dochters van Eva kenmerkt als zij elkander in zulke omstandigheden bijstaan, niets van die flauwten-vrijmetselarij waardoor zij gewoonlijk in een geheimzinnig verbond van zusterschap zijn vereenigd, was in de handelwijs van mevrouw Chick zichtbaar. Veeleer gelijk de scherprechter, die zijn slachtoffer weder tot bewustheid brengt eer hij de pijniging voortzet (of dat placht te doen in den goeden ouden tijd, waarover alle brave lieden bestendig in den rouw zijn), wendde mevrouw Chick het reukfleschje, het handenkloppen, het koud water spatten en andere beproefde middelen aan. En toen jufvrouw Tox eindelijk hare oogen opende en langzamerhand hare bewustheid herkreeg, deinsde mevrouw Chick terug als voor eene misdadige, en het voorbeeld van den vermoorden koning van Denemarken omkeerende, zag zij haar meer gramstorig dan droevig aan.
“Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “ik wil niet pogen te ontveinzen wat ik gevoel. Mijne oogen gaan eensklaps open. Ik zou het niet geloofd hebben, al had een Heilige het mij gezegd.”—“Het is dwaas van mij dat ik zoo flauw val,” stamelde jufvrouw Tox. “Maar ik zal zoo meteen wel beter zijn.”—“Zoo meteen wel beter zijn, Lucretia!” herhaalde mevrouw Chick met diepe verachting. “Denkt gij dat ik blind ben? Verbeeldt gij u dat ik in mijne tweede kindsheid ben gekomen? Neen, Lucretia. Ik ben u wel zeer verplicht.”
Jufvrouw Tox wierp hare vriendin een jammerlijk smeekenden blik toe, en hield haar zakdoek voor haar gezicht.
“Als iemand mij dit gisteren gezegd had,” zeide mevrouw Chick met majesteit, “of zelfs maar een half uur geleden, zou ik in verzoeking zijn gekomen, geloof ik haast, om hem ter aarde te vellen. Lucretia Tox, mijne oogen zijn op eens voor u opengegaan. De blindheid van mijn vertrouwen is voorbij, Lucretia. Dat vertrouwen is misbruikt, er is mede gespeeld en er baten geene uitvluchten meer, dat kan ik u verzekeren.”—“Waarop doelt gij toch met die wreede woorden, lieve vriendin?” vroeg jufvrouw Tox door hare tranen.—“Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, “vraag dat uw eigen hart. Ik moet u verzoeken om mij niet meer met zulk eene gemeenzame uitdrukking aan te spreken, als gij daar gebruikt hebt, als het u belieft. Ik heb nog eenig gevoel van eigenwaarde, al moogt gij anders denken.”—“O, Louise!” riep jufvrouw Tox uit. “Hoe kunt ge zoo tegen mij spreken?”—“Hoe ik zóó tegen u spreken kan?” liet mevrouw Chick hierop volgen, die, bij gebrek aan goede redenen om te doen gelden, zich vooral op zulke herhalingen verliet om eenen verpletterenden indruk te maken. “Zóó. Gij moogt waarlijk wel zóó zeggen.”
Jufvrouw Tox snikte jammerlijk.
“De gedachte,” zeide mevrouw Chick, “dat gij u aan mijns broeders haard hebt gekoesterd, en u door mij bijna in zijn vertrouwen hebt gewrongen, Lucretia, om in het geheim zekere plannen op hem te smeden, en dat gij aan de mogelijkheid hebt durven denken dat hij zich ooit met u zou vereenigen! Wel, het is eene gedachte,” zeide mevrouw Chick met sarcastische deftigheid, “waarvan de ongerijmdheid bijna het verraderlijke wegneemt.”—“Och, Louise,” smeekte jufvrouw Tox. “Zeg toch zulke ijselijke dingen niet.”—“IJselijke dingen!” herhaalde mevrouw Chick. “IJselijke dingen! Is het dan de waarheid niet, Lucretia, dat gij daar zoo even niet in staat zijt geweest om uwe aandoeningen te beheerschen zelfs voor mij, wier oogen gij zoo geheel hadt verblind?”—“Ik heb niet geklaagd,” snikte jufvrouw Tox. “Ik heb niets gezegd. Als uwe tijding mij eenigszins overweldigde, Louise, en ik ooit eenigszins dacht dat mijnheer Dombey wel genegen was om een oog op mij te laten vallen, zult gij mij zeker niet veroordeelen.”—“Zij zal zeggen,” zeide mevrouw Chick, zich met een blik vol berusting op al de meubelen beroepende. “Zij zal nog zeggen—dat weet ik—dat ik haar heb aangemoedigd.”—“Ik wil geene verwijten uitwisselen, lieve Louise,” snikte jufvrouw Tox. “En ik wil ook niet klagen. Maar tot mijne eigene verdediging...”—“Ja, zij zal het zeggen,” zeide mevrouw Chick, met een profetischen blik in de kamer rondziende. “Ik wist het wel. Zeg het mij dan maar liever. Zeg het openlijk. Wees rondborstig, Lucretia Tox, wat gij ook wezen moogt.”—“Tot mijne eigene verdediging, lieve Louise,” stamelde jufvrouw Tox, “en alleen tot mijne eigene verdediging tegen uwe harde woorden, wilde ik u alleen vragen of gij niet dikwijls zulk eene inbeelding hebt begunstigd, en zelfs gezegd dat het wel gebeuren kon, zooveel iemand kon zeggen?”—“Er is een punt,” zeide mevrouw Chick, opstaande, niet alsof zij op den vloer zou blijven staan, maar alsof zij zoo dadelijk zou omhoogrijzen en de lucht inzweven, “waarboven de verdraagzaamheid belachelijk, zoo niet berispelijk wordt. Ik kan veel verdragen, maar niet al te veel. Wat mij scheelde toen ik vandaag hier in huis kwam, of het tooverij was, weet ik niet; maar ik had een voorgevoel—een donker voorgevoel,” zeide mevrouw Chick huiverend, “dat er iets zou gebeuren. Wel mag ik dat voorgevoel gehad hebben, Lucretia, nu mijn vertrouwen van vele jaren in een oogenblik verwoest wordt, nu mijne oogen op eens opengaan, en ik u in uwe ware kleuren voor mij zie. Lucretia, ik heb mij in u bedrogen. Het is beter voor ons beiden dat de zaak hierbij blijft. Ik wensch u het beste, en zal u altijd het beste wenschen. Maar als iemand die zich zelve in hare eigene positie getrouw wil zijn, wat die positie ook mag wezen of niet mag wezen—en als de zuster van mijn broeder—als de schoonzuster van mijn broeders vrouw—en als in aangehuwde connectie met de moeder van mijn broeders vrouw—en misschien mag ik er bijvoegen als eene Dombey—kan ik niets anders doen dan u goedenmorgen wenschen.”
Deze woorden, met bijtende zachtheid uitgesproken en door een verheven gevoel van zedelijke eigenwaarde ingegeven, brachten de spreekster tot aan de deur. Daar boog zij op eene spookachtige, standbeeldachtige manier haar hoofd, en toen begaf zij zich naar haar rijtuig, om in de armen van Chick, haar heer, heul en troost te zoeken.
Dat is te zeggen, figuurlijk gesproken, want Chick had zijne armen al vol met zijne courant. Ook richtte hij zijne oogen niet naar zijne vrouw dan alleen tersluiks; en hij bood haar ook hoegenaamd geen troost aan. Kortom hij bleef zitten lezen en brokken van wijsjes neuriën, en somtijds zijdelings naar haar kijken, zonder een enkel woord te spreken, goed, kwaad of onverschillig.
Intusschen zat mevrouw Chick haar hoofd te draaien en in den nek te zetten en zich op te blazen, alsof zij nog dat plechtig afscheidsformulier aan Lucretia Tox herhaalde. Eindelijk zeide zij overluid: “O, hoe zijn mij vandaag de oogen opengegaan!”
“Waarvoor zijn u de oogen opengegaan, vrouwlief?” zeide Chick.—“Och, spreek maar niet tegen mij,” antwoordde zijne echtgenoote. “Als ge mij zóó kunt zien, zonder eens te vragen wat mij scheelt, moest ge liever maar geheel zwijgen.”—“Wat scheelt er dan aan, lieve?” vroeg Chick.—“Te denken,” zeide mevrouw Chick, bij wijze van alleenspraak, “dat zij ooit het lage denkbeeld zou hebben opgevat om zich met onze familie te verbinden door een huwelijk met Paul! Te denken dat toen zij paardje speelde met het lieve kind dat nu in zijn graf ligt—het beviel mij toen ook al nooit—er zulke slinksche oogmerken achter scholen! Het verbaast mij dat zij nooit bang werd dat haar iets overkomen zou. Zij is wel gelukkig als dat niet gebeurt.”—“Ik dacht waarlijk, lieve,” zeide Chick, nadat hij een poosje zijn neus met zijne courant had gewreven, “dat gij aldoor hetzelfde op het oog hadt, tot van morgen toe; en het wel aardig zoudt gevonden hebben, als het er toe had kunnen komen.”
Mevrouw Chick barstte dadelijk in tranen uit, en zeide haar echtgenoot, dat hij, als hij met zijne laarzen op haar wilde trappen, het liever maar doen moest.
“Maar met Lucretia heb ik afgedaan,” zeide mevrouw Chick, nadat zij zich, tot groote ontsteltenis van mijnheer Chick, eenige minuten lang aan hare aandoeningen had overgegeven. “Ik kan het wel dragen dat ik Paul’s vertrouwen moet afstaan ter gunste van iemand, van wie ik hoop en vertrouw dat zij het verdienen zal, en die hij alle recht heeft om voor de arme Fanny in de plaats te stellen; ik kan het verdragen dat Paul mij op zijne koele manier van zulk eene verandering in zijne plannen onderricht, en dat ik niet geraadpleegd word eer alles besloten en bepaald is; maar bedrog kan ik niet verdragen, en met Lucretia Tox heb ik afgedaan. Het is beter zoo,” zeide zij, met eene vrome berusting, “veel beter. Het zou lang geduurd hebben eer ik na dit alles weder op mijn gemak met haar was geweest, en ik weet waarlijk niet, daar Paul als een groot heer zal gaan leven en zij van afkomst zijn, of zij eigenlijk wel presentabel zou zijn en ik mij zelve niet zou gecompromitteerd hebben. Er is eene voorzienigheid in alle dingen; ik ben vandaag zwaar beproefd, maar over het geheel spijt het mij niet.”
In dezen Christelijken geest droogde mevrouw Chick hare oogen af, streek hare japon glad en bleef zitten kijken gelijk iemand past die onder eene zware verongelijking kalm blijft. Haar echtgenoot, zonder twijfel zijne onwaardigheid gevoelende, nam spoedig eene gelegenheid waar om zich aan den hoek eener straat te laten afzetten, en kuierde fluitend heen, met hoog opgetrokken schouders en de handen in de zakken.
De arme veroordeelde jufvrouw Tox, die, als zij eene pluimstrijkster en fleemster was, dit ten minste met alle oprechtheid was, die hare aanklaagster altijd eene hartelijke vriendschap had toegedragen, en de grootheid van Dombey met diep gevoelden eerbied had gehuldigd—de arme veroordeelde en verworpene jufvrouw Tox begoot ondertusschen hare bloemen met hare tranen en gevoelde dat het in Princess’s Place winter was geworden.
XXX.
DE BRUIDSDAGEN.
Hoewel het betooverde huis niet meer bestond, de werkende wereld daar was ingebroken en den geheelen dag hamerde en bonsde en trappen op en neer liep, waardoor Diogenes van den ochtend tot den avond woedend aan het blaffen werd gehouden—hij was blijkbaar overtuigd dat zijn oude vijand hem eindelijk te knap was geweest en het huis had overrompeld—had er in het eerst geene groote verandering in de levenswijs van Florence plaats. Des avonds, als de werklieden heengingen, werd het huis weder akelig en eenzaam; en wanneer Florence bij dat heengaan hunne stemmen in het voorhuis en op de trap hoorde klinken, verbeeldde zij zich de vroolijke huishoudens waarheen zij terugkeerden, en de kinderen die naar hen wachtten, en streelde zij zich met de gedachte dat zij blijde waren dat het tijd was om te gaan.
Zij begroette de stilte van den avond als eene oude vriendin; maar deze kwam nu met een veranderd gelaat en zag haar vriendelijker aan. Zij bracht nieuwe hoop mede. De schoone dame, die haar getroost en geliefkoosd had, in dezelfde kamer waar haar hart eens zoo diep was gewond, was een engel van belofte voor haar. Vriendelijker voorboden van een schooner leven, wanneer zij langzamerhand haar vaders liefde zou winnen, en geheel of grootendeels terugkrijgen wat zij verloren had op dien donkeren dag, toen de liefde eener moeder met den laatsten adem eener moeder op hare wang was uitgezucht, zweefden in de schemering om haar heen en waren een opbeurend gezelschap. Naar de blozende kinderen aan den overkant uitkijkende, was het een nieuw en streelend gevoel voor haar, te denken dat zij elkander misschien spoedig zouden spreken en kennen, dat zij niet meer bang zou zijn, gelijk vanouds, om zich aan hen te vertoonen, opdat het hun niet zou bedroeven als zij haar daar in hare zwarte kleeding alleen zagen zitten.
Met die gedachten aan hare nieuwe moeder, en met de liefde en het vertrouwen die in haar rein gemoed voor deze opwelden, kreeg Florence hare doode moeder hoe langer hoe meer lief. Zij was niet bang om haar eene mededingster in haar hart te geven. De nieuwe bloem sproot uit den diep geplanten en lang gekoesterden wortel, dien zij wel kende. Ieder vriendelijk woord, dat de lippen der schoone dame was ontvloten, klonk Florence als een nagalm der stem die zoolang had gezwegen. Hoe kon de teederheid eener levende haar de nagedachtenis van alle ouderlijke teederheid die zij ooit gekend had minder doen liefhebben!
Florence zat eens op hare kamer te lezen en dacht aan de dame en haar binnen kort beloofd bezoek—want de inhoud van haar boek was geschikt om haar daaraan te herinneren—toen zij hare oogen opsloeg en haar in de deur zag staan.
“Mama!” riep Florence, verheugd opstaande. “Nu teruggekomen!”—“Nog geen mama,” antwoordde de dame met een ernstigen glimlach, en sloeg haar arm om Florence’s hals.—“Maar toch heel gauw!” riep Florence uit.—“Nu heel gauw, Florence, heel gauw.”
Edith boog haar hoofd, zoodat zij Florence’s blozende wang tegen de hare drukte, en zweeg zoo een poosje. Hare manier van doen had iets zoo teeders, dat Florence dit nog dieper gevoelde dan bij hare eerste ontmoeting.
Zij bracht Florence naar een stoel en zette zich naast haar. Florence zag haar aan, waarlijk verwonderd over hare schoonheid, en liet gewillig hare hand vasthouden.
“Zijt ge veel alleen geweest, Florence, sedert ik laatst hier was?”—“O ja,” antwoordde Florence haastig en met een glimlach.
Zij sloeg hare oogen neer, want hare nieuwe mama zag zeer ernstig en hield haar blik strak en nadenkend op haar gelaat gevestigd.
“Ik—ik ben gewoon om alleen te zijn,” zeide Florence eenigszins haperend. “Ik geef er geheel niet om. Di en ik slijten somtijds geheele dagen met elkander.” Zij had wel mogen zeggen geheele weken en maanden.—“Is Di uwe kamenier, liefje?”—“Mijn hond, mama,” antwoordde Florence lachende. “Suze is mijne kamenier.”—“En dit zijn uwe kamers,” zeide Edith, rondziende. “Men heeft mij laatst deze kamers niet laten zien. Wij moeten ze laten verbeteren, Florence. Zij zullen tot de mooiste in het huis gemaakt worden.”—“Als ik ze mocht ruilen, mama,” antwoordde Florence, “is er eene, boven in huis, die ik veel liever zou hebben.”—“Is deze niet hoog genoeg, meisje lief?” vroeg Edith met een glimlach.—“Die andere was mijn broertjes kamer,” zeide Florence, “en daar ben ik zoo gaarne. Ik had er papa van willen spreken toen ik thuis kwam, en de werklieden hier vond, en zag dat alles veranderd werd; maar—” Florence sloeg hare oogen neer, uit vrees dat dezelfde blik haar weder zou doen haperen—“maar ik was bang dat het hem zou bedroeven; en daar ik hoorde zeggen dat ge binnen kort weder hier zoudt komen, mama, en meesteres van alles zijn, dacht ik liever maar moed te vatten om het u te vragen.”
Edith zat haar met hare schitterende oogen strak aan te staren, tot Florence de hare opsloeg; toen wendde Edith op hare beurt haar blik af en vestigde dien op den grond. Het was toen dat Florence dacht van welk een geheel anderen aard de schoonheid dier dame was dan zij het in het eerst gedacht had. Zij had die voor statig en trotsch gehouden; maar hare manieren waren zoo zacht en vriendelijk dat zij, al was zij van Florence’s eigene jaren en karakter geweest, bezwaarlijk meer vertrouwen had kunnen uitlokken.
Uitgezonderd wanneer zekere zonderlinge, gedwongene terughouding haar bekroop; en dan scheen het (maar Florence begreep dit toen nog niet, schoon zij niet kon nalaten het op te merken en er over te denken) alsof zij zich voor Florence vernederd gevoelde en slecht op haar gemak was. Toen zij zeide dat zij hare mama nog niet was, en toen Florence haar meesteres van alles noemde, was deze verandering in haar uitzicht even snel als bevreemdend; en thans, nu Florence’s oogen op haar gelaat gevestigd waren, zat zij daar alsof zij wel voor haar had willen wegkruipen en zich verschuilen, in plaats van haar te liefkoozen gelijk zulk eene nauwe betrekking haar recht gaf.
Zij beloofde Florence bereidwillig hare nieuwe kamer, en zeide dat zij zelve last daartoe zou geven. Daarop deed zij eenige vragen naar den armen Paul; en toen zij nog eene poos met elkander hadden gesproken, zeide zij Florence dat zij gekomen was om haar naar hare eigene woning mede te nemen.
“Wij zijn nu naar Londen gekomen, mijne moeder en ik,” zeide Edith, “en gij zult bij ons logeeren tot ik getrouwd ben. Ik wensch dat wij elkander leeren kennen en vertrouwen, Florence.”—“Ge zijt wel goed voor mij, lieve mama,” zeide Florence. “Hoe dank ik u!”—“Laat ik nu zeggen, want het zal misschien de beste gelegenheid wezen,” vervolgde Edith, rondziende of zij geheel alleen waren en zachter sprekende, “dat ik, als ik getrouwd ben en voor eenige weken op reis ga, veel geruster zal zijn als gij hier weder thuis komt. Onverschillig wie u ergens anders te logeeren vraagt, kom hier thuis. Het is beter hier alleen te zijn dan—wat ik zeggen wilde is,” vervolgde zij, zich bedenkende, “dat ik wel weet dat gij best thuis zijt, lieve Florence.”—“Ik zal nog denzelfden dag weder naar huis gaan, mama.”—“Doe dat. Ik vertrouw op die belofte. Maak u nu gereed om met mij mee te gaan, meisje lief. Als ge klaar zijt, zult ge mij beneden vinden.”
Langzaam en peinzend zwierf Edith alleen door het huis, waarvan zij zoo spoedig meesteres zou zijn, en weinig lette zij op de pracht, die het begon ten toon te spreiden. Dezelfde stugge trotschheid, dezelfde hoonende minachting in oog en lip, dezelfde fiere schoonheid, alleen beneveld door het gevoel van hare eigene geringe waardij, dwaalde nu door de kostbare kamers en zalen, die onder het dichte geboomte met woeste hartstochtelijkheid waren uitgebarsten. De nagebootste rozen op de wanden waren met scherpe dorens bezet, die haar de borst opreten; in elk stipje goud, dat haar in de oogen schitterde, zag zij een hatelijk gedeelte van haar koopprijs; de hooge en breede spiegels vertoonden haar ten voeten uit eene vrouw in welke nog iets edels woonde, maar die ontrouw was aan het betere in haar gemoed, en te zeer verlaagd en verloren om zich zelve te redden. Zij geloofde dat dit alles meer of minder zoo duidelijk voor ieders oogen was, dat haar geene toevlucht, geen middel om zich eenigszins te doen gelden overschoot, dan trots; en met dien trots, die haar eigen hart nacht en dag martelde, tartte en bekampte zij haar lot.