Dombey en Zoon

Part 39

Chapter 393,880 wordsPublic domain

“Mijn beste mijnheer Dombey,” zeide de dame, “ik vrees dat wij laat komen; maar Edith is al uit geweest om naar een fraai gelegen plekje voor eene schets te zoeken, en heeft mij naar haar laten wachten. Valschaard van een majoor,” hem haar pink gevende; “hoe gaat het u?”—“Mevrouw Skewton,” zeide Dombey, “laat ik mijn vriend Carker het genoegen mogen geven om hem u te presenteeren.” Onwillekeurig legde hij een nadruk op het woord “vriend,” als wilde hij zeggen “ik weet wel dat ik hem veel eer bewijs met die onderscheiding.”—“Gij hebt mij wel van mijnheer Carker hooren spreken.”—“O, ik ben waarlijk gecharmeerd,” zeide mevrouw Skewton zeer vriendelijk.

Carker was natuurlijk ook gecharmeerd—zou, ter wille van Dombey, nog meer gecharmeerd zijn geweest, als mevrouw Skewton (gelijk hij eerst dacht) de Edith geweest was, op welke hij den vorigen avond had gedronken.

“Maar waar om ’s hemels wil blijft Edith toch!” riep mevrouw Skewton uit. “Nog aan de deur om Withers te beduiden waarbij die teekeningen moet brengen om op te zetten! Lieve mijnheer Dombey, wilt gij wel zoo goed zijn—”

Dombey was haar reeds gaan zoeken. Een oogenblik later kwam hij terug, met de schoone elegant gekleede dame aan den arm, welke Carker onder het geboomte had ontmoet.

“Carker—” begon Dombey. Maar hunne wederzijdsche herkenning was zoo duidelijk, dat hij verwonderd bleef steken.—“Ik ben mijnheer verplicht,” zeide Edith, met eene statige buiging, “dat hij mij daar straks van den overlast van eene bedelaarster heeft bevrijd.”

Terwijl haar oog even op hem rustte en toen naar den grond werd geslagen, zag hij in dien helderen, uitvorschenden blik een vermoeden, dat hij niet pas op het oogenblik zijner tusschenkomst was aangekomen, maar haar reeds vroeger had waargenomen. Terwijl hij dit zag, zag zij in zijn oog dat haar wantrouwen niet ongegrond was.

“Waarlijk,” zeide mevrouw Skewton, die deze gelegenheid had waargenomen om Carker door haar lorgnet te inspecteeren, en zich overtuigd had (gelijk zij den majoor hoorbaar toefluisterde) dat hij een allerliefst, hartelijk man was. “Waarlijk, dat is zulk eene charmante toevalligheid als ik ooit gehoord heb. Lieve Edith, er is zulk eene zichtbare bestemming van het noodlot in, dat iemand waarlijk haast de armen kruiselings over haar fichu zou leggen en zeggen, evenals die gruwelijke Turken, er is geen, ge weet wel, dan, ge weet wel, en die met zijn raren naam is zijn profeet.”

Edith verwaardigde zich niet om iets over deze buitengewone aanhaling uit den Koran te zeggen, maar Dombey achtte het noodig eenige beleefde aanmerkingen te bieden.

“Het doet mij groot genoegen,” zeide hij met stijve galanterie, “dat een heer, die in zulke nauwe betrekking met mij staat als Carker, de eer en het geluk mocht hebben om mevrouw Granger den geringsten dienst te bewijzen.” Daarbij boog hij voor haar. “Maar het spijt mij eenigszins en het geeft mij waarlijk aanleiding om op Carker wangunstig te zijn,” onwillekeurig legde hij een nadruk op deze woorden, als bewust dat zij zeer bevreemdend moesten schijnen, “dat ik niet zelf die eer en dat geluk mocht hebben.” Hij boog zich wederom, Edith bleef roerloos behalve dat hare lip eenigszins krulde.—“Waarachtig, mijnheer,” riep de majoor uit, op het gezicht van den knecht, die kwam zeggen dat het ontbijt gereed was, eensklaps zijne spraak herkrijgende, “het komt mij zeer wonderlijk voor dat niemand de eer en het geluk kan hebben om zulke bedelaarsters door den kop te schieten, zonder dat hem dat kwalijk zou genomen worden. Maar hier is een arm voor mevrouw Granger, als zij J. B. de eer wil geven om dien te nemen, en de grootste dienst, dien Joe u nu kan bewijzen, mevrouw, is u naar de tafel te brengen.”

Daarmede gaf de majoor Edith zijn arm; Dombey ging met mevrouw Skewton vooruit; Carker kwam achteraan en zag het gezelschap glimlachend na.

“Ik ben waarlijk opgetogen, mijnheer Carker,” zeide de mama, onder het ontbijt, nadat zij hem nog eens goedkeurend door haar lorgnet had bekeken, “dat uw bezoek juist zoo gelukkig treft, dat gij vandaag met ons kunt medegaan. Het zal een charmant toertje zijn.”—“Ieder toertje zou in zulk een gezelschap charmant wezen,” antwoordde Carker; “maar ik geloof dat dit op zich zelf zeer interessant is.”—“O,” zeide mevrouw Skewton, met een flauw gilletje van verrukking, “het kasteel is betooverend—vol herinneringen uit de middeleeuwen en dat alles—dat zoo aandoenlijk is. Houdt gij ook niet veel van de middeleeuwen, mijnheer Carker?”—“Bijzonder,” antwoordde Carker.—“Zulk een verrukkelijke tijd!” riep Cleopatra uit. “Zoo hartelijk en natuurlijk! Zoo schilderachtig! Zoo ver boven al het alledaagsche! Och, dat men ons in dezen akeligen tijd wat meer van de poëzie des levens wilde laten houden.”

Mevrouw Skewton lette, terwijl zij dit zeide, scherp op Dombey, die naar Edith zag, welke, zonder hare oogen op te slaan, zat te luisteren.

“Wij zijn verschrikkelijk aan de prozaïsche werkelijkheid gebonden, niet waar, mijnheer Carker?” zeide mevrouw Skewton.

Weinig menschen hadden minder over een gebonden zijn aan de werkelijkheid te klagen dan Cleopatra, die zooveel valsche eigenschappen en sieraden had, dat men bijna niets werkelijks meer aan haar zag. Carker beklaagde haar evenwel en bekende dat zij het in dat opzicht zeer hard hadden.

“Schilderijen op het kasteel—goddelijk!” zeide Cleopatra. “Ik hoop dat gij ook veel van schilderijen houdt?”—“Ik verzeker u, mevrouw Skewton,” zeide Dombey, om zijn dienaar eene plechtige aanmoediging te geven, “dat Carker zeer veel smaak voor schilderijen heeft; een natuurlijk talent om ze te beoordeelen. Hij is zelf een zeer knap teekenaar. Hij zal opgetogen zijn, houd ik mij verzekerd, over mevrouw Granger’s smaak en bekwaamheid.”—“Verduiveld, mijnheer,” riep majoor Bagstock uit, “ik ben van gedachten dat gij een mirakel van knapheid zijt, en alles kunt.”—“O, majoor,” zeide Carker met glimlachende nederigheid, “ge zijt veel te goed. Ik kan maar zeer weinig. Maar mijnheer Dombey is zoo mild in het prijzen van alle beuzelachtige talenten, die iemand als ik zich bijna noodzakelijk moet eigen maken, en waarboven hij, in zijne positie, ver verheven is, dat...” Hij haalde zijne schouders op, als om te verzoeken van meerderen lof verschoond te blijven, en sprak niet verder.

Al dien tijd sloeg Edith hare oogen niet op, dan om somtijds even naar hare moeder te zien, wanneer deze hare geestdrift lucht gaf. Maar toen Carker zweeg, zag zij Dombey voor een oogenblik aan. Voor een oogenblik slechts, maar met eene uitdrukking van verwondering en minachting, welke voor een opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek, niet verloren ging.

Dombey zag haar hare oogen weder neerslaan en poogde hare aandacht opnieuw te trekken.

“Ge zijt ongelukkig al dikwijls naar Warwick geweest?” zeide hij.—“Verscheidene malen.”—“Het toertje zal dus vervelend voor u zijn, vrees ik?”—“O neen, geheel niet.”—“Ja, daarin gelijkt ge naar uw neef Feenix, lieve Edith,” liet mevrouw Skewton hierop volgen. “Hij is zeker wel vijftigmaal naar het kasteel van Warwick geweest, en toch, als hij morgen te Leamington kwam—dat ik wel wenschte—zou hij het overmorgen zijne een en vijftigste visite brengen.”—“Wij hebben allen zooveel enthusiasme, niet waar, mama?” zeide Edith met een kouden glimlach.—“Al te veel voor de rust van onze ziel misschien, melieve,” antwoordde hare moeder, “maar wij willen niet klagen. Onze eigene aandoeningen zijn onze belooning. Misschien verslijt, gelijk uw neef Feenix zegt, de degen de—hoe is het ook weer?”—“De scheede, misschien,” zeide Edith.—“O ja—wat al te gauw, maar dat is omdat hij zoo gloeiend scherp en blinkend is, weet ge wel, liefje.”

Mevrouw Skewton slaakte een zuchtje, dat de houten kling moest gelden waarvan hare teergevoelige borst de scheede was, liet à la Cleopatra haar hoofd op zijde hangen, en zag haar geliefd kind met peinzende genegenheid aan.

Edith had, toen Dombey haar aansprak, haar gezicht naar hem toegekeerd, en was in die houding gebleven, terwijl zij tot hare moeder en hare moeder tot haar sprak, alsof zij hem hare oplettendheid aanbood, als hij nog iets te zeggen had. De manier, waarop zij deze eenvoudige beleefdheid bewees, had bijna iets uitdagends, iets alsof zij die gedwongen en tegen haar zin bewees, en dit ging wederom niet verloren voor den opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek. Het deed hem aan haar denken gelijk hij haar het eerst had gezien, toen zij geloofde dat zij tusschen het geboomte alleen was.

Daar Dombey niets anders te zeggen had, en het ontbijt nu was afgeloopen—de majoor was opgepropt als een boa constrictor—deed hij het voorstel om te vertrekken. Er stond eene barouche te wachten. De twee dames, de majoor en Dombey namen daarin plaats; de inboorling en de bleeke page klommen op den bok, Towlinson bleef achter, en Carker reed te paard mede.

Carker bleef op den geheelen rit een eind achter het rijtuig, en beloerde het alsof hij werkelijk eene kat, en de vier, die er inzaten, muizen waren. Hetzij hij naar den eenen kant van den weg of naar den anderen keek—over het uitgebreide landschap met zacht golvende heuvelen, windmolens, korenvelden, weiden, wilde bloemen, boerenwoningen, hooibergen en kerktorens—of omhoog in de zonnige lucht, waar de vlindertjes om zijn hoofd fladderden en de vogelen hunne liederen uitgalmden—of naar beneden, waar de schaduwen der takken zich samenvlochten en een geschakeerd tapijt over den grond weefden—of vooruit, waar het overhangende geboomte gewelven en bogen vormde en slechts eene zachte schemering door het loofdak drong—altijd hield hij één oog schuins op het stijf opgerichte hoofd van Dombey gericht, dat naar hem was toegekeerd, en op de veder, die zoo sierlijk, maar zoo smadelijk tusschen hen inhing, en toonde dat de trotsche oogleden niet werden opgeslagen. Slechts eenmaal liet zijn loerende blik die voorwerpen los, en dat was toen een sprong over eene lage heg en een galop door een veld het hem mogelijk maakten om het rijtuig voor te komen, en aan het eind van den tocht gereed te staan om de dames er uit te helpen. Toen, en toen alleen, ontmoette hij, in hare eerste verrassing, haar blik, maar toen hij haar, bij het afstappen, met zijne zachte witte hand aanraakte, scheen zij hem weder geheel niet te zien.

Mevrouw Skewton was er op gesteld om Carker bij zich te houden en hem de schoonheden van het kasteel te laten zien. Zij wilde zijn arm hebben en dien van den majoor ook. Het zou dat onverbeterlijke schepsel, dat op het punt van poëzie een ongeloovig barbaar was, goeddoen in zulk gezelschap te wezen. Deze schikking liet Dombey toevallig vrijheid om Edith te geleiden, hetgeen hij dan ook deed, met statige deftigheid vooruit door de vertrekken stappende.

“Die lieve oude tijd, mijnheer Carker,” zeide Cleopatra, “met zijne heerlijke kasteelen, en die aardige oude gevangenissen, en die verrukkelijke pijnkelders, en die romaneske wraakoefeningen, en die schilderachtige gevechten en belegeringen, en alles dat het leven zoo bekoorlijk maakt! Hoe vreeselijk zijn wij toch verbasterd!”—“Ja, wij zijn jammerlijk achteruitgegaan,” zeide Carker.

Het eigenaardige van hun gesprek bestond daarin, dat mevrouw Skewton in spijt van hare verrukking, en Carker in spijt van zijne beleefdheid, beide scherp op Dombey en Edith acht gaven. Met al hun talent voor conversatie spraken zij dus tamelijk verstrooid en verward.

“Wij hebben geen geloof meer,” zeide mevrouw Skewton, haar uitgedroogd oor naar voren keerende, want Dombey zeide juist iets tot Edith; “wij hebben geen geloof meer aan die goede oude baronnen, die zulke alleraardigste lieden waren—of aan die brave oude priesters, die zoo krijgshaftig waren—of zelfs in de dagen van die weergalooze koningin Elizabeth, daar aan den muur, die zulk een echt gouden tijd waren. Lieve vrouw! Zij nog hartelijk! En die charmante vader van haar! Ik hoop dat gij ook veel van Hendrik den achtste houdt?”—“Ik bewonder hem buitengemeen,” zeide Carker.—“Zoo rondborstig, niet waar?” riep mevrouw Skewton uit. “En zoo welgedaan! Zoo echt engelsch! En zulk een schilderachtig portret geeft hij, met zijne kleine, geknepene oogjes en zijne menschlievende kin!”—“O mevrouw,” zeide Carker, en bleef stilstaan, “als gij van schilderijen spreekt, daar hebt gij eene compositie! Welke galerij in de wereld kan er een pendant van toonen?”

Terwijl de glimlachende geleider van mevrouw Skewton zoo sprak, wees hij door eene deur naar het midden van eene andere kamer waar Dombey en Edith stonden.

Zij waren met elkander alleen, maar wisselden woord noch blik. Zoo bij elkander, arm in arm, scheen het dat zij verder van elkander gescheiden waren dan alsof zeeën tusschen hen stroomden. Er was zelfs een verschil in de trotschheid van die twee, dat hen nog verder van elkander verwijderde, dan wanneer de een het hoogmoedigste en de andere het nederigste schepsel op aarde was geweest. Hij, vol van zijne eigene waarde, onbuigzaam, stijf en stroef. Zij, schoon en bevallig, in buitengewone mate, maar onverschillig voor zich zelve en hem en alles in het rond, en met haar fieren trots hare eigene bekoorlijkheden smadende, alsof deze eene livrei waren, waarvan zij een afkeer had. Zoo slecht pasten zij bij elkander, zoo geweldig waren zij aan elkander geboeid met eene keten, die het ongelukkigste toeval had gesmeed, dat men zich had kunnen verbeelden dat de schilderijen aan de wanden van die onnatuurlijke vereeniging schrikten, en daarop met eigenaardige blijken van ongenoegen acht gaven. Ridders en krijgslieden zagen met dreigende verontwaardiging op hen neer. Een geestelijke veroordeelde, met opgehevene hand, de heiligschennis dat zulk een paar voor Gods altaar zou treden. Stille waters in landschappen, in welker diepte de zonneschijn spiegelde, vroegen of, als er geene betere uitkomst was, er geen verdrinken overschoot. Dieven, door de natuur tot vijanden gemaakt, verscheurden elkander, als een waarschuwend voorbeeld voor hen. Minnegoodjes en engeltjes namen verschrikt de vlucht, en de geschilderde geschiedenis van het martelaarschap kon geene zulke foltering vertoonen.

Evenwel was mevrouw Skewton zoo opgetogen over het gezicht, waarop Carker hare aandacht vestigde, dat zij zich niet onthouden kon half luid te zeggen, hoe vol ziel en gevoel het was! Edith hoorde haar, zag om en kreeg van verontwaardiging een blos tot over het voorhoofd.

“Mijne lieve Edith weet wel dat ik haar stond te bewonderen,” zeide Cleopatra, haar bijna schroomvallig met hare parasol op den rug tikkende. “Niet waar, liefje?”

Wederom zag Carker den zielestrijd, waarvan hij tusschen het geboomte zoo onverwacht getuige was geweest. Wederom zag hij die trotsche onverschilligheid en lusteloosheid terugkomen en hare gemoedsbeweging als achter eene wolk verbergen.

Zij sloeg hare oogen niet naar hem op, maar met eene kleine, gebiedende beweging daarvan scheen zij hare moeder te bevelen, om bij haar te komen. Mevrouw Skewton achtte het raadzaam dien wenk te verstaan, en met hare twee cavaliers snel nader komende, bleef zij van dien tijd af bij hare dochter.

Carker, die nu niets meer had om zijne aandacht af te trekken, begon over de schilderijen te spreken, en wees de beste aan Dombey. Hij sprak met zijne gewone ongedwongene erkentenis van Dombey’s grootheid, en bewees hem hulde door zijn tooneelkijker voor hem op de rechte maat uit te schuiven, iets in den catalogus voor hem op te zoeken, zijn stok vast te houden, en dergelijke. Deze diensten waren echter, om de waarheid te zeggen, niet zoozeer van Carker afkomstig als van Dombey zelven, die wel genegen was om zijn oppergezag te doen blijken, door op eene voor hem ongedwongene manier te zeggen: “Hier, Carker, wilt ge zoo goed zijn om mij eens te helpen?” hetgeen de glimlachende dienaar dan altijd met genoegen deed.

Zij bezichtigden zoo de schilderijen, de muren, het kraaiennest, en zoo voort; en daar zij nu één gezelschap uitmaakten, en de majoor, die, zoolang zijne spijsvertering duurde, slaperig was, zich in de schaduw hield, werd Carker zeer spraakzaam en onderhoudend. Eerst richtte hij grootendeels het woord tot mevrouw Skewton, maar daar deze fijngevoelige dame, na het eerste kwartieruurs, zoo verrukt over de kunstwerken was, dat zij niets anders kon doen dan geeuwen (zij waren zulke volmaakte inspiratiën, merkte zij aan als eene reden voor dit blijk van verrukking) wijdde hij verder zijne opmerkzaamheid aan Dombey. Deze zeide weinig meer dan: “Wel waar, Carker,” of “inderdaad, Carker,” maar moedigde hem toch stilzwijgend aan om voort te gaan, en was bij zich zelven zeer tevreden over zijn gedrag, daar hij het zeer goed vond dat er iemand praatte en meende dat zijne geestigheden, die als het ware eene bijzaak van het kantoor waren, mevrouw Granger misschien zouden amuseeren. Carker, die wel wist wat hij deed, nam nooit de vrijheid om die dame rechtstreeks aan te spreken: maar zij scheen toch te luisteren, hoewel zij hem nooit aanzag, en een paar malen, toen zijne eigenaardige nederigheid bijzonder uitkwam, vloog die schemering van een glimlach over haar gelaat, niet als een licht, maar als eene donkere, zwarte schaduw.

Toen Warwick Castle zoo tamelijk, en de majoor geheel uitgeput was—om niet van mevrouw Skewton te spreken, wier eigenaardige blijken van genot zeer veelvuldig waren geworden, ging men weder naar het rijtuig, en reed men naar eenige der meest bewonderde gezichtspunten in den omtrek. Dombey merkte bij een daarvan met complimenteuze statigheid aan, dat eene schets, hoe vluchtig ook, van de schoone hand van mevrouw Granger, eene aangename herinnering van een aangenamen dag voor hem zou zijn; hoewel hij voorzeker geene opzettelijke herinnering noodig zou hebben (hier maakte hij weder een van zijne buigingen) van iets dat hij altijd op hoogen prijs zou stellen. Withers, die Edith’s schetsboek onder den arm had, werd dadelijk door mevrouw Skewton geroepen om het aan te geven; en het rijtuig hield stil, opdat Edith de teekening zou kunnen maken, welke Dombey onder zijne schatten zou bewaren.

“Maar ik vrees dat ik u te veel moeite verg,” zeide Dombey.—“O neen. Waarvan wenscht gij eene schets genomen te hebben?” antwoordde zij, zich naar hem toekeerende met dezelfde gedwongene oplettendheid als te voren.

Met nog eene buiging, welke de stijfsel in zijne das deed kraken, verzocht Dombey dit aan de kunstenares te mogen overlaten.

“Ik heb liever dat gij zelf kiest,” zeide Edith.—“Als wij dan zeiden hier vandaan,” hervatte Dombey. “Dit schijnt een goed punt te zijn, of—Carker, wat denkt gij?”

Toevallig lag er op den voorgrond, niet ver van daar, een boschje, niet ongelijk aan dat waarin Carker des morgens zijn net van voetstappen had gevlochten, en met eene bank onder één boom, in plaatsing en uitzicht zeer gelijkende naar die, waar zijne wandeling was gestuit.

“Zou ik mevrouw Granger in bedenking mogen geven,” zeide Carker, “dat daar een interessant—bijna een merkwaardig—oogpunt is.”

Zij volgde de richting zijner karwats met hare oogen en sloeg ze toen snel naar zijn gezicht op. Dit was de tweede blik dien zij met elkander wisselden, en hij zou volkomen gelijk aan den eersten zijn geweest, als de uitdrukking niet nog duidelijker geweest was.

“Zou dat u bevallen?” zeide Edith tot Dombey.—“Het zal mij bekoren,” was zijn antwoord.

Het rijtuig reed dus naar de plek die Dombey zou bekoren; en zonder van hare plaats op te staan, opende Edith, met hare gewone trotsche onverschilligheid, haar schetsboek, en begon te teekenen.

“Mijne potlooden zijn allen zonder punt,” zeide zij, ophoudende en ze naziende.—“O mag ik dan,” zeide Dombey. “Of Carker zal dat beter doen, hij verstaat die dingen. Carker, wees zoo goed om die potlooden eens voor mevrouw Granger na te zien.”

Carker kwam met zijn paard dicht bij het portier aan mevrouw Granger’s kant, liet de teugels op den hals van het dier vallen, nam haar met een glimlach en eene buiging de potlooden uit de hand, en puntte ze, zoo in den zadel zittende, op zijn gemak aan. Dit gedaan hebbende, verzocht hij haar ze te mogen vasthouden en haar aan te geven naarmate zij ze noodig had. En zoo bleef Carker, onder vele loftuitingen op mevrouw Granger’s buitengemeen talent, inzonderheid voor boomen, vlak bij haar en keek naar de teekening terwijl zij die maakte; Dombey stond ondertusschen stijf rechtop in het rijtuig, als een hoogst fatsoenlijk spook, insgelijks toe te kijken, terwijl Cleopatra en de majoor dartelden gelijk twee stokoude duifjes hadden kunnen doen.

“Zijt ge daarmede tevreden, of zal ik het nog wat meer afmaken?”

Dombey verzocht er niets meer aan te doen; het was de volmaaktheid zelve.

“Het is buitengemeen,” zeide Carker, bij dien lof al zijn tandvleesch toonende. “Ik had niet gedacht iets zoo schoons—en zoo ongewoons—te zullen zien.”

Dit had op de teekenares niet minder dan op de teekening toepasselijk kunnen zijn; maar Carker’s gezicht was de openhartigheid zelve. En dit bleef het terwijl de teekening voor Dombey geborgen en het schetsboek weder ingepakt werd. Toen gaf hij de potlooden terug (die met eene geringe buiging tot dank voor zijne hulp, maar zonder hem aan te zien, werden aangenomen) hernam de teugels, liet het rijtuig voorbij en reed weder daarachter.

Misschien dacht hij, terwijl hij reed, dat zelfs deze luchtige schets geteekend en aan den eigenaar overgegeven was, alsof zij bedongen en gekocht was. Misschien dacht hij, dat, hoewel zij zoo bereidvaardig in zijn verzoek had bewilligd, haar strak gezicht, over de teekening gebogen, of opgeheven naar de verwijderde voorwerpen die zij afbeeldde, het gezicht eener trotsche vrouw was, gedwongen om zich met iets laags en gemeens in te laten. Misschien dacht hij aan zulke dingen; maar zekerlijk glimlachte hij, en terwijl hij nog scheen rond te zien en de ruime lucht en de beweging te genieten, hield hij in de schuinte het rijtuig altijd scherp in het oog.

Eene wandeling tusschen de spookachtige ruïnen van Kenilworth, en nog eenige ritjes naar nog eenige gezichtspunten, waarvan Edith, gelijk mevrouw Skewton Dombey herinnerde, de meeste reeds had geteekend, gelijk hij gezien had toen hij hare teekeningen doorkeek, brachten den dag verder om. Men reed terug en bracht mevrouw Skewton en Edith naar hare woning. Carker werd door Cleopatra vriendelijk geïnviteerd om des avonds daar met Dombey en den majoor terug te komen, en wat muziek van Edith te hooren, en de drie heeren begaven zich naar hun logement om te dineeren.

Het diner was het pendant van dat van gisteren, behalve dat de majoor vier en twintig uren meer triomfeerend en minder geheimzinnig was. Wederom werd er op Edith gedronken. Wederom was Dombey aangenaam verlegen, en Carker vol belangstelling en lof.

Er was geen ander bezoek bij mevrouw Skewton. Edith’s teekeningen waren door de kamer verstrooid, wat rijkelijker dan gewoonlijk misschien; en Withers, de bleeke page, gaf wat sterker thee rond. Maar zelfs de muziek werd, als het ware, door Edith aan de orde van Dombey uitbetaald, met dezelfde stroeve promptheid. Aldus bij voorbeeld:

“Edith, liefje,” zeide mevrouw Skewton, een half uur na de thee. “Mijnheer Dombey sterft van verlangen om u te hooren, weet ik.”—“Mijnheer Dombey heeft nog leven genoeg om dat zelf te zeggen, mama, twijfel ik niet.”—“Het zal mij ontzaglijk verplichten,” zeide Dombey.—“Wat verlangt gij?”—“Piano?” zeide Dombey aarzelend.—“Wat u belieft. Gij hebt maar te kiezen.”

Zij begon dus met de piano. Eveneens was het met de harp; eveneens met de keus der stukken die zij zong en speelde. Zulk eene ijskoude en gedwongene, en toch vaardige en opzettelijk in het oogloopende bewilliging in de wenschen die hij haar oplegde, was opmerkelijk genoeg om onder al de afwisselingen van het piket-spel Carker’s aandacht te trekken. Ook ontging het hem niet dat Dombey blijkbaar trotsch was op zijne macht en die met zeker welbehagen toonde.