Part 40
Evenwel speelde Carker zoo goed—eenige partijen met den majoor en eenige met Cleopatra, welker waakzaamheid van oog ten aanzien van Dombey en Edith geen lynks had kunnen overtreffen—dat hij nog hooger in de gunst dier dame steeg, en dat, toen hij bij het afscheidnemen zijn leedwezen betuigde dat hij den volgenden morgen naar Londen moest terugkeeren, Cleopatra, met eene overeenstemming van gevoel die men niet dagelijks aantreft, vertrouwde dat zij elkander lang niet voor de laatste maal zouden ontmoet hebben.
“Dat hoop ik ook,” zeide Carker, met een veelbeteekenenden blik naar het paar op eenigen afstand, “en denk ik ook,” en volgde den majoor naar de deur.
Dombey, die statig afscheid van Edith had genomen, boog zich eenigszins over Cleopatra’s sofa en zeide zacht:
“Ik heb mevrouw Granger verlof gevraagd om haar morgenochtend nog eens te komen bezoeken—met een oogmerk—en zij heeft twaalf uur bepaald. Mag ik hopen om u naderhand thuis te vinden, mevrouw?”
Cleopatra was zoodanig onthutst door het hooren van dit, natuurlijk onbegrijpelijke, gezegde, dat zij niets anders kon doen, dan hare oogen sluiten, haar hoofd schudden en Dombey hare hand geven, welke Dombey, niet recht wetende wat er mede te doen, liet vallen.
“Kom toch voort, Dombey!” riep de majoor, de deur binnenkijkende. “Verduiveld, mijnheer, oude Joe heeft grooten lust om eene verandering in den naam van het Royal Hotel voor te slaan, en dat het de Drie Vroolijke Vrijers zou moeten heeten, ter eere van ons zelven en Carker.” Daarbij klopte de majoor Dombey op den rug, lonkte over zijn schouder naar de dames, op het punt om eene beroerte te krijgen, naar het scheen, en ging met hem heen.
Mevrouw Skewton bleef op hare sofa liggen rusten, en Edith bleef, een eind van haar af, stil bij hare harp zitten. De moeder speelde met haar waaier en keek tersluiks meer dan eens naar de dochter; maar de dochter, in somber gepeins verdiept, liet zich niet storen.
Zoo bleven zij een eindeloos uur bij elkander, zonder een woord te spreken, tot mevrouw Skewton’s kamenier verscheen, om haar langzamerhand voor den nacht gereed te maken. Des avonds had die kamenier een geraamte moeten zijn met eene schicht en een zandlooper, want hare hand was als de hand van den dood. Het geblankette ding schrompelde onder die hand weg; de geheele gedaante zakte ineen, de haren vielen af, de donkere gebogene wenkbrauwen veranderden in ongeregelde plekjes grijs, de bleeke lippen krompen in, de huid werd slap en lijkkleurig, en in Cleopatra’s plaats bleef niets anders over dan een geel, afgeleefd oud bestje, gelijk een slordig gebonden pakje vuil goed in eene smerige flanellen japon gemoffeld.
Zelfs de stem, die Edith aansprak toen zij weder alleen waren, was veranderd.
“Waarom zegt ge mij niet,” zeide die stem scherp, “dat hij morgen met afspraak hier komt?”—“Omdat ge dat wel weet—moeder,” antwoordde Edith.
Welk een spottenden nadruk legde zij op dat woord!
“Gij weet wel dat hij mij gekocht heeft,” hervatte zij, “of dat hij dat morgen doen zal. Hij heeft zijn koopje overlegd; hij heeft het zijn vriend laten zien; hij is er zelfs eenigszins grootsch op; hij denkt dat het hem wel zal bevallen en goedkoop genoeg te krijgen zal zijn; en morgen zal hij koopen. God, dat ik daarvoor geleefd heb, en dat ik het gevoel!”
Vereenig in een schoon gelaat de bewuste zelfvernedering en de gloeiende verontwaardiging van honderd vrouwen, vol hartstocht en trots, en daar verborgen zij zich met twee blanke bevende armen.
“Wat meent gij toch?” antwoordde de vergramde moeder. “Hebt gij niet van een kind af...”—“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten? Ik was eene vrouw—baatzuchtig, listig, afgericht om de mannen strikken te spannen—eer ik mij zelve of u nog kende; eer ik zelfs het gemeene, ellendige doel begreep van elke nieuwe kunst die ik leerde. Gij hebt eene volwassene vrouw geboren. Zie haar aan. Zij is van avond in al haar glans.”
En zoo sprekende gaf zij een slag op hare schoone borst, alsof zij zich zelve wilde neervellen.
“Zie mij aan,” zeide zij, “die nooit geweten heb wat het is een eerlijk hart te hebben of liefde te gevoelen. Zie mij aan, geleerd om te kuipen en te intrigeeren als andere kinderen nog spelen, en in mijne jeugd—oud in geslepenheid—getrouwd met iemand voor wien ik niets anders gevoelde dan onverschilligheid. Zie mij aan, weduwe gebleven, toen hij stierf eer hij zijn erfgoed kreeg—een oordeel over u, en wel verdiend—en zeg mij wat sedert mijn leven, tien jaren lang, is geweest.”—“Wij hebben ons best gedaan om u weder goed te etablisseeren,” antwoordde hare moeder. “Dat is uw leven geweest. En nu is het zoover gelukt.”—“Er is geene slavin op de slavenmarkt, geen paard op de paardenmarkt, zoo ten toon gesteld en aangeboden en opgeveild en onderzocht en bekeken—moeder—als ik die tien schandelijke jaren geweest ben,” zeide Edith, met een gloeiend voorhoofd en denzelfden bitteren nadruk op dat eene woord. “Is het zoo niet? Ben ik niet tot een spot gemaakt voor allerlei mannen? Hebben gekken en lichtmissen, kwade jongens en oude suffers mij niet nageloopen, en mij een voor een afgekeurd en laten loopen, omdat gij met al uwe slimheid toch al te lomp waart, en al te oprecht, met al uwe valsche streken; tot wij bijna overal met spot en schande bekend zijn? Welke vrijpostigheid van bekijken en aanraken,” zeide zij met vlammende oogen, “heb ik niet moeten velen, bijna op de helft van al de plaatsen waar men in Engeland bijeenkomt? Ben ik niet hier en daar uitgestald en opgeveild, tot ik alle achting voor mij zelve heb verloren en van mij zelve walg? Is dat mijne late kindsheid geweest? Vroeger heb ik er geen gehad. Zeg mij niet dat ik er een gehad heb, van avond vooral niet!”—“Gij hadt ten minste al twintigmaal goed getrouwd kunnen zijn, Edith,” zeide hare moeder, “als ge maar aanmoediging genoeg hadt gegeven.”—“Neen! Wie mij neemt, uitschot dat ik ben en wel verdien te zijn,” antwoordde zij, haar hoofd opheffende en bevende van schaamte en trotsche verontwaardiging, “zal mij nemen, gelijk deze man doet, zonder dat ik eenige kunsten aanwend om hem te lokken. Hij ziet mij op de veiling en hij vindt goed mij te koopen. Laat hij! Toen hij kwam om mij te zien—misschien om te bieden—wilde hij de lijst van mijne talenten hebben. Ik gaf ze hem. Als hij wil dat ik er een van vertoon, om zijne lieden te laten zien dat hij een goeden koop doet, vraag ik hem wat hij verlangt vertoond te hebben, en vertoon het dan. Meer wil ik niet doen. Hij koopt uit eigene beweging en schat zelf de waarde van zijn koop en van zijn geld; en ik hoop dat hij nooit te leur gesteld zal zijn. Ik heb den koop niet geroemd en opgedrongen; dat hebt gij ook niet, zoover ik in staat ben geweest om het u te beletten.”—“Gij spreekt al zeer vreemd van avond, Edith, en dat tegen uwe eigene moeder.”—“Zoo komt het mij ook voor; mij nog vreemder dan u,” zeide Edith. “Maar mijne opvoeding is al lang geleden voltooid. Ik ben nu te oud en ben langzamerhand te laag gedaald, om een nieuwen weg in te slaan, en u op den uwen te stuiten. De kiem van alles wat het hart eener vrouw reinigt en het oprecht en goed maakt, is nooit in het mijne opgewekt, en als ik mij zelve veracht, heb ik niets meer om mij staande te houden.” Zij had eene aandoenlijke treurigheid in hare stem gehad, maar deze verdween weder, toen zij met opgekrulde bovenlip vervolgde: “Daar wij dus grootsch en arm zijn, ben ik er mede tevreden dat wij op die manier rijk worden. Al wat ik te zeggen heb is, dat ik het eenige voornemen getrouw ben gebleven, dat ik, met u bij mij, moeder, heb kunnen vormen, en dien man niet heb gelokt.”—“Dien man!” zeide hare moeder. “Gij spreekt haast alsof gij een haat tegen hem hadt.”—“En gij dacht dat ik hem liefhad, niet waar?” was haar antwoord. “Zal ik u zeggen,” hervatte zij, hare moeder strak aanziende, “wie ons reeds door en door kent en doorziet, en voor wien ik nog minder gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen heb dan voor mij zelve, zoo vernederd als ik mij gevoel door de kennis die hij van mij heeft?”—“Dat is een uitval, moet ik denken,” antwoordde hare moeder koeltjes, “op dien armen, ongelukkigen, hoe heet hij ook weer—mijnheer Carker. Uw gebrek aan gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen tegenover dien persoon (dien ik een zeer innemend man vind, moet ik zeggen) zal u waarschijnlijk niet veel meer hinderen als gij eens geëtablisseerd zijt. Waarom ziet ge mij zoo strak aan? Zijt ge niet wel?”
Edith’s gezicht betrok eensklaps, alsof zij door eene slang was gestoken, en terwijl zij hare handen voor hare oogen hield, liep er eene huivering door al hare leden. Dit was echter spoedig voorbij, en met haar gewonen tred ging zij de kamer uit.
De kamenier, die een geraamte had moeten zijn, verscheen toen weder en gaf den eenen arm aan hare meesteres, die met hare valsche bekoorlijkheden ook al hare krachten scheen verloren, en met haar flanellen nachtgewaad eene verlamming scheen aangetrokken te hebben, zamelde de asch van Cleopatra bij elkander, nam deze in den anderen arm mede, en bracht beide weg, gereed voor eene kunstmatige opwekking des anderen daags.
XXVIII.
VERANDERINGEN.
“Zoo is dan eindelijk de dag gekomen, Suze,” zeide Florence, “dat wij weder naar huis gaan, waar wij rust en stilte zullen hebben.”
Suze haalde met bijzondere beteekenis haar adem in, gaf verder haar gevoel met een scherp kuchje lucht en antwoordde: “Stilte genoeg, jufvrouw Flore. Stilte genoeg, dat is zeker.”—“Toen ik nog een kind was,” zeide Florence, na eene poos gemijmerd te hebben, “hebt gij toen ooit dien heer gezien, die nu driemaal de moeite heeft gedaan om hier naar toe te komen om mij te spreken?—Was het niet driemaal, Suze?”—“Driemaal, jufvrouw,” antwoordde Suze. “Eens toen gij uit wandelen waart met die Sket...”
Florence zag haar strak maar vriendelijk aan en Suze bedacht zich.
“Met Sir Barnet en zijne Lady, wil ik zeggen, jufvrouw, en den jongen heer. En later nog tweemaal ’s avonds.”—“Toen ik een kind was, en er wel menschen bij ons plachten te komen, hebt ge toen ooit dien heer aan huis gezien, Suze?” zeide Florence.—“Wel, jufvrouw,” antwoordde de kamenier, na zich bedacht te hebben, “dat zou ik waarlijk niet kunnen zeggen. Toen uwe arme mama stierf, jufvrouw Flore, was ik nog heel nieuw in de familie, en mijn territoor,” hier wierp zij het hoofd in den nek, daar zij meende dat Dombey hare verdiensten altijd opzettelijk had miskend, “was de verdieping vlak onder den zolder.”—“O ja,” zeide Florence, nog peinzend, “het was niet waarschijnlijk dat ge zoudt weten wie er in huis kwam; daar dacht ik niet om.”—“Neen, jufvrouw, maar wij praatten toch wel over de familie en de menschen die er kwamen,” zeide Suze, “en ik hoorde véél, al was de baker, die er vóór jufvrouw Richards was, somtijds hatelijk genoeg, als ik er bij was, om op kleine potjes te schimpen; maar dat was,” merkte Suze verschoonend aan, “alleen aan den drank te wijten, waarom de arme vrouw ook verhuizen moest.”
Florence, die op hare kamer voor het venster zat naar buiten te kijken, scheen nauwelijks te hooren wat Suze zeide, zoo was zij in gedachten verzonken.
“In allen gevalle, jufvrouw,” zeide Suze, “kan ik mij wel herinneren dat die mijnheer Carker toen haast, zoo niet geheel, even groot was bij uw papa, als hij nu is. Men placht toen in huis te zeggen, dat hij in de City aan het hoofd van al uw papa’s zaken was, en dat uw papa meer om hem gaf dan iemand anders, wat hij, als gij het mij niet kwalijk neemt, jufvrouw Flore, gemakkelijk doen kon, want hij gaf nooit iets om iemand anders. Dat weet ik wel, klein potje als ik toen was of niet.”
De krenkende herinnering aan de oude baker deed Suze dit met bijzonderen nadruk zeggen.
“En dat mijnheer Carker niet gezakt is, jufvrouw,” vervolgde zij, “maar even groot bij uw papa gebleven, weet ik uit hetgeen die Perch zegt als hij aan huis komt; en al is hij de flauwste kerel van de wereld, jufvrouw Flore, dien iemand waarlijk geen oogenblik kan uitstaan, weet hij toch tamelijk wel wat er in de City omgaat, en hij zegt dat uw papa nooit iets doet zonder mijnheer Carker en alles aan mijnheer Carker overlaat, en zich naar mijnheer Carker richt en mijnheer Carker altijd bij zich heeft, en ik geloof dat hij gelooft (die flauwe Perch) dat na uw papa de keizer van Indië nog maar een ongeboren kind is bij mijnheer Carker.”
Geen woord hiervan ging voor Florence te loor, die nu niet langer verstrooid naar buiten keek, maar de spreekster aanzag, en met aandacht luisterde.
“Ja, Suze,” zeide zij, toen die jonge juffer ophield, “hij is in papa’s vertrouwen en is zijn vriend, daarvan houd ik mij zeker.”
Florence had eenige dagen lang veel daaraan gedacht. Carker had bij de twee bezoeken, welke hij op zijn eerste bezoek had laten volgen, eene vertrouwelijkheid tusschen hem en haar voorondersteld—een recht van zijn kant om raadselachtig en geheimzinnig te zijn, door haar te zeggen dat men nog niets van het schip gehoord had—zeker vriendelijk en welwillend gezag en vermogen over haar—waarover zij zich verwonderd en ongerust gemaakt had. Zij was niet in staat om hem terug te wijzen of zich te bevrijden uit het net, waarin hij haar langzamerhand verstrikte; want dit zou eene geslepenheid en wereldkennis vereischt hebben, die met de zijne konden kampen; en Florence bezat niets daarvan. Hij had haar, wel is waar, niets meer gezegd dan dat er geene tijding van het schip was en dat zij het ergste vreesden; maar hoe hij te weten kwam dat zij belang in dat schip stelde, en welk recht hij had om haar zijne kennis zoo donker en bijna verraderlijk aan te kondigen, was iets dat haar zeer ontrustte.
Dit gedrag van Carker, en hare gewoonte om daaraan dikwijls met verwondering en ongerustheid te denken, begonnen hem zekere onaangename heerschappij, die naar tooverij geleek, over hare gedachten te geven. Als zij zich zijne trekken en stem duidelijker poogde te herinneren, hetgeen zij somtijds deed om hem tot een alledaagsch persoon te maken, die niet meer macht over haar kon uitoefenen dan een ander, kon zij toch dien onbestemden indruk niet uitwisschen. En toch had hij haar nooit donker of met iets dat naar ongenoegen of vijandschap zweemde aangezien, maar altijd een helder glimlachend gezicht getoond.
Dan wederom bedacht Florence—altijd getrouw aan haar voornemen om eens haar vaders liefde te winnen, en standvastig in haar geloof dat zij zelve onopzettelijk schuld had aan de koelheid hunner betrekking—dat deze heer haar vaders vertrouwde vriend was, en vroeg zich dan met een angstig hart, of die neiging om hem te wantrouwen en te vreezen ook een deel kon zijn van dat ongeluk van haar, dat haar de liefde van haar vader had doen verbeuren en haar zoo eenzaam doen worden. Somtijds vreesde zij dat het zoo was; somtijds geloofde zij het; dan wilde zij weder pogen dat verkeerde gevoel te overwinnen, overreedde zij zich dat zij door de oplettendheid van haar vaders vriend vereerd en aangemoedigd werd, en hoopte zij dat door hem geduldig te volgen en te vertrouwen hare bloedende voeten den steenigen weg zouden vinden die op het hart van haar vader uitliep.
Aldus werd, zonder iemand om haar te raden—want zij kon met niemand raad nemen zonder dat zij over hem scheen te klagen—de zachtaardige Florence op eene woelige zee van hoop en twijfel geslingerd, en Carker zwom, gelijk een schubbig ondier, beneden in de diepte, en hield zijne blinkende oogen op haar gevestigd.
Florence vond in dit alles eene nieuwe reden om maar te wenschen weder thuis te zijn. Haar eenzaam leven daar strookte beter met haar schroomvallig hopen en twijfelen; en zij vreesde somtijds dat zij door hare afwezigheid eene kans zou kunnen verzuimen om hare liefde voor haar vader te doen blijken. De hemel weet, zij had zich in dit laatste opzicht wel mogen geruststellen, arm kind; maar hare versmade liefde liet haar nooit rust, zelfs niet in haar slaap, en goochelde haar in hare droomen eene reeks van tooneelen voor, die altijd daarmede eindigden dat zij haar vader om den hals viel.
Aan Walter dacht zij dikwijls. O, hoe dikwijls, als de nacht somber was en de wind om het huis gierde! Maar de hoop was nog krachtig in haar hart. Het is voor een jeugdig en vurig gemoed, zelfs met zulk eene ervaring als de hare, zoo moeielijk zich te verbeelden dat jeugd en vuur als eene zwakke vlam worden uitgedoofd en de heldere levensdag reeds des morgens in den nacht overgaat, dat zij nog hoopte. Zij schreide dikwijls over Walter’s ongeluk en lijden, maar zelden over zijn vermeenden dood, en dan nooit lang.
Zij had aan den ouden instrumentmaker geschreven, maar geen antwoord op haar briefje ontvangen, waarop ook eigenlijk geen antwoord noodig was. Zoo stond het met Florence op den ochtend toen zij weder naar huis ging om met blijdschap haar vroeger stil en eenzaam leven te hervatten.
Doctor Blimber en zijne gade, door jongen heer Barnet (zeer tegen zijn zin) vergezeld, waren reeds naar Brighton teruggekeerd, waar die jonge heer en zijne medepelgrims naar den Parnas toen zonder twijfel aan het gedurig hervatten hunner studiën waren. De vacantietijd was voorbij; de meesten der jeugdige gasten op de villa waren vertrokken, en ook Florence’s langdurig bezoek liep ten einde.
Er was echter nog een gast, die, hoewel hij niet in huis logeerde, de familie getrouw was komen bezoeken en nog getrouw bleef. Dit was Toots, die, nadat hij eenige weken geleden de kennis had vernieuwd, welke hij het geluk had met Skettles Junior aan te knoopen, op den avond toen hij de Blimbersche slavernij had verbroken, geregeld om den anderen dag was aangekomen en een geheel pak kaartjes aan de voordeur had gelaten.
Insgelijks had Toots, met het gelukkige denkbeeld om de familie te beletten hem te vergeten (hoewel er reden is om te denken dat de Kemphaan hem eigenlijk op dien inval bracht) zich een zesriems kotter aangeschaft, door vrienden van den Kemphaan bemand en door dien doorluchtigen persoon zelven gestuurd, die daarbij een schitterend rooden rok aanhad en het bestendige blauwe oog, waaraan hij onderhevig was, onder een groen schermpje verborg. Eer hij zich deze equipage aanschafte, had Toots den Kemphaan uitgehoord over een denkbeeldig geval, namelijk, voorondersteld dat de Kemphaan verliefd was op eene jonge dame die Mary heette, en het voornemen had opgevat om eene eigene boot aan te leggen, hoe hij dan die boot zou noemen. De Kemphaan antwoordde, met verscheidene krachtige betuigingen, dat hij ze of Polly of de Kemphaans Lust zou doopen. Dit denkbeeld nog wat verbeterende, besloot Toots, na veel nadenken en met inspanning van al zijne vindingskracht, om zijne boot Toots’ Vreugde te noemen, als een fijn compliment voor Florence, dat niemand, die met de partijen bekend was, kon nalaten toe te juichen.
Op een scharlaken kussen in zijne ranke boot uitgestrekt, met zijne schoenen in de lucht, was Toots, zijn voornemen volvoerende, dag aan dag en week op week voorbij den tuin van Sir Barnet de rivier op en neer komen varen, en had hij zijne roeiers, om te beter uit de vensters der villa gezien te worden, met zulke scherpe hoeken laten oversteken en zulke vreemde manoeuvres maken, dat hij den geheelen nabijgelegen waterkant met verbazing vervulde. Maar wanneer hij iemand in Sir Barnet’s tuin op den oever zag, veinsde Toots altijd daar juist door een samenloop der zonderlingste toevalligheden voorbij te komen.
“Hoe gaat het, Toots!” zeide Sir Barnet dan, van het grasperk met de hand wuivende, terwijl de geslepen Kemphaan dicht langs den kant stuurde.—“Hoe vaart gij, Sir Barnet!” antwoordde Toots dan. “Welk eene verrassing dat ik u hier zie!”
In zijne slimheid zeide Toots dit altijd, alsof hij, in plaats van bij Sir Barnet’s huis, bij een verlaten gebouw op den oever van den Nijl of de Ganges was.
“Nooit zoo opgekeken!” riep Toots dan. “Is jufvrouw Dombey daar?”
Daarop verscheen Florence misschien.
“Zoo! Diogenes is heel wel, jufvrouw Dombey,” riep Toots dan. “Ik heb er van morgen nog naar gaan vragen.”—“Wel bedankt!” antwoordde dan de welluidende stem van Florence.—“Wilt ge niet aan land komen, Toots?” zeide Sir Barnet dan. “Kom, gij hebt immers geen haast. Leg eens bij ons aan.”—“O, wel bedankt, het is van geen beduiden!” antwoordde Toots dan. “Ik dacht maar dat jufvrouw Dombey het graag zou willen weten. Anders niet. Goeden morgen!” en de arme Toots, die van verlangen stierf om de uitnoodiging aan te nemen, maar den moed niet daartoe had, gaf met een benauwd hart den Kemphaan een teeken, en de Vreugde vloog als eene pijl over het water heen.
Op den ochtend van Florence’s vertrek, lag de Vreugde, buitengewoon prachtig opgesierd, aan de trap van den tuin. Toen zij, na het gesprek met Suze, naar beneden kwam om afscheid te nemen, vond zij Toots in het salon op haar wachten.
“Zoo! Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide de verliefde Toots, altijd schrikkelijk onthutst als hij den wensch van zijn hart had verkregen, en met haar sprak.
“Wel bedankt; ik ben heel wel: gij ook, hoop ik; en Diogenes was gisteren ook nog heel wel.”—“Ge zijt wel vriendelijk,” zeide Florence.—“O dat is van geen beduiden,” antwoordde Toots. “Ik dacht dat gij er met dat mooie weer misschien niet tegen zoudt hebben, jufvrouw Dombey, om te water naar huis te gaan. Er is plaats genoeg in de boot voor uwe kamenier.”—“Ik ben u wel verplicht,” antwoordde Florence aarzelend, “maar—ik wilde liever niet.”—“O, het is van geen beduiden,” zeide Toots daarop. “Goeden morgen.”—“Wilt ge niet wachten om Lady Skettles te zien?” vroeg Florence vriendelijk.—“O neen, wel bedankt,” antwoordde Toots. “Dat is volstrekt van geen beduiden.”
Zoo schichtig en onthutst was Toots bij zulke gelegenheden. Maar daar Lady Skettles juist op het oogenblik binnentrad, kreeg Toots eensklaps eene hartstochtelijke begeerte om haar te vragen hoe zij voer, en kon maar niet ophouden haar nogmaals en nogmaals de hand te geven, tot Sir Barnet verscheen, aan wien hij zich toen terstond met de kracht der wanhoop vastklemde.
“Wij verliezen vandaag het licht van ons huis,” zeide Sir Barnet, zich naar Florence keerende, “dat verzeker ik u, Toots.”—“O, dat is van geen bed—ik meen, ja, dat is wel waar,” stotterde de bedremmelde Toots. “Goeden morgen.”
In spijt van dit nadrukkelijk vaarwel, bleef Toots, in plaats van heen te gaan, versuft staan kijken. Om hem uit den nood te helpen, nam Florence met vele dankbetuigingen afscheid van Lady Skettles en gaf Sir Barnet haar arm.
“Mag ik wel u verzoeken, lieve jufvrouw Dombey,” zeide haar gastheer, terwijl hij haar naar het rijtuig bracht, “om uw goeden papa mijne beste complimenten te doen?”
Het was smartelijk voor Florence deze boodschap aan te nemen, want het was haar alsof zij Sir Barnet bedroog, wanneer zij hem liet gelooven dat eene vriendelijkheid, aan haar bewezen, zoo goed als aan haar vader bewezen was. Daar zij echter geene opheldering kon geven, boog zij maar en bedankte hem; en wederom dacht zij, dat haar eentonig huis, waar zij veilig was voor zulke verlegenheden en zulke herinneringen aan haar verdriet, hare beste schuilplaats was.
Diegenen harer bekenden, die nog op de villa vertoefden, kwamen uit het huis en den tuin aanloopen, om haar goedendag te zeggen. Allen waren aan haar gehecht en namen hartelijk afscheid. Zelfs de dienstboden speet het dat zij heenging, en de meiden stonden om het rijtuig te nijgen en te knikken. Toen Florence naar deze vriendelijke gezichten rondkeek en daaronder die van Sir Barnet en zijne Lady en dat van Toots zag, die in de verte stond te grinniken en te staren, dacht zij aan den avond toen Paul en zij van Doctor Blimber vertrokken; en toen het rijtuig heenreed, rolden er tranen over hare wangen.