Part 41
Droevige tranen, maar ook troostrijke tranen, want al de teedere herinneringen, die met het oude eentonige huis in verband stonden en het haar dierbaar maakten, rezen te gelijk voor haar op. Hoelang kwam het haar voor sedert zij door die stille kamers had gezworven, sedert zij het laatst, stil en angstig, naar die was geslopen welke haar vader bewoond had! sedert zij bij elk bedrijf van haar dagelijksch leven den ernstigen maar toch streelenden invloed der beminde dooden had gevoeld! Dit nieuwe afscheid herinnerde haar bovendien aan dat van den armen Walter! aan zijne woorden en blikken op dien avond; aan de schoone mengeling van teederheid voor hen die hij achterliet met moed en zelfvertrouwen, welke zij bij hem had opgemerkt. Zijne korte geschiedenis stond ook met het oude huis in verband, en gaf het eene nieuwe aanspraak op haar hart.
Zelfs Suze Nipper begon zachter over de woning, waar zij zoovele jaren thuis waren geweest, te denken, toen zij weder daarheen op weg waren. Zoo somber als het huis was, en zoo streng als zij over die somberheid dacht, vergaf zij het toch veel. “Ik zal blij zijn als ik het weerzie; dat wil ik ook niet ontkennen, jufvrouw,” zeide zij. “Het heeft niet veel om op te roemen, maar ik zou het toch ook niet afgebrand of afgebroken willen hebben!”
“Gij zult blij zijn als gij de oude kamers weder doorgaat, niet waar, Suze?” zeide Florence met een glimlach.—“Wel, jufvrouw,” antwoordde Suze, al meer en meer voor het huis verzachtende, hoe nader zij het kwamen, “ik wil niet ontkennen of ik zal; schoon ik morgen denkelijk al weer een hekel er aan zal hebben.”
Florence gevoelde dat daar voor haar meer vrede was te vinden dan ergens anders. Het was beter en gemakkelijker haar geheim daar opgesloten te houden, tusschen de hooge donkere muren, dan het door het daglicht mede te dragen en voor een drom gelukkige oogen te verbergen. Het was beter daar alleen de studie van haar liefderijk hart voort te zetten, zonder opnieuw ontmoedigd te worden door de liefhebbende harten om haar heen. Het was gemakkelijker geheel onopgemerkt, maar toch met standvastigheid en geduld, te blijven hopen, bidden en liefhebben, in het stille heiligdom van zulke herinneringen, hoewel het om haar heen verviel en verging, dan tusschen nieuwe tooneelen, hoe vroolijk zij ook mochten zijn. Zij heette haar ouden tooverdroom van het leven weder welkom, en verlangde er naar dat de oude donkere deur zich maar weder achter haar sloot.
Vol van zulke gedachten, reed Florence de lange, sombere straat in. Zij zat niet aan den kant van de koets naar haar huis toe, en toen zij het naderde, keek zij uit het portier, of zij de kinderen aan den overkant ook zag.
Daarop had zij hare aandacht gevestigd, toen een uitroep van Suze haar snel deed omzien.
“Wel lieve hemel!” riep Suze, “waar is ons huis?”—“Ons huis!” zeide Florence.
Suze trok haar hoofd binnen het portier, stak het er weder uit, trok het er weder binnen toen de koets stilhield, en staarde hare meesteres vol verbazing aan.
Om het geheele huis, van de kelderverdieping tot aan het dak, stond een doolhof van steigerwerk. Hoopen steen en stapels hout verstopten de helft der breede zijstraat. Ladders waren tegen de muren opgezet, werklieden klommen op en neer; andere waren op de steigers aan het werk; groote rollen behangselpapier werden voor de deur van een wagen afgegeven; een houtwagen versperde insgelijks den weg; geene meubelen waren door de openstaande vensters en de gebrokene ruiten in de kamers te zien; niets dan de werklieden en de benoodigdheden en gereedschappen van verschillende beroepen zag men van de keuken tot aan de vliering. Van binnen en van buiten metselaars, timmerlieden, schilders, hamer, zaag, kalkbak, troffel en kwast, allen te gelijk aan den gang.
Florence stapte uit de koets, half twijfelende of zij wel aan het rechte huis was, tot zij Towlinson herkende, met een door de zon gebruind gezicht, die aan de deur stond om haar te ontvangen.
“Er is toch niets gebeurd?” zeide Florence.—“O neen, jufvrouw.”—“Maar er worden groote veranderingen gemaakt.”—“Ja, jufvrouw, groote veranderingen,” zeide Towlinson.
Florence ging hem voorbij alsof zij in een droom was, en haastte zich naar boven. Een schel licht vervulde de lange, donkere receptie-kamers, en overal waren trappen en stellages en mannen met papieren mutsen. Haar moeders portret was met de andere meubelen verdwenen, en op de plek waar men zien kon dat het gehangen had, was met krijt gekrabbeld: “Deze kamer in paneelen. Groen met goud.” De trap was een doolhof van palen en planken, evenals buiten het huis, en een geheele Olympus van loodgieters en glazenmakers zweefde in verschillende houdingen boven den lantarenkoepel. Hare eigene kamer was van binnen nog niet aangeroerd; maar van buiten waren er balken en planken tegen gezet, die het daglicht verdonkerden. Zij ging snel naar de andere slaapkamer waar het ledekantje stond, en een donkere reus van een man, met een pijpje in den mond en een zakdoek om het hoofd gebonden, keek door het venster naar binnen.
Het was hier dat Suze Nipper, die Florence had loopen zoeken, haar vond en zeide, of zij beneden bij haar papa wilde komen, die haar wenschte te spreken.
“Thuis!—en wenscht mij te spreken!” riep Florence bevend uit.
Suze, die zelve nog veel meer van hare streek was dan Florence, herhaalde hare boodschap; en Florence, bleek en ontroerd, haastte zich, zonder een oogenblik bedenkens, weder naar beneden. Onderweg dacht zij, zou zij hem een kus durven geven? Het verlangen van haar hart deed haar stout worden, en zij dacht dat zij wel zou durven.
Haar vader had dat hart kunnen hooren kloppen, toen zij voor hem kwam. Nog een oogenblik, en het zou tegen zijne borst hebben geklopt.
Maar hij was niet alleen. Er waren daar nog twee dames, en Florence bleef staan. Zij worstelde zoo zeer tegen hare ontroering, dat zij, als haar redelooze vriend Diogenes niet was binnengestoven en haar, als welkom thuis, met zijne liefkoozingen had overstelpt—waarop een van de dames een gilletje gaf, dat hare aandacht eenigszins afleidde—op den grond zou zijn flauw gevallen.
“Florence,” zeide haar vader, zijne hand uitstekende, zoo stijf dat hij haar daarmede van zich afhield, “hoe vaart ge?”
Florence vatte die hand, bracht ze schroomvallig aan hare lippen en liet ze weder terugtrekken. Toen die hand de deur sloot, raakte zij deze met evenveel liefkoozing aan, als zij haar had gedaan.
“Wat is dat voor een hond?” zeide Dombey misnoegd.—“Het is een hond, papa—van Brighton.”—“Zoo!” zeide Dombey, en er vloog eene wolk over zijn gezicht, want hij verstond haar.—“Hij is heel goedaardig,” zeide Florence, zich met hare natuurlijke bevalligheid en lieftalligheid naar de twee dames keerende. “Hij is maar blij dat hij mij ziet. Ik bid u, vergeef het hem.”
Zij zag met den blik, dien zij wisselden, dat de dame, die gegild had en op een stoel zat, oud was; en dat de andere dame, die bij haar papa stond, zeer schoon was en een elegant voorkomen had.
“Mevrouw Skewton,” zeide haar vader, zich naar de eerste dame keerende en zijne hand uitstekende, “dat is mijne dochter Florence.”—“Charmant, moet ik zeggen,” merkte de dame aan, haar lorgnet voor het oog houdende. “Zoo natuurlijk. Mijne allerliefste Florence, geef mij een kus, als het u belieft.”
Nadat Florence dit gedaan had, keerde zij zich naar de andere dame, bij welke haar papa stond te wachten.
“Edith,” zeide Dombey, “dit is mijne dochter Florence. Florence, deze dame zal binnen kort uwe mama zijn.”
Florence schrikte, en zag naar het schoone gelaat op met eene mengeling van aandoeningen, waaronder de tranen, door dien naam uitgelokt, voor een oogenblik met verrassing, belangstelling, bewondering en zekere onbeschrijfelijke vrees kampten. Toen riep zij uit:
“O papa, moogt gij gelukkig zijn! Moogt gij heel, heel gelukkig zijn, al uw leven lang!” En toen viel zij die dame schreiend aan de borst.
Er volgde eene korte poos van stilte. De schoone dame, die eerst scheen te aarzelen of zij naar Florence toe zou komen of niet, hield haar aan hare borst en sloeg haar arm vast om haar heen, als om haar gerust te stellen en te troosten. Geen woord kwam over hare lippen. Zij boog haar hoofd naar Florence over, en kuste haar op de wang, maar sprak geen woord.
“Zullen wij nu verder de kamers doorgaan,” zeide Dombey, “om te zien hoe de werklieden het maken? Mag ik zoo vrij zijn, mevrouw?”
Hij bood, dit zeggende, mevrouw Skewton zijn arm, die door haar lorgnet naar Florence had gekeken, alsof zij zich verbeeldde wat er door het mededeelen van wat meer hartelijkheid en natuurlijkheid—uit haar eigen rijken voorraad zonder twijfel—van haar zou kunnen gemaakt worden. Florence lag nog snikkend aan de borst dier dame, toen men Dombey in de oranjerie hoorde zeggen:
“Laten wij het aan Edith vragen. Heden, waar is zij?”—“Edith, lief kind,” riep mevrouw Skewton, “waar zijt ge toch? Zeker ergens naar mijnheer Dombey aan het zoeken, dat weet ik wel. Wij zijn hier, lieve.”
De schoone dame liet Florence los, drukte haar nog een kus op de wang en ging haastig naar de twee anderen. Florence bleef op dezelfde plank staan—bedroefd en verheugd, vergenoegd en schreiende—zij wist niet hoe of hoelang, tot op eens hare nieuwe mama terugkwam en haar weder in hare armen sloot.
“Florence,” zeide de dame haastig, en zag haar met grooten ernst in de oogen. “Gij zult dus niet beginnen met mij te haten?”—“Met u te haten, mama!” riep Florence uit, haar arm om haar hals slingerende en haar blik beantwoordende.—“St! Begin met goed van mij te denken,” zeide de schoone dame. “Begin met te gelooven dat ik al het mogelijke zal doen om u gelukkig te maken, en dat ik u gaarne wil liefhebben, Florence. Goedendag. Wij zullen elkander weerzien, spoedig. Goedendag. Blijf nu niet langer hier.”
Nogmaals drukte zij haar aan hare borst—zij had haastig maar met eene vaste stem gesproken—en Florence zag haar zich in de naaste kamer bij de anderen voegen.
En nu begon Florence te hopen dat zij van hare nieuwe, schoone mama zou leeren, hoe de liefde van haar vader te winnen; en in haar slaap dien nacht zag hare eigene mama met een zaligen glimlach op die hoop neder, en gaf haar zegen daarover. Droomende Florence!
XXIX.
HOE MEVROUW CHICK DE OOGEN OPENGAAN.
Jufvrouw Tox, geheel onbewust van zulke vreemde verschijnselen in en om mijnheer Dombey’s huis als steigers en ladders, en mannen met zakdoeken om het hoofd, die als zwevende spoken of vreemde vogels door de vensters binnenkeken—had op een ochtend tegen dezen gewichtigen tijd op hare gewone manier ontbeten, namelijk met een geraspt Fransch broodje, een versch, pas gelegd ei (of daarvoor verkocht) en één kopje thee, en ging toen naar boven om de Vogel-wals op haar klavier te spelen, hare bloemen te begieten en te verzorgen, hare galanterieën af te stoffen en, volgens hare dagelijksche gewoonte, haar salonnetje tot het juweel van Princess’s Place te maken.
Jufvrouw Tox voorzag zich van een paar oude handschoenen, naar dorre bladeren gelijkende, waarmede zij gewoon was deze bezigheden te verrichten—op alle andere tijden in de la eener tafel voor ieder menschelijk oog verborgen—en ging methodisch aan het werk, beginnende met de Vogel-wals; toen, volgens een natuurlijk verband van denkbeelden, tot haar vogeltje overgaande, een stokoude kanarie, slecht in de veeren, maar een doordringend zinger, gelijk de geheele buurt wel wist, daarna hare ornamenten van porselein, kaartpapier, enz. onder handen nemende, en zoo, na verloop van tijd, aan hare bloemen komende, welke doorgaans hier en daar met eene schaar beknipt moesten worden, om zekere botanische reden waaraan jufvrouw Tox groot gewicht hechtte.
Het duurde dien ochtend lang eer jufvrouw Tox aan hare bloemen kwam. Het was warm weder, zuidenwind, en er was in Princess’s Place een zweempje zomer te bespeuren, dat jufvrouw Tox aan het buitenleven deed denken. De bierjongen uit de herberg was met eene kan buitengekomen en had een waterstraaltje met een slingerend patroon over de straatsteenen laten loopen, dat zulk eene frischheid aan de lucht gaf, zeide jufvrouw Tox, alsof men werkelijk buiten was. Men zag een streepje zonneschijn uit de groote straat om den hoek komen, en de rookerige musschen wipten daarover heen en weder, en werden in dien glans zoo verhelderd en verheerlijkt alsof zij nooit iets van schoorsteenen hadden geweten. Spreuken tot lof van het gemberbier, met afbeeldsels van dorstige klanten, onder het bruisende schuim bedolven of door het springen der kurken versuft, blonken voor het venster der herberg. Men was ergens buiten de stad nog laat aan het hooien, en hoewel de geur van verre moest komen en tusschen de woningen der armen met vele andere geuren had te worstelen (God beloone de brave heeren, die de pest voor een deel der wijsheid onzer voorvaderen houden en hun best doen om die woningen zoo ellendig te doen blijven) kwam er toch een flauwe zweem van in Princess’s Place, en fluisterde van het vrije veld en zijne gezonde lucht.
Jufvrouw Tox zette zich in de vensterbank en dacht aan haar goeden papa, sedert lang overleden en in zijn leven beambte bij het vak van in- en uitgaande rechten; en aan hare kindsheid, in eene zeeplaats gesleten, waar zij veel teer, maar toch ook gras en hooi had geroken. Zoo kwam zij tot eene weemoedige herinnering van groene weiden, vol boterbloempjes; en hoe zij kettinkjes van paardenbloemstengels had gemaakt, voor jeugdige zweerders van eeuwige standvastigheid, voornamelijk in het nankin gekleed; en hoe spoedig die kluisters verdroogd en gebroken waren.
In die vensterbank gezeten, en naar de menschen en het streepje zonneschijn kijkende, dacht jufvrouw Tox insgelijks aan hare goede overledene mama—zuster van den eigenaar van het gepoederde hoofd en het staartje—aan hare deugden en hare rheumatiek. En toen een man met kromme beenen, eene grove stem, en eene zware mand op zijn hoofd, welke zijn hoed tot een zwarten pannekoek samendrukte, met bloemen door Princess’s Place kwam roepen, en zijne kleine vreesachtige plantjes madelieven deed beven door de trilling van elken schreeuw dien hij gaf, alsof hij een menschenvreter was, die met kleine kinderen te koop liep, werden de zomerherinneringen zoo sterk bij jufvrouw Tox, dat zij haar hoofd schudde, en prevelde dat zij oud zou worden eer zij het wist—hetgeen wel denkelijk scheen.
In die peinzende stemming zochten hare gedachten het spoor van Dombey, misschien omdat de majoor weder zijne kamers aan den overkant had betrokken en juist aan zijn venster voor haar gebogen had. Welke andere reden kon jufvrouw Tox hebben om Dombey met hare zomerdagen en kluisters van paardenbloemen in verband brengen? Was hij nu vroolijker? dacht jufvrouw Tox. Was hij nu met de besluiten des noodlots verzoend? Zou hij nooit weer trouwen, en zoo ja, met wie? Welke soort van vrouw zou het wel zijn!
Een gloed overspreidde haar gelaat—het was warm weder—toen zij onder deze bespiegelingen haar hoofd omkeerde en door de weerkaatsing van haar peinzend beeld in den spiegel werd verrast. Een tweede gloed volgde daarop toen zij een rijtuigje zag aankomen en vlak voor hare deur stilhouden. Zij stond op, nam haastig hare schaar, en zoo eindelijk tot hare bloemen komende, was zij druk daarmede bezig, toen mevrouw Chick de kamer binnentrad.
“Hoe vaart mijne liefste vriendin?” riep jufvrouw Tox, met open armen, uit.
Deze liefste vriendin van jufvrouw Tox had thans zekere statigheid in hare houding, maar zij gaf haar toch een kus en zeide: “Wel bedankt, Lucretia. Ik ben tamelijk wel. Gij ook, hoop ik. Hm!”
Mevrouw Chick had een eigenaardig kort kuchje, als het ware een begin om de kunst van hoesten te leeren.
“Gij komt al heel vroeg; dat is vriendelijk van u, lieve,” hervatte jufvrouw Tox. “Hebt gij al ontbeten?”—“Bedankt Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick. “Ik heb vroeg ontbeten,”—mevrouw Chick scheen zeer nieuwsgierig naar Princess’s Place te zijn en keek onder het spreken gedurig naar buiten, “bij mijn broeder, die thuis gekomen is.”—“Hij is beter, durf ik hopen,” stamelde jufvrouw Tox.—“Veel beter, wel bedankt. Hm!”—“Mijne lieve Louise moet op die kuch passen,” merkte jufvrouw Tox aan.—“Het is niets,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is maar de verandering van het weer. Men moet zich aan veranderingen gewennen.”—“Van weer?” vroeg jufvrouw Tox in hare eenvoudigheid.—“Van alles,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is eene wereld vol verandering. De menschen die mij iets wilden tegenspreken dat zoo duidelijk is, Lucretia, zouden mij zeer verwonderen en mij veel geringer gedachten van hun verstand doen opvatten. Verandering!” riep mevrouw Chick met strenge wijsheid uit. “Wel mijn tijd, wat is er dat niet verandert? Zelfs de zijworm, die men zeker niet denken zou dat zich met zoo iets bemoeide, verandert gedurig in allerlei onverwachte dingen.”—“Mijne Louise,” zeide de zachtzinnige jufvrouw Tox, “is altijd gelukkig in hare voorbeelden.”—“Ge zijt wel vriendelijk, Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, eenigszins verzacht, “dat ge zoo zegt, en ook zoo denkt, geloof ik. Ik hoop dat wij geen van beiden ooit reden zullen hebben om geringer gedachten van de andere te krijgen. Lucretia.”—“O, daar ben ik wel zeker van,” antwoordde jufvrouw Tox.
Mevrouw Chick kuchte weder, en trok strepen op het tapijt met het ivoren puntje van hare parasol. Jufvrouw Tox, die ondervinding van hare vriendin had, en wist dat zij, als zij eenigszins vermoeid was of haar iets had gehinderd, wel wat wrevelig en lichtgeraakt kon zijn, nam de stilte waar om van onderwerp te veranderen.
“Neem mij niet kwalijk, Louise,” zeide zij, “maar heb ik niet de manhaftige gedaante van mijnheer Chick in de koets zien zitten?”—“Hij is daar,” antwoordde mevrouw Chick, “maar ik verzoek u, laat hem daar maar. Hij heeft zijne courant en zou zich daarmee in geen twee uren vervelen. Ga voort met uwe bloemen, Lucretia, en laat mij hier maar wat zitten rusten.”—“Mijne Louise weet wel,” merkte jufvrouw Tox aan, “dat tusschen vriendinnen gelijk wij geene complimenten te pas komen. Daarom—” Daarom eindigde jufvrouw Tox den volzin niet met woorden maar met daden, en de handschoenen, die zij uitgedaan had, weder aantrekkende, wapende zij zich nogmaals met hare schaar, en begon zij met microscopische vlijt tusschen de bladeren te knippen.—“Florence is ook thuis gekomen,” zeide mevrouw Chick nadat zij eene poos met haar hoofd op zijde had gezeten, en met hare parasol teekeningen op den grond getrokken; “en waarlijk, Florence is nu veel te oud geworden, om dat eenzame leven te blijven leiden, waaraan zij gewend is. Dat spreekt van zelf. Daar kan geen twijfel aan zijn. Ik zou heel weinig achting voor iemand hebben, die daarover anders kon denken. Al mocht ik ook anders wenschen, ik zou zoo iemand niet kunnen achten. Zoover kan men zijn gevoel niet beheerschen.”
Jufvrouw Tox stemde dit toe, zonder juist te zeggen of zij de stelling begrijpelijk vond.
“Als zij een vreemd meisje is,” zeide mevrouw Chick, “en mijn broeder Paul zich in haar gezelschap niet op zijn gemak gevoelt, na al de droevige omstandigheden, die er hebben plaats gehad, en al de schrikkelijke teleurstellingen die hij ondergaan heeft, wat is dan het antwoord? Dat hij zich eene inspanning moet vergen. Dat hij verplicht is zich eene inspanning te vergen. Wij zijn eene familie die altijd door inspanningen heeft uitgemunt. Paul staat aan het hoofd van de familie—hij is bijna de eenig overgeblevene vertegenwoordiger daarvan. Want wat ben ik? Ik ben van geen beduiden.”—“Maar liefste vriendin!” bracht jufvrouw Tox er tegen in.
Mevrouw Chick droogde hare oogen af, die juist overliepen, en vervolgde:
“En bijgevolg is hij meer dan ooit verplicht om zich eene inspanning te vergen. En hoewel het mij eenigszins een schok geeft, dat hij dat werkelijk heeft gedaan—want ik heb een heel zwak en aandoenlijk gestel, dat waarlijk alles behalve een geluk is; ik wenschte dikwijls dat ik maar eene marmeren zerk of een keisteen was...”—“Maar lieve Louise!” riep jufvrouw Tox uit.—“Evenwel is het een triomf voor mij, te weten dat hij zich zelven en zijn naam van Dombey zoo getrouw blijft, schoon ik natuurlijk altijd wel wist dat hij dat doen zou. Ik hoop maar,” zeide mevrouw Chick, na eene korte poos van stilte, “dat zij ook dien naam waardig zal wezen.”
Jufvrouw Tox was juist bezig met haar groen gietertje uit eene kan te vullen, maar, toen zij dit gedaan had, toevallig opkijkende, was zij zoo verwonderd over de uitdrukking waarmede mevrouw Chick haar aanzag, dat zij het gietertje vooreerst maar op de tafel zette en er zelve bij ging zitten.
“Mijne lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox, “zal het u misschien genoegen doen, als ik, wat dat gezegde van u betreft, de aanmerking waag, dat ik, als een nederig onbeduidend persoon, denk dat uw nichtje in alle opzichten veel belooft?”—“Wat meent gij toch, Lucretia?” hervatte mevrouw Chick met toenemende deftigheid. “Op welk gezegde van mij doelt gij toch, lieve?”—“Dat zij haar naam waardig zal zijn, lieve vriendin,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Als ik mij misschien niet duidelijk genoeg heb uitgedrukt, Lucretia,” zeide mevrouw Chick met zeker plechtig geduld, “ligt de schuld natuurlijk aan mij. Er is misschien geene reden waarom ik er van zou spreken, behalve de vertrouwelijkheid die zoolang tusschen ons bestaan heeft, en die ik hoop, Lucretia, hartelijk hoop, dat door niets gestoord zal worden. Want waarom zou ik dat niet hopen? Er is volstrekt geene reden van neen—het zou ongerijmd wezen. Maar ik wensch toch duidelijk te zijn, Lucretia; en daarom neem ik dat gezegde nog eens op en verzoek u te mogen onder het oog brengen, dat het volstrekt niet op Florence doelde.”—“Niet?” zeide jufvrouw Tox.—“Neen,” antwoordde mevrouw Chick, kort en beslissend.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” zeide hare zachtmoedige vriendin; “maar dan zal ik het niet recht verstaan hebben. Ik vrees dat ik wat onbegrijpelijk ben.”
Mevrouw Chick keek in de kamer rond en naar den overkant, en naar de bloemen, het vogeltje en het gietertje, naar bijna alles in haar gezichtskring, behalve naar jufvrouw Tox; eindelijk liet zij haar blik, terwijl hij den grond zocht, even over jufvrouw Tox heenglijden, en zeide, ondertusschen met opgetrokken wenkbrauwen naar het karpet kijkende:
“Als ik hoop, Lucretia, dat zij den naam waardig zal zijn, dan bedoel ik de tweede vrouw van mijn broeder Paul. Ik meen reeds duidelijk genoeg gezegd te hebben, al is het niet met de woorden die ik nu gebruik, dat hij voornemens is eene tweede vrouw te nemen.”
Jufvrouw Tox stond haastig op, ging weder naar hare bloemen, en knipte tusschen de takjes en bladeren met zoo weinig omzichtigheid als een kapper, die eenige armjongens het haar snijdt.
“Of zij ten volle bewust zal zijn van de onderscheiding, die haar bewezen wordt,” hervatte mevrouw Chick op een hoogdravenden toon, “is eene geheel andere vraag. Ik hoop van ja. Men is in deze wereld verplicht het beste van elkander te denken, en ik hoop dus van ja. Met mij is geen raad genomen. En als er met mij raad genomen was, twijfel ik niet of mijn raad zou weinig geteld zijn, en dus is het oneindig beter zóó. Ik heb het veel liever zóó.”
Jufvrouw Tox knipte nog met gebogen hoofd tusschen hare bloemen. Mevrouw Chick, die haar hoofd nu en dan krachtig schudde, vervolgde op een toon alsof zij iemand uitdaagde: