Dombey en Zoon

Part 43

Chapter 433,803 wordsPublic domain

Was dit de vrouw, welke Florence—een onnoozel meisje, krachtig alleen door haar ernst en hare eenvoudige oprechtheid—zoodanig kon herscheppen, dat zij bij haar een geheel ander wezen was, hare hartstochtelijkheid gestild, zelfs hare trotschheid gedempt was? Was dit de vrouw, die nu naast haar in de koets zat, met hare armen door die van Florence gestrengeld, die haar bad en vleide om haar lief te hebben en te vertrouwen, die haar hoofdje aan hare borst te rust legde, en haar leven had willen opofferen om dat hoofdje voor gevaar of kwaad te bewaren?

O, Edith, gelukkig zou het waarlijk voor u zijn geweest op zulk een tijd te sterven! Veel beter en gelukkiger, misschien, zoo te sterven, Edith, dan voort te leven tot aan het einde.

Mevrouw Skewton, die liever aan alle andere dingen dan aan zulke bespiegelingen dacht—want gelijk vele fatsoenlijke lieden, wilde zij volstrekt niet van den dood weten, en nam zij het kwalijk als er van zoo iets gemeens werd melding gemaakt—had een huis in Brook-Street, bij Grosvenor-Square, geleend van een aanzienlijk bloedverwant (een lid van de familie Feenix) die uit de stad was, en geen bezwaar maakte om het haar voor den bruidstijd te leenen, daar deze leening dan inhield dat hij van alle verdere leeningen en gaven aan mevrouw Skewton en hare dochter vrij was. Daar het voor de eer der familie noodzakelijk was in zulk een tijd eenige vertooning te maken, zette mevrouw Skewton (met behulp van een gedienstig winkelier, die aan den adel en de fatsoenlijke wereld alle mogelijke dingen verhuurde, van een zilveren tafelservies tot aan een stoet lakeien) in dat huis een bottelier met zilvergrijs haar (die daarom hooger werd berekend, dewijl hij het voorkomen van een oud familiestuk had), twee zeer lange jongelieden in livrei, en een uitgezochten staf van keukenbedienden; zoodat er in het onderhuis een sprookje in omloop kwam, dat men Withers de page, op eens van zijne talrijke huiselijke werkzaamheden en van het duwen van den rolstoel (die in de hoofdstad niet meer gebruikt werd) ontslagen, verscheidene malen zijne oogen had zien uitwrijven en zich zelven in de armen en beenen knijpen, als vreesde hij dat hij bij den melkboer te Leamington was in slaap gevallen en nog in een hemelschen droom verkeerde. Alle benoodigdheden van zilver en porselein werden insgelijks door denzelfden gedienstigen winkelier geleverd, benevens eene verscheidenheid van voorwerpen, waaronder ook een net rijtuigje met een paar bruinen; en door deze hofhouding omringd, zette mevrouw Skewton zich in hare Cleopatrahouding op de fraaiste sofa, om in staatsie audiëntie te geven.

“En hoe maakt het mijne bekoorlijke Florence?” zeide mevrouw Skewton, toen het meisje met hare dochter binnentrad. “Kom mij toch een kusje geven, lieve Florence.”

Florence bukte schroomvallig om in het witte gedeelte van mevrouw Skewton’s gezicht een plekje te zoeken; toen deze dame haar een oor toehield en dus uit hare verlegenheid hielp.

“Edith, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “waarlijk, ik—ga eens een weinigje meer in het licht staan, lieve Florence, voor een oogenblikje.”

Florence gehoorzaamde blozend.

“Weet ge niet meer wat gij waart, lieve Edith,” zeide hare moeder, “toen gij omtrent even oud waart als onze kostbare Florence, of eenige jaren jonger?”—“Dat heb ik lang vergeten, moeder.”—“Want stellig, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “mij dunkt ik zie eene bepaalde gelijkenis tusschen datgene wat gij toen waart en ons allerliefst vriendinnetje. En dat bewijst,” vervolgde mevrouw Skewton zachter, om aan te duiden dat zij Florence voor nog zeer ongepolijst hield, “wat polijsten doen kan.”—“Ja, dat doet het wel,” was het stroeve antwoord van Edith.

Hare moeder zag haar voor een oogenblik scherp aan, en gevoelende dat zij op onveiligen grond kwam, zeide zij om er weder van af te raken:

“Mijne bekoorlijke Florence, gij moet mij nog eens een kusje geven, als het u belieft, liefje.”

Florence gehoorzaamde natuurlijk en drukte nog eens hare lippen op mevrouw Skewton’s oor.

“En gij hebt zeker wel gehoord, lievelingetje,” zeide mevrouw Skewton, hare hand vasthoudende, “dat uw papa, wien wij allen op de handen dragen, vandaag over acht dagen met mijne lieve Edith zal trouwen.”—“Ik wist wel dat het heel gauw zou zijn,” antwoordde Florence, “maar niet recht wanneer.”—“Maar lieve Edith,” zeide de moeder vroolijk, “is het mogelijk dat ge dat Florence niet gezegd hebt?”—“Waarom zou ik dat Florence zeggen?” antwoordde Edith, zoo snel en scherp, dat Florence bijna niet gelooven kon dat het dezelfde stem was.

Mevrouw Skewton vertelde toen Florence, als eene andere veiliger afleiding, dat haar vader daar kwam dineeren en zonder twijfel zeer aangenaam verrast zou zijn als hij haar zag; daar hij den vorigen avond gezegd had, dat hij zich maar in de City zou kleeden, en niets van Edith’s voornemen had geweten, waarvan de uitvoering, naar mevrouw Skewton’s gedachten, hem zou doen verrukt staan. Florence werd onrustig toen zij dit hoorde; en toen het uur van het diner naderde werd haar angst zoo groot, dat zij, als zij maar geweten had hoe te vragen om maar weder naar huis te mogen gaan, zonder eene verklaring te geven waarin haar vader betrokken was, liever blootshoofds, te voet en alleen teruggekeerd zou zijn, dan zich aan het gevaar van zijn misnoegen bloot te stellen.

Toen de tijd naderde, kon zij nauwelijks ademhalen. Zij durfde niet bij het venster komen, uit vrees dat hij haar van de straat zou zien. Zij durfde niet naar boven gaan om hare aandoening te verbergen, uit vrees dat zij, de kamerdeur uitkomende, hem onverwacht zou ontmoeten; en bovendien was het haar alsof zij dan nooit weder zou durven terugkomen als zij voor hem werd opgeroepen. In deze benauwdheid zat zij bij Cleopatra’s sofa, en poogde het flauwe gesnap dier dame aan te hooren en te beantwoorden, toen zij zijn voetstap op de trap hoorde.

“Daar hoor ik hem!” riep Florence, opspringend, uit. “Hij komt!”

Cleopatra, wier jeugdigheid haar dartel maakte, en wier eigenliefde haar verhinderde om over den aard van Florence’s aandoening te denken, duwde haar achter de sofa en spreidde een shawl over haar heen, om Dombey eens aangenaam te verrassen. Dit gebeurde zoo haastig, dat Florence een oogenblik later zijn geduchten stap in de kamer hoorde.

Hij groette zijne aanstaande schoonmoeder en zijne aanstaande gade. De vreemde klank zijner stem deed zijne dochter trillen.

“Mijn lieve Dombey,” zeide Cleopatra, “kom eens hier en zeg mij hoe uwe aardige Florence vaart.”—“Florence is heel wel,” zeide Dombey, naar de sofa komende.—“En is zij thuis?”—“Ja, thuis,” antwoordde Dombey.—“Mijn beste Dombey,” hervatte Cleopatra met betooverende levendigheid. “Weet ge nu wel zeker dat ge mij niet bedriegt? Ik weet niet wat mijne lieve Edith zal zeggen als ik zoo spreek, maar ik vrees waarlijk dat gij ook al een valschaard zijt, mijn lieve Dombey.”

Al was hij dit geweest, en al was hij op het oogenblik op de grootste valschheid betrapt, die ooit gezegd of gedaan werd, had hij bezwaarlijk meer kunnen ontstellen dan hij deed toen mevrouw Skewton den shawl wegnam, en Florence, bleek en bevende, als een spook voor hem oprees. Hij had zijne tegenwoordigheid van geest nog niet herkregen, toen Florence naar hem toeliep, hare armen om zijn hals sloeg, hem een kus gaf en de kamer uitsnelde. Hij keek rond als wilde hij de zaak naar iemand anders verwijzen, maar Edith was Florence dadelijk gevolgd.

“Beken nu maar, mijn lieve Dombey,” zeide mevrouw Skewton, hem hare hand gevende, “dat ge nooit in uw leven meer verrast en in uw schik zijt geweest.”—“Ik ben zeker nooit meer verrast geweest,” zeide Dombey.—“En in uw schik, mijn lieve Dombey?” hervatte mevrouw Skewton, met haar waaier dreigende.—“Ik—ja, ik ben zeer blij dat ik Florence hier ontmoet,” zeide Dombey. Hij scheen er een oogenblik ernstig over te denken en zeide toen stelliger: “Ja, ik ben werkelijk zeer blij dat ik Florence hier ontmoet.”—“Gij verwondert u hoe zij hier komt, niet waar?” zeide mevrouw Skewton.—“Edith, misschien,” begon Dombey en bleef daarbij steken.—“O, gij ondeugd!” antwoordde Cleopatra, haar hoofd schuddende. “Gij kunt goed raden. O, gij slimme man! Iemand moest zulke dingen niet zeggen; want uwe sekse, mijn lieve Dombey, heeft zooveel inbeelding en maakt zoo licht misbruik van onze zwakheid; maar gij kent mijne openhartigheid—heel goed, dadelijk.”

Dit was tot een der lange knechts gericht, die kwam zeggen dat het diner gereed was.

“Maar Edith, mijn beste Dombey,” vervolgde zij fluisterend, “als zij u niet bij zich kan hebben—en, zooals ik haar zeg, dat kan zij niet altijd verlangen—wil ten minste iemand bij zich hebben die u toebehoort. Wel, dat is heel natuurlijk! En zoo kon niets haar vandaag beletten om uit te rijden en Florence te gaan halen. Dat is toch bekoorlijk!”

Daar zij naar een antwoord wachtte, antwoordde Dombey: “Buitengemeen.”—“Zegen u, mijn lieve Dombey, voor dat bewijs van hartelijkheid!” riep Cleopatra uit, en drukte hem de hand. “Maar ik word al te ernstig! Breng mij nu naar beneden, als een engel, en laten wij zien wat voor diner die lieden ons zullen geven. Zegen u, beste Dombey!”

Na deze laatste toespraak wipte Cleopatra tamelijk vlug van hare rustkoets, waarop Dombey haar arm in den zijnen nam en haar plechtstatig naar beneden leidde. Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.

Florence en Edith waren reeds in de eetzaal en zaten naast elkander. Florence wilde opstaan toen haar vader binnenkwam, om hem haar stoel over te laten; maar Edith legde openlijk hare hand op haar arm, en Dombey nam aan den overkant der ronde tafel plaats.

Het gesprek werd bijna uitsluitend door mevrouw Skewton aan den gang gehouden. Florence durfde bijna hare oogen niet opslaan, uit vrees dat zij de sporen van tranen zou laten zien; veel minder durfde zij spreken; en Edith liet geen woord hooren, of het moest tot antwoord op eene vraag zijn. Cleopatra gaf zich waarlijk veel moeite voor het etablissement dat zoo haast gepakt was; en het had waarlijk wel zeer kostbaar mogen zijn om haar te beloonen.

“En dus zijn uwe voorbereidselen eindelijk bijna gereed, mijn beste Dombey?” zeide Cleopatra, toen het dessert op de tafel stond en de bottelier met zilvergrijs haar zich verwijderd had. “Ook die van de rechtsgeleerden?”—“Ja, mevrouw,” antwoordde Dombey, “de akte van de huwelijksvoorwaarden, hebben de rechtsgeleerde heeren mij onderricht, is nu gereed, en gelijk ik u zeide, Edith heeft ons maar de gunst te bewijzen om een tijd voor het teekenen voor te stellen.”

Edith zat daar gelijk een fraai steenen beeld, even koud en stil.

“Liefste liefje,” zeide Cleopatra, “hoort gij wel wat mijnheer Dombey zegt? O, mijn beste Dombey,” ter zijde tot dien heer, “hoe herinnert mij hare verstrooidheid, nu de tijd nadert, aan de dagen toen haar papa, een alleraardigst man, in uwe positie was.”—“Ik heb niets voor te stellen. Het zal zijn wanneer gij verkiest,” zeide Edith, nauwelijks over de tafel naar Dombey ziende.—“Morgen?” zeide Dombey.—“Als het u zoo belieft.”—“Of zou overmorgen u beter schikken met hetgeen gij anders nog te doen hebt?” zeide Dombey.—“Ik heb niets te doen. Ik ben altijd tot uwe beschikking. Laat het zijn wanneer gij verkiest.”—“Niets te doen, lieve Edith,” bracht hare moeder hiertegen in, “en gij hebt het den geheelen dag zoo schrikkelijk druk, met duizenderlei bestellingen bij allerlei leveranciers!”—“Dat is uw bedrijf,” antwoordde Edith, haar met een eenigszins gefronst voorhoofd aanziende. “Gij en mijnheer Dombey kunt het met uw beiden schikken.”—“Wel waar, kindlief, en heel vriendelijk van u,” zeide Cleopatra. “Florence, mijn lievelingetje, gij moet mij waarlijk nog eens een kusje komen geven.”

Zonderling dat deze vlagen van belangstelling voor Florence bijna telkens bij Cleopatra opkwamen als Edith eenig deel, hoe gering ook, aan het gesprek nam. Florence was nog nooit zoo dikwijls omhelsd geworden, en misschien, zonder het te weten, nog nooit in haar leven zoo nuttig geweest.

Voor zich zelven was Dombey verre van misnoegd over de houding en de manieren zijner bruid. Hij kon zeer wel met trotschheid en koelheid sympathiseeren, en het streelde hem dat zelfs deze eigenschappen zich bij Edith aan hem onderschikten en zij geen anderen wil scheen te hebben dan den zijnen. Het streelde hem zich voor te stellen hoe deze trotsche, statige vrouw de honneurs van zijn huis zou waarnemen en zijne gasten op zijne eigene manier doen verkleumen. De waardigheid van Dombey en Zoon zou in zulke handen wel gehandhaafd, ja zelfs nog verhoogd worden.

Zoo dacht Dombey toen hij in de eetzaal alleen was gelaten en over het verledene en de toekomst peinsde. Hij vond niets onaangenaams in de schrale en sobere staatsie die in dat vertrek heerschte, met het donkerbruine behangsel, waarop nog donkerder schilderijen als zwarte grafmonumenten afstaken, en vier en twintig zwarte stoelen, met bijna zooveel spijkers als doodkisten, die als rouwdragers om den rand van het Turksche tapijt geschaard stonden, en twee naakte negers, die candelabres van dorre takken droegen, op de buffettafel, en een duffen reuk, alsof de asch van duizend diners in de sarcophaag daaronder was begraven. De eigenaar van het huis was veel op reis; de lucht van Engeland was zelden lang gezond voor een lid der familie Feenix; en dit vertrek was al zwaarder en zwaarder in den rouw over hem gegaan, tot het zoozeer naar eene paradekamer geleek, dat er slechts een lijk aan ontbrak om het geheel daartoe te maken.

Geen slechte plaatsvervanger voor een lijk, door zijne stijfheid, zoo niet door zijne houding, was Dombey, terwijl hij in de koude diepte der doode zee van mahoniehout zat te turen, waarop de fruitschalen en karaffen voor anker lagen; alsof de onderwerpen zijner gedachten een voor een naar de oppervlakte rezen en weder wegzonken. Edith was daar in al hare majesteit van gelaat en gestalte; en dicht bij haar kwam Florence, met haar vreesachtig gezichtje naar hem toegekeerd, gelijk het voor een oogenblik geweest was, toen zij de kamer verliet; en Edith’s oogen waren op haar gevestigd, en Edith’s hand was beschermend naar haar uitgestoken. Eene kleine gedaante op een laag leuningstoeltje kwam vervolgens te voorschijn en zag hem verwonderd aan met de heldere oogen en het oudachtig jeugdig gezichtje, dat glansde als in het flikkerende schijnsel van een vuur. Wederom kwam Florence dicht daarbij en boeide zijne geheele aandacht. Of het was als een hem door het noodlot bestemd bezwaar en teleurstelling, of als eene mededingster die hem eens in den weg was gekomen, en dit nogmaals kon doen; of als zijn kind, dat hem op zulk een tijd niet meer vreemd moest blijven; of als eene vermaning dat hij voor zijne nieuwe betrekkingen ten minste den schijn moest bewaren, alsof zijn eigen bloed hem niet onverschillig was—wist hij zelf het best. Misschien wist hij het eigenlijk toch niet recht; want trouwfeesten en trouwaltaren en tooneelen van bekroonde eerzucht—nog hier en daar met Florence daarbij—altijd die Florence—rezen zoo snel en zoo verward voor hem op, dat hij zelf opstond en naar boven ging om er aan te ontkomen.

Het was laat in den avond eer er licht gebracht werd, want mevrouw Skewton klaagde dat zij tegenwoordig hoofdpijn daarvan kreeg; en ondertusschen zaten mevrouw Skewton en Florence met elkander te praten (Cleopatra was er zeer op gesteld om het meisje bij zich te houden), of speelde Florence, voor mevrouw Skewton’s vermaak, zachtjes op de piano; om niet van eenige gelegenheden in den loop van den avond te spreken, waarbij die hartelijke dame zich gedrongen gevoelde om nog een kusje te verzoeken, hetgeen altijd gebeurde nadat Edith iets gezegd had. Dit was echter niet dikwijls, want Edith bleef den geheelen tijd afgezonderd bij een open venster zitten (hoewel hare moeder vreesde dat zij kou zou vatten) totdat Dombey afscheid nam. Daarbij was hij zeer genadig voor Florence; en Florence ging in eene kamer achter die van Edith naar bed, zoo gelukkig en vol hoop, dat zij aan haar vroeger ik dacht als aan een ander eenzaam en verlaten meisje, waarmede zij medelijden moest hebben; en in haar medelijden snikte zij in slaap.

De week vloog voorbij. Men moest naar modemaaksters, kleedermaaksters, juweliers, procureurs, bloemkweekers en pasteibakkers rijden; en Florence reed altijd mede. Florence zou de trouwplechtigheid bijwonen; en dan haar rouwgewaad afleggen en een brillant costuum dragen. Het model, dat de modemaakster—die eene Française was en veel van mevrouw Skewton had—recommandeerde, was zoo elegant, dat mevrouw Skewton insgelijks zulk een kleedje voor zich zelve bestelde. De modemaakster zeide dat het haar uitmuntend zou staan, en dat iedereen haar voor de zuster van de jonge juffer zou aanzien.

De week vloog nog sneller voorbij. Edith zag naar niets en bekommerde zich om niets. De kostbare kleederen kwamen thuis, en werden aangepast, en werden door mevrouw Skewton en de modemaakster luid geprezen, en werden weggelegd zonder een enkel woord van haar. Mevrouw Skewton maakte plannen voor elken dag en bracht ze ten uitvoer. Somtijds bleef Edith in de koets zitten als men uitreed om iets te gaan koopen; somtijds, als het volstrekt noodig was, ging zij een winkel binnen; maar mevrouw Skewton deed altijd de zaak af, waarom het ook mocht te doen zijn; en Edith keek met schijnbare onverschilligheid toe, alsof het haar niets aanging. Florence had haar misschien trotsch en stroef kunnen vinden, maar voor haar was zij dit nooit; en zoo smoorde Florence hare verwondering in hare dankbaarheid.

De week vloog nog sneller voorbij. Zij was bijna geheel om. De laatste avond, de avond vóór de trouwplechtigheid, was gekomen. In de donkere kamer—want mevrouw Skewton’s hoofd was nog niet beter, hoewel zij des anderen daags eene duurzame beterschap verwachtte—zaten deze dame, Edith en Dombey. Edith zat voor haar open venster naar de straat te kijken; Dombey en Cleopatra waren op de canapé zachtjes aan het praten. Het werd laat; en Florence, die vermoeid was, had zich reeds ter rust begeven.

“Mijn beste Dombey,” zeide Cleopatra, “gij zult mij morgen Florence toch laten, als gij mij van mijne lieve Edith berooft?”

Dombey antwoordde dat hij dit met genoegen zou doen.

“Haar hier bij mij te hebben, terwijl gij beiden naar Parijs zijt, en te kunnen denken, mijn beste Dombey, dat ik op hare jaren tot de vorming van haar geest bijdraag,” zeide Cleopatra, “zal een balsem voor mij wezen in den geschokten toestand, waarin ik dan verzonken zal zijn.”

Edith keerde eensklaps haar hoofd om. Hare lustelooze houding werd in een oogenblik met een uitzicht van vurige belangstelling verwisseld, en zonder dat men dit in het donker zag, luisterde zij oplettend naar hun gesprek.

Dombey zou Florence gaarne onder zulk eene uitmuntende voogdij en leiding laten.

“Duizendmaal dank voor uwe goede meening, mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra. “Ik vreesde dat ge mij, met een boos opzet, tot eene volstrekte eenzaamheid woudt veroordeelen.”—“Hoe kondt ge mij zulk een onrecht aandoen, lieve mevrouw?” zeide Dombey.—“Omdat mijne bekoorlijke Florence mij zoo stellig zegt, dat zij morgen naar huis moet,” antwoordde Cleopatra, “dat ik begon te vreezen dat gij een echte turksche Bassa waart.”—“Ik verzeker u, mevrouw,” zeide Dombey, “ik heb Florence niets voorgeschreven. En al was dat zoo, dan zouden die voorschriften toch voor uw verlangen moeten wijken.”—“Mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra, “wat zijt ge toch een hoveling! Schoon ik dat toch ook niet zeggen wil, want hovelingen hebben geen hart, en ge zijt altijd zoo hartelijk. Gaat ge waarlijk al zoo vroeg heen, mijn beste Dombey?”

O, het was inderdaad laat, en Dombey vreesde dat hij gaan moest.

“Is het werkelijk, of is alles maar een droom?” lispelde Cleopatra. “Kan ik het gelooven, mijn allerbeste Dombey, dat gij morgenochtend terugkomt om mij mijne lieve gezellin, mijne eigene Edith, te ontrooven!”

Dombey, die gewoon was alles letterlijk op te vatten, antwoordde dat zij elkander eerst nog in de kerk zouden zien.

“De smart om een kind af te staan,” zeide mevrouw Skewton, “zelfs aan u, mijn beste Dombey, is waarlijk niet te beschrijven, en vereenigd met mijn teer gestel en de ijselijke domheid van den pasteibakker, die het ontbijt heeft aangenomen, is zij haast al te groot voor mijne zwakke krachten. Maar ik zal mij toch morgen wel goed houden, mijn beste Dombey, wees voor mij maar niet ongerust; de hemel zegene u! Lieve Edith,” riep zij schalkachtig, “er gaat iemand heen.”

Edith, die het hoofd weder naar het venster had gekeerd, daar zij geen belang in hun gesprek meer stelde, stond op, maar zij kwam niet naar hem toe en sprak geen woord. Met de deftige galanterie, welke bij deze gelegenheid en zijn karakter paste, stapten Dombey’s krakende laarzen naar haar toe, bracht hij hare hand aan zijne lippen en zeide hij: “Morgenochtend zal ik het geluk hebben om deze hand als die van mevrouw Dombey te vragen.” Daarop liet hij zich zelven met eene statige buiging uit.

Mevrouw Skewton schelde om licht zoodra de straatdeur achter hem gesloten was. Met het licht kwam hare kamenier, en met de kamenier het jeugdige kleedje dat des anderen daags de wereld moest begoochelen. Dit kleedje wreekte zich gestreng, gelijk zulke kleedjes altijd doen, en maakte haar veel ouder en afschuwelijker dan hare smerige flanellen nachtjapon. Mevrouw Skewton paste het echter met kinderachtige blijdschap aan, glimlachte tegen haar lijkachtig beeld in den spiegel, bij de gedachte welk een indruk zij zoo op den majoor zou maken; liet het zich door hare kamenier weder uittrekken en zich voor hare nachtrust gereedmaken, en viel zoo in elkander gelijk een beschilderd kaartenhuisje.

Al dien tijd bleef Edith voor het venster naar de straat kijken. Toen zij eindelijk met hare moeder alleen gebleven was, kwam zij, voor de eerste maal dien avond, daar vandaan en plaatste zich vlak over haar. De geeuwerige, beverige, gemelijke moeder, die hare oogen opsloeg naar de trotsche gestalte harer dochter, wier vurige blik vast op haar gevestigd was, had een schuldbesef in haar voorkomen, dat zij door geene vertooning van lichtzinnigheid of wreveligheid kon verbergen.

“Ik ben doodaf,” zeide zij. “Gij zijt geen oogenblik alleen te vertrouwen. Gij zijt nog erger dan een kind. Kind! Geen kind zou half zoo koppig en weerspannig zijn.”—“Luister naar mij, moeder,” antwoordde Edith, deze woorden voorbijziende met eene verachting, die zich niet verwaardigde om zich met zulke beuzelingen op te houden. “Gij moet alleen hier blijven tot ik terugkom.”—“Moet alleen hier blijven tot gij terugkomt, Edith!” herhaalde hare moeder.—“Of bij dien naam, dien ik morgen zoo onbeschaamd en valsch ten getuige zal roepen van wat ik doe, zweer ik dat ik in de kerk de hand van dien man zal weigeren. Als ik dat niet doe, mag ik dood op de steenen neervallen!”

De moeder antwoordde met een blik van angstigen schrik, in geenen deele verminderd door den blik dien zij ontmoette.